1. Advies bezwaarschriftencommissie.pdf
Tekst van het document
ADVIESCOMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN
Advies aan het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht inzake het bezwaarschrift van de heer B.J. Deenik betreffende het weigeren van een omgevingsvergunning voor het project “Aanvullende nevenfunctie zorg” op de locatie Bethuneweg 3 in Tienhoven.
Uw brief / kenmerk Ons kenmerk Behandeld door Team
: : BZW.1.23.0050.001 : mr. drs. M. Louwe : Juridische zaken
Maarssen : Verzonden : Telefoonnummer : Onderwerp :
12 juni 2023 13 juni 2023 140346 Advies en verslag
ADVIES van de Adviescommissie bezwaarschriften inzake het bezwaarschrift van de heer B.J. Deenik, namens Bas Boterbloem Beheer BV, bijgestaan door de heer mr. R. Visser van Visser en Van Dam, Adviseurs in Omgevingsrecht (hierna: bezwaarmaker), gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: het college) van 12 januari 2023, verzonden 12 januari 2023, inzake het weigeren van een omgevingsvergunning voor het project “Aanvullende nevenfunctie zorg” op de locatie Bethuneweg 3 in Tienhoven. Datum hoorzitting: 21 april 2023 Het verslag van de hoorzitting is als bijlage aangehecht aan dit advies. Procedure Op basis van de Verordening Adviescommissie bezwaarschriften 2016 en hoofdstuk 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) adviseert de Adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) het college over de beslissing op het bezwaarschrift. Advies De commissie adviseert het college om met inachtneming van de overwegingen van de commissie de motivering van het besluit opnieuw te bezien en te onderzoeken of het besluit in stand kan blijven of moet worden herroepen. Op grond van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting komt de commissie aan de hand van de navolgende overwegingen tot dit advies.
Procesverloop Bij besluit verzonden op 12 januari 2023 is Bas Boterbloem Beheer BV een omgevingsvergunning geweigerd voor het project “Aanvullende nevenfunctie zorg” op de locatie Bethuneweg 3 te Tienhoven. Bij brief van 2 februari 2023, ontvangen op 2 februari 2023, is een bezwaarschrift ingediend door B.J. Deenik namens Bas Boterbloem Beheer BV. Bij brief van 2 maart 2023 is namens het college een verweerschrift opgesteld. Bij brief van 10 april 2023 is een aanvullend bezwaarschrift opgesteld waarbij de heer mr. R. Visser van Visser en Van Dam, Adviseurs in Omgevingsrecht, namens Bas Boterbloem Beheer BV een aanvulling op het bezwaar heeft gegeven en tevens wordt gereageerd op het verweerschrift.
U wordt verzocht bij beantwoording ons kenmerk en datum te vermelden Bezoekadres: Endelhovenlaan 1, 3601 GR Maarssen
Correspondentieadres: Postbus 1212 3600 BE Maarssen Tel. 14 0346 Fax (0346) 25 40 10
Op 21 april 2023 heeft een hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden.
Gronden van bezwaar Bezwaarmaker heeft, zakelijk samengevat, de volgende gronden van bezwaar aangevoerd.
1. Er is een vergunning van rechtswege ontstaan. De beslistermijn eindigde op 30 november 2022, zodat een vergunning van rechtswege is ontstaan. Op 4 november 2022 is een verlenging van de beslistermijn gepubliceerd, maar dat is geen bekendmaking. Bezwaarmaker en ook zijn gemachtigde hebben geen bekendmaking via een brief van de verlenging van de beslistermijn ontvangen. Op 12 januari 2023 kon de vergunning niet meer worden geweigerd. 2. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Als nog wel op de aanvraag om de omgevingsvergunning kon worden beslist is het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Juridisch kader In de bijlage bij dit advies is de voor deze zaak relevante wet- en regelgeving opgenomen. Ontvankelijkheid Op grond van artikel 6:7 e.v. van de Awb moet een bezwaarschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het bestreden besluit is bekendgemaakt. Bij besluit verzonden op 12 januari 2023 is Bas Boterbloem Beheer BV een omgevingsvergunning geweigerd voor het project “Aanvullende nevenfunctie zorg” op de locatie Bethuneweg 3 te Tienhoven. Bij brief van 2 februari 2023, ontvangen op 2 februari 2023, is een bezwaarschrift ingediend door B.J. Deenik namens Bas Boterbloem Beheer BV. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend, zodat het bezwaar ontvankelijk is.
Beoordeling van het onderhavige geschil Tijdig genomen besluit? Op 9 september 2022 is de aanvraag ontvangen. Op 2 november 2022 is een “brief verzoek aanvullende gegevens” verzonden. In die brief staat “Het opschorten van de beslistermijn gaat in op de dag na het verzenden van deze brief. De beslistermijn gaat weer lopen op de dag waarop wij de aanvullende gegevens hebben ontvangen”. Volgens het college is op 31 oktober 2022 een brief verzonden. Daarin staat onder meer “Wij verlengen de termijn waarop een beslissing moet worden genomen eenmalig met maximaal 6 weken”. Bezwaarmaker bestrijdt dat die brief is verzonden en in ieder geval is deze brief niet ontvangen. De aanvullende gegevens worden ontvangen op 29 november 2022. De vergunning wordt geweigerd op 12 januari 2023. Het voorgaande betekent dat de beslistermijn van 8 weken eindigde op 4 november 2022. Door de verlenging van de beslistermijn met 6 weken eindigde deze op 16 december 2022. Door de opschorting van de termijn bij brief van 2 november 2022, ervan uitgaande dat die is verzonden, wordt de beslistermijn opgeschort van 3 november – de dag na verzending van de brief – tot en met 28 november 2022. Dat betekent dat de termijn met 26 dagen is opgeschort. De beslistermijn gaat immers weer lopen op de dag dat de aanvullende gegevens zijn ontvangen, zoals in de brief van 2 november staat.
Dit is ook overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:15 Awb waarin staat:
pagina 2
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan: a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (…) Het voorgaande betekent dat de beslistermijn 26 dagen na 16 december, dus op 11 januari 2023 afliep, zodat het college te laat op de aanvraag heeft beslist. Uit het vorenstaande volgt dat de commissie het standpunt van het college dat uit artikel 4:15, lid 1 onder a, van de Awb volgt dat de opschorting eindigt op de dag dat de aanvullende gegevens zijn ontvangen, te weten op 29 november 2022, niet deelt. Dat de aanvullende gegevens pas op 29 november 2022 om 17.35 uur zijn ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. In artikel 4:15 lid 1 onder a van de Awb wordt immers beschreven dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. De commissie wijst in dit verband ook op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS: 2012:BX5934, en van 18 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:1849. Van rechtswege verleende omgevingsvergunning? Hoewel het college te laat op de aanvraag heeft beslist, is de commissie van oordeel dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan.
Zij overweegt daarover het volgende. Er ontstaat geen vergunning van rechtswege als aan de aanvraag om omgevingsvergunning alleen kan worden meegewerkt via toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De commissie verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 6.3 van de uitspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2017:2941, waarin het volgende wordt overwogen: "6.3......Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo. Nu niet is betwist dat geen van de in artikel 5, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht genoemde gevallen zich voordoet en de artikelen 2 en 4 van bijlage II van het Bor niet van toepassing zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, onder 3˚, van de Wabo vergunning zou kunnen worden verleend. Dit betekent dat op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de uniforme openbare voorbereidingsprocedure op de aanvraag van [appellant] van toepassing is. Dit betekent tevens dat van een verlening van de omgevingsvergunning van rechtswege geen sprake is.” Voorts is de volgende uitspraak van belang.
Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:483, dient het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig te bezien welke procedure daarop ingevolge de Wabo van toepassing is. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dit betekent dat indien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, omdat de aangevraagde activiteit binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid valt maar niet binnen de daarvoor
pagina 3
geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag wordt genomen, uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met 4:20b, eerste lid, van de Awb, volgt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, ongeacht of de aangevraagde activiteit voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid. In dit verband moet de reikwijdte van de bevoegdheid om binnenplans van het bestemmingsplan af te wijken voor een project dus worden onderscheiden van de voorwaarden om toepassing te geven aan de bevoegdheid, voor zover in die voorwaarden voor het bestuursorgaan beoordelingsruimte besloten ligt. Na afloop van de volgens de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn bestaat geen mogelijkheid meer om te besluiten of aan die voorwaarden is voldaan. In de aanvraag om omgevingsvergunning is in het algemene deel gesteld dat het project ziet op ‘gebruik huidige agrarische bedrijfsruimten met nevenactiviteit zorg aanvullen’. Verder is aangegeven dat hiervoor binnenplans kan worden afgeweken. Het college heeft bij brief van 22 oktober 2022 verzocht om de aanvraag aan te vullen. Naast de vraag waar de nevenactiviteit zorg uit gaat bestaan, is verzocht om een duidelijke beschrijving te geven van het huidige agrarische gebruik van het perceel.
In antwoord hierop heeft bezwaarmaker onder andere aangegeven dat voor de dagbesteding er ruimte zal worden geboden voor 6-8 personen, waarbij men zich richt op cliënten met (beginnende) dementie, (lichte) lichamelijke en/of verstandelijke beperking, en of senioren die hun sociaal isolement willen doorbreken. De begeleiding wordt hierbij verzorgd door de zorgboer of boerin zelf. Met het oog op de ligging binnen een kwetsbaar gebied en het terugdringen van de stikstofbelasting door intensieve veehouderij kiest men voor de kleinschalige en niet-intensieve duurzame agrarische invulling. Verder is gesteld dat door de aanwezigheid van diverse ruimten en groenvoorzieningen er vele mogelijkheden zijn om groene activiteiten te ontplooien. Er is altijd wel wat te beleven op de boerderij: het kleinvee, kippen moeten worden verzorgd, de boomgaard en groentetuin moeten bewerkt worden. De commissie stelt vast dat geen omschrijving is gegeven van het huidige agrarische gebruik van het perceel, ook al heeft het college hierom verzocht.
Gelet op de beschrijving in de aanvulling op de aanvraag en het ontbreken van een beschrijving van het huidige agrarische gebruik, heeft het college naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs kunnen aannemen dat de aanvraag feitelijk geen betrekking heeft op een nevenactiviteit zorg bij een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 5.5.3 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied Maarssen”. Niet in geschil is dat de aangevraagde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. De commissie is van oordeel dat de aangevraagde activiteit niet binnen de reikwijdte van de in artikel 5.5.3 van het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid valt, nu volgens de aanvraag geen sprake is van een nevenfunctie naast een grondgebonden veehouderij. Verder zijn de artikelen 2 en 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht niet van toepassing, zodat slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, onder 3˚, van de Wabo vergunning zou kunnen worden verleend voor de aangevraagde activiteit. Dit betekent dat de reguliere voorbereidingsprocedure niet van toepassing is. Dat die wel is gevolgd door het college maakt niet dat er sprake is van een vergunning van rechtswege. In dit verband wijst de commissie op de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2941.
Terecht geweigerde omgevingsvergunning? Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat geen sprake is van een grondgebonden veehouderijbedrijf, zodat er ook geen sprake kan zijn van een nevenactiviteit zorg. Tijdens de hoorzitting heeft bezwaarmaker gesteld dat de bij het bouwperceel Bethuneweg 3 in eigendom behorende percelen in gebruik zijn gegeven aan een andere agrariër. Ook is gewezen op andere feiten, zoals de inschrijving van VOF de Bethune in de Kamer van Koophandel, die volgens
pagina 4
bezwaarmaker wijzen op de exploitatie van een grondgebonden veehouderijbedrijf ter plaatse. Bij de te nemen beslissing op bezwaar dient het college, nu dit nieuwe feiten en omstandigheden zijn, te bezien of dit moet leiden tot een herroeping van het primaire besluit. Daarbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323) geen nieuwe aanvraag nodig is als de wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard is. Mocht het college niet tot herroeping besluiten, dan geeft de commissie het college in overweging, gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, bij de te nemen beslissing op bezwaar alsnog te motiveren waarom hij niet bereid is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een (zelfstandige) zorgfunctie nu deze de facto is aangevraagd.
Conclusie Gelet op het voorgaande adviseert de commissie het college om: - met inachtneming van de overwegingen van de commissie de motivering van het besluit opnieuw te bezien en te onderzoeken of het besluit in stand kan blijven of moet worden herroepen; - het verzoek om vergoeding van proceskosten af te wijzen. Stichtse Vecht, 12 juni 2023
Secretaris
mr. drs. M. Louwe
Voorzitter
mr. S. Gangabisoensingh
pagina 5
Bijlage juridisch kader Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 3.9 1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. (…) 2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.(…) 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. (…) Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 1, onder 3o. Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a. Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 5, eerste lid, van bijlage II Artikelen 2 en 4 van bijlage II Algemene wet bestuursrecht Paragraaf 4.1.3.3 over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Artikel 4:15 1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan: a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, (…) Artikel 3.10 lid 4 (geen vergunning van rechtswege wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is).
Bestemmingsplan “Landelijk gebied Maarssen” Artikel 5 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden (…) 5.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. grondgebonden veehouderijbedrijven; (…) 4. behoud en versterking en herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden, in de vorm van: de zeer lange opstrekkende verkavelingen, soms in waaiervorm; de cultuurhistorisch waardevolle verveningsrestanten, petgaten, trilveengebieden, rietland, legakkers, watergangen en plassen; de restanten van eendenkooien, jaagpaden, kaden en weteringen; het graslandkarakter; karakteristieke lintbebouwing langs ontginningsassen met waardevolle boerderijen; pagina 6
de karakteristieke erfindeling; de openheid van de verboden kringen en de inundatiegebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie; de aanwezigheid van broed-, water- en moerasvogels; 5. groene en blauwe diensten als nevenfunctie; 6. verkoop van streekeigen producten als nevenfunctie; 7. extensief recreatief medegebruik; 8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilplaten': uitsluitend kuilplaten; met daarbij behorende: 1. erven; 2. groenvoorzieningen en water; 3. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; 4. overig functioneel met de bestemming verbonden voorzieningen; 5.5.3 Ten behoeve van nevenfuncties a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 en 5.4 ten behoeve van een of meer van de nevenfuncties zoals opgenomen in tabel 5.1, met dien verstande dat: 1. de activiteiten binnen het bouwvlak plaatsvinden; (…) 4. de nevenfuncties een ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsvoering uit dienen te maken en mogen in geen geval een grotere bebouwd oppervlakte beslaan dan 300 m²; 5. nevenfuncties milieuhygiënisch inpasbaar zijn; 6. omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt; 7. de bestaande natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden zoals genoemd in lid 5.1 onder a sub 4 niet onevenredig worden aangetast; 8.
de beoogde natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast; 9. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van nevenfuncties in verhouding staan tot de capaciteit van de betrokken wegen; 10. parkeren op eigen erf plaatsvindt; 11. het geen activiteiten betreffen uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 alsmede in de gevallen zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage; Tabel 5.1 Niet-agrarische nevenfuncties waarvoor het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken nevenactiviteiten (…) zorgboerderij Artikel 1 1.59 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel. pagina 7
ZAKELIJK VERSLAG van de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften inzake het bezwaarschrift van de heer B.J. Deenik, namens Bas Boterbloem Beheer BV, bijgestaan door de heer mr. R. Visser van Visser en Van Dam, Adviseurs in Omgevingsrecht (hierna: bezwaarmaker), gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (hierna: het college) van 12 januari 2023, verzonden 12 januari 2023, inzake het weigeren van een omgevingsvergunning voor het project “Aanvullende nevenfunctie zorg” op de locatie Bethuneweg 3 in Tienhoven. Datum hoorzitting: 21 april 2023 Zaaknummer: BZW.1.23.0050.001 Aanwezig namens de adviescommissie bezwaarschriften: Dhr mr. S. Gangabisoensingh, voorzitter Mw. mr. J. Heijerman, lid Dhr. mr. L. van Raaij, lid bijgestaan door de heer mr. drs. M. Louwe, secretaris Aanwezig (namens) bezwaarmaker: Dhr. B.J. Deenik, namens Bas Boterbloem Beheer BV, bijgestaan door de heer mr. R. Visser van Visser en Van Dam, Adviseurs in Omgevingsrecht en de heer P. Zuidema van GPZ bureau bouwkunde. Aanwezig namens het college: Mw. mr. A. Lagarde De voorzitter opent de hoorzitting en legt de taak van de commissie en de procedurele gang van zaken uit. Door bezwaarmaker wordt een ondertekende verklaring overgelegd van de heer P. Zuidema met datum 20 april 2023. Ook wordt een door W.B.
van der Linden, vennoot van VOF de Bethune, ondertekende verklaring overgelegd over de “agrarische bedrijfsvoering Bethuneweg 3 Tienhoven VOF de Bethune. De commissie en de vertegenwoordiger van het college nemen daar kennis van en nemen de verklaringen in ontvangst. De aanwezigen lichten hun standpunten toe. Onder meer komen aan de orde de brief van 31 oktober 2022 over de verlenging van de beslistermijn en dan met name de vraag of deze brief is verzonden, de vraag of de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen op 11 of 12 januari 2023 afliep en de vraag of, indien het college nog bevoegd was om op de aanvraag een besluit te nemen, of de omgevingsvergunning terecht is geweigerd. Voor wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak licht de heer Visser de historie toe. De heer Deenik was aanvankelijk van plan het perceel een recreatieve functie te geven, maar kreeg daar geen medewerking voor. Toen is contact gelegd met VOF de Bethune. Dat heeft geleid tot een samenwerking en de agrarische bedrijfsvoering is toegelicht in de verklaring die is overgelegd. Er is een vergunning verleend voor een machineberging die bedoeld was voor de bedrijfsvoering van VOF de Bethune. Vervolgens is het idee ontstaan voor een zorgfunctie gelet op de behoefte die bestaat en betere exploitatiemogelijkheden.
Bas Boterbloem Beheer BV investeert in het gebouw en zet dit vervolgens in de markt bij zorgaanbieders. Daarbij wordt samengewerkt met VOF de Bethune. Na het realiseren van de zorgfunctie kunnen de andere opstallen ook worden opgeknapt. De zorgfunctie functioneert als kostendrager. Op vragen van de commissie naar de agrarische bedrijfsvoering antwoordt de heer Deenik dat hij niet begrijpt dat er twijfels zijn over het agrarische gebruik. Eerder zijn ook vergunningen verleend ten behoeve van dit gebruik en de percelen worden agrarisch gebruikt.
pagina 8
Mevrouw Lagarde licht toe hoe de vergunning voor de machinestalling – nu gelegen aan de Bethuneweg 5 - tot stand is gekomen. Aanvankelijk was de aanvraag hiervoor geweigerd, onder meer omdat deze buiten het bouwvlak lag. Verder speelde de vraag of Bas Boterbloem Beheer BV als niet agrariër een machinestalling kon aanvragen. Het bleek dat dit mogelijk was. Vervolgens is de beslistermijn overschreden en is een vergunning van rechtswege ontstaan. VOF de Bethune zou de machinestalling gaan gebruiken, maar deze is nog niet gebouwd. Op vragen van de commissie naar het gebruik van de percelen grond van Bas Boterbloem Beheer BV antwoordt mevrouw Lagarde dat er op dit moment geen agrarische activiteiten worden waargenomen. In de aanvraag is gevraagd duidelijk aan te geven wat het huidige agrarische gebruik is. In de aangeleverde informatie – een A4-tje- staat daarover niets in. Ook dat wat nu wordt overgelegd en gesteld over het agrarische gebruik was ten tijde van de behandeling van de aanvraag onbekend. Op basis van de aangeleverde informatie bij de aanvraag hebben wij niet kunnen vaststellen dat er sprake is van agrarische bedrijfsvoering. Daarin ligt de kern van de weigering van de omgevingsvergunning.
Op vragen van de commissie of er dan vervolgens niet gekeken wordt of het op andere wijze mogelijk kan worden vergund, bijvoorbeeld een vrijstelling met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure antwoordt mevrouw Lagarde dat dit niet het geval is. Dan zou er andere aanvraag moeten liggen. De aanvraag wordt niet gezien als een aanvraag voor strijdig gebruik, maar om het toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de zorgfunctie als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf. Als een aanvraag voor een projectbesluit zou zijn gedaan voor een zelfstandige zorgfunctie zou dit op zijn eigen merites worden beoordeeld. De heer Visser licht nogmaals toe dat de agrarische functie een gegeven is en verwijst hiervoor ook naar de van rechtswege verleende vergunning voor de machinestalling. Het gebeurt vaker dat agrarische bebouwing elders aanwezig is op een nevenlocatie en niet de hoofdvestiging. In de reactie op het verzoek om aanvullende informatie ten tijde van de aanvraag is daarom vooral ingegaan op de zorgfunctie. De heer Deenik vult aan dat de gronden van ook Bethuneweg 3 onderdeel uitmaken van de exploitatie van VOF de Bethune. De heer Van der Linden is eventueel bereid dat onder ede te verklaren als dat nodig is. Voor een meer haalbare exploitatie is de aanvraag gedaan voor de 300 m2 aan zorgfunctie die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
De heer Visser verwijst nog naar het standpunt van de commissie bezwaarschriften inzake de machinestalling. Toen is de conclusie getrokken dat de aanvraag niet door een agrariër hoeft te worden gedaan, voldoende was dat de exploitatie lag bij een agrarisch bedrijf. Op vragen van de commissie antwoordt de heer Deenik dat de gronden nu bij Vof de Bethune in beheer zijn en dat ook blijven. Voor wat betreft de gebouwen, onder meer ook het onderdeel met de zorgfunctie- zullen er afspraken worden gemaakt met partijen als er een vergunning is. Mevrouw Lagarde reageert nog op hetgeen door de Visser is gesteld. Het college is van oordeel dat de aanvraag voor de machinestalling kan worden gedaan door een niet-agrariër, dat is uitgezocht door de huisadvocaat. Het college heeft niet geoordeeld – ondanks de vergunning van rechtswege – dat er sprake is van een agrarisch bedrijf ter plaatse. De agrarische hoofdfunctie is onvoldoende aangetoond ook nadat om aanvullende gegevens is gevraagd. De commissie vraagt wat het college nodig heeft om vast te stellen of er een agrarische hoofdfunctie is. Mevrouw Lagarde antwoordt dat er meer informatie over de huidige agrarische bedrijfsvoering moeten worden verstrekt. Dat wat nu is overgelegd, was nog niet bekend. Zij geeft aan nu niet te kunnen beoordelen of dat voldoende is om vast te stellen dat er sprake is van een agrarisch bedrijf.
De heer Visser vindt het positief te horen dat het college aangeeft, ook als de agrarische functie niet is aangetoond, te willen kijken of een zorgfunctie – niet als nevenfunctie - mogelijk is. Hij blijft wel van oordeel dat het niet nodig is, gelet op het bestemmingsplan, dat de hoofdvestiging van het agrarisch bedrijf op de percelen van Bas Boterbloem Beheer BV moet zijn gelegen. Voldoende moet zijn dat de agrarische activiteiten zich richten op het houden van een grondgebonden veehouderij. Dat is het geval, de inschrijving van VOF de Bethune bij de Kamer van Koophandel wijst dat ook uit. Het is
pagina 9
bovendien een groot bedrijf met drie vennoten en personeel. Hij biedt aan meer informatie aan te leveren als dat nog nodig is. De commissie vraagt aan mevrouw Lagarde of er wel sprake kan zijn van een van rechtswege verleende vergunning als de aanvraag alleen ingewilligd kan worden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, omdat er geen sprake is van een agrarisch bedrijf. Mevrouw Lagarde zegt dat de reguliere procedure van toepassing is. Dat hebben wij ook aangegeven. De aanvraag was om de nevenfunctie ‘zorg’ die in het bestemmingsplan als mogelijkheid is opgenomen te gebruiken. Er is niet gevraagd om een ander gebruik van het perceel. Nadat alle aanwezigen hun standpunten voldoende hebben toegelicht sluit de voorzitter de zitting. Maarsen, 21 april 2023 Secretaris
mr. drs. M. Louwe
Voorzitter
mr. S. Gangabisoensingh
pagina 10