Verordening Wmo 2024-1 def
Tekst van het document
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en - met inachtneming van de daarvoor
geldende regels - de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan
tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Op grond van het tiende lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te
beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de
opname als de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een cliënt
tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening of pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te
schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zie artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.
40
Artikel 19. Terugvordering pgb bij de pgb-aanbieder (derdenbeding in overeenkomst met cliënt
Het college kan onder omstandigheden ook rechtstreeks de zorgverlener aanspreken. In de
zorgovereenkomst tussen de cliënt en de aanbieder /zorgverlener moet namelijk een zogenaamd
'derdenbeding' zijn opgenomen (artikel 2a lid 2 onderdeel c Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Hiermee
heeft het college een contractuele mogelijkheid om zorgverleners aan te spreken tot terugbetaling van het bedrag dat ten onrechte ten laste van het pgb is betaald aan die zorgverlener. De onterechte betaling moet wel zijn veroorzaakt door toerekenbaar handelen van die zorgverlener.
Een derdenbeding is nodig omdat geen directe relatie tussen de pgb-verstrekker (het college) en de
zorgverlener bestaat. Het pgb wordt immers verstrekt aan de budgethouder, die zelf de overeenkomst
sluit met de zorgverlener. Door verplichte opname van het derdenbeding worden budgethouders die te goeder trouw zijn en niets te verwijten valt, ontlast.
De mogelijkheid om de zorgaanbieder contractueel aan te spreken bestaat naast de mogelijkheid om de zorgaanbieder aan te spreken op grond van artikel 2.4.1 Wmo 2015. Het college heeft op grond van dit artikel ook de mogelijkheid om terug te vorderen van degene die opzettelijk zijn of haar medewerking heeft verleend aan het onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens. Dat kan ook de zorgverlener zijn.
Voorwaarden voor een beroep op het derdenbeding Het college heeft een vordering op de zorgverlener op grond van het derdenbeding indien is voldaan aan een tweetal voorwaarden: I.
het college heeft het pgb ingetrokken of herzien; en
II.
de intrekking of herziening is het gevolg van het toerekenbaar handelen van de zorgverlener.
Geen terugvordering bij cliënt Indien het college besluit tot terugvordering bij de zorgverlener dan zal de cliënt niet geconfronteerd worden met een terugvordering.
Artikel 20. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.
De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.
De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet) en in het Besluit
maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). In geval geen of minder gebruik van de maatwerkvoorziening
ondersteuning (bv door ziekte of ziekenhuisopname) wordt na 4 weken de indicatie en daarmee de
hoogte van de eigen bijdrage van de maatwerkvoorziening ondersteuning hierop (tijdelijk) aangepast. Het is aan de gemeente om de hoogte van het persoonsgebonden budget te bepalen. Hierbij geldt als
voorwaarde dat het persoonsgebonden budget toereikend moet zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3 .6 lid 1 Wmo 2015 en artikel 2.1.3 lid 2 onder b Wmo 2015).
In artikel 20, lid 6 wordt beschreven dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders.
41
In artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de onderhoudsplichtige ouder
tevens wordt verstaan de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, alsmede de persoon die
als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Deze personen zijn als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b.
Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind. Indien er geen ouders
meer zijn, dan gaat de onderhoudsplicht over op de voogd. De voogd hoeft de onderhoudsplicht niet uit eigen middelen te betalen, maar kan beschikken over het vermogen van het minderjarige kind waaruit
de kosten eventueel kunnen worden gedekt. Als dit vermogen gering is, zal de eigen bijdrage voor een woningaanpassing beperkt zijn tot de minimale eigen bijdrage.
Beschermd wonen valt niet onder het abonnementstarief, omdat het om een intramurale
ondersteuningsvorm gaat, waarbij huisvesting en de meeste dagelijkse behoeften door een instelling
worden geleverd. Beschermd wonen omvat (volgens de definitie in artikel 1.1.1 Wmo 201 5) altijd een verblijfscomponent, óók wanneer het in de vorm van een pgb verstrekt wordt. Voor de hoogte van de
eigen bijdrage voor beschermd wonen wordt sinds 1 januari 2020 geen onderscheid meer gemaakt in verstrekkingsvorm. Zowel beschermd wonen in natura als via een pgb, valt vanaf dan onder de intramurale bijdragesystematiek die ook geldt in de Wet langdurige zorg (Wlz).
De bijdrage bedraagt per maand een twaalfde deel van het bijdrageplichtig inkomen, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 3.11lid 2 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Het bijdrageplichtig inkomen wordt door het CAK berekend aan de hand van de bepalingen hierover in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Voor beschermd wonen betalen cliënten de eerste 4 maanden een lage bijdrage. Daarna betalen cliënten
meestal een hoge bijdrage. Er zijn echter uitzonderingen, bijvoorbeeld als de partner van de cliënt nog thuis
woont of de cliënt nog moet voorzien in de kosten van kinderen (artikel 3.12 lid 1 en lid 2 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).
Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de
wet, waarin is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieder. In het eerste lid staan de globale kwaliteitscriteria vermeld waardoor aanbieders in ieder geval zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en voor deskundigheid van beroepskrachten .
Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliënt-ervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op
gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld
ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen 42
die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder
rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede
verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de
kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-
kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.
De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen
worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).
Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een
algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten
als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op
diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 265, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het
college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 22 zien dan ook niet toe op subsidies. Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties.
Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen.
Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het
vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het
Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd,
zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs.
De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 22. Het betreft de kosten van de
beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Voor de uitvoeringspraktijk zijn
handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs.
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht (artikel 3,
derde lid, onderdeel a,-een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke
verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het
gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich mee brengt. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de
arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3,
tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste 43
activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden
gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde
bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve
arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de
gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden
grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve
arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde
collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet
productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst (derde lid, onderdeel e) en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals
rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.
Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de
aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2:129 van de
Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium
van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium "economisch
meest voordelige inschrijving" in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij
toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen . De toepassing van het criterium "prijs"
betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij
aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers
44
komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van
de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.5 van de wet. Het is dus van belang
om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialisten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.
Lid 1. In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens
voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Lid 2. Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van
die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling
van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder
die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Lid 3. Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kost prijselementen.
Lid 4. Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 201 5 en is hier opgenomen ter wille
van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 22. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Lid 5. Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 201 5 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 22. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een
rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
NB Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt in werking per 1 juni 2017. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 22 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing).
Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en
ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten
alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4 (artikel 22 van de verordening).
45
Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is
opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die
een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is.de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.
Artikel 25. Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke
bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).
In de memorie van toelichting (Kamerstukken Il 2013/14, 33841, nr.3, blz.57-58) staat dat cliënten in
beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend
voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de
betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in
behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.
In het tweede lid is aangegeven hoe het college toezicht houdt op de naleving van de klachtenregeling.
Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder
geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het eerste lid is
uitgewerkt dat aanbieders van een bepaalde dienst een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). Dit artikel betreft aanbieders van diensten Wmo maatwerkvoorzieningen. Dit artikel bedoeld geen leveranciers van hulpmiddelen.
In het tweede lid is aangegeven hoe het college toezicht houdt op de naleving van de medezeggenschapsregeling.
Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. 46
In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de
bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Artikel 28. Hardheidsclausule, situaties waarin de verordening niet voorziet De Wmo biedt maatwerk. Op grond hiervan zal het college er niet aan ontkomen om, ook als er een
zorgvuldige afweging is gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
De hardheidsclausule kan worden toegepast indien er in een specifieke situatie sprake is van een niet billijke situatie. Deze afweging blijft echter een uitzondering en wordt alleen toegepast bij zeer bijzondere
omstandigheden. In situaties waarin de verordening niet voorziet heeft het college de bevoegdheid te beslissen.
Artikel 29. Evaluatie De wet vereist evaluatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid deze evaluatie in tijd vast te leggen.
Artikel 30. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening.
In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn
ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening.
In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan.
47