CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

vast te stellen bestemmingsplan Stationsstraat 172 te Elsloo

Besluitvormende raadsvergadering 14 maart 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Vaststelling bestemmingsplan Stationsstraat 172 te Elsloo30.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Hoofdstuk 4

52

van Wessem, waar de Maas het laagland binnentreedt en uiterwaarden vormt, bevinden zich als resultante van vroegere ontgrondingen ten behoeve van klei- en grindwinning enkele moerasgebieden (waaronder Koningssteen) die deel uitmaken van het Natura 2000 gebied. In de toekomst vindt in het Grensmaasgebied op grote schaal natuurontwikkeling plaats in het kader van het gelijknamige Grensmaasproject, dat naast de vorming van nieuwe natuur ook hoogwaterbestrijding en grindwinning beoogt. Na voltooiing van de werkzaamheden kan hier een gevarieerd landschap ontstaan met voedselrijke plassen, ruigten, graslanden en rivierbossen. Met de effectenindicator is inzichtelijk gemaakt welke mogelijke effecten het project heeft op het gebied.

Van oppervlakteverlies en versnippering is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Van verontreiniging en verdroging is geen sprake doordat de woningen op duurzame wijze worden gebouwd en gasloos worden gerealiseerd. De ontwikkeling heeft geen invloed op de grondwaterstanden in het gebied. Gezien de afstand tot het gebied kan worden gesteld dat er ter plaatse geen sprake zal zijn van verstoring door geluid, licht of trilling, optische verstoring of mechanische effecten. Op circa 4,5 kilometer ten oosten van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Dit gebied heeft een oppervlakte van 253 hectare. De Geleenbeek is een zijrivier van de Maas, die langs de noordrand van het Mergelland loopt. De beek ontspringt op de noordflank van het Plateau van Ubachsberg even ten zuidwesten van Heerlen en stroomt vervolgens in noordwestelijke richting naar Geleen en van daar naar de Maas. Het reliëfrijke beekdal wordt gevoed met kwelwater waardoor soortenrijke broekbossen en natte graslanden worden aangetroffen, met daarin onder meer de grootste populatie in ons land van de zeggekorfslak. Van grote betekenis is ook het kalkmoeras van de Kathagerbeemden met zeldzame soorten als schubzegge en gele zegge. Met de effectenindicator is inzichtelijk gemaakt welke mogelijke effecten het project heeft op het gebied.

Hoofdstuk 4

53

Van oppervlakteverlies en versnippering is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Van verontreiniging en verdroging is geen sprake doordat de woningen op duurzame wijze worden gebouwd en gasloos worden gerealiseerd. De ontwikkeling heeft geen invloed op de grondwaterstanden in het gebied. Gezien de afstand tot het gebied kan worden gesteld dat er ter plaatse geen sprake zal zijn van verstoring door geluid, licht of trilling, optische verstoring of mechanische effecten. Gebiedsbescherming – Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt in Nederland al jaren een knelpunt bij de beoordeling van bestemmingsplannen en projecten. Dit wordt veroorzaakt doordat de toegestane stikstofdeposities in een groot gedeelte van de ruim 160 aanwezige Natura 2000-gebieden in Nederland wordt overschreden. Op 15 juli 2015 was het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden om het knelpunt op te lossen. Dit programma is echter onverbindend verklaard, omdat de Raad van State in hun uitspraak van 29 mei 2019 heeft geconstateerd dat de werking van de PAS in strijdt is met artikel 6, lid 3 van de Europese Habitatrichtlijn. Concreet betekent dit dat de stikstofdepositie bij nieuwe plannen en projecten getoetst dient te worden aan het kader dat gold voor de invoering van de PAS, oftewel direct aan de eisen vermeld in de Habitatrichtlijn.

Er is door Swentibold een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase9 als gebruiksfase10 voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

9

Swentibold, Aerius projectberekening aanlegfase 4219 Stationsstraat Elsloo, kenmerk RovdkBgWQig4, d.d. 10 februari 2023. Swentibold, Aerius projectberekening gebruiksfase 4219 Stationsstraat Elsloo, kenmerk RYG1mg8LmcUb, d.d. 7 februari 2023.

10

Hoofdstuk 4

54

Uit de rekenresultaten voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie onder de 0,00 mol/ha/jr. grenswaarde komt. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het project doorgang kan vinden zonder dat een ontheffing ‘Wet natuurbescherming’ benodigd is. Gebiedsbescherming – provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen natuurgebieden die op basis van provinciale wet- en regelgeving bescherming genieten. Dit betreffen op basis van de Omgevingsverordening Limburg (2021) de gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Limburg en de groenblauwe mantel. Het meest dichtbij gelegen onderdeel van de groenblauwe mantel ligt op circa 340 meter ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg ligt op ruim 1 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien deze grote afstanden en de aard van de beoogde ontwikkeling zijn negatieve effecten op het Natuurnetwerk Limburg en de groenblauwe mantel op voorhand uitgesloten. Soortenbescherming Om de effecten van het planvoornemen ten aanzien van beschermde soorten te beoordelen is een quickscan ecologische waarden11 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in de bijlagen.

Op basis van het onderzoek is het volgende geconcludeerd:  Er treden geen overtredingen op van verbodsbepalingen door de herbestemming en voorgenomen ingrepen op broedvogels met jaarrond beschermde nesten, omdat er geen geschikte nestmogelijkheden zijn in de gebouwen en in de (door de letterzetter) aangetaste fijnsparren.  In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd worden dat er in de gebouwen geen sprake is van mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Nader soortgericht onderzoek is daarmee niet aan de orde.  Effecten op essentiële vliegroutes en primair jachtgebied van vleermuizen is op voorhand geheel uit te sluiten. Het gebied zal wel gebruikt worden door vleermuizen als jachtgebied, maar de aantallen en het aantal soorten zal zeer beperkt zijn (omdat habitat zeer eentonig en insectenarm is). In de directe omgeving zijn eveneens marginaal geschikte jachtgebieden aanwezig, die door de te verwachte aanwezige vleermuissoorten gebruikt kunnen worden. Negatieve effecten treden dan ook niet op. Nader onderzoek is daarmee niet nodig  Er zijn geen effecten ten aanzien van amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, overige ongewervelden en grondgebonden zoogdieren.  Algemeen voorkomende soorten kunnen wel aanwezig zijn op de locatie, zoals diverse muizensoorten, egel en dergelijke andere soorten.

Door in de minst kwetsbare periode te werken en vanuit één richting te werken kunnen deze soorten de locatie veilig verlaten en elders plek vinden.  Op basis van deze resultaten kan gesteld worden dat er geen vervolgonderzoeken noodzakelijk zijn. Ook is er geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende maatregelen in het kader van de Wet natuurbescherming.  De herbestemming en ruimtelijke ingrepen kunnen dan ook uitgevoerd worden zoals beoogd.  Geadviseerd wordt om de ingrepen zoveel als mogelijk buiten de broedperiode van vogels (dus buiten half maart -half juli) uit te voeren, om daarmee verstoring van broedvogels te minimaliseren/voorkomen.

11

Ecolybrium, Quickscanonderzoek Ecologische Waarden Stationsstraat 172, te Elsloo, Kenmerk: 21-977, d.d. 27 juli 2023

Hoofdstuk 4

55

Wat betreft de begroeiing in het plangebied wordt opgemerkt dat deze bestaat uit een beboste strook aan de zuidzijde van het plangebied. Deze bestaat uit enkele loofbomen, maar vooral uit een groot aantal fijnsparren, waarvan er diverse dood zijn gegaan door de letterzetter of door de wind zijn omgevallen. De aanwezige struikbeplanting is zeer monotoon en verwilderd. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het bestaande groen in het plangebied niet of nauwelijks ecologische waarde heeft. 4.7.3 Conclusie Vanuit ecologisch oogpunt bestaat er geen belemmering tegen de voorgenomen planontwikkeling aan de Stationsstraat 170-172.

4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN-5725, NEN5740 en NEN-5707 richtlijnen noodzakelijk. 4.8.2 Onderzoek Aelmans heeft een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek12 uitgevoerd in het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat ondanks de licht verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond, er vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen belemmering bestaat voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de bouwplannen.

Uitzondering vormt de sterk met asbest en zink verontreinigde gronden die in het plangebied zijn aangetroffen. In de navolgende afbeelding is de ligging van deze gronden weergegeven. Deze dienen gesaneerd te worden om de locatie geschikt te maken voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en de beoogde nieuwbouw. Voor het saneren van de sterk met asbest verontreinigde grond dient een BUS-melding te worden ingediend bij de provincie Limburg en voor de sterke verontreiniging met zink dient er een plan van aanpak te worden opgesteld, alvorens de graafwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De graafwerkzaamheden ter plaatse van de asbestspot dienen onder de BUS conform BRL7000 en BRL6000, en de veiligheidsklasse zwart niet vluchtig te worden uitgevoerd.

12

Aelmans, Verkennend bodem- en asbestonderzoek Stationsstraat 170 te Elsloo (gemeente Stein), rapportnummer E217488.011RI/SBI, d.d. 15 december 2022.

Hoofdstuk 4

56

Figuur 13. Ligging verontreinigingen met asbest (rode arcering) en zink (blauwe arcering) in plangebied

Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Echter zijn wel enkele asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Uit het asbestonderzoek blijkt ter plaatsen van de asbestinspectiegaten 101, 102, 106, 107, 110 en 114 een sterke verontreiniging aan asbest aanwezig te zijn. Op basis hiervan is er een nader asbestonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse van het overige terreingedeelte is er geen asbest boven de detectiegrens aangetoond. In onderhavig onderzoek is de bodemlaag 0,0-0,25 m-mv bemonsterd waarnaar er geen asbestconcentraties tot boven de detectiegrens zijn aangetroffen. Nader asbestonderzoek In totaal zijn er een 13-tal sleuven op de onderzoekslocatie geplaatst. De aangetroffen asbestverdachte plaatmaterialen in sleuf 4 en 7 blijken asbesthoudend te zijn. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat ter hoogte van sleuf 4 en 7 sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De omvang van het sterk verontreinigd gebied met asbest ter plaatse van sleuf 4 en 7, bedraagt circa 190 m2. Uitgaande dat de bodemlaag maximaal 25 centimeter dik is, zal maximaal circa 47,5 m³ sterk verontreinigde grond aanwezig zijn welke gesaneerd dient te worden.

4.8.3 Conclusie Er kan worden gesteld dat ondanks de licht verhoogde concentraties in de boven- en ondergrond, dit vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Hoofdstuk 4

57

Uitzondering vormt de sterk met asbest en zink verontreinigde grond. Deze dienen gesaneerd te worden om de locatie geschikt te maken voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en de beoogde nieuwbouw. Voor het saneren van de sterk met asbest verontreinigde grond zal een BUS-melding worden ingediend bij de provincie Limburg en voor de sterke verontreiniging met zink zal er een plan van aanpak worden opgesteld alvorens de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Nadat de benodigde sanering van de gebieden waar een sterke zink- en asbestverontreiniging is aangetroffen heeft plaatsgevonden, zijn de gronden in het plangebied vanuit milieuhygiënisch perspectief geschikt voor de beoogde woonfunctie. Vanwege de diversiteit in bodemlagen dient men er rekening mee te houden dat voornoemde bodemlagen niet onderling vermengd mogen worden.

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.9.2 Onderzoek Geonius heeft een water- en infiltratieonderzoek13 uitgevoerd voor het plangebied. Dit is onderdeel van een geotechnisch grondonderzoek en ontwerpadvies voor de fundering. Gezien de belastingen als gevolg van de nieuwbouw en de te verwachten bodemopbouw is het project door Geonius conform NEN 9997 ingedeeld in de geotechnische categorie 2 (GC2). Dit betekent dat het terreinen bodemonderzoek moet worden uitgevoerd volgens hoofdstuk 3.2 van NEN 9997 en een onderzoeksrapport dient te worden overlegd conform hoofdstuk 3.4 van NEN 9997. Ten behoeve van het oriënterend grondonderzoek zijn in februari en maart 2022 in totaal 4 diepsonderingen, 2 handboringen en 1 doorlatendheidsmeting uitgevoerd. In de rapportage die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen is het oriënterend grondonderzoek gepresenteerd en een oriënterend advies gegeven. Na de sloop zal het overige grondonderzoek worden uitgevoerd, op basis waarvan de definitieve adviesrapportage zal worden opgesteld. 4.9.3 Conclusie Voor nieuwbouw geldt dat het hemelwater niet meer op het riool mag worden aangesloten.

Voor het verwerken van het hemelwater moet er rekening worden gehouden met infiltratievoorzieningen die een regenbui van 80 mm in 2 uur kunnen bergen en binnen 24 uur leeg zijn om een volgende bui op te kunnen vangen. Op basis van het bebouwd en verhard oppervlak dient er ca. 182 m 3 water te worden geborgen. Het verhard oppervlak bedraagt in totaal 2281 m 2, bestaande uit 1094 m 2 bebouwing, 1114 m2 verharding en 73 m 2 sedum daken. Uit de gemeten doorlatendheid en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater in de ondiepe ondergrond beperkt tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is matig te noemen. 13

Geonius, Oriënterend ontwerpadvies voor de fundering, rapportnummer GA210915.R01.V3.0, d.d. 3 augustus 2022.

Hoofdstuk 4

58

Op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek is de verwachting dat een infiltratievoorziening in de bovengrond middels een wadi en/of infiltratieveld, of in de ondiepe ondergrond middels infiltratiekratten en/of grindkoffers kan worden toegepast. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar op de groenstrook (ca. 230 m2) ter plaatse van de grondgebonden woningen en op de groenstrook (ca. 430 m 2) aan de achterzijde van het appartementencomplex. Daar sprake is van een beperkt gemeten doorlatendheid, zal de voorziening grotendeels als buffer dienen, eventueel met overloop op het riool, en zal sprake zijn van een relatief groot systeem. Wellicht behoort het toepassen van een combinatievoorziening daarnaast ook tot de mogelijkheden. Bij een dergelijke combinatievoorziening, zal een buffervoorziening in de bovengrond en/of ondiepe ondergrond worden aangebracht, waarbij middels grindpalen infiltratie van hemelwater zal plaatsvinden in het diepere zandpakket op een niveau van ca. NAP +63 m. Er wordt derhalve geadviseerd de mogelijkheden voor een infiltratievoorziening in de bovengrond en/of ondiepe ondergrond bijvoorbeeld middels (een) wadi’s verder te onderzoeken. Hiervoor dienen in de 2de fase, na sloop van de aanwezige opstallen, aanvullende doorlatendheidsmetingen uitgevoerd te worden.

Indien blijkt dat de infiltratievoorziening een te grote omvang dient te hebben, kan gekozen worden om aanvullend infiltratie naar de diepere ondergrond (bijv. infiltratiepalen) toe te passen. In overleg kan voor de 2de fase meteen ook aanvullend de doorlatendheid van de diepere ondergrond worden getoetst. Indien het voorgestelde advies met betrekking tot infiltratievoorziening wordt opgevolgd en geborgd in de aanvraag van de Omgevingsvergunning bestaat er vanuit water geen belemmering voor het onderhavig plan.

4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De gemeente Stein heeft haar beleid met betrekking tot archeologie vastgelegd in het ‘Erfgoedbeleid 2019 gemeente Stein’. Om dit beleid en de archeologische en cultuurhistorische waarden in de gemeente planologisch te verankeren is op 22 juli 2021 het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’ vastgesteld.

Op basis van dit bestemmingsplan geldt in het noordelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met de nadere functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde middelhoge archeologische verwachting’. Ter plaatse geldt een archeologische onderzoeksplicht bij

Hoofdstuk 4

59

bouwwerken en bodemingrepen bij een verstoringsoppervlak groter dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm. Het deel van het plangebied waarop de archeologische dubbelbestemming van toepassing is, heeft een oppervlakte van ca. 2.000 m 2. Hierdoor wordt de ondergrens 2.500 m2 niet overschreden bij de werkzaamheden in het plangebied en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemming wordt in het voorliggende plan overgenomen conform het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’.

Figuur 14. Uitsnede bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' met ligging plangebied (rood omlijnd)

4.10.2 Conclusie Er is een dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan ter borging van de archeologische belangen. De ondergrenzen voor archeologisch onderzoek worden in het plangebied niet overschreden. Vanuit archeologisch oogpunt bestaat er geen belemmering voor het plan. Uiteraard zullen archeologische vondsten tijdens de grondwerkzaamheden worden gemeld bij het bevoegd gezag.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 4

60

Het beleid van de provincie Limburg sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De gemeente Stein heeft haar beleid omtrent cultuurhistorie vastgelegd in het ‘Erfgoedbeleid 2019 gemeente Stein’ en planologisch te verankerd in het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’ vastgesteld. 4.11.2 Onderzoek Met behulp van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart en het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’ is inzichtelijk gemaakt welke cultuurhistorische waarden zich in en rondom het plangebied bevinden. In het plangebied zelf bevinden zich geen monumentale panden of bomen, en het bevindt zich niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Wel is het tracé van de Schutterskampweg aangewezen als een historisch tracé. Op grond van het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’ kent dit tracé de dubbelbestemming ‘Waarde – Historische infrastructuur’ met de nadere functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - te behouden historisch tracé’. Ter plaatse geldt een omgevingsvergunningplicht voor diverse werken en werkzaamheden. Deze omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming van de cultuurhistorische en infrastructurele waarden.

De gemeente Stein heeft Buro4 gevraagd om een advies uit te brengen met betrekking tot het bouwen van woningen en appartementencomplex op de locatie gelegen tussen de Stationsstraat en de voormalige Schutterkampweg te Elsloo. Op 4 april 2023 is onderstaand advies afgegeven. Juridische regeling versus waardenkaart Het bestemmingsplan vormt de juridische regeling voor beoordeling van initiatieven. In de onderliggende waardenkaart (https://nedglobe.nedgraphicscs.nl/web?tma=402) is aangegeven waarom zaken van waarden zijn en wat de uitgangspunten van behoud en beheer zijn. Bij de beoordeling van initiatieven zijn de uitgangspunten van behoud en beheer richting gevend voor de beoordeling of iets wel of niet toelaatbaar is. Historische infrastructuur Voor wat betreft het voorgenomen plan zijn hier twee aanduidingen met de (dubbel)bestemming “waarde-historische infrastructuur” aan de orde. De eerste betreft een restant van de Schutterkampweg, een historische weg die reeds begin 19e eeuw aanwezig was en het tracé van de voormalige landweer volgt. Deze weg liep vroeger over het spoor, maar eindigt reeds lange tijd voor het te ontwikkelen perceel en is dus niet relevant voor de planvorming. De tweede aanduidingen met de (dubbel)bestemming “waarde-historische infrastructuur” betreft het tracé van de historische landweer.

Deze dubbelbestemming loopt over het perceel, dwars door het te bouwen appartementencomplex. Van de landweer uit 1775 zijn elders nog enkele fragmenten behouden. De landweer is in het bestemmingsplan en op de waardenkaart aangeduid als inspiratiekader om, waar mogelijk, weer delen van de historische landweer zichtbaar te maken. Dat kan zowel fysiek, maar ook digitaal of door middel van informatieborden.

Hoofdstuk 4

61

Beoordeling en conclusie Reconstructie van de landgraaf op de plaats van het appartementencomplex is te fragmentarisch waardoor het niet bijdraagt aan hetgeen met de dubbelbestemming wordt beoogd. Daardoor is het zichtbaar maken op de plaats van het appartementencomplex niet aan de orde. Voor het overige zijn er in het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Een pand aan de overzijde van het plangebied, aan de Stationsstraat 171, is geïnventariseerd in het kader van het Monument Inventarisatie Project (MIP). Dit pand is in het bestemmingsplan ‘Erfgoed Stein’ aangeduid als een historisch gebouw. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt geen negatieve invloed op dit pand uitgeoefend. Het straatbeeld verbetert juist als gevolg van de woningbouw. 4.11.3 Conclusie Ondanks dat het appartementencomplex het historisch tracé doorkruist is reconstructie op deze locatie van geringe meerwaarde en zou dat, zoals voorgaand onderbouwd, niet wezenlijk bijdragen aan de beleidsdoelstelling. Het plan heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor in de omgeving aanwezig cultuurhistorisch erfgoed. Vanuit cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van zes levensloopbestendige woningen en twaalf appartementen mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of

Hoofdstuk 4

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=bba7d688-03fd-48b5-9d40-974a6b91d6ab