Herziening APV...
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Stein 2026
Gezien het voorstel van het college inzake vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Stein 2026 (Gem. blad Afd.XXXX , no.X );
gelet op de artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, 2.21, eerste lid,
onder a en b, en 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de raadscommissie;
overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde; besluit:
- in te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Stein 2024;
- vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Stein 2026;
Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de grenzen zijn vastgesteld bij besluit van
b.
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de
c.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
de gemeenteraad van 8 juli 2004 (Gemeenteblad Afdeling A 2004, nummer 58) of een nadien ter zake genomen besluit overeenkomstig artikel 20a, Wegenverkeerswet 1994; Omgevingswet;
omgevingsvergunning als in de Omgevingswet;
d.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
f.
college: het college van burgemeester en wethouders
e.
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.
g.
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
i.
mindervalide: mag gelezen worden als mindervalide in de ruimste zin des woord;
h.
j. k. l.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
m.
parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
n.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt
1990;
recht of persoonlijk recht;
o.
toegankelijkheid: de mogelijkheid bieden aan een ieder om te kunnen participeren in de maatschappij;
p.
uitstalling: een voorwerp dat als doel heeft om de verkoop of verstrekking van producten en/of
diensten in het pand te bevorderen, reclame te maken, de aandacht van het publiek te trekken of de directe omgeving van het pand te verfraaien.
q.
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
r.
weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet
verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.
3. 4.
twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning
In afwijking van lid 1 beslist het bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in: a.
b.
artikel 2:12, lid 5 binnen 20 weken, en
artikel 2:12, lid 6 binnen 26 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen 1.
2. 3.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
bepaald.
Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien:
a.
b.
c. d.
2.
e.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het
verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
de houder dit schriftelijk verzoekt.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Termijnen 1.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning ontheffing anders
2.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde
is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:7 Weigeringsgronden 1.
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan altijd worden geweigerd of ingetrokken in het belang van: a.
b.
de openbare veiligheid;
d.
onvoldoende toegankelijkheid waar het wel mogelijk is;
c.
2.
de openbare orde;
e.
de volksgezondheid;
de bescherming van het milieu.
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd: a.
indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan 8 weken
b.
indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 4 (A-
c.
d.
vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft;
evenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 12 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft;
indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 5 (Bevenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 20 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft;
indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:12, lid 6 (Cevenement) van deze verordening wordt ingediend minder dan 26 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft.
Hoofdstuk 2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID Paragraaf 1. VOORKOMEN OF BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.
2.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te
dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, of in groepsverband dan wel afzonderlijk op andere wijze de openbare orde (dreigen) te verstoren. Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde
bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden 3. 4. 5.
zijn afgezet.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Paragraaf 2. BETOGING Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste een week voordat de betoging wordt
2.
gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging organiseert;
b.
het doel van de betoging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te
c.
e.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en bevorderen.
3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de
4.
Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,
kennisgeving is vermeld.
een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Paragraaf 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel 2:3 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te
2.
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3. 4. 5.
verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
Het college kan op schriftelijk verzoek tijdelijk ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Degene die zonder de vereiste tijdelijke ontheffing onder het publiek gedrukte of geschreven
stukken dan wel afbeeldingen heeft verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de
6.
weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen
Op de tijdelijke ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Paragraaf 4. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel 2:4 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen , kabels of leidingen ten
behoeve van particulier gebruik in, op, onder of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg 1.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan de weg of een weggedeelte
2.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. a.
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de
bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, gebruik door
mindervalide onnodig verhindert, bemoeilijkt of gevaar oplevert, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b.
indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet
c.
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de
d.
aan redelijke eisen van welstand;
nabijheid gelegen onroerende zaak.
Indien, en voor zover door de Gemeente Stein aan een exploitant met betrekking tot vaste netwerken van bepaalde reclameobjecten een exclusiviteitrecht is toegekend voor het
grondgebied van de gemeente of een gedeelte daarvan, wordt een vergunning als bedoeld in
het eerste lid geweigerd. Hetzelfde geldt met betrekking tot reclameobjecten welke naar hun e.
aard en omvang hiermee vergelijkbaar zijn.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd wanneer het een aanvraag betreft van een niet-lokale vereniging, niet-lokale stichting of niet-lokale organisatie zonder winstoogmerk voor (tijdelijke) reclameobjecten voor (niet-)lokale evenementen c.q.
3.
activiteiten.
Het bevoegd bestuursorgaan kan met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg nadere regels stellen.
Artikel 2:5 afbakeningsbepalingen en uitzonderingen 1.
Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:12;
b.
terrassen als bedoeld in artikel 2:18 en 2:19, voor zover geen sprake is van de
c.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:14;
weigeringsgronden van het derde lid van het vorige artikel;
d.
vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor
e.
zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van
personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; de weg en mits: • •
geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;
geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
• f.
geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor
zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan
gereinigd is, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid, onder a g.
en c, van het vorige artikel;
containers, steigers en/of (bouw)materialen, die noodzakelijkerwijze op de weg gebracht worden in verband met bouw-, renovatie- en/of sloopwerkzaamheden, voor zover geen
sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid, onder a en c, van het vorige artikel en h.
voor zover deze werkzaamheden voortvarend plaatsvinden;
vaste netwerken van bepaalde reclameobjecten indien en voor zover door de Gemeente Stein
aan een exploitant een exclusiviteitsrecht is toegekend voor het grondgebied van de gemeente of een gedeelte daarvan, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid, onder a en c, van het vorige artikel;
i.
uitstallingen, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid van het
j.
welkomstborden van plaatselijke carnavalsverenigingen in de periode 11 november (de
vorige artikel;
opening van het carnavalsseizoen) van een jaar tot en met 2 dagen na Aswoensdag van het
jaar erop in de nabijheid van bebouwde komingangen van de betreffende kernen, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid van het vorige artikel;
k.
bewegwijzering ten behoeve van evenementen en toertochten vanaf 48 uur voor aanvang van
l.
tijdelijke reclameobjecten voor evenementen c.q. activiteiten door lokale verenigingen, lokale
het evenement tot 48 uur na het evenement, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid van het vorige artikel;
stichtingen en lokale organisaties zonder winstoogmerk vanaf maximaal 14 dagen voor aanvang van het evenementen c.q. de activiteit tot en met 2 dagen na afloop van het
2.
3.
evenement c.q. de activiteit.
Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, voor zover geen sprake is van de weigeringsgronden van het tweede lid van het vorige artikel.
Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is voorts niet van toepassing op
beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of
4. 5. 6. 7.
waterschapsverordening.
De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het vorige artikel geldt niet voor bouwwerken.
De weigeringsgrond van het tweede lid onder c, van het vorige artikel geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Op de ontheffing bedoeld in het eerste lid, sub b, h en i is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een
weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van 2. 3.
aanleg van een weg.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt
voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:7 Maken, veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college: a.
b. 2.
c.
een uitweg te maken naar de weg;
van de weg gebruik te maken voor het bereiken van een perceel; veranderingen te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning slechts geweigerd: a.
b.
indien de bruikbaarheid (doelmatigheid) of de veiligheid van de weg wordt aangetast;
indien het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast;
c.
indien gebruik door mindervalide onnodig verhindert, bemoeilijkt of gevaar oplevert;
f.
bij vrijstaande woningen met een perceelsbreedte minder dan 20 meter.
e. 3.
indien een openbare groenvoorziening wordt doorkruist;
d.
bij tussenwoningen;
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Paragraaf 5. VEILIGHEID OP DE WEG Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat: a.
b. c.
aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd;
gebruik door mindervalide onnodig verhindert, bemoeilijkt of gevaar oplevert; dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar kan ontstaat.
Artikel 2:9 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
a.
b.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
3.
De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en
artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. aangrenzende erven.
Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
2.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk
voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Paragraaf 6. EVENEMENTEN Artikel 2:12 Begripsbepaling 1.
In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
Bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen op locaties waarbij de voorstelling valt onder
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
c.
e. f. 2.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:41 van deze verordening.
g.
de reguliere voor- en najaarskermissen.
a.
een herdenkingsplechtigheid;
Onder evenement wordt mede verstaan: b. c.
d. e. f. 3.
regulier gebruik;
g.
een braderie, snuffelmarkt of beurs;
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest op één dag;
een wielertoertocht met meer dan 100 deelnemers;
een vechtsportgala;
Onder wielertoertocht wordt verstaan een wieleractiviteit waarbij deelnemers met een fiets een bepaald parcours afleggen dat openbaar is, waarbij geen winnaar uitgeroepen wordt, waarbij deelnemers zich aan de verkeersregels dienen te houden en waarbij geen enkele vorm van
4.
5.
tijdmeting (ook niet incidenteel) plaatsvindt.
Onder A-evenement wordt verstaan een laag risico-evenement met beperkte impact op de
omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer, zoals blijkt uit de uit te voeren Risicoscan Evenementen van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg.
Onder B-evenement wordt verstaan een gemiddeld risico-evenement met grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer, zoals blijkt uit de uit te voeren Risicoscan
Evenementen van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg, met dien verstande dat een wielertoertocht 6.
met meer dan 250 deelnemers tenminste wordt aangemerkt als een B-evenement.
Onder C-evenement wordt verstaan een hoog risico-evenement met grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer, zoals blijkt uit de uit te voeren Risicoscan Evenementen van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg.
Artikel 2:13 Evenement 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te
2.
Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien minimaal 8 weken voorafgaand aan het
organiseren.
evenement melding is gedaan aan de burgemeester en: a.
het aantal gelijktijdig aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen;
b.
het evenement plaatsvindt op: • •
c.
•
e.
plaatselijk verkeer en de hulpdiensten;
er een tijdelijke verblijfsruimte (bouwsel) wordt geplaatst zoals:
•
5.
6.
7. 8. 9.
op zondag voor 13.00 uur of na 01.00 uur; en
aan de hoofdwegenstructuur of een belemmering vormt voor mindervalide, verkeer anders dan
•
4.
maandag t/m zaterdag voor 10.00 uur of na 01.00 uur; óf
het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats op of grenzend
•
3.
op zondag tussen 13.00 uur en 01.00 uur; en
geen muziek ten gehore wordt gebracht op: •
d.
maandag t/m zaterdag tussen 10.00 uur en 01.00 uur; of
een tent tot maximaal 49 m2;
tribune tot maximaal 1 meter hoogte; podium tot maximaal 25 m2;
De burgemeester kan binnen 10 dagen aanvullende stukken opvragen indien dat noodzakelijk
geacht wordt in het kader van openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
De burgemeester kan binnen 21 dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een wielertoertocht met 101 tot en met 250
deelnemers. Van deze tochten dient uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de wielertocht melding te worden gedaan aan de burgemeester.
De burgemeester kan binnen 6 weken na ontvangst van de melding besluiten de wielertoertocht als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van evenementen.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag als bedoeld in lid 1 van dit artikel, worden de
gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:14 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Paragraaf 7. Artikel 2:15 (vervallen)
Artikel 2:16
(vervallen)
Artikel 2:17 (vervallen)
Paragraaf 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTING Artikel 2:18 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: 1.
Openbare inrichting: In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel,
restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of
elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of 2.
spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.;
Terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt dat behoort bij een openbare inrichting indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een 3.
horecalokaliteit zijn gelegen.
Onder openbare inrichting wordt niet verstaan: •
een horecagedeelte in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;
•
bed and breakfast: particuliere verstrekking tegen betaling aan derden van uitsluitend
logies(met ontbijt) zonder dienstverlening, waarbij het aanbod zich beperkt tot maximaal 4 slaapplaatsen verdeeld over maximaal 2 kamers; • • •
horeca in een museum;
horeca in een zorginstelling;
een bedrijfskantine of –restaurant.
Artikel 2:19 Exploitatie openbare inrichting a.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren, indien naar het oordeel van de burgemeester
b.
Bij de toepassing van sub a houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk,
moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
Artikel 2:20 Sluitingstijd 1.
2. 3. 4.
Het is de exploitant verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of
bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven op: maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.
De burgemeester kan bij bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
Het in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.
In afwijking van het in het eerste lid gestelde, is het de exploitant van een openbare inrichting verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a.
in de nacht voorafgaand aan Koningsdag;
d.
op Aswoensdag;
c.
e. 5.
6.
in de nacht van 31 december op 1 januari;
b.
tijdens carnavals- en kermisdagen op maandag en dinsdag tussen 03.00 uur en 07.00 uur; ten aanzien van de kermisdagen, zulks echter alleen voor die kern van de gemeente, waar de kermis wordt gehouden en alwaar de inrichting is gelegen.
Het is de exploitant als bedoeld in het eerste lid verboden op de bij zijn/haar openbare inrichting behorende buiten- en /of binnenterras(sen) aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur ‘s avonds en 10.00 uur ‘s morgens.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:21 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
2.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid
of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:20 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:22 Verboden gedragingen 1.
2. 3.
Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat het
bedrijf krachtens artikel 2:20 of ingevolge een op grond van artikel 2:21 genomen besluit gesloten dient te zijn.
Het is verboden in een de openbare inrichting op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. De burgemeester kan nadere regels stellen.
Artikel 2:23 Handel binnen openbare inrichting a.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
b.
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Artikel 2:24 Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.
Artikel 2:25 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:19 tot en met 2:22.
Paragraaf 9. TOEZICHT OP SMART- en HEADSHOPS Artikel 2:26 Begripsomschrijvingen 1.
In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden
verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het
2.
maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smart- of headshop;
b.
exploitant: degene die een inrichting exploiteert.
a.
de gezinsleden van de exploitant alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in
b.
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
In deze paragraaf wordt onder bezoeker niet verstaan:
c.
d.
de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
het dienstdoend personeel
Artikel 2:27 Vergunningplicht 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier, dat vergezeld gaat van:
een situatietekening waaruit blijkt de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting, schaal tenminste 1:1000;
een plattegrond-tekening van de inrichting, schaal tenminste 1:100.
De vergunning kan alleen maar aan natuurlijke personen worden verleend.
De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant, is persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen.
Artikel 2:28 Afnemend maximum
1.
Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum
wordt bepaald door het aantal inrichtingen dat op het moment van inwerkingtreding van deze verordening werd geëxploiteerd, welk aantal door de burgemeester wordt vastgesteld op het
2.
moment van inwerkingtreding van deze verordening.
Indien de exploitatie van een inrichting, al dan niet gedwongen, wordt beëindigd, neemt het in het eerste lid bedoelde maximum evenredig af.
Artikel 2:29 Gedragseisen 1.
De exploitant van een inrichting moet voldoen aan de in artikel 8 van de Alcoholwet aan
2.
Het is verboden een inrichting te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt
leidinggevenden gestelde eisen.
voldaan aan de in artikel 8 van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen.
Artikel 2:30 Weigeringsgronden De vergunning wordt geweigerd indien: a.
Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij het maximum wordt
bepaald door het aantal inrichtingen dat op het moment van inwerkingtreding van deze verordening werd geëxploiteerd, welk aantal door de burgemeester wordt vastgesteld op het moment van inwerkingtreding van deze verordening..
b.
de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende omgevingsplan en/of
c.
de exploitant binnen drie jaar voor de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van
leefmilieuverordening;
(ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde gesloten is geweest;
d.
de exploitant de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;
f.
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
e.
de exploitant niet voldoet aan de in artikel 8 van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen; omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;
g.
er sprake is van een concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor
h.
de inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van horecabedrijven of winkels met een
aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;
dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare ordeproblemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;
i.
de inrichting gevestigd is in de directe nabijheid van een terrein waarop een school of kind en/of
j.
redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag
jongerencentrum is gehuisvest;
vermelde in overeenstemming zal zijn.
Artikel 2:31 Verplaatsing inrichting 1. 2.
Het is verboden een inrichting te verplaatsen zonder toestemming van de burgemeester. De toestemming kan uitsluitend worden verleend:
a.
indien het algemeen belang naar het oordeel van de burgemeester zulks vordert, hetgeen met name het geval is indien: •
de aanwezigheid en/of de exploitatie van de inrichting ertoe bijdraagt dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van de te verplaatsen inrichting hierdoor op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, of
• b.
sprake is van een concentratie van inrichtingen waardoor het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed.
en voorts indien op de beoogde nieuwe locatie: •
de vestiging en/of exploitatie geen strijd oplevert met het geldende omgevingsplan en/of Leefmilieuverordening;
•
de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de inrichting;
•
er geen sprake is van een concentratie van inrichtingen, waardoor het gevaar voor
aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt; •
de inrichting niet gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van horecabedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde problemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;
•
de inrichting niet gevestigd is in de directe nabijheid van een terrein waarop een school of kind en/of jongerencentrum is gehuisvest;
•
de inrichting, blijkend uit een over te leggen plattegrondtekening als bedoeld in artikel
2:27, vierde lid, van de nieuwe locatie, qua oppervlakte niet groter is dan maximaal 125% 3.
van de oppervlakte van de inrichting op de locatie die is verlaten.
Indien een inrichting wordt verplaatst met toepassing van het tweede lid wordt de vergunning
geacht te zijn verleend voor de nieuwe locatie, waarbij de in het tweede lid bedoelde plattegrondtekening deel uitmaakt van de vergunning.
Artikel 2:32 Sluitingstijden 1.
Op de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van
2.
Het is de exploitant van een inrichting verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin
toepassing.
of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijden dat de
inrichting op grond van de in het eerste lid bedoelde regelgeving voor het publiek gesloten dient te zijn.
Artikel 2:33 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens in artikel 2:32, eerste lid, bedoelde regelgeving geldende
2.
sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is.
Artikel 2:34 Sluiting Onverminderd het bepaalde in artikel 2:33 kan de burgemeester een inrichting, al dan niet voor een bepaalde termijn gesloten verklaren indien: 1.
de exploitant van de inrichting handelt in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:27, eerste lid,
2.
de exploitant van de inrichting handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden
2:29, tweede lid, of 2:31, eerste lid; voorschriften.
Artikel 2:35 Aanwezigheid in gesloten inrichting 1.
2.
Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge de in artikel 2:32, eerste lid,
bedoelde regelgeving of krachtens een op grond van artikel 2:33 dan wel artikel 2:34 genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden.
Het is de exploitant van een inrichting verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge
een op grond van artikel 2:33 dan wel artikel 2:34 genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, deze inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar een of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven.
Artikel 2:36 Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt de vergunning ingetrokken indien: a.
de exploitatie van de inrichting door een andere dan de in de vergunning genoemde exploitant is of
b.
de inrichting krachtens een verleende of te verlenen bouwvergunning is of wordt gewijzigd en waarbij
c.
de exploitant niet of niet langer voldoet aan in artikel 8 van de Alcoholwet aan leidinggevenden
wordt overgenomen.
de totale oppervlakte van de inrichting wordt vergroot. gestelde eisen.
Artikel 2:37 Toegang ambtenaren van politie De exploitant is verplicht ervoor zorg te dragen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting: a.
b.
gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is dan wel;
gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien die ambtenaren van politie het vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.
Paragraaf 10. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF Artikel 2:38 Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:39 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:40 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk
leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Paragraaf 11. TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN Artikel 2:41 Speelgelegenheden 1.
Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig
spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of 2. 3.
4.
5.
verloren.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning indien: a.
b.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend omgevingsplan.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:42 Kansspelautomaten 1. 2.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Paragraaf 12. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:42A Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.
2.
In dit artikel wordt verstaan onder: a.
Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun
b.
Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of
c.
Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of
gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;
een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat
gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige
activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door 3.
4.
de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a.
In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door de
b.
Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid
burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a.
b. c.
In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;
d.
Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
e.
Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend omgevingsplan of een
f.
met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; geldende Leefmilieuverordening;
Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de
vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat
daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is 5.
ingetrokken.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 en lid 4 van dit artikel kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.
Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;
b.
Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt
c.
De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;
d. e.
f.
beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;
De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;
De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;
g. h. i.
Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;
Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
6.
De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod
7.
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te
8.
9.
uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd. betreden of daarin te verblijven.
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. a.
Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de
b.
Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van
vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken.
Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van
inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende
bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van
het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Paragraaf 13. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het
3.
publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:44 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik
geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie
personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat
erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke 2.
3.
hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.
De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluid- of geurhinder;
b.
hinder van dieren;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
c.
e.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:45 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of
zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen
b.
met kalk, teer, een kleur- of verfstof of een hogedrukspuit een afbeelding, letter, cijfer of
aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens
4.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
5. 6.
7.
wettelijk voorschrift. bekendmakingen.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:45a Vervoeren plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of
2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn
verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:45.
Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn
bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen
Artikel 2:47 Betreden van plantsoenen e.d. 1.
2.
Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in
onderhoud zijnde plantsoenen, groenstroken en dergelijken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
Artikel 2:48 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
2.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
b.
zich zodanig op te houden op een wijze dat aan andere gebruikers of omwonende onnodig
toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; overlast of hinder wordt veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:49 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare
plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
2.
hebben.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
b.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2.49A Verbod op lachgas Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen
daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken..
Artikel 2:50 Verboden gedrag bij of in gebouwen
1.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
b. 2.
zich in een portiek of poort op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouw, appartementsgebouw of
soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich
zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.
Artikel 2:51 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden of te
gedragen in of op een voor het publiek toegankelijk ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten wordt in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages, rijwielstallingen.
Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a.
b. c.
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
gebruik door mindervalide onnodig verhindert, bemoeilijkt of gevaar oplevert; daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:53 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door hen aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:54 Loslopende honden 1.
2.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats,
b.
binnen en buiten de bebouwde kom op de weg, op percelen met openbare groenbestemming
c.
op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk
zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; alsmede op overige openbare ruimte, zonder dat die hond aangelijnd is; dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Het verbod in het eerste lid, onder aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3.
De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
b.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:55 Verontreiniging door honden 1.
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd middels een daartoe bedoeld
hulpmiddel hetwelk op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel 2.
3. 4.
belaste ambtenaren getoond dient te worden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond a.
b.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het is verboden uitwerpselen al dan niet rechtstreeks te verwijderen via het riool.
Artikel 2:56 Gevaarlijke honden 1.
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan deze de eigenaar of houder van die hond een kort-aanlijngebod of een kort-aanlijn-
en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het 2. 3.
terrein van een ander.
Een kort-aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te
houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
4.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een
zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Onverminderd hetgeen beschreven in artikel 2:54, eerste lid, onder c dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
b. c.
aanwezig te hebben;
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
2.
3.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die
krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:58 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:59 Bijen 1.
2.
3. 4.
5. 6.
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
verblijven;
Het verbod in het eerste lid geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.