Bijlage C Ruimtelijke onderbouwing (def).pdf
Tekst van het document
4 4 5 5
2. PLANGEBIED EN VOORGENOMEN INGREPEN 2.1 Plangebied 2.2 Voorgenomen ingreep
6 6 6
3. WERKWIJZE 3.1 Bronnenonderzoek 3.2 Veldbezoek 3.3 Effectenbeoordeling
7 7 7 7
4. ONDERZOEKSRESULTATEN SOORTEN 4.1 Vaatplanten 4.2 Vogels 4.2.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 4.2.2 Overige broedvogels 4.3 Grondgebonden zoogdieren 4.4 Vleermuizen 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Vlinders 4.9 Ongewervelde diersoorten 4.10 Samengevat
8 8 8 8 10 10 11 11 12 12 12 12 12
5. TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING 5.1 Broedvogels 5.1.1 Roek 5.2.1 Overige broedvogels 5.2 Grondgebonden zoogdieren 5.3.1 Das 13 5.4.1 Steenmarter 5.5.1 Algemene grondgebonden zoogdieren 5.4 Amfibieën 5.5 Algemene zorgplicht
14 14 14 14
6.
NATURA 2000
15
7.
BESCHERMDE HOUTOPSTANDEN
16
8.
CONCLUSIE
17
9.
LITERATUURLIJST
18
BIJLAGE 1
3
13 13 13 13 13
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
19
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en voorgenomen ontwikkeling
Anqore is voornemens om een nieuwe leiding aan te leggen vanaf ACN op het Chemelot terrein naar de haven in Stein. Het tracé loopt hoofzakelijk langs een bestaand tracé alleen op de site wijkt het tracé af van het bestaande tracé. Het project bestaat uit: 1- Bullit locatie bij Anqcore / ACN plant 2- PIPE line route 3- Haven locatie Stein In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) is een oriënterend ecologisch onderzoek (een Quickscan) noodzakelijk om te beoordelen of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en/of fauna. idverde Advies is gevraagd om een quickscan uit te voeren om te bepalen of mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden door het uitvoeren van de werkzaamheden en of dat de voorgenomen ontwikkelingen in conflict zijn met provinciaal en regionaal natuurbeleid. Voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen, verplicht de Wet natuurbescherming de bestaande natuurwaarden in kaart te brengen en indien nodig passende maatregelen te treffen voor het beschermen en in stand houden van bij wet beschermde soorten. In deze wet staat beschreven dat de verstoring, doding of vernieling van het leefgebied van beschermde flora en fauna verboden is. Om deze reden is voor het in kaart brengen van het voorkomen van beschermde soorten een ecologische quickscan uitgevoerd.
1.2
Bescherming
Wetgeving De bescherming van soorten en hun leefgebieden is geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en op nationaal niveau verankerd in de Wet natuurbescherming (hierna ‘ Wnb’ genoemd). Enerzijds richt de Wnb zich op de bescherming van daartoe aangewezen gebieden. Deze gebieden bestaan uit Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor de Europese natuurgebieden die bescherming genieten onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuur in deze gebieden zijn verboden. Anderzijds richt de wet zich op de bescherming en het behoud van in het wild levende plant- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is het ‘Nee, tenzij…” principe. Dit betekent dat geen schade mag worden toegebracht, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan (in de vorm van een vrijstelling of verleende ontheffing). In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in een drietal beschermingsregimes. Deze zijn hieronder toegelicht. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (§ 3.1): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als beschreven in de Vogelrichtlijn opzettelijk te doden, storen of vangen.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 3.2): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om van nature in Nederland in het wild levende dieren als beschreven in de Habitatrichtlijn (Bijlage IV), Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn opzettelijk te doden, verstoren of vangen in hun natuurlijke leefgebied. Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3): Deze soorten zijn nationaal beschermd. Hierin staat beschreven dat het verboden is om flora en fauna beschreven in bijlage onderdeel A van de Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of vangen. Naast het beschermen van de soorten worden ook de voortplantings- en rustplaatsen beschermd, het is verboden om deze opzettelijk te beschadigen of vernielen. In de Wnb geldt dat de provincies overwegend het bevoegd gezag vormen. In dit geval is de provincie Limburg bevoegd gezag. Deze provincie heeft in de Omgevingsverordening aanvullende voorwaarden opgesteld, waarin onder andere de vrijstelling van soorten voor bepaalde activiteiten is geregeld. De Omgevingsverordening is gepubliceerd op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR601817/15. In verband met handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van ruimtelijke inrichting of -ontwikkeling, is het toegestaan om de soorten genoemd in tabel 1.1 de vaste voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
4
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
Tabel 1.1 Vrijgestelde soorten provincie Limburg Soort Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis
1.3
Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Molmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis
Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Vos Wezel Woelrat
Afbakening onderzoek
De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt naast soorten, ook natuurgebieden en houtopstanden. Hieronder vallen Natura 2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland (NNN) en beschermde houtopstanden. Doordat het plangebied niet binnen het NNN valt, kan op voorhand worden aangenomen dat er geen aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden plaatsvindt. Daarom is het onderdeel planologische gebiedsbescherming niet aan de orde.
1.4
Leeswijzer
De ligging en begrenzing van het plangebied en de voorgenomen ingrepen zijn beschreven in hoofdstuk 2 (hieronder). In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 zijn de mogelijk aanwezige (beschermde) soorten beschreven en in hoofdstuk 5 is voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten een effectenbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 is de toetsing van Natura 2000-gebieden opgenomen, in hoofdstuk 7 beschermde houtopstanden. In hoofdstuk 8 staan de conclusies en advies. Tot slot is de geraadpleegde literatuur in hoofdstuk 9 opgenomen. In bijlage 1 staan enkele foto’s van het plangebied.
5
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
2. Plangebied en voorgenomen ingrepen 2.1
Plangebied
Het plangebied bestaat uit verharding , gemaaide bermen en ongemaaide (maar wel beheerde) bermen, gemaaid grasland, bosschages, een houtopstand van acacia, een maisakker en een haven. In bjilage 1 zijn foto’s opgenomen van het plangebied.
2.2
Voorgenomen ingreep
Anqore is voornemens om een nieuwe leiding aan te leggen vanaf ACN op het Chemelot terrein naar de haven in Stein, inclusief een gebouw. Het tracé loopt hoofzakelijk langs een bestaand tracé. Alleen op de site wijkt het tracé af van het bestaande tracé (zie Figuur 1). Voor de aanleg zal, ten behoeven van de realisatie van het gebouw, een houtopstand van acacia gekapt worden. Het project bestaat uit: 1- bullit locatie bij Anqcore / ACN plant 2- PIPE line route 3- Haven locatie Stein
Figuur 1: planlocatie.
6
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
3. Werkwijze Een Quickscan Wet natuurbescherming is een verkennend onderzoek dat bestaat uit een bronnen onderzoek en een veldonderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde soorten , gebieden en houtopstanden (effectenanalyse).
3.1
Bronnenonderzoek
Voor het bronnenonderzoek zijn gegevens opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF is om het plangebied een polygoon ingetekend. Het polygoon is ruimer ingetekend dan het plangebied, namelijk in een straal van ca. 1 km rondom het plangebied. Binnen dit polygoon zijn alle verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd van de afgelopen vijf jaar (25 april 2017 t/m 25 april 2022). Door het polygoon ruimer in te tekenen dan het plangebied, is de verkregen dataset voldoende groot om te kunnen benutten voor dit onderzoek. Op basis van de beschikbare gegevens uit de NDFF is een eerste inschatting gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten binnen het plangebied. Aanvullend is de Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al. 2016) geraadpleegd.
3.2
Veldbezoek
Het veldbezoek bestaat uit een biotooptoets met als doel een inschatting te maken van de ecologische waarden en kenmerken van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en waar nodig aangevuld. Het veldbezoek is op 25 april 2022 uitgevoerd door een ecoloog van idverde Advies. De weersomstandigheden waren op dat moment half bewolkt, 15⁰C en lichte wind (2Bft). Aanvullend is een veldbezoek uitgevoerd op 13 mei 2022, bij weersomstandigheden van 22⁰C, zonnig en lichte wind (2Bft). Tijdens dit veldbezoek is speciale aandacht besteed aan de roekenkolonie. Op het moment van het veldbezoek zijn nooit alle mogelijk voorkomende soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefgebied stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld.
3.3
Effectenbeoordeling
Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en literatuuronderzoek en het uitgevoerde veldbezoek op locatie is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben. Hierbij is waar mogelijk onderscheid gemaakt in effecten op korte en lange termijn. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Indien negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen of uit te sluiten zijn, is aangegeven of aanvullend onderzoek, mitigerende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is.
7
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
4. Onderzoeksresultaten soorten De basis voor de toetsing wordt gevormd door gegevens over het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten- en diersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en werkzaamheden op basis van het bron- en veldonderzoek. Onderstaand zijn per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek beschreven.
4.1
Vaatplanten
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen binnen en rondom het plangebied. De aanwezige bermen worden intensief beheerd. Veel van de beschermende planten komen voor op muren. In het plangebied zijn geen van deze structuren gevonden. Tevens zijn er in de NDFF geen beschermde vaatplanten gevonden. Op basis van deze bevindingen en het aanwezige biotoop worden beschermde vaatplanten niet verwacht binnen en rondom het plangebied.
4.2
Vogels
4.2.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten Broedvogels waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn, zijn in de nabijheid van het plangebied waargenomen. Het gaat om de in tabel 1 vernoemde soorten. Gedurende het terreinonderzoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor deze vogels met jaarrond beschermde nesten . Tabel 1. Overzicht van beschermde vogels die in en rond het plangebied kunnen voorkomen. Soort Kerkuil Roek Steenuil Boerenzwaluw Huismus Huiszwaluw Havik Grote Gele Kwikstaart Gierzwaluw Bosuil Ooievaar Slechtvalk Boomvalk Wespendief Zwarte wouw Ransuil Torenvalk Blauwe Reiger Buizerd Sperwer IJsvogel Kramsvogel Oeverzwaluw Paapje Ringmus Sperwer Visdief
Categorie 1 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 1 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 1 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 2 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 3 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort Categorie 4 vaste nesten, vogelrichtlijnsoort
Tijdens het veldbezoek zijn de bovengenoemde soorten of nesten hiervan niet waargenomen in het plangebied. De bomen konden nog goed onderzocht worden op grote nesten, welke niet aanwezig waren. Hierdoor worden soorten als havik, ooievaar, boomvalk, blauwe reiger, buizerd, ransuil, roek, sperwer, torenvalk wespendief en zwarte wouw uitgesloten. Tevens waren er geen grote holtes aanwezig, waardoor bosuil kan worden uitgesloten. De onderzoeklocatie bevatte geen speciale nestkasten of andere kunstmatige nestgelegenheden voor soorten als ooievaar, kerkuil, steenuil en torenvalk. De onderzoeklocatie is niet geschikt voor soorten die in gebouwen nestelen. De boerenzwaluw, huismus, huiszwaluw, grote gele kwikstaart, slechtvalk en gierzwaluw kunnen daarom worden uitgesloten. IJsvogels nestelen het liefst langs langzaam stromende beken, maar ook bij 8
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
stilstaande, visrijke wateren. Deze zijn niet aanwezig binnen de grenzen van het plangebied, waardoor aanwezigheid van een beschermd nest van de ijsvogel kan worden uitgesloten. Oeverzwaluwen maken hun nestgangen in steile randen langs beken maar ook in zanddepots en afgravingen. Geschikt habitat om nestgangen te maken zijn niet aanwezig, waardoor beschermde nesten van de oeverzwaluwen worden uitgesloten. Visdieven broeden in de nabijheid van water en op rustige terreinen (kustgebieden, waterrijke graslanden) maar in het westen en noorden van het land ook op grinddaken. De onderzoeklocatie bevat geen geschikt broedhabitat voor deze soort, waardoor een overtreding op een beschermd nest kan worden uitgesloten. Voor sommige van bovengenoemde soorten (zoals onder andere torenvalk, uilen, buizerd) bevat de onderzoeklocatie potentieel geschikt foerageergebied. Door de tijdelijke aard van de werkzaamheden en het grote aanbod van vergelijkbaar foerageergebied in de directe omgeving, zal een (tijdelijke) afname ervan niet leiden tot overtreding op de Wnb. Kramsvogels broeden zelden in Nederland. Als ze broeden, gebeurt dat in halfopen cultuurlandschap met vochtige graslanden en boomgroepen. Paapjes broeden vooral in het noorden van het land. Ze gebruiken kruidenrijke, open graslanden of heidevelden, hoogvenen en duinvalleien.
De ringmus komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland, en ook in dorpen. Op basis van habitat kan niet worden uitgesloten dat kramsvogel, paapje en ringmus broedt op of nabij de onderzoeklocatie. Deze soorten zijn echter beschermd als categorie 4: “Vogel dat jaarlijks terugkeert naar specifiek nest, maar voldoende flexibel om elders nieuw nest te bouwen. Echter, dusdanig kwetsbaar dat functionaliteit van leefgebied niet in het geding mag komen”. Door de tijdelijke aard van de werkzaamheden, die grotendeels over het bestaande tracé plaatsvinden, en het grote aanbod van soortelijk foerageergebied in de directe omgeving, zal de functionaliteit het leefgebied niet in het geding komen. Direct grenzend aan het plangebied is een kolonie roeken met nestlocaties aanwezig (zie Figuur 2). Zowel in 2020 als in 2021 waren hier circa 100 roeken aanwezig. Binnen het plangebied is de opdrachtgever voornemens om de houtopstand van acacia te kappen ten behoeven van de realisatie van een gebouw. Hoewel door de voorgenomen plannen geen nesten verloren gaan, kan door de geringe afstand een negatief effect op de aanwezige roekenkolonie niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).
De houtopstand van acacia draagt weinig bij aan de functionaliteit van de leefomgeving van roeken: acacia’s hebben doorns waardoor de bomen niet als winterslaapplaats, toekomstige nestlocatie of nestmateriaal (takken) zullen dienen. Om te foerageren gebruiken roeken vooral gebieden die bestaan uit vochtige (en liefst begraasde en bemeste) gras- en bouwlanden. Deze bevinden zich aan de randen van het Chemelot-terrein. Het plangebied zelf bevat braakliggende percelen en graslanden. Echter zijn deze droog van karakter en bieden naar verwachting weinig voedsel voor roeken. Door de tijdelijke aard van de werkzaamheden, die grotendeels over het bestaande tracé plaatsvinden, en het grote aanbod van vergelijkbaar en beter foerageergebied in de directe omgeving, zal de functionaliteit van het leefgebied niet in het geding komen.
Figuur 2. Broedplaats van de roekenkolonie (geel omlijnd) met aangrenzend de houtopstand van acacia (rood gearceerd) welke gekapt wordt. 9
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
4.2.2 Overige broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn ook overige broedvogels waargenomen zoals merel en kauw. Voor deze overige broedvogels geldt dat het nest alleen tijdens het gebruik ervan beschermd is. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, mits het nest niet in gebruik is. Met deze nesten kan eenvoudig rekening worden gehouden door de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen of in elk geval te starten buiten het broedseizoen. Als richtlijn voor het broedseizoen wordt veelal de periode 15 maart-15 juli aangehouden. Echter kunnen soorten ook eerder of later in het seizoen tot broeden komen. Om deze reden kan zekerheidshalve de periode maart tot en met oktober worden aangehouden als broedseizoen.
4.3
Grondgebonden zoogdieren
In de omgeving van het plangebied zijn de bever, das, eekhoorn en steenmarter waargenomen (tabel 2). Tijdens het terreinonderzoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor deze soorten. Tabel 2. Overzicht van grondgebonden zoogdieren die in en rond het plangebied kunnen voorkomen. Soort Bever Das Eekhoorn Steenmarter
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort Nationaal Beschermde soort Nationaal Beschermde soort Nationaal Beschermde soort
Dassen hebben als leefgebied een grote variatie aan biotopen nodig. De dassenburchten komen voor in loof-, dennen- en gemengde bossen, houtwallen, heggen, boomgaarden, akkers en weilanden. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten, wissels, prenten, latrines of haarresten gevonden, waardoor een verblijfplaats kan worden uitgesloten. Mogelijk fungeert het plangebied als (suboptimaal) foerageergebied van een in de buurt verblijvende das (zie hoofdstuk 5). Bevers hebben een combinatie van biotopen nodig: veelal water met loofbomen. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen wateren aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van bevers aangetroffen. Overtreding op de Wnb ten aanzien van bevers kunnen daarom worden uitgesloten. De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Eekhoorns maken grote nesten in bomen. De bomen konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op eekhoornnesten, welke niet aanwezig waren. Overtreding op de Wnb ten aanzien van eekhoorns zijn daarom uitgesloten. Steenmarters hebben een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. waarbij de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang is.
Deze elementen zijn aanwezig op de onderzoekslocatie en kunnen gebruikt worden als schuilplaats (verblijfplaats). Het kan niet met zekerheid worden uitgesloten dat steenmarters binnen de grenzen van het plangebied voorkomen (zie hoofdstuk 5). De andere waarnemingen uit de NDFF betreffen algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (o.a. egel, mol en konijn). De directe omgeving kan fungeren als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren zoals egel, mol en konijn. Hierdoor kan het voorkomen van algemeen voorkomende zoogdieren in het plangebied niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).
10
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
4.4
Vleermuizen
In de omgeving van het plangebied komen diverse vleermuissoorten voor (tabel 3). Tabel 3. Overzicht van vleermuizen die in en rond het plangebied kunnen voorkomen Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Baardvleermuis Brandt’s vleermuis Ingekorven vleermuis Franjestaart Bechsteins vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis Meervleermuis Kleine dwergvleermuis Bosvleermuis Tweekleurige vleermuis
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort Habitatrichtlijnsoort
Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen kan onderscheid gemaakt worden in vaste verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageergebieden. Onderstaand is per gebruiksfunctie (verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute) beschreven wat de bevindingen in het veld zijn. Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in menselijke bebouwing (woonhuizen, forten, kelders etc.) of in holtes, spleten en achter loshangend schors in bomen. Op de onderzoekslocatie is geen menselijke bebouwing aanwezig, waardoor gebouwbewonende vleermuizen (zoals gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis) uitgesloten zijn. De bomen op de onderzoekslocatie konden onderzocht worden op holtes, spleten en loshangend schors. Deze waren niet aanwezig, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende soorten kunnen worden uitgesloten. Vliegroutes en foerageergebied De bomenlaan langs de Heidekampweg en Buitenhavenweg kan gezien de grootte en dichtheid functioneren als (essentiële) vliegroute voor vleermuizen, evenals de bosrand aan de Veestraat. Deze potentiële vliegroutes kunnen tevens fungeren als foerageergebied. Echter, deze bomen worden binnen de voorgenomen plannen niet gekapt. De houtopstand van acacia wordt gekapt. Vliegroutes bestaan uit lijnvormige elementen, waar bij de houtopstand geen sprake van is.
Foerageergebied kan uit een variëteit van elementen bestaan, waaronder ook bomen. Echter, in de omgeving blijft voldoende foerageergebied aanwezig in de vorm van bomen, wadi’s, sloten etc. Een effect op vliegroutes en foerageergebied kan daarom worden uitgesloten.
4.5
Amfibieën
In de nabijheid van het plangebied zijn de beschermde rugstreeppad en alpenwatersalamander waargenomen (tabel 4). Tijdens het veldbezoek is onderzocht of het plangebied geschikt is voor deze soort. Tabel 4. Overzicht van amfibieën die in en rond het plangebied kunnen voorkomen. Soort Alpenwatersalamander Rugstreeppad
Beschermingsstatus Nationaal Beschermde soort Habitatrichtlijnsoort
De alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop en is meestal in wateren te vinden die niet snel stromen en niet rijk zijn aan vis. Het landhabitat ligt in de omgeving van het voortplantingswater. Er zijn echter geen wateren op de onderzoekslocatie (of in de omgeving van de onderzoekslocatie) aanwezig welke kunnen functioneren als voortplantsingsbiotoop. Landhabitat van deze soort is daarom ook uitgesloten. De rugstreeppad is voor de voortplanting afhankelijk van ondiepe wateren zoals tijdelijke poelen en plassen, maar ook slootjes en vennen. Voor overwintering graaft de rugstreeppad zich in, in de buurt van het voortplantingswater. Hiervoor worden niet zelden zanddepots gebruikt (indien aanwezig). Er zijn geen oppervlaktewateren aanwezig op de onderzoekslocatie. Negatieve 11
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
effecten van de werkzaamheden kunnen daarom worden uitgesloten. De rugstreeppad is echter een pioniersoort, waardoor er wel maatregelen getroffen dienen te worden bij de werkzaamheden om vestiging te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.6
Reptielen
Beschermde reptielen zijn niet in de nabijheid van het plangebied waargenomen. Bovendien wordt het aanwezige habitat, vanwege de hoge verkeersdrukte, niet geschikt geacht voor deze soortgroep. Een negatief effect op beschermde reptielen kan worden uitgesloten.
4.7
Vissen
Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de onderzoekslocatie. Op basis van de verspreidingskenmerken van beschermde vissen en de habitatkenmerken van het plangebied zijn vissen uit te sluiten.
4.8
Vlinders
In de omgeving van de onderzoekslocatie is de iepenpage aangetroffen. De iepenpage is een nationaal beschermde soort die zijn gehele levensstadium voltooit op iepen. Er zijn op de onderzoekslocatie geen iepen aanwezig. Aanwezigheid van iepenpages op de onderzoekslocatie zijn daarom uitgesloten. Tabel 5. Overzicht van vlinders die in en rondom het plangebied kunnen voorkomen. Soort Iepenpage
4.9
Beschermingsstatus Nationaal Beschermde soort
Ongewervelde diersoorten
In de omgeving zijn geen ongewervelde diersoorten (zoals bijvoorbeeld zeggekorfslak of vliegend hert) waargenomen. Bovendien is het habitat ongeschikt voor deze soorten. Overtreding ten aanzien van deze soorten wordt daarom niet verwacht.
4.10 Samengevat Afgaande op het biotoop kan worden gesteld dat: Het plangebied WEL geschikt is voor: • Algemene Broedvogels • Das (foerageergebied) • Steenmarter Het plangebied is NIET geschikt is voor: • Vogels met jaarrond beschermde nesten • Beschermde vaatplanten • Vissen
12
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
• •
Algemene grondgebonden zoogdieren Na/tijdens werkzaamheden: rugstreeppad
• • •
Beschermde reptielen Beschermde ongewervelden Vleermuizen
5. Toetsing aan de Wet natuurbescherming In dit hoofdstuk is een analyse gemaakt van de te verwachten effecten op de soorten die aanwezig zijn of verwacht worden. Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van beschermde vaatplanten en vissen uitgesloten. Hierdoor is het optreden van negatieve effecten op deze soorten of soortgroepen niet aan de orde en worden zij onderstaand niet verder behandeld.
5.1 5.1.1
Broedvogels Roek
Direct grenzend aan de planlocatie is een broedplaats van een roekenkolonie aanwezig. Roeken zijn streng beschermd volgens de Vogelrichtlijn, vastgelegd in de Wet natuurbescherming onder artikel 3.1. Conform Kennisdocument (BIJ12, 2017) wordt er een onderscheid gemaakt in beschermde nesten en winterslaapplaatsen. Roeken zijn in het algemeen flexibel in het gebruik van winterslaapplaatsen, waardoor deze niet zijn te categoriseren als (beschermde) rustplaats, tenzij de winterslaapplaats samenvalt met een nestplaats. Op het Chemelot terrein wordt gebruikt gemaakt van roekenverjaging in de winterperiode (september t/m januari) conform de voorschriften van ontheffing FF/75/2015/043 en met inachtname van het bestuurlijk rechtsoordeel van Provincie Limburg uit brief d.d. 6 november 2020 (kenmerk DOC-00105653, zaaknummer 2020-205394). Vanwege de afstand tussen beschermde nesten en de werkzaamheden kan verstoring niet uitgesloten worden indien werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen (grofweg februari tot en met augustus). Indien de werkzaamheden volledig uitgevoerd kunnen worden buiten het broedseizoen, is een negatief effect op voorhand uit te sluiten. De maatregelen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol.
5.2.1
Overige broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten komen niet voor binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving. Negatieve effecten op deze groep zijn dan ook uit te sluiten. Voor alle andere broedvogels geldt dat het nest alleen tijdens het gebruik ervan door vogels onder de bescherming van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, mits het nest is verlaten. Dit geldt bijvoorbeeld voor soorten als de merel, roodborst en houtduif. Met deze nesten kan eenvoudig rekening worden gehouden door de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen of in elk geval te starten buiten het broedseizoen. Als richtlijn voor het broedseizoen wordt veelal de periode 15 maart-15 juli aangehouden. Echter kunnen soorten ook eerder of later in het seizoen tot broeden komen. Om deze reden kan zekerheidshalve de periode maart tot en met oktober worden aangehouden als broedseizoen. Er wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten de broedperiode op te starten en te zorgen dat het plangebied ongeschikt blijft voor de duur van de werkzaamheden. Hierdoor wordt een negatief effect (o.a. geluidsoverlast), op broedvogels niet verwacht en is overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb uitgesloten.
Indien de werkzaamheden wel plaatsvinden in het broedseizoen kan door middel van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voorkomen worden dat nesten verstoord of vernietigd worden. Dit houdt in dat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole wordt uitgevoerd door een terzake kundige. Deze kan, mits geen broedvogels aanwezig zijn, na de controle het terrein vrijgeven voor de werkzaamheden. Mocht een broedgeval worden vastgesteld dan dient hiermee rekening te worden gehouden. De werkzaamheden mogen niet lijden tot een verstoring of opheffing van het nest. Als dit niet voorkomen kan worden dient te worden gewacht met de werkzaamheden totdat het broedgeval klaar is, en het nest verlaten.
5.2 5.3.1
Grondgebonden zoogdieren Das
Mogelijk fungeert de onderzoekslocatie als foerageergebied voor een in de buurt verblijvende das. Dassen zijn nationaal beschermde soorten onder Wet natuurbescherming (artikel 3.10). Het is hierdoor verboden de soorten opzettelijk te doden of te vangen (artikel 3.10 lid 1a), of om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dassen opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 3.10 lid 1b). Het aantasten of verwijderen van foerageergebied kan leiden tot het niet meer (volledig) functioneren van een burcht, waardoor indirect een overtreding op artikel 3.10 lid 1b wordt begaan. De voorziene werkzaamheden zijn echter van tijdelijke aard, waardoor mogelijk foerageergebied enkel tijdelijk wordt aangetast. Bovendien is er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Hierdoor vindt er geen overtreding plaats op de das.
13
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
5.4.1
Steenmarter
Mogelijk maakt de steenmarter gebruik van de onderzoekslocatie als verblijfplaats. De steenmarter is een nationaal beschermde soort onder de Wnb (artikel 3.10). Het is hierdoor verboden de soorten opzettelijk te doden of te vangen (artikel 3.10 lid 1a), of om de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dassen opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 3.10 lid 1b). De soort staat in de provincie Limburg echter op de vrijstellingslijst, en is vrijgesteld tussen 15 augustus – eind februari. Dit dient te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Deze periode valt in het broedseizoen van algemene broedvogels. Tijdens deze periode is de zorgplicht echter onverminderd van kracht. Indien niet tijdens de vrijstellingsperiode gewerkt kan worden, dient er aanvullend onderzoek naar deze soort uitgevoerd te worden om de functie van de onderzoekslocatie voor deze soort te duiden.
5.5.1
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de algemene grondgebonden zoogdieren die voor kunnen komen in en rondom het plangebied (zoals egel, mol en konijn) geldt in de provincie Limburg een algemene vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden wanneer verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden. Wel geldt voor deze soorten een wettelijke zorgplicht. Indien dergelijke soorten worden waargenomen tijdens de werkzaamheden dienen deze de mogelijkheid te krijgen om te kunnen vluchten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
5.4
Amfibieën
De rugstreeppad is een pioniersoort, die gebruik maakt van ondiepe wateren en makkelijk vergraafbare grond zoals in zanddepots. Rugstreeppadden zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn, ondergebracht in de Wnb onder artikel 3.5. Het is hierdoor verboden de soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, de voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen of vernielen en de soorten opzettelijk te verstoren. Om te voorkomen dat rugstreeppadden zich onverhoopt vestigingen tijdens de werkzaamheden, dient er voorkomen te worden dat er geschikte voortplantingswateren ontstaan. Bovendien dient er voorkomen te worden dat er rugstreeppadden zich in makkelijk vergraafbare grond vestigen. Maatregelen hiervoor (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een scherm) dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.
5.5
Algemene zorgplicht
Voor alle flora en fauna in de Provincie Limburg is de algemene zorgplicht van toepassing als deze in de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Om te voldoen aan de zorgplicht hoeft niet gewerkt te worden middels een gedragscode of een ontheffing. In deze situatie kan rekening worden gehouden met een mogelijke fasering van de werkzaamheden. Door rekening te houden met kwetsbare perioden. In het geval dieren worden aangetroffen, bijvoorbeeld een egel, dan moeten deze de mogelijkheid krijgen om te kunnen vluchten. Eventueel kunnen dieren worden verplaatst naar een locatie buiten het plangebied.
14
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
6. Natura 2000 Op circa 650m ten oosten van de onderzoekslocatie ligt het Natura 2000-gebied de Grensmaas. Indien er sprake zou zijn van een effect, zou dit een extern effect betreffen. Op 1 juli 2021 is de 'Wet stikstofreductie en natuurverbetering' (Wsn) in werking getreden. Op grond van deze wet geldt er een partiële vrijstelling voor de bouwsector als het gaat om stikstof. Feitelijk betekent deze vrijstelling dat de bouw-/aanlegfase van projecten niet meer beschouwd hoeft te worden in het stikstofonderzoek. Dit betekent dat voor de aanlegfase van dit werk geen nadere stikstofberekening nodig is en er voor tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van aanlegwerkzaamheden geen vergunning (meer) hoeft worden aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming. Van een permanente toename van stikstofdepositie is bij deze werkzaamheden geen sprake. Tussen de onderzoekslocatie en het Natura 2000-gebied ligt het Julianakanaal, bosschages, akkers en weilanden. Vanwege de tijdelijke duur en (relatief) kleinschalige aard van de werkzaamheden, zijn effecten zoals verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid/llicht en trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten niet te verwachten. Ook raken deze werkzaamheden niet aan het Natura 2000-gebied, waardoor effecten als oppervlakteverlies of versnippering niet aan de orde zijn.
Een effect op het Natura 2000-gebied de Grensmaas is daarom niet aan de orde.
15
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
7. Beschermde houtopstanden In de Wnb worden houtopstanden beschermd bij een grootte van minimaal 10 are of als bomenrijen meer dan 20 bomen hebben. Deze opstand dient dan buiten de bebouwde kom te liggen. Het is verboden deze beschermde houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij bevoegd gezag. Indien er in houtopstanden van minimaal 10 are of in bomenrijen van meer dan 20 bomen (geheel of gedeeltelijk) geveld wordt, dient hiervoor een melding gedaan te worden bij bevoegd gezag. Volgens de Wnb moet dit minstens 6 weken voor de kap gebeuren. De grond waarop de gekapte bomen hebben gestaan, dient herbeplant te worden. Indien herbeplanting binnen 3 jaar niet mogelijk is, kan er in bepaalde gevallen een ontheffing worden aangevraagd om de herbeplanting op een andere locatie te doen. Het plangebied valt echter onder het ‘groenbeheerplan Chemelotterrein 2016-2026’ (finale versie/01, d.d. 6 november 2015). In de collegevergadering van gemeente Sittard-Geleen d.d. 2 februari 2016 (agendapunt A07) is het groenbeheerplan Chemelotterrein goedgekeurd. Onder de in het plan benoemde voorwaarden, kunnen houtopstanden zonder vergunning worden geveld op het Chemelotterrein. Indien niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, dient alsnog melding gemaakt te worden bij bevoegd gezag en geldt mogelijk een vergunning- en/of herplantplicht.
16
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
8. Conclusie In dit hoofdstuk zijn de conclusie en het advies opgenomen. Er is aangegeven of sprake kan zijn van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, er voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om overtreding te voorkomen, of dat aanvullend onderzoek en/of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Indien een ontheffing noodzakelijk is, wordt dit aangegeven. De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van, jaarrond beschermde nesten (vogels), vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vlinders, vissen, amfibieën, overige ongewervelde en vaatplanten. Voor vogels met jaarrond beschermde nesten (met uitzondering van roek), reptielen, vlinders, vissen en vaatplanten kan op voorhand worden uitgesloten dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten optreden tijdens de werkzaamheden. Hiervoor is verder geen vervolgonderzoek noodzakelijk en kunnen de werkzaamheden zonder een negatief effect op de verbodsbepalingen van Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. Een effect op het Natura 2000-gebied de Grensmaas is tevens niet aan de orde. Voor algemene broedvogels, roek en steenmarter kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de ingreep verstorend is (tabel 7).
Bovendien dient voorkomen te worden dat de rugstreeppad zich vestigt op de onderzoekslocatie tijdens de werkzaamheden. Maatregelen zijn hierbij dan ook nodig. De houtopstanden vallen binnen het groenbeheerplan van de gemeente Sittard-Geleen voor het Chemelotterein. Als voldaan wordt aan de in het groenbeheerplan genoemde voorwaarden, kunnen de houtopstanden zonder vergunning gekapt worden. Indien niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, dient alsnog melding gemaakt te worden bij bevoegd gezag en geldt mogelijk een vergunning- en/of herplantplicht. Tabel 7 Overzicht van de te nemen vervolgstappen. Soortgroep Algemene broedvogels
Ingreep verstorend Mogelijk
Vervolgonderzoek noodzakelijk Nee
Roek
Mogelijk
Nee
Steenmarter
Mogelijk
Mogelijk
Rugstreeppad
Nee, maar wel risico op vestiging tijdens werkzaamheden Mogelijk
Nee
Algemene vrijgestelde soorten
17
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
Nee
Mitigerende maatregelen
Ontheffing nodig
Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren (werk uitvoeren buiten maart t/m juli). Indien binnen broedperiode gewerkt wordt; ecologische begeleiding deskundig ecoloog Werkzaamheden buiten broedseizoen (september t/m januari) uitvoeren, vastgelegd in een ecologisch werkprotol - werken in vrijstellingsperiode, vastgelegd in ecologisch werkprotocol -indien niet mogelijk: aanvullend onderzoek Voorkomen van vestiging in tijdelijke wateren en makkelijk vergraafbare grond: vastleggen in ecologisch werkprotocol Voldoen aan de zorgplicht voor algemene soorten (bijv. veldmuis)
Nee
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
9. Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center. P. 236-264. Kennisdocument Das , versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Buizerd, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Huismus, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Levendbarende Hagedis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Rosse vleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Kennisdocument Roek, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 NDFF-database (25 april 2022)
18
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
Bijlage 1
19
724220059 QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING
Bijlage 11 Bijlage 17.3
Milieu Risico Analyse deelinrichting “AnQore: Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag”
Pagina 1 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
Colofon Auteur
Kayan Moors Gert Stam (WOOD)
E-mailadres
Kayan.moors@sitech.nl
Telefoonnummer
+31 (0)6 1352 2572
Collegiale toets
Evert van Nijnatten
Datum
02.06.2022
Versie
0.1 Concept / 1.0 Definitief
Documentnummer
PROT4/2022/ reg 82
Deelinrichting
Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag (OHIO project)
Pagina 2 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
Afkortingenlijst ACC ACN ADR AVA BAT BBT Bevi Bor Bref Brzo BOSANIS CSP CWW&WG CZV DS EAS EED EEP EfS ENE ETS HCN HEPA HVAC IAZI IBC ICS IEB IPPC IBL GR Kew Kj-N kton LEB MEE Mer MJV MRA MTR NaCN NaOH
Alert & Care Centre (Sitech Park Services) Acrylonitril Accord européen relatif aux transports internationaux de marchandises dangereuses par route Algemene Vergadering van Aandeelhouders Best Available Techniques Best Beschikbare Technieken Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen Besluit omgevingsrecht BAT reference document (Europees) Besluit risico’s zware ongevallen Bodeminformatiesysteem Chemelot Site Permit B.V. Waste Water & Waste Gas (Bref) Chemisch Zuurstof Verbruik (afvalwater) Doelstellingspunten (geluid) Energy Accounting System Energy efficiency directive Energie efficiëntie plan Emissions from Storage (Bref) Energy Efficiency (Bref) Emission trade system Blauwzuur High-efficiency particulate air (stoffilter) Heating, ventilation and air conditioning Integrale Afvalwater Zuiverings Installatie Intermediate Bulk Container Industrial Cooling Systems (Bref) Installatie Eigen Bijdrage (geluid) Integrated Pollution Prevention and Control Inside Battery Limit Groeps Risico (externe veiligheid) Kernenergiewet Kjeldahl Stikstof (afvalwater) kiloton (1000 ton) Locatie Eigen Bijdrage (geluid) Meerjarenafspraak Energie Efficiëntie ETS-ondernemingen Milieu effect rapportage Milieu Jaar Verslag Milieu risico analyse (oppervlaktewater) Maximaal Toelaatbaar Risico Natriumcyanide Natronloog
Pagina 3 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
NH3 NRB OBL PGS PR QRA RI&E RVO SIC TWK USG VG VGM VIB VR Wabo Wm ZAV
Ammoniak Nederlandse Richtlijn Bodembescherming Outside Battery limit Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen Plaatsgebonden Risico (externe veiligheid) Kwantitatieve Risico Analyse Risico Inventarisatie & Evaluatie Rijksdienst voor ondernemend Nederland Specialty Inorganic Chemicals (Bref) Terreinen, Wegen, Kolommenbanen Utility Support Group Verpakkingsgroep (ADR) Veiligheid, Gezondheid en Milieu Veiligheids Informatie Blad (stofgegevens) Veiligheids Rapport Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wet milieubeheer Zwavelzure ammoniak verwerking
Pagina 4 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
Inhoudsopgave 1
BESCHRIJVING BEDRIJFSACTIVITEITEN .........................................................................................6 1.1 Inleiding ................................................................................................................................ 6 1.2 Vergunningensituatie deelinrichting Acrylonitrilfabriek site Chemelot ................................... 6
2
ALGEMENE GEGEVENS CHEMELOT ..............................................................................................7 2.1 Korte omschrijving van de aangevraagde activiteit ................................................................ 8 2.2 Systematiek WABO vergunningen Chemelot ......................................................................... 8 2.3 Acrylonitrilfabriek als onderdeel van de inrichting Chemelot ................................................. 8
3
PROCESBESCHRIJVING PROPEENVOORZIENING ......................................................................... 13 3.1 Inleiding .............................................................................................................................. 13 3.2 Algemene beschrijving deelinrichting .................................................................................. 13
4 BESCHRIJVING MILIEURISICO’S VOOR LUCHT, BODEM, OPPERVLAKTEWATER EN RIOOLWATERZUIVERINGSINRICHTING (RWZI). .................................................................................. 14 4.1 Beschrijving milieurisico’s voor lucht. .................................................................................. 14 4.2 Beschrijving milieurisico’s voor bodem ................................................................................ 14 4.3 Beschrijving milieurisico’s voor het ontvangende watersysteem.......................................... 15 5 6
TOETS AAN DE STAND DER VEILIGHEIDSTECHNIEK VAN ACTIVITEITEN (SVT). ............................. 19 SUBSELECTIE MILIEURISICOANALYSE ......................................................................................... 20 6.1 Methodiek .......................................................................................................................... 20 6.2 Vaststellen drempelwaarde ................................................................................................. 20 6.3 Uitwerking selectie .............................................................................................................. 21 6.4 Conclusie............................................................................................................................. 22 Bijlage 1: Plattegrond van de locatie (nieuwe deelinrichting)........................................................ 23 Bijlage 2: Beschrijving van de procesinstallatie ............................................................................. 24 Bijlage 3: Procesafvalwater .......................................................................................................... 25 Bijlage 4: Ingevulde checklist SVT .................................................................................................
26 Bijlage 5: SDS Propeen ................................................................................................................. 31 Bijlage 6: Overzicht tankopslagen ................................................................................................. 32
Pagina 5 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
1
BESCHRIJVING BEDRIJFSACTIVITEITEN
1.1
Inleiding
In verband met de realisatie van de mogelijkheid tot het verladen van propeen in de haven van Stein en het transport van propeen per pijpleiding naar de Acrylonitril-fabrieken van AnQore is deze milieurisicoanalyse (MRA) voor het oppervlaktewater uitgewerkt. Hierbij is de methode gevolgd zoals beschreven in het CIW-rapport rapport “Integrale aanpak van risico’s van onvoorziene lozingen” (feb 2000). Sitech heeft in samenwerking met Wood E&IS GmbH, Hierna Wood, de actualisatie van de milieurisicoanalyse voor ACN opgesteld. Figuur 1.1 Overzicht deelinrichting Propeenverlading haven Stein, leidingtransport en opslag.
1.2
Vergunningensituatie deelinrichting Acrylonitrilfabriek site Chemelot
Omgevingsvergunning milieudeel Chemelot Site Permit B.V. is samen met de primaire site bewoners, waaronder de drijver van de deelinrichting Acrylonitrilfabriek (ACN) en de drijver van de nieuw te realiseren deelinrichting voor het verladen, transporteren en opslaan van Propeen, houder van de revisievergunning, kenmerk 05/5 en de op 9 oktober 2020 in werking getreden algehele actualisatie van Hoofdstuk 1 Sitevergunning Chemelot met kenmerk 2020/32742.
Pagina 6 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
2
ALGEMENE GEGEVENS CHEMELOT
Onderhavige omgevingsvergunning wordt aangevraagd door Chemelot Site Permit B.V. (hierna te noemen CSP B.V.) en als drijver van de installatie AnQore B.V.. CSP B.V. heeft, vanuit haar verantwoordelijkheden beschreven in de aanvraag om actualisatie van de vergunning, voor de gehele site Chemelot “zeggenschap” op het gebied van Veiligheid, Gezondheid en Milieu (VGM). Een verdere uitwerking is vastgelegd in het “Managementhandboek CSP B.V.” dat onderdeel uitmaakt van de actualisatie. Het gestelde in dit managementhandboek beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van CSP B.V. en de mededrijvers van de site Chemelot. AnQore B.V. heeft zich door ondertekening van een volmachtverklaring geconformeerd aan het managementhandboek. In het kader van deze vergunningaanvraag zijn de navolgende gegevens in tabel 2.1 van belang. Tabel 2.1: gegevens aanvrager(s). Onderwerp Omschrijving Aanvragers:
Chemelot Site Permit B.V. KVK-nummer: 14083045 Vestigingsnummer: 000000536989 AnQore B.V. KVK-nummer: 14052072 Vestigingsnummer: 000017644097 Loketfunctie: Chemelot Site Permit B.V.: Urmonderbaan 22, 6167 RD Geleen Postadres: Postbus 27, 6160 MB Geleen Naam deelinrichting: AnQore: Propeen verlading Haven Stein, leidingtransport en opslag Gegevens primaire site Statutaire naam: AnQore B.V. bewoner: Adres: Mauritslaan 49, 6129 EL Urmond KVK-nummer: 14052072 Vestigingsnummer: 000017644097 Naam deelinrichting AnQore: Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag Ligging deelinrichting: De verlading van Propeen zal plaatsvinden in de Haven Stein. Het transport van propeen vindt via een (grotendeels) ondergrondse transportleiding en opslag plaats naar de bestaande deelinrichting Acrylonitrilfabriek (ACN). De ligging binnen de site Chemelot is weergegeven in bijlage 1A. Omschrijving van de Logistieke activiteiten voor de aanvoer van Propeen voor de aard van de acrylonitrilfabrieken op Chemelot deelinrichting: Soort vergunning die Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder wordt aangevraagd e en c, van de Wabo (verandering milieu en ruimtelijke ordening; fase 1).
Pagina 7 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
Bor categorie:
2.1
Onderdeel C, categorie 2.1a, 2.7e en 5.1 van bijlage 1 behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Korte omschrijving van de aangevraagde activiteit
De activiteiten van de deelinrichting “AnQore: propeen verlading, transport en opslag” zijn nieuw: het verladen van vloeibaar Propeen (CAS# 115-07-1) van binnenschepen naar een aanlandinstallatie; het transporten van vloeibaar Propeen via een (grotendeels) ondergrondse transportleiding naar nieuwe, ingeterpte opslagtanks naar de bestaande deelinrichting Acrylonitrilfabriek. 2.2
Systematiek WABO vergunningen Chemelot
Op 14 juni 2005 is een revisievergunning, kenmerk 05/5, voor de gehele site Chemelot afgegeven. In hoofdstuk 1 van deze vergunning, per 9 oktober 2020 geactualiseerd, heeft een brede afweging plaatsgevonden van de site Chemelot als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en zijn algemene voorschriften opgenomen. Deze algemene voorschriften hebben een site-breed karakter en zijn, behoudens de taakstellende voorschriften, van toepassing op alle installaties/activiteiten op de site Chemelot. In de overige hoofdstukken heeft een afweging plaatsgevonden van elke installatie/ activiteit afzonderlijk en zijn specifieke voorschriften daarvoor opgenomen. De in de afzonderlijke hoofdstukken beschreven installaties/activiteiten of groepen van installaties/activiteiten, kunnen worden aangemerkt als deelinrichtingen. Hoofdstuk 62 bevat de afweging en specifieke voorschriften voor de nieuwe deelinrichting. 2.3
Acrylonitrilfabriek als onderdeel van de inrichting Chemelot
Vanwege de functionele, technische en organisatorische bindingen van de deelinrichting AnQore Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag met de overige activiteiten binnen de site Chemelot, maakt de deelinrichting onderdeel uit van de inrichting “site Chemelot”. De overwegingen volgen hieronder. 2.3.1 Technische bindingen site Chemelot Op de site Chemelot zijn algemene, gemeenschappelijke voorzieningen beschikbaar waar alle of meerdere installaties/activiteiten gebruik van maken: • Demiwaterbereiding en demiwaternet, proceswaternet • Bluswaterleidingnet • Stoom-, stikstof-, elektriciteit-, instrumentatie- en persluchtnet • Restgassennet (centraal stookgasnet) • Afvalwaterafvoer en zuiveringssysteem (IAZI) • Gezamenlijke ingangen • Gezamenlijke (tijdelijke) opslag van gevaarlijke stoffen
Pagina 8 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
• •
Gezamenlijk gebruik van logistieke faciliteiten (haven, weegbruggen, OBL-wegen) Ammoniakringleiding, etheen/propeen en waterstofleiding
railemplacement,
Voor de nieuwe AnQore deelinrichting betreft dit specifiek: • Utilities vanuit USG: elektriciteit, stikstof, water, lucht. • Bluswaterleidingnet. • Gezamenlijke ingangen site Chemelot. • Gezamenlijk gebruik van logistieke faciliteiten in Haven Stein (bereikbaarheid voor propeen binnenvaart schepen, aanmeermogelijkheid t.b.v. lossing aan kade, verbinding losarm propeen afgas via Sabic Gashaven Stein naar fakkel Olefins 4). • Connectie van de nieuwe propeen buisleiding met bestaande buisleidingen, en connectie van de nieuwe ondergrondse propeen buisleiding aan Noordzijde Chemelot met de mogelijk toekomstige externe buisleiding Delta Corridor naar Chemelot (na 2026; connectie met traject Rotterdam, Moerdijk, Gelsenkirchen). 2.3.2 Functionele bindingen site Chemelot •
• • • • • •
De productieprocessen van verschillende installaties sluiten op elkaar aan of de nevenproducten van de ene installatie worden ingezet in een andere installatie. Voorbeelden zijn het gebruik van ammoniak uit de ammoniak fabrieken of etheen/propeen en waterstof uit de nafta krakers in diverse andere installaties op de site Chemelot. Processen of producten worden verbeterd met ondersteuning vanuit researchfaciliteiten en pilot plants. Onderling gebruik van specifieke voorzieningen en services (zoals laboratoriumruimten, cleanroom, al dan niet met personeel). Gezamenlijke/gecentraliseerde monitoring van milieu- en veiligheidsgegevens. Gezamenlijke bedrijfsbeveiliging. Gezamenlijke bedrijfsbrandweer en bedrijfsnoodorganisatie, alarmering bezetting en aanwezigheid arbozorg. Logistieke faciliteiten (haven, railemplacement, weegbruggen, OBL-wegen).
Voor de nieuwe AnQore deelinrichting betreft dit specifiek: • Gezamenlijke/gecentraliseerde monitoring van milieu- en veiligheidsgegevens. • Gezamenlijke bedrijfsbeveiliging. • Gezamenlijke bedrijfsbrandweer en bedrijfsnoodorganisatie, alarmering bezetting en aanwezigheid arbozorg. • Logistieke faciliteiten in Haven Stein. 2.3.3 Organisatorische bindingen site Chemelot 2.3.3.1 Algemeen Er zijn diverse samenwerkings- en eigenaarsverbanden op Chemelot. De ondergrond van de site Chemelot is grotendeels eigendom van DSM Nederland B.V.. De aanwezige infrastructuur en diverse faciliteiten zijn eigendom van Sitech Services B.V. De nutsvoorzieningen worden
Pagina 9 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
beheerd door de Utility Support Group (USG). Vanuit de omgevingsvergunning is de organisatorische binding geborgd middels de Chemelot Site Permit B.V. (CSP) en vastgelegde verantwoordelijkheden en verplichtingen in het Managementhandboek. Ten aanzien van de VGM-verantwoordelijkheid en de zeggenschap is een afbakening aangebracht van enerzijds de autonome rechtspersonen (de primaire site bewoners) en anderzijds CSP B.V.. Een en ander is hieronder uitgewerkt. 2.3.3.2 Het gemeenschappelijk besturingsmodel Zoals in het voorgaande is beschreven, opereren op de site Chemelot meerdere sitebewoners. Gezamenlijk vormen zij één inrichting in het kader van de Wet milieubeheer door de drie hierboven genoemde bindingen. De hiertoe noodzakelijke organisatorische binding, zich uitend in centrale “zeggenschap” is ondergebracht bij CSP als mededrijver van alle deelinrichtingen op de site. Aandeelhouders van CSP zijn: • Sitech Manufacturing Services C.V.; is aandeelhouder namens de primaire site bewoners, behorende tot DSM, Fibrant, AnQore, OCI Nitrogen, Arlanxeo, Borealis en Sitech Services. • SABIC Limburg B.V. namens de primaire site bewoners behorende tot SABIC. • De “Vereniging van Overige Chemelot Site Bewoners”, zijnde de primaire site bewoners, die niet tot de andere aandeelhouders behoren.
• DSM Nederland B.V., vanuit de functie van eigenaar van de ondergrond en drijver van enkele deelinrichtingen. De nieuwe deelinrichting, vallend onder de primaire site bewoner AnQore B.V., maakt onderdeel uit van de aandeelhoudersgroep Sitech Manufacturing Services C.V. CSP is, samen met de primaire site bewoners, houder en dus deeldrijver van de omgevingsvergunning voor zover het de activiteit milieu (oprichten, veranderen en in werking zijn van de (deel)inrichting(en) betreft. De CSP directie is door alle primaire site bewoners gemachtigd om voor en namens hen als loketfunctie voor taken op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de activiteit milieu in zowel bestuurlijke als ambtelijke zin op te treden. In het management handboek CSP zijn algemene regels en afspraken vastgelegd met betrekking tot de te onderscheiden taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Belangrijk hierin is dat CSP door haar zeggenschap indien noodzakelijk kan ingrijpen in de productieprocessen van de diverse deelinrichtingen, dan wel kan afdwingen dat dit gebeurt. Het managementhandboek CSP wordt beheerd door het loket CSP. Wijzigingen worden door het loket periodiek ter accordering voorgelegd aan de AVA. De herziene versie wordt overlegd aan het bevoegd gezag.
De verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken (TBV) in het kader van de Wabo van CSP respectievelijk de primaire site bewoners zijn hierin als volgt beschreven: Verantwoordelijkheden en bevoegdheden CSP. Uitgangspunt is dat CSP de volgende verantwoordelijkheden heeft:
Pagina 10 van 32
Kenmerk PROT4/2022/ reg 82 Datum: 2-6-2022
• •
•
Het (doen) verkrijgen en instandhouden van de aan de Chemelot Site als geheel verleende vergunningen ingevolge de Wm/Wabo. Het waarborgen van de naleving van: o Wettelijke verplichtingen in relatie tot de doelstelling van CSP, geldend voor de Chemelot Site als geheel; o Site-generieke milieuvergunningsvoorschriften, ook door de onderscheiden primaire site bewoners. In verband hiermee houdt CSP op gestructureerde wijze toezicht op de naleving van de site-generieke vergunningvoorschriften door de primaire site bewoners; o Plant-specifieke milieuvergunningsvoorschriften door de onderscheiden primaire site bewoners. In verband hiermee houdt CSP toezicht op de naleving van de plant-specifieke vergunningvoorschriften door de primaire site bewoners; o Verplichtingen voortvloeiend uit het Besluit bedrijfsbrandweren t.a.v. de zorg voor preventie en repressie. De directie van CSP is bevoegd en door de primaire site bewoners gerechtigd om (zonder voorafgaande toestemming) onmiddellijk maatregelen te (doen) treffen om de naleving van de vergunning(voorschriften) en wet- en regelgeving (waaronder Waterwet) te waarborgen.
Verantwoordelijkheden van de primaire site bewoners Alle primaire site bewoners erkennen CSP als medevergunninghouder van de sitevergunning ingevolge de Wabo en (voor zover van toepassing) de complexvergunning ingevolge de Kernenergiewet, de Broeikasgas emissievergunning en de Vergunning Wet Natuurbescherming. De primaire site bewoners zijn als (materieel) werkgever dan wel als feitelijk drijver van de betreffende fabriek primair verantwoordelijk voor: • De naleving van de wettelijke voorwaarden en verplichtingen met betrekking tot hun eigen bedrijfsactiviteiten en de daaruit voortvloeiende vergunningsvoorschriften; • Het op zodanige wijze informeren van CSP dat deze in de gelegenheid is om te voldoen aan haar site generieke (wettelijke) verplichtingen en voorschriften; • De uitvoering en de naleving van de verplichtingen die CSP in het kader van voornoemde wetten aan de primaire site bewoners oplegt; • Overige niet in deze paragraaf genoemde verantwoordelijkheden, vallend binnen de Wabo. Verhouding CSP en primaire site bewoners • CSP en de site bewoners zijn verplicht om wettelijke verplichtingen en vergunningsvoorschriften na te leven. • De primaire site bewoners moeten verplichtingen die CSP hen oplegt naleven en uitvoeren.