Bijlage B. Ruimtelijke onderbouwing correctie 7mrt2023.pdf
Tekst van het document
4.7 Externe veiligheid De site Chemelot valt op grond van de Seveso III-richtlijn onder de werkingssfeer van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) en het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi). In het Bevi zijn de milieukwaliteitseisen geformuleerd op het gebied van externe veiligheid, met als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Conform artikel 4 Bevi moet getoetst worden aan de grensen richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Op grond van artikel 12 en 13 van het Bevi geldt een verantwoordingsplicht van het groepsrisico. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn regels opgenomen rondom externe veiligheid voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Het Bevb sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi. Of een buisleiding onder de reikwijdte van het Bevb valt is bepaald in de Regeling externe veiligheid buisleidingen en is afhankelijk van de soort stof, de diameter en druk. Door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is bevestigd dat de beoogde nieuwe propeenleiding niet onder de werkingssfeer van het Bevb valt. De correspondentie hierover met de ILT is opgenomen in bijlage 11.
Ten behoeve van de gewijzigde activiteiten met betrekking tot de propeenverlading van AnQore in de haven Stein is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld (bijlage 5, Sitech Services B.V., Kwantitatieve risico-analyse van de AnQore Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag (OHIO-project, 27 juni 2022). In de QRA worden de resultaten van de risicoberekeningen gepresenteerd in de vorm van plaatsgebonden risico-contouren en het groepsrisico. De invloed van de gewijzigde activiteiten wordt getoetst aan de bestaande situatie. In overleg met de RUD Zuid-Limburg is bij de bestaande situatie rekening gehouden met de wijzigingen die zijn aangevraagd in het kader van de vergunningen voor de deelinrichting Sabic Logistics C&I en de deelinrichting ammoniakringleiding van OCI. Noot: Gelijktijdig met de aanleg van de propeenvoorziening vinden aanpassingen aan de C3-gashaven van Sabic plaats. Hierbij gaat het om verplaatsing van de Marine Loading Arm (MLA), uitbreiding van de verlaadcapaciteit van 150 kT/jaar naar 300 kT/jaar en om de modernisering van de C3-Marine Loading Arm (MLA). Beide projecten worden apart aangevraagd, beide QRA-rapporten zijn zodanig opgezet dat de PR en GR van beide aanvragen zowel apart als gecombineerd zijn weergegeven.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
31
Alleen voor intern gebruik
Bij iedere verandering op de site Chemelot wordt opnieuw beschreven of er voor het plaatsgebonden risico van de gehele site Chemelot nog steeds voldaan wordt aan de wettelijke criteria. Bovendien wordt dan per deelinrichting onderzocht of via maatregelen voorkomen kan worden dat een verdere verhoging van het bestaande groepsrisico van de site Chemelot optreedt. Per deelinrichting moeten deze zaken in de procedure voor de deelinrichting worden beschreven en door het bevoegd gezag worden afgewogen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans aan dat iemand die voortdurend op een bepaalde plaats onbeschermd zou verblijven ten gevolge van enig ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen letale effecten (overlijden) ondervindt. Dit risico wordt weergegeven in zogenaamde iso-risicocontouren op een topografische kaart. De contouren verbinden de plaatsen waar de kans op overlijden eenzelfde waarde heeft. De plaatsen met gelijke frequentie van 10-4/jaar, 10-5/jaar, 10-6/jaar, 10-7/jaar en 10-8/jaar zijn door lijnen met elkaar verbonden. Uit de QRA blijkt ten aanzien van de contouren van het plaatsgebonden risico het volgende: • Het PR neemt lokaal toe. Op de plaatsen waar een toename zichtbaar is van de 10 -6/jaar ISOcontour zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gelegen of geprojecteerd.
• Aan de zijde van Geleen (Ovonde, Burgemeester Lemmenstraat) neemt de 10 -6/jaar PR-contour toe waardoor deze maximaal 28 meter over de terreingrens komt. De 10-7/jaar en 10-8/jaar PRcontouren nemen hier en bij de Urmonderbaan toe. • Bij de Oude Postbaan ten oosten van de autoweg A2, op site Chemelot neemt het PR toe. Hier schuift de 10-6/jaar PR-contour iets richting het westen op maar blijft wel op de site Chemelot. Ook de 10-7/jaar en de 10-8/jaar ISO-contouren nemen hier toe. • Bij Haven Stein ontstaat door de aangevraagde AnQore propeen verlading een PR. Samen met de moderniseringen, de aanpassingen en verplaatsing van de C3-verlading van Sabic blijft de nieuwe 10-6/jaar totaal contour van de site Chemelot, ondanks de capaciteitsuitbreiding, vrijwel overal binnen de actuele 10-6/jaar PR-contour. Alleen aan de zuidwestkant (overzijde Julianakanaal) wordt de 10-6/jaar contour iets (ca. 12 meter) groter. De 10-7/jaar en 10-8/jaar ISOcontouren worden lokaal in haven Stein kleiner. • Ter plaatse van de Heidekampweg en Veestraat neemt de 10-6/jaar PR-contour circa 15 meter toe door deze nieuwe activiteiten. • Het PR op de VR-punten 01 en 02 neem toe als gevolg van de propeen opslag AnQore (OHIO project). • Voor alle aangewezen VR-punten geldt dat het plaatsgebonden risico kleiner is dan 10 -6/jaar.
Uit de berekeningen blijkt dat er geen (project gerelateerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen binnen de PR 10-6/jaar. Hiermee wordt voldaan aan de hiervoor geldende landelijke grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is (artikel 1 lid 1 Bevi). Deze definitie impliceert een tweetal aspecten die invloed uitoefenen op de hoogte van het berekend groepsrisico: • De jaarlijkse kans dat zich een ongeval voordoet met gevaarlijke stoffen. • Het aantal potentiële dodelijke slachtoffers in de omgeving van de activiteit. Dit hangt af van: o de samenstelling (hoeveelheid en spreiding) van de bevolking; o de effecten van een stof in geval van een ongeluk.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
32
Alleen voor intern gebruik
Het groepsrisico kent, in vergelijking tot het plaatsgebonden risico, echter geen strikte normering. Wel wordt uitgegaan van een oriëntatiewaarde, die recht doet aan risicoaversie (hoe groter de ramp, hoe lager het acceptabele risico). De oriëntatiewaarde geeft een eerste inzicht in het niveau van het risico. Om het groepsrisico te beoordelen moet bekend zijn: • Hoe groot de personendichtheid in het invloedsgebied van de inrichting is (begrensd door 1% letaliteit) en hoe deze eventueel wijzigt in de toekomst; • De mogelijke maatregelen die van invloed zijn op het groepsrisico en op welke wijze deze zijn meegenomen in het onderzoek; • Hoe rekening is gehouden met aspecten als rampenbestrijding, zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied en beheersbaarheid van de ramp bij een eventuele calamiteit. Er liggen geen (zeer) kwetsbare objecten in de PR 10-6 contour dus zou er geen sprake mogen zijn van beperkte zelfredzaamheid Dit is de zogenaamde verantwoording van het groepsrisico. In alle gevallen waarbij het groepsrisico toeneemt, moet door het bevoegd gezag invulling worden gegeven aan de verantwoordingsplicht. Onderstaand wordt ingegaan op de onderdelen van de verantwoording van het groepsrisico zoals genoemd in de artikelen 12 en 13 van het Bevi.
Uit de QRA blijkt ten aanzien van het groepsrisico het volgende: • De aangevraagde activiteiten van AnQore en Sabic leiden tot een geringe toename in de categorie van 1 tot 34 slachtoffers. Het GR blijft hierbij ruim onder de oriënterende waarden. • Boven de 34 slachtoffers hebben de beide aangevraagde projecten geen invloed. • Tussen 260 en 500 slachtoffers ligt de FN-curve boven de oriënterende waarden. Deze overschrijding is onafhankelijk van de aangevraagde activiteiten. • Boven 320 slachtoffers ligt de FN-curve van populatie 2022 iets hoger dan die van 2021. Ook dit wordt verklaard door de gewijzigde populatiegegevens: o januari 2021: 84.912 personen overdag, 77.180 personen ’s nachts; o januari 2022: 86.536 personen overdag, 77.862 personen ’s nachts. • Boven 500 slachtoffers ligt de FN-curve onder de oriënterende waarden. In figuur 4.3 zijn vier curves zichtbaar: • De paarse curve: actuele groepsrisico site Chemelot (populatie 1-1-2021). • De blauwe curve: groepsrisico site Chemelot inclusief aangevraagde C3-verladingen en opslag (populatie 1-1-2021). • De groene curve: groepsrisico site Chemelot inclusief aangevraagde C3-verladingen en opslag (populatie op 1-1-2022). • De oranje curve: groepsrisico van alleen de aangevraagde C3-verladingen en opslag (populatie 2022)
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
33
Alleen voor intern gebruik
Figuur 4.3: Groepsrisico FN-curve actuele (huidige) situatie versus aangevraagde situatie (populaties 2021/22) *Noot: de X-as en de Y-as van de FN-curve zijn logaritmisch
Risico verminderende maatregelen Omdat sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde (als gevolg van gewijzigde populatiegegevens) zijn in het kader van de verantwoordingsplicht de mogelijkheden voor risicovermindering onderzocht: 1. Verlading Haven Stein: a. De propeenvoorziening maakt een toekomstige connectie mogelijk van de ondergrondse propeenbuisleiding aan Noordzijde Chemelot met de externe propeenbuisleiding Delta Corridor naar Chemelot (na 2026; connectie met traject Rotterdam, Moerdijk, Chemelot, Gelsenkirchen NoordRijn Westfalen). Vanaf dan kan mogelijk een deel van de scheepsverlading voor de propeenvoorziening komen te vervallen en zal ook het extern risico van de propeenvoorziening minder zijn. b. De lossing gebeurt met een stalen losarm, in plaats van met slangen. De kans op breuk is hierdoor kleiner. c. Er worden extra terugslagkleppen in de losvoorziening gebouwd, waardoor in geval van leidingbreuk de inhoud van de circa 4 km lange leiding niet kan terug- en uitstromen in de haven. d. Er worden continue gasdetectoren bij de losvoorziening gebouwd met automatische snelafsluiters, waardoor in geval van leidingbreuk er een minimale inhoud kan uitstromen. Deze snelafsluiters kunnen ook via een noodstop vanaf een veilige plaats worden gesloten, ook vanuit het drukbestendige controlegebouw in Haven Stein. e.
De losarm op een platform in het Julianakanaal is beschermd door een aanvaarbeveiliging. f. Er wordt een aanvaarbeveiliging voor schepen aangebracht in Haven Stein. Bij ernstige calamiteiten mag een schip die de aanvaarbeveiliging heeft aangevaren, vervolgens een afgemeerd schip raken. De energie van het aanvarende schip is dan zodanig gereduceerd dat de kans op vervolgschade aan het afgemeerde schip als gevolg van de aanvaring gereduceerd is tot nul. Mogelijke vervolgschade betreft hier het ontsnappen van propeengas met als gevolg brand of explosie. g. De BBT-eisen (Best Beschikbare Techniek) vanuit PGS 12, PGS 18 en ADN wetgeving/Wet vervoer gevaarlijke stoffen over binnenwateren zijn op de relevante onderdelen toegepast.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
34
Alleen voor intern gebruik
Voor schepen zijn er geen scenario’s voor intrinsiek falen. Aangenomen wordt dat de Propeenverlading van AnQore en Sabic plaatsvindt tijdens het grootste deel van de tijd, dat een schip aanwezig is, en de verladingsscenario’s dominant zijn ten opzichte van intrinsiek falen [1]. De enige scenario’s, naast de verlading, die van belang zijn, zijn externe beschadiging ten gevolge van scheepsbotsingen. De aanmeersteiger en het aanmeren van de Propeenschepen voor AnQore wordt aanvaringsvrij uitgevoerd. Hiermee vervalt dit scenario. 2. Ondergrondse leiding: a. Een ondergrondse leiding heeft een lager extern-veiligheidsrisico dan een bovengrondse leiding. b. Tussen Haven Stein en snelweg A2 (tot nabij ACC op site Chemelot) is voor de ondergrondse leiding gebruik gemaakt van een bestaande leidingstraat, waarvoor een lagere faalfrequentie geldt. De speciaal voor leidingen gereserveerde leidingstraat is voorzien van markeringen en wordt regelmatig geïnspecteerd. c. De ondergronds leiding is op de plekken waar de leiding in de aanlegfase ingegraven moet worden, voorzien van beschermende linten en betonmatten, ter bescherming tegen latere graafwerkzaamheden. d. De BBT-eisen (Best Beschikbare Techniek) vanuit NRB 2012, PGS 12 en PGS 18 en Bref EFS zijn op de relevante onderdelen toegepast.
Voorzieningen die de technische integriteit waarborgen zijn: o enkelwandige ondergrondse stalen leiding zonder flenzen, dus geen lekpunten o lassen voorzien van pasta's/ wikkelbanden (bescherming leiding tegen corrosie) o uitwendige coating (bescherming leiding tegen corrosie) Maatregelen die de technische integriteit waarborgen zijn: o keuringsplichtig conform drukapparatuur. In overleg met IVG Sitech Inspections en de Sitech Integrity enigneer is vastgesteld dat de ondergronds propeen leiding wordt ontworpen volgens EN13480 (installatieleiding) en NEN3650 (transportleiding). Tijdens de gebruikersfase wordt de leiding behandeld als installatieleiding. o periodieke inspectie via gesloten pigging-systeem (detectie op wanddikte afname, beginnende scheuren) + controle coating via kathodische bescherming (tegen uitwendige beschadiging/corrosie) o onderhoudsprogramma 3. Storage bullets a. De drukopslagen zijn ingeterpt, met minimaal 0,5 meter grond boven de drukopslagen. Een ingeterpte drukopslag heeft een lager extern risico dan een bovengrondse drukopslag. Boven de grond uitstekende delen (b.v. mangaten) worden van brandwerende isolatie voorzien. b.
Voorzieningen worden voor tot vloeistof verdicht propeen in het ontwerp gebaseerd op relevante onderdelen uit BBT-eisen en normen zoals NRB 2012, PGS 12, PGS 18, IPO Kennisinventarisatie document ‘Vloeibare bulk- en overslag in tanks’, ‘International Safety Guide for Inland Navigation Tank-barges and Terminals’ (ISGINNT), en EEMUA 190, gericht op ingeterpte drukopslagen van tot vloeistof verdichte gassen (LPG). Dit betreft o.a. het voldoende afstand houden tussen propeen installatiedelen en overige objecten om domino-effecten te voorkomen. c. Er zijn o.a. gesloten verwerking van propeendampen via fakkels, stationaire blusvoorzieningen en propeen gas- en branddetectie voorzien.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
35
Alleen voor intern gebruik
d. Propeen is een reeds bekende stof binnen site Chemelot. Na grote ongelukken met bovengrondse opslag voor LPG (BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) ongeluk Mexico City begin jaren ’90) is er wereldwijd een trend ontstaan om drukvaten met brandbare tot vloeistof verdichte gassen (waaronder ook propeen) ondergronds te situeren. Beschermlagen van zand e.d. laten geen warmteradiatie toe en het vat is daarmee niet alleen zelf bestand tegen BLEVE, maar zal daartoe ook niet bijdragen. Dit concept heeft wereldwijd de naam “Mounded Storage Vessels” gekregen, omdat de “mound” (berg) het enige is dat zichtbaar blijft (bron: IPO Kennisinventarisatie document “Vloeibare bulk- en overslag in tanks”, publicatie 31 maart 2009). Doel van dit document is het beschikbaar stellen van een kennisdocument waarin kennis en inzicht met betrekking tot de 'stand der techniek' en 'best practical means' inzake Vloeibare bulk op- en overslag in tanks zijn gebundeld. EEMUA 190 vermeldt hierover: BLEVE is praktisch niet mogelijk; er is bescherming van de opslagvaten tegen: warmteradiatie door een nabije brand, een drukgolf ontstaan door een nabije explosie, beschadiging door rondvliegende voorwerpen bij explosies, sabotage. De weerstand van de opslagvaten tegen explosie levert kleinere benodigde veiligheidsafstanden op. e.
De BBT (Best Beschikbare Techniek) eisen vanuit NRB 2012, PGS 18 en Bref EFS zijn op de relevante onderdelen toegepast. De wetgeving ADN, richtlijn vaarwegen (RWS) en normen API 2510, NFPA 15, NFPA 58 en PGS 18 leggen specifieke eisen voor de hoeveelheid bluswater vast, op grond waarvan er minimaal 165 m3/h vereist is; de eindberekening van de benodigde hoeveelheid maakt deel uit van de Basic Engineering. Verder worden in samenwerking met de Chemelot bedrijfsbrandweer (brandblus)scenario's uitgewerkt. Uit het effect van een gebeurtenis wordt eveneens een noodzakelijke bluswaterhoeveelheid bepaald. Daaropvolgend wordt bepaald of de benodigde hoeveelheid hydrant beschikbaar is. Indien nodig volgen uitbreiding van het bluswaternetwerk of worden additionele maatregelen genomen. De drijver van installatie sluit contractueel de benodigde hoeveelheid water af met leverancier USG. Voorzieningen die de technische integriteit waarborgen zijn: o enkelwandige stalen tank; o uitwendige coating (bescherming opslag tegen corrosie); o continu actieve kathodische bescherming die samenwerkt met coating systeem o.b.v. gemeten spanningsverschil; o automatische branddetectie die een delugesysteem bij de productpompen in werking stelt; o grondwaterbewaking via te plaatsen peilbuizen, stroomafwaarts en stroomopwaarts (referentie: rapportage bodemonderzoek).
Maatregelen die de technische integriteit waarborgen zijn: o keuringsplichtig conform drukapparatuur o periodieke inspectie opslagvaten en kathodische bescherming o alarmering in bestaande centrale meetkamer (AnQore) alsmede in nieuw controlegebouw Haven Stein, faciliteiten en personeel aanwezig Verder kunnen verlaadarm, leiding en bullets onder bijzondere omstandigheden worden ingeblokt. Risicobeheersing In geval van een ongewoon voorval op het bedrijfsterrein treedt het Bedrijfsnoodplan (BNP) van de site Chemelot in werking. Het noodplan geeft inzicht in de wijze waarop bij een ongewoon voorval (bijv. een gasuitbraak en/of brandbestrijding van propeen) wordt gehandeld, om de veiligheid van personen ter plaatse en in de omgeving zo veel mogelijk te waarborgen, alsmede de schade tot een minimum te beperken.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
36
Alleen voor intern gebruik
Bij een noodsituatie op de site Chemelot, waaronder brand of explosie van propeen, wordt de bedrijfsbrandweer (BBW) gealarmeerd en site-users worden gealarmeerd via het systeem alarmeren bezetting. De BBW en het fabriekspersoneel draagt zorg voor het beperken, beheersen en bestrijden van de gevolgen van het incident voor mens, milieu en omgeving. Het BNP van de site Chemelot wordt nader uitgewerkt in voorschriften en instructies. In Voorschrift Format Fabrieksnoodplan staan de verplichtingen van de primaire site user in deze voorgeschreven: 1
Doel Het borgen van een adequate aansluiting tussen de gezamenlijke (Chemelot) voorbereiding op de bestrijding en afhandeling van incidenten (de bedrijfsnoodorganisatie c.q. het bedrijfsnoodplan) en de voorbereiding daarop van individuele Site users. Site users (de drijvers van de inrichtingen, waaronder AnQore) beschrijven in hun Fabrieksnoodplan de voorbereiding van de fabriek, instelling, installatie op eventuele verstoringen van de bedrijfsprocessen en incidenten. De beschrijving vormt het handelingsperspectief voor de Site user (AnQore) en bevat relevante informatie voor het handelingsperspectief van de bedrijfsnoodorganisatie (Actiecentrum, Meldkamer en Operationele diensten).
2
Toepassingsgebied Het document maakt onderdeel uit van de Site regelgeving. Het hebben van een Fabrieksnoodplan is verplicht voor alle primaire Site users. Het format is een leidraad; de relevante informatie dient herkenbaar in het eigen plan te worden vermeld. Iedere Site user, waaronder AnQore, dient er tevens voor te zorgen dat er conform het eigen Fabrieksnoodplan een competente lokale eigen noodorganisatie is ingericht (bemensing/paraatheid, opleiding, instructie, oefening, middelen). De Bedrijfsnoodorganisatie voorziet daarnaast in een gezamenlijk oefenschema.
3
Actualiteit / periodieke herziening Conform Brzo zorgt de Site user tenminste één maal per 3 jaar voor een revisie van het fabrieksnoodplan. Voorts zorgt de Site user (AnQore) voor revisie als zich wijzigingen voordoen in gebouwen, fabrieken, (proces)installaties of organisatie, met consequenties voor de beheersing van veiligheid en/of de bestrijding van onveiligheid, waar de nieuwe propeenvoorziening onder valt.
De BBW (BedrijfsBrandWeer Chemelot) maakt gebruik van ter beschikking staande informatie (o.a. fabriekspersoneel, meteo, aanrijroutes, objectkaarten, instructies, scenario’s), stationaire repressieve voorzieningen, materieel en is opgeleid, geoefend en getraind om op een veilige wijze het incident te benaderen en te beheersen en te bestrijden. Op een aantal plaatsen binnen AnQore zijn noodstop- c.q. stopvoorzieningen aanwezig. Deze voorzieningen zijn er om, indien noodzakelijk bij een ongewoon voorval, de daarvoor in aanmerking komende installatieonderdelen automatisch in een veilige toestand te stellen. Het bedienen van een noodstop c.q. stopknop gebeurt door middel van een drukknop. De nood- en stopknoppen zijn opgenomen in de instrumentele beveiligingssystemen, die vastgelegd zijn op grondschema's. Door het bedienen van de nood- c.q. stopknop wordt de betreffende installatie c.q. deel daarvan veiliggesteld door deze in een vooraf bepaalde veilige toestand te brengen. Dit houdt in dat de in bedrijf zijnde apparatuur, voor die situatie gevaar opleverend, automatisch buiten werking wordt gesteld. E.e.a. zoals aangegeven op de grondschema's. Er zijn stopknoppen geplaatst in de installatie en meetkamerconsoles in de centrale meetkamer/controlegebouwen van AnQore.
Na het activeren van de stopknoppen wordt het proces naar een veilige situatie geregeld, conform de geldende productieinstructies. In geval van de bullets komt daar ook nog automatische branddetectie bij die een delugesysteem bij de productpompen in werking stelt. Verder worden verlaadarm, leiding en bullet onder bepaalde omstandigheden ingeblokt.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
37
Alleen voor intern gebruik
Alle alarmen moeten volgens voorschrift doorgemeld zijn naar het Operational Center Chemelot (OCC; voorheen centrale meldkamer). De leiding en de coördinatie van de bestrijdings- en hulpverleningsdiensten berust in eerste instantie bij de Officier van Dienst van de BBW Chemelot. Verdere opschaling en taken en verantwoordelijkheden zijn nader uitgewerkt in het Bedrijfsnoodplan (BNP) en Rampenbestrijdingsplan (RBP) Chemelot. De uitrusting (materieel en personeel) van de BBW is erop afgestemd de geloofwaardige- en maatgevende brandweerscenario’s conform het aanwijsbesluit te kunnen beheersen en bestrijden. Het personeel is opgeleid, getraind en geoefend en is bekend met de repressieve stationaire voorzieningen in de fabrieken. Alternatief In overleg met het bevoegd gezag is de invloed op het PR en GR onderzocht als het aantal bullets verdubbelt (van twee naar vier) en de volumes per bullet halveren. Hiermee blijft het totale opslagvolume hetzelfde. Wat betreft het groepsrisico nemen met vier kleinere bullets de effectafstanden af en analoog aan het plaatsgebonden risico neemt de faalfrequentie toe. Het verkleinen van de effectafstand heeft met betrekking tot het groepsrisico tot gevolg dat er aantal objecten afneemt dat binnen de effectafstand ligt. Dit effect verkleint zodoende de groepsgrootte.
Echter, op het totale groepsrisico van de site Chemelot, dat groter is dan dat van de propeenvoorziening alleen (de FN-curve heeft logaritmische assen), is de invloed van twee of van vier bullets gering.
Figuur 4.4: groepsrisico bij twee bullets groene curve) en groepsrisico bij vier bullets (oranje curve)
Voor het plaatsgebonden risico betekent dat met een verdubbeling van het aantal bullets de PR 10-6/jaar contour zodoende vergroot ten opzichte van de PR 10-6/jaar contour van twee bullets.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
38
Alleen voor intern gebruik
Figuur 4.5: plaatsgebonden risicocontour bij twee bullets (blauwe contour) en bij vier bullets (bruine contour)
Conclusie: uit oogpunt van externe veiligheid is het project uitvoerbaar. Het alternatief van opslag van dezelfde hoeveelheid propeen in vier kleinere bullets in plaats van de voorgestelde twee bullets biedt voordelen in het kader van externe veiligheid, aangezien de invloed van opslag in vier kleine bullets op het totale groepsrisico gering is en de plaatsgebonden risicocontour vergroot ten opzichte van opslag in twee bullets.
4.8 Geluid (Akoestisch relevante) onderdelen van de propeenvoorziening liggen in twee (geluid)gezoneerde industrieterreinen ex artikel 40 Wet geluidhinder: Haven Stein en Chemelot. De buisleiding zelf is akoestisch niet relevant. In opdracht van de initiatiefnemer heeft Sitech Services B.V. het effect van de propeenvoorziening op de geluidsituatie voor beide terreinen afzonderlijk onderzocht (zie bijlage 6, Sitech Services B.V., Akoestisch rapport i.h.k.v. veranderingsvergunning voor oprichting nieuwe deelinrichting AnQore: Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag (voor geluid gezoneerd industrieterrein Haven Stein), 31 mei 2022; en: bijlage 7, Sitech Services, Akoestisch rapport i.h.k.v. Veranderingsvergunning oprichting nieuwe deelinrichting AnQore: Propeenverlading Haven Stein, leidingtransport en opslag (voor geluid gezoneerd industrieterrein Chemelot, 16 mei 2022). Haven Stein In Haven Stein komen vanwege de propeenvoorziening de volgende relevante geluidbronnen: - het propeenschip (met een dieselgenerator met een bronvermogen van 82 dB(A)); - de hydraulische verlaadarm. Beide zijn worst case 24 uur per etmaal in bedrijf. Met het rekenmodel van de Haven Stein en aan de hand van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (HMRI-1999) zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de deelinrichting berekend.
Het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is meer dan 10 dB lager dan de bewakingswaarde. Daarmee zal de bijdrage ten gevolge van de propeenverlading niet leiden tot een toename van de cumulatieve geluidbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein, op de geluidzone en zal de bijdrage ook niet leiden tot een overschrijding van de bewakingswaarde. De nieuwe geluidbronnen veroorzaken geen maximale geluidniveaus.
Chemelot
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
39
Alleen voor intern gebruik
Op Chemelot komen vanwege de propeenvoorziening de volgende relevante geluidbronnen: - (een combinatie van) een koeler/compressor (940 kW) en een 25kW ventilator. De combinatie is slechts enkele keren per jaar gedurende circa 10 uren per keer in bedrijf maar wordt wel in de representatieve situatie meegenomen. De installatie wordt enkel in de dagperiode (07.00 - 19.00 uur) gebruikt. - twee pompen van elk 67 kW in een redundante opstelling. Van beide pompen is er steeds slechts één 24 uur per etmaal in bedrijf. Ten behoeve van de modellering zijn beide pompen met een bedrijfsduur van 50 % in het rekenmodel opgenomen om met de redundante opstelling rekening te houden. Met het rekenmodel van Chemelot en aan de hand van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (HMRI-1999) zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de deelinrichting berekend. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van de deelinrichting zijn gecumuleerd met de langtijdgemiddelde geluidniveaus ten gevolge van de andere installaties. Uit het onderzoek volgt dat de (gecumuleerde) geluidbelasting als gevolg van de deelinrichting past binnen de bewakingswaarden, op alle bewakingspunten van de geluidzone. Conclusie: uit het oogpunt van geluid is het project uitvoerbaar, met dien verstande dat formele zonetoets moet worden uitgevoerd door de zonebeheerder.
4.9 Bodemkwaliteit In opdracht van de initiatiefnemer heeft WSP Nederland B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het projectgebied, in combinatie met een nulsituatie bodemonderzoek (zie bijlage 8, WSP Nederland B.V, Verkennend bodemonderzoek, 20 juni 2022). Het doel van het onderzoek is: • vaststellen van de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van de geplande werkzaamheden en in het kader van het leasecontract met DSM Nederland B.V; • zoveel mogelijk vastleggen van de nulsituatie met betrekking tot de bodemkwaliteit en de relevante stoffen in het kader van het aanvragen van de omgevingsvergunning (milieu). • bepalen van de veiligheidsklasse waarmee tijdens het benodigde grondwerk rekening moet worden gehouden. Bodemkwaliteit in verband met werkzaamheden Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk enkele waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het gaat om bijmengingen met slakken, kolengruis, mijnsteen en baksteen die mogelijk een bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Enkele waargenomen bijmengingen met puin leiden tot een asbestverdachte bodem. De aangetoonde lichte verontreinigingen met PAK (VROM), PCB, arseen, kobalt, nikkel, molybdeen en/of PFAS zijn te relateren aan de in de grond aanwezige bijmengingen met bodemvreemde materialen.
Tevens liggen de verhoogde gehalten in de lijn van de verkregen BOSANIS-gegevens. Voor de onderzoekslocatie vormt de kwaliteit van de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen probleem voor de toekomstige ligging van een transportleiding voor propeen. In het onderzochte gebied zijn bij 6 grondmengmonsters (MM01, MM02, MM06, MM12, MM16 en MM 18) PFAS verhoogd aangetoond ten aanzien van de achtergrondwaarden. Aangezien het gehalte PFOS en PFOA wel boven de detectielimiet zijn aangetroffen, zal de (eventuele) vrijkomende grond niet geschikt zijn voor toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied. Andere toepassingen zijn wel mogelijk.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
40
Alleen voor intern gebruik
Nulsituatie in verband met omgevingsvergunning milieu Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de nulsituatie van de bodemkwaliteit ter plaatse van de toekomstige ligging van een transportleiding voor propeen vanaf Haven Stein tot aan de site van Anqore, nabij weg 103 (inclusief regelhuis en bullets) voldoende vastgelegd. Hierbij wordt opgemerkt dat voor propeen de bepalingsgrens van de analysemethode in het laboratorium als nulsituatie wordt aangehouden. Indien in de toekomst concentraties propeen boven de bepalingsgrens worden gemeten is sprake van een verontreiniging, mogelijk veroorzaakt door een lekkage van de propaanleiding en dient de zorgplicht toegepast te worden. Indien propeen in vloeibare vorm door de leidingen wordt getransporteerd dient ter plaatse van een verontreiniging ook het grondwater onderzocht te worden op de aanwezigheid van propeen. Voorlopige veiligheidsklasse Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens indicatief getoetst aan de richtlijn CROW 400. De uitkomst van deze toetsing is opgenomen in tabel 6 van paragraaf 4.1 en in bijlage 7 van het verkennend bodemonderzoek. De definitieve veiligheidsklasse dient door een veiligheidskundige te worden vastgesteld. Indien in de toekomst een verontreiniging met propeen wordt vastgesteld, dient de veiligheidsklasse hierop aangepast te worden.
Conclusie: uit het oogpunt van bodemkwaliteit is het project uitvoerbaar.
4.10 Geotechnische aspecten Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moeten in dit project ook enkele locatiespecifieke geotechnische aspecten worden beschouwd. In opdracht van de initiatiefnemer heeft Sitech Services deze locatiespecifieke geotechnische aandachtspunten nader beschouwd (zie bijlage 9, Sitech Services, Locatiespecifieke geotechnische aandachtspunten van OHIO-project, 20 mei 2022). In 2020 heeft DSM Nederland onderzoek gedaan naar de effecten van de steenkoolwinning in het verleden. Op sommige delen van Chemelot is weliswaar sprake van beperkt risico dat na-ijleffecten optreden, maar is toch nader geotechnisch onderzoek nodig met betrekking tot de stabiliteit van de ondergrond en mogelijke maatregelen. Met betrekking tot het projectgebied bevindt Haven Stein zich in het potentiële effectgebied (categorie EK3) van ondergrondse mijnbouw. Daarom wordt aanbevolen extra onderzoek en studie uit te voeren om te bepalen of extra stabiliserende maatregelen nodig zijn. De meeste aardbevingen worden veroorzaakt door breuken in de grond: een gebied rond breuken heeft een hoger risico op aardbevingen. Er bevindt zich een breuk op ongeveer 100 m afstand van het gebied van de storage bullets. De Feldbissbreuk die de op twee na zwaarste aardbeving in Nederland veroorzaakte ligt op ongeveer 5 km afstand.
Daarom wordt aanbevolen de risico's van nabijgelegen breuken te evalueren en te beperken. Gezien de geotechnische risico's rond de locatie (mogelijke na-ijleffecten in Haven Stein en de nabijheid van breuken bij de storage bullets) wordt een nader onderzoek verricht naar mogelijk noodzakelijke aanpassingen aan de fundering. De aanbevelingen hiervoor worden meegenomen in de tweede fase van de aanvraag (bouwen). In elk geval zullen de uitgangspunten van de constructieberekeningen (heiwerk, beton, staal) CC3 zijn in plaats van CC2. Conclusie: uit het oogpunt van locatiespecifieke geotechnische aandachtspunten is het project uitvoerbaar, met dien verstande dat in het kader van de tweede fase van de aanvraag (bouwen) een nader onderzoek nodig is naar mogelijk noodzakelijke aanpassingen aan de fundering vanwege mogelijke na-ijleffecten in Haven Stein en de nabijheid van breuken bij de storage bullets.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
41
Alleen voor intern gebruik
4.11 Ontplofbare oorlogsresten Vanwege mogelijk achtergebleven ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in het projectgebied heeft Xplosure BV in opdracht van de initiatiefnemer een bureaustudie uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van zulke resten (zie bijlage 10; Xplosure BV, Vooronderzoek Conflictperiode (1940-1945) en Vooronderzoek Na-conflictperiode (naoorlogse ontwikkelingen) voor wat betreft het risico op het aantreffen van achtergebleven, ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in het projectgebied OHIO Propeen transport haven Stein – Chemelot, 5 mei 2022). Eerst is in het ‘vooronderzoek conflictperiode’ onderzocht of oorlog gerelateerde handelingen of gebeurtenissen uit de periode 1940-1945 achterhaald zijn die duiden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Daarna is in het ‘vooronderzoek na-conflictperiode’ nagegaan of er na 1945 bodemactiviteiten achterhaald konden worden die zorgen voor een risico verlagend profiel van het projectgebied. In de laatste fase van de bureaustudie zijn de achterhaalde indicaties (risico verhogende aanwijzingen) en contra-indicaties (risico verlagende aanwijzingen) geëvalueerd en zijn eventueel verdachte (deel)locaties in horizontale en verticale zin afgebakend.
Op basis van deze bureaustudie kan gesteld worden dat er in het projectgebied geen feitelijk herleidbare gegevens zijn achterhaald die duiden op betrokkenheid bij oorlogshandelingen. Tevens is vastgesteld dat binnen grote delen van het onderzoekstracé in de naoorlogse periode veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij niet is vastgesteld dat daarbij ontplofbare oorlogsresten zijn aangetroffen. Tegenwoordig bevindt het tracé zich namelijk in een gebied waarvoor is vastgesteld dat hier zich een hoge intensiteit aan ondergrondse infrastructuur in de vorm van kabels en leidingen bevindt. In de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn in het gebied tevens meerdere bouw- en sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Op basis hiervan adviseert Xplosure BV om het opsporingsproces niet verder voort te zetten en om de werkzaamheden regulier uit te (laten) voeren, conform het werkprotocol in de bijlage bij het onderzoek. Conclusie: uit het oogpunt van ontplofbare oorlogsresten is het project uitvoerbaar.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
42
Alleen voor intern gebruik
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Een propeenvoorziening is geen bouwactiviteit in de zin van artikel 6.2.1, waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is of waarvoor, met betrekking tot de kostenbestanddelen van een exploitatieplan, deze kosten anderszins moeten worden verhaald. Wel worden gemeentelijk kosten vanwege dit project regulier door de inning van leges verhaald. De realisatie van de propeenvoorziening zelf gebeurt volledig op kosten van de initiatiefnemer. Op basis hiervan is het project economisch uitvoerbaar.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 Awb wordt het ontwerpbesluit over de afwijking van het bestemmingsplan samen met de ruimtelijke onderbouwing zes weken ter inzage gelegd. In die periode kan iedereen zienswijzen naar voren brengen. Voorafgaand aan deze formele voorbereidingsprocedure wordt in de gemeente Stein een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd. In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 Bor in samenhang met artikel 3.1.1 Bro wordt de (concept-)ruimtelijke onderbouwing voorafgaand aan de terinzagelegging ervan toegezonden aan besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
43
Alleen voor intern gebruik
6. Conclusie De propeenvoorziening AnQore (OHIO) voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het project is in overeenstemming met relevant beleid (hoofdstuk 3) en het is uit het oogpunt van alle relevante omgevingsaspecten uitvoerbaar (hoofdstuk 4).
8 juli 2022
BI6017-MI-RP-220708-1110
44
Bijlage 1 Begrenzing projectgebied
Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming
Bijlage 3 Milieu Risico Analyse
Bijlage 4 Archeologisch vooronderzoek
Bijlage 5 Kwantitatieve risico-analyse (QRA)
Bijlage 6 Akoestisch onderzoek - toets beschikbare akoestische ruimte site Chemelot
Bijlage 7 Akoestisch onderzoek - toets beschikbare akoestische ruimte Haven Stein
Bijlage 8 Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 9 Geotechnische aandachtspunten OHIO project
Bijlage 10 Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten
Bijlage 11 Correspondentie ILT inzake Bevb