CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 belangrijkste wijzigingen

Beeldvormende bijeenkomst 23 november 2023, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Actualisatie van de Centrumregeling Vidar1.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 8 belangrijkste wijzigingen Deze nieuwe instrumenten hebben betrekking op:

-

Een facultatieve zienswijzeprocedure voor besluiten: met de wetswijziging is verplicht om in de regeling af te wegen of en zo ja, op welke andere besluiten (van het openbaar lichaam), de raden in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen.

De tekstvoorstellen hierover luiden: “De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemers gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen”. “Het algemeen bestuur onderscheidenlijk het dagelijks bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen”. Bovenstaand tekstvoorstel is niet van toepassing op de Centrumregeling, er is namelijk geen openbaar lichaam met bestuursorganen (AB en DB) dat zelfstandig besluiten neemt.

-

De participatie van ingezetenen en belanghebbenden: met de wetswijziging is verplicht om in de regeling afspraken te maken over de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De tekstvoorstellen hierover luiden: “Artikel (…) Zienswijze raden 1. Het algemeen bestuur beslist bij een voorstel dat voor de gemeenten ingrijpende gevolgen kan hebben niet alvorens de raden door het dagelijks bestuur om zienswijzen zijn gevraagd. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het eerste of tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur bekend te maken.

Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt”.

“Artikel (…) Burgerparticipatie 1. Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid”. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het algemeen bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven”. Bovenstaand tekstvoorstel is niet van toepassing op de Centrumregeling, er is namelijk geen openbaar lichaam met bestuursorganen (AB en DB) dat zelfstandig besluiten neemt

-

Een actieve informatieplicht: met de wetswijziging is verplicht om in de regeling afspraken te maken over de actief met de raden te delen informatie. Het tekstvoorstel hierover luidt: “Het bestuur (dan wel: het dagelijks bestuur / het algemeen bestuur / de voorzitter) geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken”.

In de Centrumregeling is deze informatieplicht als volgt verwoord, nu er geen sprake is van een bestuur: Artikel 11 Informatie voor deelnemende gemeente Het college van de Deelnemende gemeente is verantwoordelijk voor het informeren van de eigen gemeenteraad en verstrek tde inlichtingen die door één of meer raadsleden worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze. Artikel 11a Informatie voor afnemende gemeente Het college van de Afnemende gemeente is verantwoordelijk voor het informeren van de eigen gemeenteraad en verstrekt de inlichtingen die door één of meer raadsleden worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

-

Een evaluatiebepaling: met de wetswijziging is verplicht om in de regeling afspraken te maken over de evaluatie. Het tekstvoorstel hierover luidt: “De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen”.

Het voorstel zoals verwoord in de Centrumregeling luidt als volgt:

De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien Gemeenten-deelnemers minus één daartoe besluiten. Het bestuurlijk overleg zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen

-

Een aanscherping van de uittredingsregeling: met de wetswijziging is verduidelijkt dat de regeling bepalingen dient in te houden omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeenten. Het tekstvoorstel hierover luidt: “Artikel (…) Uittreding 1. Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 5.

Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen”. “Artikel (…) Procedure en inhoud van het uittredingsplan 1. Het in artikel (…), derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur/voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 4.

De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel [voorgaande artikel] in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening

van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5-10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 5. Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer." De uittredingsregeling is in de Centrumregeling als volgt verwoord: 1. Een college van burgemeester en wethouders van een van de Gemeenten-deelnemers kan, na verkregen toestemming van zijn gemeenteraad, besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan de colleges van de Gemeentendeelnemers.

Daarbij wordt een opzegtermijn van 3 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3. Het college van de Centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door Gemeenten-deelnemers vast te stellen uittredingsplan. 4. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stellen Gemeenten-deelnemers het uittredingsplan vast. De in het uittredingsplan omschreven financiële verplichtingen zijn bindend voor de uittredende deelnemer. 5. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen. Voor meer informatie over deze instrumenten en met name over de uniforme wijzigingsvoorstellen wordt verwezen naar de bijlagen. De centrumregeling Vidar heeft zich in deze laten adviseren door Boels Zanders Advocaten (hierna: BZA).

Gezien de omvang van deze regeling echter niet in het uitgebreide gezamenlijke traject, wel is gebruik gemaakt van de uniforme wijzigingsvoorstellen met toelichting, uniforme besluitvormingsdocumenten voor colleges en gemeenteraden én aanbiedingsmemo door de gemeenschappelijke regelingen aan de colleges. Tenslotte heeft Boels Zanders een finale check uitgevoerd op de gewijzigde voorliggende concept Centrumregeling Vidar. Overigens zijn in dit traject - naast de wijzigingen als gevolg van de Wgr - ook wijzigingen meegenomen die voortvloeien uit de Wep (Wet elektronische publicaties).. De Wep (in werking getreden op 1 juli 2021) verplicht gemeenschappelijke regelingen om alle officiële publicaties online te zetten. Het tekstvoorstel aangaande de Wep luidt:

1. "Het college van de gemeente (…) maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door (….) uitgegeven Gemeenteblad. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet." Het voorstel in de Centrumregeling is als volgt verwoord: 3. Het college van de Centrumgemeente maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door de Centrumgemeente uitgegeven Gemeenteblad. 4. Het college van de Centrumgemeente is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=10ceb98b-7620-470a-a3c9-97bd20cb206a