CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke Onderbouwing PALL Grensmaas

Oordeelsvormende raadsvergadering 7 februari 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een bypass PALL-leiding Grensmaas door Petrochemical Pipeline Services B.V.23.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met een terreinbezoek is gebleken dat de volgende in het kader van de Wnb beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden binnen de verstoringszone van het plangebied (50 meter aan weerszijden van het tracé) tijdens de aanlegwerkzaamheden:  Vogels met een jaarrond beschermd nest (grote gele kwikstaart);  Algemene broedvogels;  Bevers;  Dassen;  Vleermuizen. Voor een aantal van bovenstaande soorten is aanvullend onderzoek aanbevolen en inmiddels opgestart en lopend. Het gaat hier specifiek om onderzoek naar vleermuizen, reptielen en dagvlinders. Deze onderzoeken moeten volgens de betreffende protocollen ‘jaarrond’ (over alle seizoenen) worden uitgevoerd en lopen daarom t/m het voorjaar van 2024. Tevens zal er een ecologisch werkprotocol worden opgesteld om toe te passen bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden, gericht op het monitoren van de actuele aanwezigheid van soorten in het projectgebied, de algemene beschermingseisen vanuit het voorzorgprincipe van de Wet natuurbescherming en de uitkomsten van voornoemde specifieke onderzoeken. Verder zal voor de HDD een leidingenstreng van circa 850 meter lengte moeten worden uitgelegd en gelast aan Nederlandse zijde omdat hiervoor aan Belgische zijde ruimte ontbreekt.

Deze streng zal inclusief benodigde werkstrook worden uitgelegd dwars over de locatie waarvan de plas momenteel door het Consortium Grensmaas wordt opgevuld met dekgronden afkomstig uit de aanleg van de nevengeul. Deze gronden worden verdicht door de aan- en afvoer bewegingen van de vrachtauto’s en door werkzaamheden van kranen. Op deze locatie zal een spontane vegetatieontwikkeling gaan plaatsvinden. Deze zal tijdens de voorbereiding van de werkzaamheden worden gemonitord op beschermde flora en fauna. Met de uitkomsten hiervan zal rekening worden gehouden in het ecologisch werkprotocol en in de uitvoering van de werkzaamheden. Gebiedsbescherming, Natura 2000-gebieden Het nieuwe PALL-tracé met aanleg in open ontgraving ligt nabij het Natura 2000-gebied Grensmaas, op een afstand van minimaal 100 meter. Het tracé zal vervolgens meer dan 20 meter onder het maaiveld van het Natura 2000-gebied door worden gelegd middels een HDD. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en voornoemde afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied Grensmaas op voorhand worden uitgesloten, te meer omdat dit gebied niet gevoelig is voor stikstofdepositie.

Voor de andere Natura 2000-gebieden op grotere afstand is alleen de stikstofdepositie vanwege de aanleg van de nieuwe PALL-leiding mogelijk relevant als storingsfactor. Van de stikstofdepositie is een berekening gemaakt met de laatste versie van de AERIUS Calculator van 6 november 2023.

blad 25 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Het pdf hiervan met de rekenresultaten in opgenomen in bijlage 17 samen met een beschrijving van de uitgangspunten van de berekening. Voor de stikstofdepositieberekening zijn de werkzaamheden aan Nederlandse en Belgische zijde als één project beschouwd en als geheel meegenomen. De maximale depositie vanwege de aanleg is 0,03 mol N/ha/jr. Met de exploitatie (gebruiksfase) van het nieuwe tracédeel van de PALL-leiding is geen significante stikstofemissie en daarmee stikstofdepositie verbonden. Vanwege de geringe omvang en de tijdelijkheid kan op de volgende algemene ecologische uitgangspunten worden geconcludeerd dat significante effecten zijn uitgesloten. Een ecologische verandering is pas waarneembaar als een aanzienlijke hoeveelheid stikstof gedurende meerdere jaren (langdurig) accumuleert in het systeem. Ecologisch gezien leiden geringe, tijdelijke bijdragen niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar effect op de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderend overbelaste situatie. De onderbouwing voor kleine (en tijdelijke) deposities (≤0,1 mol/ha/jr) is vierledig: 1. Deze zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot de achtergronddeposities; 2.

Kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten; 3. Kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in de groeisnelheid en de vegetatiesamenstelling; 4. Kleine (en tijdelijke) depositietoename leiden niet tot een omslag naar een situatie waarin de buffercapaciteit wegvalt en meetbare ecologische effecten optreden. Deze ecologische effectbeoordeling kwalificeert zich voor de provincie als voortoets op grond waarvan er geen vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming van toepassing is op de stikstofdepositie vanwege de aanleg (en exploitatie) van het nieuwe deeltracé van de PALL-leiding. Met voornoemde berekening is tevens de stikstofdepositie bepaald op de Belgische Natura 2000-gebieden. De maximale projectbijdrage is 0,24 mol N/ha/jr in het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek’. De stikstofdepositie vanwege het project op Belgische Natura 2000-gebieden wordt voor zover van toepassing volgens de Belgische wet- en regelgeving beoordeeld binnen het kader van de aanvraag (regularisatie)dossiers die in België worden ingediend (zie paragraaf 5.13). In dit verband is door Antea Group Belgium volgens Belgische wet- en regelgeving een ‘Passende beoordeling en verscherpte natuurtoets’ opgesteld voor de 2e Maaskruising van de PALL.

In dit onderzoek wordt onder het onderwerp eutrofiëring over de stikstofdepositie het volgende geconcludeerd: “Door de realisatie van het project zal geen onvermijdbare en onherstelbare schade optreden binnen VEN-gebieden, en worden er geen betekenisvolle negatieve effecten ten aanzien van habitatrichtlijngebieden verwacht. Ook voor de beschermde/gevoelige vegetaties in de omgeving worden er geen negatieve effecten verwacht”. Gebiedsbescherming, NNN-gebied Het nieuwe tracé bevindt zich grotendeels binnen NNN-gebied. Dit NNN-gebied is echter slechts gedeeltelijk ingericht als natuurgebied. Er is van directe aantasting van bestaande waarden binnen het NNN-gebied geen sprake. De werkzaamheden zijn immers tijdelijk van aard en leiden niet tot een blijvende aantasting van het gebied. De werkputten vormen voor de voorgenomen inrichting van het uiterwaardengebied van de Grensmaas geen belemmering, aangezien deze buiten het inrichtingsgebied van het Grensmaasproject liggen. Buiten de NNN heeft de planontwikkeling ook geen negatieve effecten op de overige beschermde natuur- en landschapswaarden zoals beschreven in de Omgevingsverordeningen Limburg 2014 en 2021. De werkzaamheden zijn immers tijdelijk van aard en leiden niet tot een blijvende aantasting het gebied. Houtopstanden Er zijn vooralsnog geen gevolgen in de vorm van het kappen of snoeien van bomen voorzien.

In het kader van het voorbereiden van het uitvoeringsplan c.q. uitvoeringsontwerp wordt met een boomeffectanalyse (BEA) onderzocht hoe mogelijke schadelijke gevolgen voor enkele (7) bomen in de directe nabijheid van het nieuwe deeltracé van de PALL-leiding kunnen worden voorkomen, inzet is namelijk dat er geen bomen hoeven te worden verwijderd. Mocht uit de BEA toch een noodzaak volgen voor kap/snoeien dan volgt hiervoor te zijner tijd een aanvraag voor een kapvergunning wanneer dat op grond van de gemeentelijke verordening vereist is. Vooralsnog is er geen noodzaak voor het aanvragen van een kapvergunning.

blad 26 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

5.12

Gemeentelijke verordeningen Het project vindt volledig plaats binnen de gemeente Stein. De volgende gemeentelijke verordeningen zijn relevant voor het project:  Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2019 gemeente Stein;  Erfgoedverordening Stein 2021;  Bouwverordening 2018;  Algemene plaatselijke verordening gemeente Stein 2022.

5.12.1 Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2019 gemeente Stein Voor ligging in openbare grond zullen de werkzaamheden van tevoren nog worden getoetst aan de dan van toepassing zijnde gemeentelijke verordening voor ondergrondse infrastructuren. Indien van toepassing zal tijdig de benodigde aanvraag/melding worden ingediend.

5.12.2 Erfgoedverordening Stein 2021 Deze verordening ziet toe op de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke dorpsgezichten. De archeologische waarden zijn geborgd via het ruimtelijke spoor in de vorm van bestemmingsplan “Erfgoed Stein”, zie paragraaf 5.3.2.

5.12.3 Bouwverordening 2018 De bouwverordening 2018 van de gemeente Stein bevat regels over bouwwerkzaamheden, voor zover deze niet zijn vervat in de regels omtrent bouwen in de Wabo. Het aanleggen van de nieuwe leiding is vrijgesteld van de bouwvergunningplicht, zie paragraaf 5.4.3. Zodoende is de bouwverordening van de gemeente Stein niet van toepassing. In de bouwverordening is tevens geregeld hoe de dorpsbouwmeester adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor vergunningsplichtige bouwwerken. Aangezien de bouwverordening niet van toepassing is, zijn de regels omtrent welstand ook niet van toepassing.

5.12.4 Algemene plaatselijke verordening gemeente Stein 2022 Voor het project zijn uit deze verordening met name de voorschriften over geluidhinder relevant. Hierin wordt verwezen naar hetgeen gesteld is in het Bouwbesluit 2012 aangaande blootstelling aan geluidhinder. Gedurende de werkzaamheden kan tijdelijk geluidhinder optreden in verband met wegverkeer en het mobiliseren en gebruiken van installaties. Bij dergelijke bouw- en aanlegactiviteiten is het Bouwbesluit van toepassing en hierbij is voorgeschreven welke dagwaarde (geluidemissie in dB(A)) gedurende maximaal hoeveel dagen aan de orde mag zijn. Aan de desbetreffende normen zal worden voldaan. In de praktijk levert dit geen/nauwelijks knelpunten op. Het streven is om hinder zoveel mogelijk te beperken. De grootste bron van geluidemissie betreft de HDD-machine gedurende de aanlegwerkzaamheden. Deze machine komt aan de Belgische zijde te staan. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object betreft een woning in België op ongeveer 100 meter afstand. Aan Nederlandse zijde bevindt zich een boerderij op ongeveer 900 meter van de boormachine zal bevinden. Gezien de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelig object aan Nederlandse zijde kan worden voldaan aan hetgeen gesteld is in de APV van de gemeente Stein.

5.12.5 Wet bodembescherming Het Besluit bodemkwaliteit stelt regels voor toe te passen bouwstoffen (in dit geval boorvloeistof) en grond (bijvoorbeeld bij het aanvullen van de bodem). Hiermee wordt bij het opstellen en de uitvoering van het boorplan rekening gehouden.

blad 27 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Bij de werkzaamheden wordt in principe geen grond afgevoerd. Bij de graafwerkzaamheden wordt grond tijdelijk ter plaatse opgeslagen en vervolgens weer teruggebracht. Alle bodemlagen zijn gescheiden ontgraven en weer volgens de aangetroffen gelaagdheid teruggezet.

5.12.6 Nota Bodembeheer Beek, Beekdaelen en Stein De Nota Bodembeheer Beek, Beekdaelen en Stein betreft een gemeenschappelijke nota van deze gemeenten. In de Nota staat hoe de regio omgaat met bodemverontreiniging en wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen en/of hergebruiken van grond. De Nota geeft regels en waarmee rekening gehouden moet worden met de kwaliteit van de bodem bij het voorbereiden en/of uitvoeren van bodemwerken. Paragraaf 2.13 van de Nota stelt regels aan de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen. Hierin wordt verwezen naar de voorwaarden uit het Besluit bodemkwaliteit als het gaat om uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie. In een dergelijk geval kan zonder melding te doen indien er geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging, er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt en de grond onder dezelfde condities wordt toegepast. Bij de werkzaamheden wordt in principe geen grond afgevoerd. Bij de graafwerkzaamheden wordt grond tijdelijk ter plaatse opgeslagen en vervolgens weer teruggebracht. Alle bodemlagen zijn gescheiden ontgraven en weer volgens de aangetroffen gelaagdheid teruggezet. Er is bodemonderzoek uitgevoerd, dit wordt nader beschreven in paragraaf 7.1.1. De Nota is onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart.

De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven. Een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld om grondverzet op een efficiënte, kosteneffectieve en verantwoorde manier mogelijk te maken.

5.12.7 Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels over de informatie-uitwisseling betreffende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken ter voorkoming van graafschade en ter bevordering van de aanleg van elektronische communicatienetwerken met hoge snelheid, alsmede wijziging van de Telecommunicatiewet ter bevordering van medegebruik van fysieke infrastructuur en van de gecoördineerde aanleg van civiele werken. Om graafschade te voorkomen zijn voorafgaand aan de diverse onderzoeken en werkzaamheden graafmeldingen gedaan. Na afloop van de werkzaamheden geeft PPS het nieuwe leidingtracé van de PALL door aan het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) onderdeel van het Kadaster, waarmee wordt voldaan aan de Wet.

5.13

Juridische situatie omgevingsaspecten Belgische PALL-leidingdeel Momenteel zijn er voor het gedeelte op Belgisch grondgebied 3 aanvraag (regularisatie)dossiers in voorbereiding. Deze zullen op termijn ingediend worden: 1. Omgevingsvergunning (bevoegd gezag: Vlaams Gewest); 2. Aanvraag Vervoersvergunning: melding van wijziging van de vervoersinstallatie (bevoegd gezag: Federale Overheidsdienst); 3. Domeinvergunning: vergunning voor het innemen van het openbaar domein met een leiding d.m.v. een onderboring (bevoegd gezag: De Vlaamse Waterweg).

5.14

Samenvatting hoofdprocedures Tabel 5.2 Samenvatting hoofdprocedures geeft voor de aanleg (inclusief ingebruikname) van de nieuwe PALLleiding een samenvatting van de procedures.

blad 28 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Tabel 5.2 Samenvatting hoofdprocedures Activiteit

Grondslag

Procedure

Opmerking

Aanleg van een buisleiding voor transport van chemicaliën

Besluit m.e.r., categorie D 8.1 (bijlage, onderdeel D)

Aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling.

Deze procedure is voorafgaand aan onderliggende aanvraag reeds gestart en het college heeft besloten dat geen MER van toepassing is (zie bijlage 16 met het schriftelijke besluit).

Kruisen van de Grensmaas met gestuurde boring en aanleg van de leiding in het vergunningengebied van Rijkswaterstaat en nabij de primaire waterkering van het Waterschap Limburg

Waterwet Waterbesluit en -regeling Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi)

Watervergunning, tevens melding als bedoeld in artikel 6.14 van de Waterregeling voor het tijdelijk (maximaal 6 maanden) opslaan van leidingen en het oprichten van een werkterrein. Mogelijk een melding bedoeld in het Blbi gericht op het voorkomen dat (werk)stoffen in het oppervlaktewaterlichaam (waaronder een deel van de uiterwaard) worden gebracht en de afvoer van die stoffen.

Het aanbrengen van nieuwe ondergrondse kabels of leidingen met de daarbij behorende apparatuur en installaties in de voor diverse bestemmingen aangewezen gronden en graaf- en aanlegactiviteiten binnen diverse bestemmingen

Wabo, artikel 2.1 lid 1b

Omgevingsvergunning ‘Werk en werkzaamheden uitvoeren’

Reguliere procedure

Afwijken van twee enkelbestemmingen en de dubbelbestemming ‘Leiding’

Wabo art. 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo

Omgevingsvergunning ‘Afwijken bestemmingsplan’

Uitgebreide procedure

blad 29 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

6.

Milieuzorg en calamiteiten (ongewone voorvallen)

6.1

Veiligheid, gezondheid en milieu (VGM) De uitvoerende aannemer stelt een algeheel Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G) op voor de aanlegfase. De grondwerkzaamheden worden uitgevoerd onder de veiligheidsklasse ‘basishygiëne’. Vanaf de oplevering en ingebruikname valt de leiding onder het onderhouds- en beheerssysteem en het milieuzorgsysteem van PPS.

6.2

Calamiteiten

6.2.1

Aanlegfase Tijdens het uitvoeren van de HDD-boring kunnen onvoorziene omstandigheden zich helaas incidenteel voordoen welke de voortgang van de werkzaamheden en de omgeving kunnen beïnvloeden. Onderstaand een overzicht van de onvoorziene omstandigheden welke als calamiteit zullen worden beschouwd en ook als zodanig zullen worden afgehandeld:  Mud uitbraken in of nabij waterkeringen en waterwegen;  Ondergrondse obstakels;  Sterk afwijkende grondcondities in combinatie met de verwachte parameters ten aanzien van de grondonderzoeken (grindlagen / stenen);  Breken van de boorstangen / boorstreng tijdens de uitvoering van de diverse boorfases;  Oil-spill(s) en/of technische storingen van het boorequipment. Mochten er zich onverhoopt een van deze onvoorziene omstandigheden voordoen dan zullen de werkzaamheden gestaakt worden en zullen er direct maatregelen worden getroffen om erger te voorkomen. Gelijktijdig zullen minimaal de onderstaande personen / instanties worden geïnformeerd over de zogenoemde calamiteit om zodoende gezamenlijk te kijken naar een oplossing:  Veiligheidskundige, V&SH en indien van toepassing opdrachtgever;  Operationeel Management, V&SH;  Opdrachtgever, PPS;  Bevoegd gezag / instanties, Provincie(s), Gemeente(s), Waterschap(pen), etc. Tijdens de aanleg worden calamiteiten vanzelfsprekend te allen tijde geprobeerd te voorkomen.

Indien zich onverhoopt een calamiteit voordoet wordt dit gemeld aan het bevoegd gezag

6.2.2

Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is de kans op een calamiteit zeer klein en deze voldoet aan daaraan te stellen normen (zie de QRA in bijlage 4n). De werking van de leiding wordt continue gemonitord en valt onder het onderhouds- en beheerssysteem van PPS. In het geval van een incident/calamiteit treedt het noodplan van PPS in werking. In het geval van een ongewoon voorval zal hiervan een melding worden gedaan bij de desbetreffende bevoegd gezag instanties in overeenstemming met artikel 10 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

blad 30 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

7.

Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten die van belang zijn voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’ samengevat.

7.1

Bodem

7.1.1

Bodemkwaliteit Historisch bodemonderzoek In het kader van de aanleg van de nieuwe leiding is allereerst een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van het historisch bodemonderzoek is inzicht krijgen in de aan-/afwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele verontreinigingen ter plaatse van de (voorgenomen) werkzaamheden. Voor de volledige onderzoeksrapportage van het historisch bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. Uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat binnen de onderzoekslocatie geen sprake is van verdachte activiteiten. Op basis van het onderzoek is het onderzoeksgebied voor wat betreft de bodemkwaliteit te verdelen in: 1. Onverdacht gebied (droge oevergebied); 2. Verdachte locaties, namelijk:  Waterbodem (waterkwaliteit uit de Waterregeling en uitgesloten van de BKK);  Veldwegen;  Wegen inclusief bermen;  Tijdelijke halfverharde weg L’Ortye;  Tijdelijke bouwweg nabij de brug over de stroomgeulverbreding; Verkennend bodemonderzoek Naar aanleiding van het historisch bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Middels dit (water)bodem- en asbestonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740, NEN 5720, NEN 5707 en de NEN 5897 de milieuhygiënische kwaliteit van de aanwezige (water)bodem en funderingslagen ter plaatse van het nieuwe tracé beeld gebracht.

Voor een gedetailleerde onderzoeksopzet met conclusies wordt verwezen naar de rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Op basis van de onderzoeksresultaten (matige tot sterke verontreinigen ter plaatse van waterbodem) en het feit dat er tijdens de aanleg van de nieuwe PALL-leiding alleen sprake is van tijdelijk uitplaatsen (geen afvoer), is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De trajecten waarin de interventiewaarde waterbodem overschrijdingen van zink en/of lood zijn aangetoond, dienen per halve meter of minder (o.b.v. waterbodemopbouw) gescheiden te worden ontgraven en in dezelfde lagen te worden teruggeplaatst. Dit dient de aannemer in het voor de werkzaamheden op te stellen grondstromenplan of werkplan nader te beschrijven. Het werkplan dient afgestemd te worden met bevoegd gezag (Rijkswaterstaat). Daarnaast is bij werkzaamheden in de (verontreinigde) waterbodem een melding Waterwet nodig voorzien van werkplan voor de graafwerkzaamheden in de sterk verontreinigde waterbodem. Ten behoeve van de lozing van het grondwater is een Blbi-melding noodzakelijk. Deze melding wordt in een later stadium gedaan, los van onderhavige aanvraag.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken naar de bodemkwaliteit binnen het projectgebied wordt geconcludeerd dat de nieuwe leiding in de aanleg- en gebruiksfase op het aspect ‘bodem’ een afwijking van het bestemmingsplan en het uitvoeren van werk of werkzaamheden niet in de weg staat.

blad 31 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

7.1.2

Grondmechanica Bureau Inpijn Blokpoel heeft in opdracht van PPS ten behoeve van het definitieve ontwerp en van de bepaling van de uitvoering van de HHD grondmechanisch onderzoek uitgevoerd rondom de in- en uittredepunten van de HDD. De beschrijvingen van de boorprofielen uit dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 8.

7.2

Water Allereerst zal de nieuwe leiding de Grensmaas kruisen om zowel in Nederland als België te kunnen worden aangesloten op het bestaande PALL-tracé. De leiding zal door middel van een gestuurde boring worden aangelegd, waarbij een diepte van 25 meter beneden maaiveld (m-mv) wordt aangehouden (deze diepte moet in het definitieve ontwerp nog worden bepaald in combinatie met de te verwerven watervergunning van Rijkswaterstaat). De leiding ligt zodoende op grote diepte onder de rivier. Daarnaast bevinden het in- en uittrede punt zich op geruime afstand van de rivier. Dit betreft voor het in- en uittredepunt in respectievelijk Nederland en België een afstand van ruim 100 meter en ruim 150 meter. De werkzaamheden hebben zodoende geen gevolgen voor de fysieke en hydrologische kenmerken van de Maas. Gedurende de werkzaamheden zal op enkele plaatsen mogelijk bemaling moeten worden toegepast, afhankelijk van de grondwaterstand ter plaatse op het moment van de werkzaamheden. De grondwaterstand varieert in het gebied, waardoor het lastig is om vooraf te bepalen of bemaling nodig is, maar in het algemeen is de verwachte grondwaterstand dieper dan de benodigde ontgravingen. Er wordt in een later stadium een bemalingsadvies opgesteld. Indien bemaling nodig is zal dit in relatief beperkte hoeveelheden zijn.

De invloed van eventuele bemaling zal gezien de hydrologie van het projectgebied (nabijheid van de Maas) van zeer geringe invloed zijn op de omgeving. Wanneer eisen aan de bemaling worden gesteld worden deze gerespecteerd. In de gebruiksfase bevindt de nieuwe leiding zich ondergronds, deels binnen het overstromingsgebied van de Grensmaas. De leiding heeft door de ondergrondse ligging geen invloed op de werking en de aard van dit gebied. Ook heeft de buisleiding in de gebruiksfase geen invloed op de grondwaterstanden en grondwaterstroming. De leiding ligt op enkele plaatsen op geringe afstand van een primaire waterkering in beheer bij het waterschap. Een eventuele lekkage van de PALL in de gebruiksfase zou voor uitspoeling van deze waterkering kunnen zorgen. Dit aspect is onderzocht met stabiliteitsberekeningen (NEN 3651-toets), waaruit volgt dat de ligging tussen de leiding van Air Liquide en de waterkering mogelijk is. Wel is op enkele plaatsen de ruimte beperkter, waardoor wordt aangeraden om te zorgen voor afstemming met zowel het waterschap (‘4h’ verlagen gebaseerd op de berekeningen) als Air Liquide (mogelijk afstand tot de leiding verminderen). Met Air Liquide is overeenstemming bereikt om de PALL-leiding in beginsel op 1 meter afstand te leggen van de buitenste leiding van Air Liquide, hiermee zijn de aandachtspunten uit de NEN 3651-toets opgelost.

Conclusie Het aspect waterhuishouding staat de afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’ niet in de weg en het project leidt niet tot significante nadelige milieueffecten betreffende het thema water.

7.3

Lucht

7.3.1

Luchtkwaliteit Titel 5.2 van de Wet milieubeheer bevat luchtkwaliteitseisen voor luchtkwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling (het aanleggen van de nieuwe PALL-leiding) valt onder de categorie die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit doordat er geen wijziging van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie optreedt. Een project valt in de bovengenoemde categorie wanneer de bijdrage van de activiteit onder 3% blijft van de jaargemiddelde grenswaarde van de concentraties fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het in te zetten materieel bij de aanleg van de buisleiding in combinatie met de duur hiervan heeft een kleine emissie naar de lucht. Daarnaast kan door verstuiving enige emissie van stof plaatsvinden, maar dit wordt niet verwacht omdat de werklocatie vrijwel geheel is bedekt met begroeiing (gras, kruiden en gewassen) en open grond eenvoudig nat kan worden gehouden.

blad 32 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Op grond van het voorgaande is de invloed van de werkzaamheden op de luchtkwaliteit verwaarloosbaar en wordt met zekerheid aan de jaargemiddelde grenswaarde van de concentraties fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) voldaan. Conclusie Het voornemen leidt niet tot belangrijke nadelige milieueffecten betreffende het thema luchtkwaliteit en het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project en de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

7.3.2

Geur Koolwaterstoffen (waaronder nafta) hebben een herkenbare geur. Bij normaal gebruik van de PALL-leiding is sprake van een gesloten systeem, dat vanzelfsprekend geen geur in de omgeving veroorzaakt. Geur bij het leidingtracé kan duiden op een lekkage en is dus een waarschuwingssignaal. In het geval van een lekkage treden de relevante protocollen van PPS in werking.

7.4

Natuur Het project kan worden uitgevoerd indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze beoordeling maakt onderdeel uit van onderhavige procedure, daartoe is door Antea Group een natuurtoets uitgevoerd, zie bijlage 10.

7.4.1

Soortenbescherming Uit de bureaustudie in combinatie met een terreinbezoek is gebleken dat de volgende in het kader van de Wnb beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden binnen de verstoringszone van het plangebied (50 meter aan weerszijden van het tracé) tijdens de aanlegwerkzaamheden: Vogels met een jaarrond beschermd nest (grote gele kwikstaart); Algemene broedvogels; Bevers; Dassen; Vleermuizen. Tabel 7.1 geeft een samenvatting van de bevindingen uit het bureauonderzoek gecombineerd met een terreinbezoek wat betreft de soorten die een beschermde status hebben op grond van de Wnb en mogelijk voor kunnen komen binnen het onderzoeksgebied. Voor een aantal soorten is aanvullend onderzoek aanbevolen. Een overzicht hiervan is ook opgenomen in de tabel. Tabel 7.1 Mogelijk voorkomen van en effecten op beschermde soorten in het projectgebied Soort

Ingreep verstorend?

Nader onderzoek?

Ontheffing nodig?

Opmerkingen

Grote gele kwikstaart (jaarrond beschermd nest)

Mogelijk

Nee, alleen bij werkzaamheden in het broedseizoen.

Nee

Indien er geen nestplaatsen permanent worden vernietigd, kan worden gewerkt buiten het broedseizoen.

Algemene broedvogels

Mogelijk

Nee, alleen bij werkzaamheden in het broedseizoen.

Nee

Werken buiten het broedseizoen.

Bever

Mogelijk

Nee, wel terreinbezoeken ter controle op mogelijke aanwezigheid.

Wellicht

Kan werkzaamheden in de toekomst mogelijk belemmeren.

blad 33 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Soort

Ingreep verstorend?

Nader onderzoek?

Ontheffing nodig?

Opmerkingen

Das

Mogelijk

Nee, wel terreinbezoeken ter controle op mogelijke aanwezigheid.

Wellicht

Kan werkzaamheden in de toekomst mogelijk belemmeren.

Vleermuizen

Mogelijk

Ja, om vast te stellen of er Essentiële vliegroutes zijn en indien bomen met potentiële verblijfplaatsen moeten worden gekapt.

Nee, alleen bij aantreffen essentiële vliegroutes en aantreffen van vleermuizen in te kappen bomen.

In acht nemen van potentiële verblijfplaatsen.

Reptielen

Mogelijk

Ja, transecten met platen in de periode april-augustus.

Nee, alleen bij aantreffen beschermde reptielen.

Rekening houden met veranderlijkheid van het gebied.

Insecten – Dagvlinders

Mogelijk

Ja, onderzoek naar dagvlinders in het voorjaar.

Nee, alleen bij aantreffen beschermde dagvlinders.

Focus op zuidelijk deel van het beoogde tracé.

Voor de HDD moet een leidingenstreng van circa 850 meter lengte worden uitgelegd en gelast aan Nederlandse zijde omdat hiervoor aan Belgische zijde ruimte ontbreekt. Deze streng zal inclusief benodigde werkstrook worden uitgelegd dwars over de locatie waarvan de plas momenteel door het Consortium Grensmaas wordt opgevuld met dekgronden afkomstig uit de aanleg van de nevengeul. Deze gronden worden verdicht door de aanen afvoer bewegingen van de vrachtauto’s en door werkzaamheden van kranen. Op deze locatie zal een spontane vegetatieontwikkeling gaan plaatsvinden. Deze zal tijdens de voorbereiding van de werkzaamheden worden gemonitord op beschermde flora en fauna.

7.4.2

Gebiedsbescherming De projectlocatie is gedeeltelijk gelegen binnen het Natura 2000-gebied ‘De Grensmaas’. Ook bevindt het nieuwe PALL-tracé zich geheel binnen natuurgebied dat onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland. Het nieuwe PALL-tracé met aanleg in open ontgraving ligt nabij het Natura 2000-gebied Grensmaas, op een afstand van minimaal 100 meter. Het tracé zal vervolgens meer dan 20 meter onder het maaiveld van het Natura 2000-gebied door worden gelegd middels een HDD. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en voornoemde afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Het nieuwe tracé bevindt zich grotendeels binnen NNN-gebied. Dit NNN-gebied is echter slechts gedeeltelijk ingericht als natuurgebied. Er is van directe aantasting van bestaande waarden binnen het NNN-gebied geen sprake. De werkzaamheden zijn immers tijdelijk van aard en leiden niet tot een blijvende aantasting van het gebied. De werkput vormt voor de voorgenomen inrichting van het uiterwaardengebied van de Grensmaas geen belemmering. Buiten de NNN heeft de planontwikkeling ook geen negatieve effecten op de overige beschermde natuur- en landschapswaarden zoals beschreven in de Omgevingsverordeningen Limburg 2014 en 2021.

De werkzaamheden zijn immers tijdelijk van aard en leiden niet tot een blijvende aantasting het gebied. Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar paragraaf 2.11.

7.4.3

Bescherming houtopstanden Voor het aspect houtopstanden wordt eveneens verwezen naar paragraaf 2.11.

blad 34 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

7.4.4

Conclusie natuur Op het moment dat onderliggende aanvraag wordt ingediend is een nader ecologisch veldonderzoek gaande op basis van de aanbevelingen die in Tabel 7.1 zijn gegeven. Dit betreft een jaarrond onderzoek met veldbezoeken en -inventarisaties op diverse momenten gedurende verschillende seizoenen. Indien voor één of meer van de te onderzoeken aspecten blijkt dat maatregelen nodig zijn, worden deze genomen om de invloed op de natuurwaarden te voorkomen (zie paragraaf 2.11). Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

7.5

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

7.5.1

Archeologie en cultuurhistorie Ten behoeve van het project omtrent het nieuwe leidingtracé is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dat inmiddels is goedgekeurd door de gemeente Stein (selectiebesluit). Hierin is voor het gehele tracé, inclusief de HDD, onderzocht of er archeologische waarden in de grond kunnen worden verwacht. Uit het archeologisch bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat er resten kunnen worden aangetroffen uit het mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. Resten uit het laat paleolithicum worden met name verwacht ten noordoosten van het tracé, in eventuele gradiëntzones op het terras van Caberg. De verwachting hierop is middelhoog. In het plangebied zijn resten uit deze periode naar alle waarschijnlijkheid geërodeerd door de Maas. Resten uit het (midden- en laat-) mesolithicum kunnen mogelijk aangetroffen worden op eventueel aanwezige gradiëntzones op het terras van Geistingen (Jonge Dryas-terras). De verwachting hierop is laag tot middelhoog. Ook resten uit het neolithicum en de bronstijd worden op dit terras verwacht. De verwachting hierop is middelhoog. Vanaf de ijzertijd tot de vroege middeleeuwen werden naast dit terras mogelijk ook de afzettingen van de holocene kronkelwaard 2 bewoond. De verwachting hierop is laag tot middelhoog.

Vanaf de late middeleeuwen konden ook de afzettingen van de holocene kronkelwaard 5 in gebruik genomen worden, hoewel deze waarschijnlijk niet bewoond werden. De verwachting hierop is laag tot middelhoog. Op basis van historische kaarten worden er naar alle waarschijnlijkheid geen bewoningssporen uit de nieuwe tijd verwacht. De delen van het tracé die uitgevoerd worden door middel van gestuurde boringen (HDD) kunnen worden vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden. Enkele delen in het plangebied kunnen op basis van bekende verstoringen, eerder onderzoek of een lage verwachting vrijgegeven worden voor de geplande werkzaamheden. Omdat er een middelhoge kans is op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied, wordt geadviseerd om binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase, uit te voeren op de locaties met hoge en middelhoge kans, waar graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm -mv gepland zijn. Dit advies is weergegeven in Figuur 7.1. Het plan van aanpak voor de onderzoeksboringen is door de gemeente Stein goedgekeurd en dit onderzoek is medio november 2023 uitgevoerd.

blad 35 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 7.1: Advieskaart m.b.t. archeologisch vervolgonderzoek.

De rapportage van het ‘Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen’ (Antea Group, 7 december 2023) is opgenomen in bijlage 20. Dit onderzoek moet nog beoordeeld worden door de gemeente Stein (selectiebesluit). De resultaten van het booronderzoek kunnen als volgt worden samengevat. De bodemopbouw bestaat in het zuidelijke gedeelte van het plangebied (boringen 1 t/m 11) uit een lemige bouwvoor op zandige leem (interpretatie: jonge rivierklei) op beddinggrind. In het noordelijke gedeelte van het plangebied (boringen 12 t/m 19) is onder de jonge rivierleem nog een pakket klei aangetroffen. De ouderdom van het pakket is niet met zekerheid vast te stellen, maar vermoed wordt dat het om (vroeg?) holocene kronkelwaardafzettingen gaat die ouder zijn dan de jonge rivierklei, maar jonger dan de oude rivierklei. In boringen 12 t/m 14 bestaat de basis van het kleipakket mogelijk uit een laagje oude rivierklei (gleyhoudend). Hieronder volgt zandig beddingmateriaal. In de meest noordelijke en laagstgelegen boringen (16 t/m 19) is tot aan de einddiepte (2,2 m-mv) klei aangetroffen. Mogelijk betreft dit een (holocene) kronkelwaardgeul, waarvan de ouderdom ook niet duidelijk is. Voor het pleistocene zand/grind geldt een lage verwachting: eventuele vindplaatsen zijn naar alle waarschijnlijkheid geërodeerd door de Maas. Ook voor de jonge rivierklei wordt een lage verwachting uitgesproken.

Voor de holocene kronkelwaardafzettingen (boringen 12 t/m 19) geldt een lage tot middelhoge archeologische verwachting. Voor de mogelijke oude rivierklei (boringen 12 t/m 14) geldt in principe een hoge archeologische verwachting, maar de gley duidt op natte, en dus ongunstige bewoningsomstandigheden. Conclusie en advies Een groot deel van het tracé kan reeds worden vrijgegeven vanuit het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek en het aanvullende booronderzoek. Op basis van het inventariserend booronderzoek wordt aanbevolen om in de noordelijke zone, i.e. ter hoogte van boringen 12 t/m 19, nader archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend booronderzoek, karterende fase. Het doel van een karterend booronderzoek is het opsporen van archeologische vindplaatsen. Het plangebied betreft een lijnvormig tracé, dus er wordt slechts één enkele

blad 36 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

karterende boorraai uitgevoerd. Hierbij verdient SIKB methode C3 de voorkeur, waarbij op elke 20 m van het tracé een boring zal worden gezet. Overigens bestaat ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook. Met het bovenstaande kunnen belangrijke negatieve effecten met betrekking tot het aspect ‘archeologie’ worden uitgesloten. Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen planologische belemmering vormen voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

7.5.2

Landschap Het landschap en de begroeiing hiervan is beschreven in het archeologische bureauonderzoek (bijlage 11), de Natuurtoets (bijlage 10) en het cultuurtechnische onderzoek (bijlage 9n). Het landschap is momenteel sterk in ontwikkeling door de uitvoering van het Grensmaasproject door het Consortium Grensmaas, dat een nevengeul aanlegt waardoor de kern Maasband op een eiland komt te liggen en verbonden wordt met het ‘vaste’ land door een nieuwe brug, namelijk de Hoxweerdbrug. Ten zuidwesten van Maasband wordt een plas water, ontstaan door grindwinning, opgevuld met dekgronden afkomstig van het graven van de nevengeul. Figuren 7.2 en 7.3 laten zien hoe het landschap momenteel sterk in ontwikkeling is door de aanleg van de nevengeul door het Consortium Grensmaas.

Figuur 7.2: Luchtfoto landschap zuidelijk tracédeel, situatie van 23-11-2023.

blad 37 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 7.3: Luchtfoto landschap noordelijk tracédeel, situatie van 23-11-2023.

In het gebied van het zuidelijk tracédeel volgt Natuurmonumenten een beleid van spontane natuurontwikkeling in combinatie met begrazing door grote grazers. Na aanleg van de nieuwe leiding in de grond zijn hiervoor geen belemmeringen. Verwacht wordt dat door begrazing houtopslag boven de leiding voldoende zal worden beheerst. Aanplant of inzaaien als herstelmaatregel is hier in beginsel niet aan de orde. Definitieve afspraken over oplevering zullen nog met Natuurmonumenten worden gemaakt. Natuurmonumenten is akkoord met de voorgenomen aanleg en exploitatie van de nieuwe PALL-leiding. In het deelgebied van het noordelijk tracédeel komt de nieuwe PALL-leiding vooral te liggen in agrarisch gebied. Vanaf de nadering van de nevengeul bestaat het voornemen om de agrarische percelen over te dragen aan Natuurmonumenten eveneens voor spontane natuurontwikkeling in combinatie met begrazing door grote grazers. Percelen die na oplevering van de nieuwe PALL-leiding in agrarisch gebruik blijven zullen volgens desbetreffende cultuurtechnische eisen worden hersteld (vanzelfsprekend in overleg met de betreffende eigenaren). Sporadisch staan er bomen bij het nieuwe tracédeel, deze zullen in principe worden gespaard, de mogelijkheden hiervoor worden nog nader onderzocht.

Het Consortium Grensmaas heeft in afstemming met de gemeente Stein, belanghebbenden en bewoners een landschappelijk eindplan opgesteld, dat is opgenomen in figuur 7.4.

blad 38 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 7.4: Landschappelijk eindplan (bron: Consortium Grensmaas, e-mail van 7-12-2023).

blad 39 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

In dit sterk gewijzigde landschap wordt aansluitend op de werkzaamheden van het Consortium Grensmaas het nieuwe deeltracé van de PALL-leiding aangelegd. Na aanleg en in gebruik name hiervan is er hiervan niets zichtbaar in het landschap met uitzondering van enkele (oranje) merkpalen verspreid over het tracé, met als doel graafschade mee te helpen voorkomen. Het nieuwe deeltracé wijzigt het landschap niet omdat:  De nieuwe kruising van de Maas wordt gerealiseerd door middel van een gestuurde boring (HDD), waarbij het beginpunt aan Nederlandse zijde komt te liggen in de dekgrondberging waardoor de grindlaag direct langs de Maas niet wordt verstoord (de boring gaat hieronder door en de Maas wordt op grote diepte gepasseerd);  Het grootste deel van het tracé wordt aangelegd door middel van een open ontgraving in zogeheten ‘veldstrekking’. Hierbij wordt een sleuf gegraven waarbij de verschillende grondlagen in afzonderlijke hopen worden gelegd en na plaatsing van de buisleiding worden teruggelegd in de oorspronkelijke volgorde en cultuurtechnisch worden afgewerkt zodat de oorspronkelijke cultuurtechnische waarde wordt hersteld.

Het tracé ligt grotendeels binnen de bestaande dubbelbestemming ‘Leiding’ gebundeld met de bestaande buisleidingen van Air Liquide, de landschappelijke functionele indeling wijzigt hierdoor nauwelijks;  Eventueel te passeren hekwerken, heggen en dergelijke worden na de aanlegwerkzaamheden weer teruggeplaatst;  Wegen die worden gekruist worden weer in de oorspronkelijke toestand hersteld;  Er worden in beginsel geen houtopstanden verwijderd, zie paragraaf 2.11. Mocht het bij de uitvoering toch noodzakelijk zijn om een boom te verwijderen dan zal in overleg met de perceeleigenaar een herplanting worden afgesproken;  Er komt geen nieuwe afsluiterpost in het nieuwe tracédeel tussen de Maas en het Julianakanaal, bovendien wordt de (bovengrondse) afsluiterpost in het bestaande tracé aan de noordoostzijde van de kern Maasband verwijderd, dat is een verbetering van het landschappelijke beeld. De aanleg en exploitatie van de PALL-leiding vormt geen belemmering voor de realisatie van het eindplan voor het gebied zoals weergegeven in figuur 7.4. Met DOP Maasband is PPS in gesprek over het herstel van het restant van een historische dijk (deze is inmiddels voor een groot deel ten behoeve van de aanleg van de nevengeul door Consortium Grensmaas verwijderd) na de graafwerkzaamheden voor de aanleg hier van de nieuwe PALL-leiding (zie het besprekingsverslag in bijlage 19).

PPS is bereid om met het herstel hiervan rekening te houden met het voornemen van DOP Maasband om op de kop van het restant van de historische dijk een uitkijkpunt te realiseren (zie figuur 7.5).

blad 40 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

Figuur 7.5: Toekomstig uitkijkpunt restant historische dijk aangegeven door blauwe pijl (bron: uitsnede van landschappelijk eindplan van Consortium Grensmaas, zie figuur 7.4.

Advies gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit De gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft op basis van een toelichting door PPS op 29 november 2023 een drieledig advies gegeven. Hieronder wordt per adviespunt aangegeven hoe PPS bij de uitvoering van deze adviezen zal opvolgen. a. Er wordt enkele weken voor aanvang van de werkzaamheden een duidelijk, eenduidig overzicht van de nul-situatie ter hoogte van het gebied (bestemming 'Waarde - Historisch groen en landschap' en de 'Waarde - Historische infrastructuur’) waar de werkzaamheden plaatsvinden gemaakt (bestaande toestand); betreft dit akkerland, regulier weiland, of zones met vegetaties als kruidenrijk grasland en/of beplantingselementen (bomen, hagen, struikgewas, of andere elementen); b. Wanneer gedurende de inventarisatie blijkt dat vegetaties als kruidenrijk grasland en beplantingselementen (bomen, hagen, struikgewas, of andere elementen) moeten worden hersteld dan wordt duidelijk gemaakt hoe de vegetatie wordt hersteld (mengsel), hoe te rooien beplantingselementen worden hersteld of hoe en waar wordt gecompenseerd, indien aanplant (van bomen) ter hoogte van het leiding tracé niet meer mogelijk is. Eventueel noodzakelijk rooien en herstel zal worden gebaseerd op een boomeffectanalyse, ecologisch en landschappelijk advies.

Het herstel van het na de Grensmaaswerken overgebleven restant van de historische dijk zal worden afgestemd met DOP Maasband, met name op de wens om hier een uitkijkpunt te realiseren (zie figuur 7.5); c. Uit het overleg is de Commissie gebleken dat er nog meerdere onderzoeken in het veld lopen en die op korte termijn worden afgerond, waarna er een definitieve rapportage kan worden opgesteld c.q. uitgewerkt:  De rapportage met het archeologisch bureauonderzoek. Hiervan komen de resultaten na 8 december 2023 ter beschikking, daar de buiteninspecties onlangs zijn uitgevoerd: Het rapport hiervan is als bijlage 20 toegevoegd aan de aanvraag (zie paragraaf 7.5.1);  De rapportage met de Natuurtoets. Met de natuurtoets is onder meer via de Nationale Databank (NDFF) flora en fauna onderzocht op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. De conclusie was dat er nader onderzoek dient plaats te vinden ten aanzien van aanwezigheid van vleermuizen (volgens vleermuisprotocol). Dit onderzoek duurt een 1 jaar en loopt nog. Voorts vindt er nog aanvullend onderzoek plaats naar de aanwezigheid van bevers, hagedissen, padden, etc. Uit conclusies zal moeten blijken hoe (mede afhankelijk van perioden) gewerkt kan worden om verstoringen te voorkomen, dit wordt

blad 41 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

vertaald naar een ecologisch werkprotocol voor de feitelijke voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden in het veld (zie paragraaf 7.4). Conclusie De aanleg en in gebruik name van het nieuwe deeltracé van de PALL-leiding heeft geen gevolgen voor het landschap, met name niet voor de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Historisch groen en landschap’ en de ‘Waarde – Historische infrastructuur’. Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect landschap geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

7.6

Geluid Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder, maar daarnaast ook in de Wet ruimtelijke ordening wanneer het gaat om de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidbronnen een wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidsbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidsbronnen kunnen wel noodzaken tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het project voorziet in de aanleg van een ondergrondse buisleiding. Er worden geen geluidgevoelige functies gerealiseerd. De ondergrondse buisleiding zal geen geluiduitstraling richting de omgeving veroorzaken. De projectlocatie ligt bovendien niet in de omgeving van een stiltegebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

Geluidhinder kan uitsluitend aan de orde zijn bij de tijdelijke aanlegactiviteiten. Voor het project zijn uit de Algemene plaatselijke verordening gemeente Stein 2022 de voorschriften over ‘overige geluidhinder’ relevant. Door de afstand van de boorinstallatie van meer dan 1 kilometer tot een geluidgevoelig object (aan Nederlandse zijde) en het gebruik van gangbaar materieel is geluidhinder voor de omgeving uitgesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’ en dat het geluid van de werkzaamheden geen geluidhinder veroorzaakt.

7.7

Trillingen en laagfrequent geluid Ervaring leert dat met de HDD-techniek slechts beperkt trillingen ontstaan en dat deze zullen uitdoven in het grindpakket onder de Maas. Ook de overige uitvoeringswerkzaamheden veroorzaken geen trillingen die in de omgeving schade of hinder kunnen veroorzaken. Tijdens gebruik veroorzaakt de PALL-leiding geen significante trillingen of laagfrequent geluid in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect trillingen en laagfrequent geluid geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’ en dat de werkzaamheden geen trillinghinder veroorzaakt.

blad 42 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

7.8

Omgevingsveiligheid

7.8.1

Externe veiligheid In bijlage 4n is de rapportage van de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgenomen. Met deze QRA zijn de externe veiligheidsrisico’s van de nieuwe PALL-leiding in beeld gebracht. Deze QRA dient als onderbouwing van de aanvraag van de afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’. Hierna worden kort de resultaten van de QRA samengevat en de gevolgen voor de verantwoording van de externe veiligheidsrisico’s. Plaatsgebonden risico Middels de QRA is het plaatsgebonden risico bepaald. Dit geeft de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. In dat kader kunnen risicocontouren (10-6/jaar) worden bepaald. Binnen de 10-6/jaar-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour als een richtwaarde. Daarnaast mag de 10-6/jaar van een nieuwe leiding niet verder dan 5 m uit het hart van de leiding liggen. Bepalend is de ligging van de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour. Uit de QRA blijkt dat deze contour niet aanwezig is. Er wordt zodoende automatisch voldaan aan de normen die op deze contour van toepassing zijn: de 10-6/jaar contour valt binnen 5 meter van het hart van de leiding en binnen de 10-6/jaar contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig.

Zoals in paragraaf 5.3.1 en 5.5 reeds is toegelicht houdt bovenstaande in het bestemmingsplan ‘Grensmaas’ enkel rekening hoeft te worden gehouden met de belemmeringenzone van 5 meter. Vanwege de afstand tussen de nieuwe leiding en de bestaande leiding van Air Liquide van 1 meter valt deze zone 1 meter buiten de dubbelbestemming ‘Leiding’. De met onderliggende aanvraag aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ziet zodoende onder meer toe op de geringe uitbreiding van deze dubbelbestemming. De PR 10-6/jaar contour vormt geen belemmering voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’. Groepsrisico Met de QRA is tevens het groepsrisico bepaald. Dit is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het groepsrisico is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Uit de berekening van het groepsrisico volgt een aantal van maximaal drie slachtoffers. Aangezien het groepsrisico gedefinieerd is vanaf 10 slachtoffers of meer, is het groepsrisico nihil. Voor het groepsrisico bestaat geen normwaarde. De oriëntatiewaarde heeft een attenderende waarde. De hoogte van het groepsrisico is één van de elementen die in het kader van de verantwoording van het groepsrisico moet worden beschouwd.

Het groepsrisico zoals hier berekend is nihil. Domino-effecten Gezien de afstand van 1 meter van de nieuwe leiding tot de buitenste leiding van Air Liquide is onderzoek uitgevoerd naar de domino-effecten in het geval dat de Air Liquideleiding faalt. Wanneer het falen van de ene leiding zou leiden tot het falen van de andere leiding, zijn voor een correcte plaatsgebonden contour- en groepsrisicoberekeningen toeslagfactoren op de faalfrequentie noodzakelijk. Dergelijke effecten noemt men domino-effecten. De kraterberekening die ten grondslag ligt aan dit aspect is opgenomen in bijlage 5. Met behulp van berekeningen zoals opgenomen in de NEN3650, NEN3651 en NPR3659 zijn de afmetingen van eventuele kraters berekend. Hieruit bleek dat de kraters zo groot worden dat de naastliggende leidingen voor een deel vrij komen te liggen. Vervolgens is berekend wat de maximale additionele spanningen in de materialen zal worden als gevolg van het vrij hangen van een leiding in een krater. Het blijkt dat de maximaal optredende spanningen de minimum

blad 43 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

gegarandeerde gespecificeerde spanning van het materiaal (360 N/mm2) niet overstijgt. Dit betekent dat het op basis van deze berekeningen aannemelijk is dat de naastgelegen leidingen niet zullen falen als gevolg van het falen van een leiding. Daarmee is aangetoond dat domino-effecten niet waarschijnlijk zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen planologische belemmering vormt voor de aangevraagde afwijking van het bestemmingsplan ‘Grensmaas’.

7.8.2

Niet-ontplofte oorlogsresten In het kader van veiligheid is een historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (NGE) gedaan voor zowel de Nederlandse (bijlage 12) als de Belgische zijde van het tracé. NGE Nederlandse zijde Uit het onderzoek naar NGE aan Nederlandse zijde volgt dat er geen sprake is van een NGE-Verwachtingsgebied in (gedeelten van) de projectlocatie. Dit houdt in dat er geen NGE worden verwacht. Er zijn geen belemmeringen aanwezig aan Nederlandse zijde, de werkzaamheden kunnen zonder aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. NGE Belgische zijde Op basis van de beoordeling en analyse van het bronnenmateriaal is een (horizontaal) NGE-Verwachtingsgebied afgebakend binnen een deel van de projectlocatie te Maasmechelen. De ondergrens van het NGEVerwachtingsgebied wordt bepaald door de maximale penetratiediepte van de te verwachten Niet Gesprongen Explosieven en is afhankelijk van het kaliber, de vorm en de wijze waarop NGE in de bodem terecht zijn gekomen en de bodemsamenstelling van de projectlocatie. Aan een voor NGE-onderzoek erkend onderzoeksbureau is een opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een detectieonderzoek van het projectgebied aan Belgische zijde. Dit onderzoek is eind oktober 2023 uitgevoerd. Op basis van dit detectieonderzoek is het werkterrein aan Belgische zijde ook vrijgegeven vanuit NGE.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt betreffende het thema externe veiligheid. Het voornemen zit wat betreft dit aspect een afwijking van het bestemmingsplan niet in de weg.

7.8.3

Overige veiligheidsrisico’s Windturbines Aan Nederlandse zijde zijn geen windturbines aanwezig in de omgeving van het nieuwe PALL-tracédeel. Het gebied tussen de Maas en het Julianakanaal is onderdeel van de ‘Uitsluitingsgebieden windturbines’ zoals vastgesteld met de geldende Omgevingsverordening Limburg 2014. In dit gebied mag een ruimtelijk plan niet voorzien in de plaatsing van een windturbine, bestaande uit een mast met een minimale hoogte van 25 m met daarop aangebracht een rotor. Vliegvelden De kleinste afstand tot het vliegveld Maastricht-Aachen Airport bedraagt ongeveer 5,5 km en de PALL ligt niet onder de start- en landingsroutes. De afstand in combinatie met de start- en landingsroutes beoordelen we als te groot om tot verhoogde faalfrequenties van de buisleiding aanleiding te geven. Hoogspanningslijnen Aan Nederlandse zijde zijn in het projectgebied geen hoogspanningslijnen gelegen. Aan Belgische zijde wordt in het ontwerp en de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden met de aldaar aanwezige hoogspanningslijn van Fluvius. Aardbevingen bij breuklijnen Het projectgebied ligt in een gebied dat door de provincie Limburg volgens de Mercallischaal is ingedeeld als ‘VIII Zware schade, algehele paniek, algemene schade aan gebouwen, zwakke bouwwerken gedeeltelijk vernield’. Ten

blad 44 van 59

datum 14 december 2023 projectnummer 0476077.100 betreft Ruimtelijke onderbouwing

zuiden van het projectgebied loopt de Geullebreuk(zone), min of meer langs de Geulle. Ten noorden van het projectgebied loopt de Heerlerheidebreuk(zone). Er zijn – minimaal - 2 breuken, 1 breuk(zone) in de zuidwestelijke hoek van het tracédeel en 1 breuk(zone) in de noordoostelijke hoek van het tracédeel. De breuken bepalen mede de sterke meandering van de Maas in het projectgebied en de tektoniek is hier vermoedelijk tijdens het Pleistoceen weer gereactiveerd. De activiteit van de breuken in het projectgebied is aanmerkelijk minder dan die van de Feldbissbreuk op circa 7 km noordoostelijker. Breukzones zijn min of meer lijnvormige structuren in het landschap waarlangs verplaatsingen optreden: aan de ene kant van de breuk verplaatst de grond zich in een andere richting of met een andere snelheid dan aan de andere kant van de breuk. Bij aardbevingen vindt deze verplaatsing schoksgewijs plaats, maar ook wanneer er geen voelbare aardbevingen plaats vinden kan deze verplaatsing doorgaan: dat noemt men kruip. Kruip is feitelijk een ongelijkmatige zetting. Van de hierboven genoemde breukzones is de Felsbissbreuk de zone met de meeste activiteit en de grootste kruip (zetting): in Zuid-Limburg bedraagt deze circa 0,8 mm per 10 jaar. Over de levensduur van de leiding (circa 100 jaar) zal de verwachte kruip (zetting) als gevolg van de breukzones ruim lager dan 8 mm bedragen.

De leiding is ontworpen om zettingen van 100 mm te kunnen weerstaan. De ingeschatte relatief geringe kruip vormt derhalve voor de leiding geen probleem. Een maat voor de grootte van de schok wordt gegeven door het begrip ‘versnelling’. Versnellingen kunnen met name schade toebrengen aan minder vervormbare bovengrondse bouwwerken die topzwaar zijn (zoals gebouwen). Infrastructuur welke zich in de grond bevindt zoals buisleidingen zijn relatief ongevoelig voor versnellingen. Na-ijlende gevolgen steenkolenwinning De voormalige steenkoolwinning in Zuid-Limburg leidt tot na-ijlende effecten, met name in de vorm van bodembeweging. Deze brengen mogelijk belemmeringen met zich mee in het gebruik van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in geval van verzakkingen. In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is in 2016 een onderzoek gepubliceerd naar deze effecten2. Figuur 7.6 geeft de risico’s omtrent mijnverzakkingen. Het nieuwe tracédeel van de PALL buiten de risicogebieden van de na-ijl gevolgen van de steenkoolwinning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=c50cd25e-1738-4b0e-92fd-f656406bc22f