CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 Aangepaste Verordening maatschappelijke ondersteuning 2022 met opmerkingen

Beeldvormende bijeenkomst 21 februari 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Aanpassingen verordening Wmo 202223.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 8. Waardering mantelzorgers Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Lid 1. Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Stein ontvangen jaarlijks een blijk van waardering.

Het college bepaalt bij nadere regeling de invulling van de blijk van waardering en de daarvoor geldende criteria.

Lid 2. Een mantelzorger komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering indien hij als mantelzorger staat geregistreerd bij het Steunpunt Mantelzorg Zuid.

Hoofdstuk 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak

Met opmerkingen [MW18]: Lid 2 moet weg. Wordt

geregeld via Beleidsregels, hoeft niet in verordening

Artikel 25. Klachtregeling Lid 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

21

Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de

klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliënt­ ervaringsonderzoek.

Lid 3. De zorgvrager stelt onverwijld het college in kennis van het indienen van een klacht en over de afwikkeling ervan.

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Lid 1. Aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de

medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Lid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun

vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

Lid 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid

betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Lid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers,

vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Lid 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij

onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate

Met opmerkingen [MW19]: Vereenvoudiging en

vervanging van lid 1 en li2 volgens de modelverordening Wmo van Schulinck

deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Lid 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 10. Overige bepalingen Artikel 28. Hardheidsclausule, situaties waarin de verordening niet voorziet Lid 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Lid 2. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

22

Artikel 29. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.

Artikel 30. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Lid 1. De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Stein 2022, inclusief het wijzigingsbesluit, wordt ingetrokken.

Lid 2. Een cliënt houdt recht op een lopende maatwerkvoorziening verstrekt op grond van de

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Stein 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

Lid 3. Een cliënt houdt recht op een lopende maatwerkvoorziening beschermd wonen verstrekt conform

de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Maastricht totdat het college van de gemeente Sittard- Geleen een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit van de gemeente

Maastricht (namens het college van de gemeente Sittard-Geleen) waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken rekening houdend met een gewenningsperiode van 3 maanden.

Lid 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Stein 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden

Met opmerkingen [MW20]: Wordt verwijderd omdat

beschermd wonen nieuw beleid heeft en bij SG belegd is als centrum gemeente.

afgehandeld krachtens de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Stein 2022.

Lid 4. Er is sprake van een overgangsrecht van 3 maanden voor een client waarvan in 2023 het bedrag pgb hoger is dan het nieuwe bedrag pgb per 1 januari 2024. Deze periode is bedoeld om te kunnen anticiperen op dit nieuwe bedrag van het pgb;

Lid 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke

Met opmerkingen [MW21]: Gewijzigd naar 2023 en 2024

Ondersteuning gemeente Stein 2022, wordt beslist met inachtneming van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Stein 2022.

Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel Lid 1. Deze Verordening treedt in werking vanaf l januari 2024. Lid 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2024.

Aldus besloten door de raad der gemeente Stein in zijn vergadering van xxx.

De raad voornoemd,

De griffier,

de Voorzitter,

23

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2024 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene

voorziening of -als dat niet volstaat- een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan

zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Binnen de gemeente Stein zal telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden: a)

om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen;

b)

om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren;

c)

om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan;

d)

om te bepalen of er sprake is van andere voorzieningen die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen of dat een maatwerkvoorziening nodig is.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de 'oude' Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te

vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat

de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar

maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden

van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college . De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten,

ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet 'het college' staat, kan het

college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond

van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan

het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van 'aanbieder' onder artikel 1 lid 1 van de verordening.

De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast

te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

24

I.

op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een

maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

II.

op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

III.

welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking

IV.

ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten

V.

ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over

VI.

op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij

tot de deskundigheid van beroepskrachten; vereist is;

voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

VII.

op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en

VIII.

op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: I.

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een

II.

ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden

persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van

de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4 , eerste, tweede en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015: I.

bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en

II.

de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt

maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.

III.

Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die

IV.

bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt

behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;

V.

vastgesteld en geïnd;

bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een

bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

25

VI.

bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2. 1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het

gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

26

Artikelsgewijs Artikel 1. Begripsbepalingen Voor een uitwerking van de in deze verordening gebruikte begrippen zie art.1 van deze verordening. Hieronder is een beknopte toelichting van een tweetal begrippen.

Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets vrij verkrijgbaar in de

fietswinkel. Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn

mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere

personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van, algemeen gebruikelijke voorzieningen,

algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang.

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities

kent die ook bindend zijn voor deze verordening. In de toelichting zijn geen verdere definities opgenomen. Indien nodig kunnen definities geraadpleegd worden in de wet.

Naast de Wmo 2015 kent ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: 'aanvraag' (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en 'beschikking' (artikel 1:2).

Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet.

Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling

verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar

aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding kan schriftelijk of elektronisch bij het college worden gedaan.

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email), schriftelijk,

fysiek en telefonisch kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg daarvoor geopend is. De melding kan 'door of namens de cliënt' worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term 'hulpvraag' een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan

direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Participatiewet en de Leerplichtwet.

27

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een (schriftelijke of elektronisch) ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan -en ligt voor de hand- ook elektronisch.

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van

de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke

maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. Hierin is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de

cliënt kosteloos is. De gemeenten heeft de opdracht om een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en

hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaalt dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling waarborgt een zorgvuldige procedure. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder

uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor

het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.

De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen

overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de

gegevensverzameling op grond van dit artikel zullen de grenzen van de AVG- wet in acht genomen moeten

worden.

Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. Ook het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige 'vervolgvraag' heeft.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers

dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening.

28

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de

specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt

verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de cliënt en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger).

In onderdeel b is als onderwerp van onderzoek 'het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning' opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag

(Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr.34, blz.183) "de ultieme toetssteen of de maatschappelijke

ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de

verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal".

Artikel 6. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet.

Door dat de gemeente aan de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek

verstrekt, wordt deze om staat te gesteld een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Een verslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen

gegevens die noodzakelijk zijn voor om te kunnen voorzien in de behoefte van de cliënt worden opgenomen. Uiteraard kan de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het

onderzoek. Uiteraard kan de weergave van de uitkomsten anders zijn naar het gelang van het onderzoek per

cliënt variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe ondersteuningsvragen zal uiteraard een uitgebreidere weergave

noodzakelijk zijn. In dat geval wordt het verslag ondertekend door de cliënt en de contactpersoon van de

gemeente waar het gesprek mee is gevoerd. Desgewenst kan de gemeente het verslag van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit

voortvloeien, worden vast gelegd. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar enige tijd overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om

boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is enige tijd na het gesprek nuttig.

Indien de cliënt na ontvangst van het verslag nog relevante aanvullende opmerkingen heeft worden deze aan het verslag toegevoegd

Artikel 7. Aanvraag In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de

termijn van zes weken. De wet bepaalt verder dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet).

29

In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen.

Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 3 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van vertegenwoordiging gesteld.

Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of in de vorm van een door de cliënt ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden.

30

Artikel 8. Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin

verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht

wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het

college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 9. Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in 'natura' krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget. In de beschikking wordt

aangegeven in welke vorm de cliënt de ondersteuning zal ontvangen. Per vorm is in de verordening opgenomen wat in de beschikking vermeld gaat worden.

Lid 2 onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld 'mobiliteit' en niet 'een scootmobiel'. Lid 2 onder f en lid 3 onder h dienen uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de

mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 20 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor

zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van

toelichting op deze bepaling (Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr.3, blz.134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. In dit artikel wordt de bepaling van de wet verder uitgewerkt.

Onder lid 1onderdeel a en b zijn algemene criteria opgenomen wanneer een cliënt in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie en met betrekking tot beschermd wonen en opvang.

Op basis van lid 2 kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp.

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden De voorwaarden voor het verstrekken van voorzieningen en weigeringsgronden moeten in de verordening worden opgenomen. Het i s niet voldoende om deze op te nemen in het gemeentelijke besluit of de

beleidsregels. Dit zijn namelijk criteria voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening, en volgens artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a Wmo 2015 dient er in de verordening bepaald te worden op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

De rechtbank Amsterdam heeft dan ook uitdrukkelijk geoordeeld dat de vaststelling van de voorwaarden

voor individuele voorzieningen op grond van artikel 5 Wmo in de verordening moet plaatsvinden (Rechtbank

Amsterdam 17-03-2009, ECLl:NL:RBAMS:2009:BN3104). En volgens de rechtbank Oost­ Brabant is er sprake

31

van strijd met rechtszekerheidsbeginsel wanneer een afwijzingsgrond niet rechtsreeks uit de Wmo dan wel uit de Wmo-verordening is af te leiden (Rechtbank Oost-Brabant 14-03-2014, nr. SHE 13/3542).

De voorwaarden voor het al dan niet toekennen van een voorziening zijn daarom in deze verordening vastgelegd. De voorwaarden en weigeringsgronden zelf zijn echter niet nieuw. Deze waren voorheen opgenomen in het Besluit Wmo of de Beleidsregels Wmo die door het college werden vastgesteld. Lid 1. Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel

compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De

bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een

vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een

compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het

college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen.

Lid 2. Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt.

Lid 3 onder a en b. Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Stein en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een

maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat waar het de opvang en het beschermd wonen betreft,

ingezetenen

van elke Nederlandse gemeente zich tot elk college kunnen wenden (TK 2013-2014, 33841, nr.3 p.127). Daarmee is landelijke toegankelijkheid van de voorzieningen gewaarborgd. Zo wordt voorkomen dat de

behoefte aan beschermd wonen een belemmering vormt voor mensen om zich elders te vestigen. Wel wordt in de Memorie van Toelichting ook aangegeven dat beschermd wonen bij voorkeur verstrekt wordt door het college van de gemeente waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor betrokkene de

meeste kans van slagen heeft. De Wmo 2015 spreekt ook van een 'passende bijdrage' aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015). Het onderzoek dat voorafgaat aan een te verstrekken voorziening zal zich daar ook op richten. Daarbij kan bijvoorbeeld meespelen het

aspect van de afwezigheid van een netwerk in de gemeente waar de cliënt zich heeft gemeld en de beschikbaarheid daarvan in een andere gemeente.

Vanzelfsprekend wordt ook de wens van de cliënt in het onderzoek betrokken. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject meer kans van slagen heeft in een andere gemeente, dan is de

gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een 'warme' overdracht naar de andere gemeente.

Lid 4 onder a. Van een cliënt mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een cliënt gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment

voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling

biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo 2015 geeft ten aanzien van de

voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een cliënt gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere

gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLl:NL:CRVB: 2018:2603).

32

Lid 4 onder b. Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet

geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere

wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet).

Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.

De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een

voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft.

Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr.11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr.09/1082WMO).

Lid 4 onder c en d. Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een

uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om

eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het

besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening.

Lid 4 onder e. Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig

noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee

maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is.

Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na

enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van

een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor

bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.

Lid 4 onder f. Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of

33

verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft . Hier speelt de eigen

verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de

woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 4 onder g. De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Voor het treffen van

voorzieningen die gericht zijn op meerdere ingezetenen, zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.

Lid 4 onder h en i. Deze weigeringsgronden volgen al uit de wet, de toevoeging is daarom voor de volledigheid.

Lid 5. De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen (CRvB 27-6-2018, ECLl:NL:CRVB: 2018:1961 en CRvB 27-6-2018 ,

ECLl:NL:CRVB: 2018 : 1972). Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale

vervoersbehoefte (CRvB 9-5-2018, ECLl:NL:CRVB:2018:1487). Op basis van jurisprudentie kan het college in

principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee een cliënt 1500 tot

2.000 kilometer per jaar kan reizen (CRvB 29-02-2012, ECLl:NL:CRVB: 2012:BV 7463, CRvB 06- 06-2012,

ECLl:NL:CRVB:2012:BW7705, Rechtbank Noord - Nederland 25-7-2018, ECLl:NL:RBNNE:2018:3496).

Als de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om dit aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen.

Lid 6. Voor een aantal vervoersvoorziening is een adequate stalling (met stroomvoorziening) noodzakelijk,

denk aan een scootmobiel. Indien een adequate stallingsmogelijkheid niet aanwezig is en -al dan niet door verstrekking van een woonvoorziening- ook niet gerealiseerd kan worden, wordt geen scootmobiel

verstrekt. Er wordt dan gekeken naar alternatieve vormen van ondersteuning. De gemeente kiest dan voor de goedkoopst adequate oplossing.

Lid 7 onder a. Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen

Met opmerkingen [MW22]: Voor de volledigheid

toegevoegd en naar aanleiding van interne casuïstiek.

zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek.

Lid 7 onder b. Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met

beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de cliënt over meerdere woningen

beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co­ ouderschap. In dat geval kan een cliënt twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel moeder als vader.

Lid 7 onder c. Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de

beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in

hotels/pensions, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties

voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een

verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn

voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLl:NL:RBARN:2008:BHOl26 en ECLl:NL:RBROE:2010:B M6304) .

Lid 7 onder d. Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in

deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid 3 onderdeel d dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeente wel verplicht is om de

34

beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de

gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Lid 7 onder e. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de

verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een

ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is

dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een

verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de

voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr.11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder

de Wmo 2007 (ECLl:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

Lid 7 onder f. Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de

gemeente indient. Met "verhuizen" wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar

ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van

een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad.

Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt

meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om

toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-042011, nrs. 09/3047 WMO e.a.

Lid 7 onder g. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.

Lid 8. Wanneer de cliënt in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt

(bijvoorbeeld van ouders) gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

Lid 9 en 10. Beschermd wonen kan op grond van artikel 1.1.1. Wmo 2015 verleend worden aan

personen met psychische problemen en/of psychosociale problemen. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een bereikbaarheid en beschikbaarheidsdienst voor zelfstandig wonende cliënten heeft als

doel instroom in beschermd wonen (wonen in een accommodatie van een instelling) te voorkomen en uitstroom uit beschermd wonen te bevorderen en is daarom alleen voor de personen psychische

problemen en/of psychosociale problemen toegankelijk. Met de voorziening is de ondersteuning 24-

uur per dag bereikbaar en zo nodig inzetbaar in de thuissituatie. Voor cliënten beschermd wonen is de

beschikbaarheid- en bereikbaarheidsdienst onderdeel van het 'pakket beschermd wonen' dat bestaat uit

de optelsom van de maatwerkvoorzieningen: intramuraal wonen+ een beschikbaarheid en

bereikbaarheidsdienst +begeleiding .

Lid 11. Cliënten met een psychische stoornis kunnen per 2021 toegang krijgen tot de Wet langdurige

zorg (Wlz). Daarvoor is de grondslag psychische stoornis toegevoegd aan de toegangscriteria voor de 35

Wlz. Wel moet er voldaan worden aan de bestaande Wlz-toegangscriteria. Dit betekent dat het gaat om cliënten bij wie sprake is van een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg.

De maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt daarom vanaf l januari 2022 slechts tijdelijk verstrekt. De maatwerkvoorziening beschermd wonen bestaat uit de optelsom van drie

maatwerkvoorzieningen: intramuraal wonen + een beschikbaarheid en bereikbaarheidsdienst +

begeleiding. Beschermd wonen wordt niet verstrekt als de cliënt geholpen kan worden met intensieve

vormen van ondersteuning in de thuissituatie (ambulante maatwerkvoorzieningen + logeren), 24-uurs opvang.

Artikel 12. Soorten pgb In dit artikel wordt onderscheid gemaakt naar een persoonsgebonden budget voor de inkoop van

diensten zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning en een persoonsgebonden budget voor

overige voorzieningen, omdat er in de verordening verschillende eisen worden gesteld per categorie.

Artikel 13. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht.

Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een

budgetplan opstellen. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan.

Client, zijn vertegenwoordiger en/of degene uit het sociale netwerk het pgb namens de cliënt gaat

beheren wordt naar aanleiding van de ontvangst van het budgetplan uitgenodigd voor een gesprek. Het budgetplan vormt de basis van het gesprek. Het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel

2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de

beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement

Voortman c.s., Kamerstukken Il 2013/14, 33841, nr. 103). Ook kan de aanvrager op deze manier

aantonen dat hij in staat is om adequaat gebruik te maken van een pgb en dat de voorziening die wordt ingekocht met het pgb van voldoende kwaliteit is.

In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan

het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Dit geldt ook voor de toets of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan en het bijbehorende

gesprek.

In lid 2 en 3 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Ontbreekt een budgetplan of is deze onvolledig kan de aanvraag voor het

persoonsgebonden budget afgewezen worden, mits de cliënt in de gelegenheid is gesteld het verzuim

te herstellen (lid 5). De voorziening kan in dat geval wel in natura worden verstrekt.

In lid 7 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening en voor diensten geldt aanvullend dat het pgb alleen bedoeld is voor direct cliëntgebonden tijd. a)

Direct cliëntgebonden tijd

De volgende werkzaamheden vallen onder direct cliëntgebonden tijd:

36

a)

I.

II.

Bij begeleiding en groepsbegeleiding:

Face to face contact met de cliënt of bijv. uren aanwezigheid van de cliënt op de dagbesteding; Opstellen van het ondersteuningsplan;

III.

Telefonisch overleg met de cliënt;

IV.

Elektronisch contact zoals e-mail, chat, beeldbellen en dergelijke met de cliënt (via

een beveiligde server);

V.

Begeleiding bij het doorlopen van een e-health module;

Contact met het sociale netwerk en uitbreiding van dit netwerk waar nodig;

VI.

b)

I.

b)

Professionals behoren normaal niet tot dit netwerk. Bij huishoudelijke ondersteuning:

de uren die daadwerkelijk worden besteed aan de huishoudelijke taken. Indirect cliëntgebonden tijd

De volgende werkzaamheden vallen onder indirect cliëntgebonde n tijd: I.

Het voorbereiden van een activiteit;

II.

Verslaglegging;

IV.

Pauzes. Is in het uurtarief inbegrepen in de vorm van een opslag.

III. V.

Reistijd. Is in het uurtarief inbegrepen in de vorm van een opslag. Niet cliëntgebonden tijd

Alle activiteiten die niet direct of indirect aan individuele cliënten zijn toe te rekenen. Voorbeelden van niet-cliëntgebonden tijd zijn managementtaken, beleidsoverleg, commissies/werkgroepen, deskundigheidsbevordering geven/ontvangen, opleidingsactiviteiten geven/ontvangen;

wetenschappelijk onderzoek, algemeen werkoverleg, algemene administratie, persoonlijke verzorging en sociale contacten, niet cliëntgebonden reistijd, telefoneren met anderen dan cliënt of zijn/haar

netwerk, tijd besteed aan tijdregistratie, overig. De indirect cliëntgebonden tijd en niet cliëntgebonden tijd mag niet worden gedeclareerd omdat deze in het uurtarief al zijn opgenomen.

T.a.v lid 6 kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het Pgb

voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in

Met opmerkingen [MW23]: Deze werkwijze is

toegevoegd om fraude tegen te gaan, op advies van toezichthouder

die periode anders ten onrechte kan inzetten. Dit om fraude te voorkomen.

Artikel 14. Onderscheid professionele en informele ondersteuning Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en informele ondersteuning. Voor professionele ondersteuning gelden hogere pgb-tarieven en voor informele

ondersteuning geldt een lagere tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.

Van professionele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt in het kader van de

uitoefening van een bedrijf of beroep en die voldoet aan de overige genoemde eisen. De ondersteuning wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door zelfstandigen zonder personeel (zzp). Hierop

geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de verlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant

in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele ondersteuning. Ook al gaat het om een hulpverlener

die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele ondersteuning. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een

37

zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Informele ondersteuning is alle ondersteuning die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk. a)

Bloedverwantschap ontstaat door: I.

geboorte;

II.

afstamming van dezelfde voorvader;

III.

erkenning;

IV.

gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;

V.

adoptie.

Bloedverwanten zijn in de: a)

Eerste graad:

I.

(adoptie)ouders;

II.

(adoptie)kinderen.

b)

Tweede graad:

I.

grootouders;

II.

kleinkinderen;

III.

broers en zussen.

Artikel 15 Bedrag pgb Artikel 15 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening

wordt bepaald op welke wijze het bedrag van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat het bedrag

toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken Il 2013/ 14, 33841, nr.3, blz.39) is

vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura.

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de

kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekend dus niet bij

voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college

voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten

hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.

38

Dit artikel geeft de regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de bedragen voor pgb's voor

afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. Bij de diensten maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert (zie artikel 14).

Voor het bepalen van het laagste zorg in natura tarief wordt gebruik gemaakt van de rekentool tarieven Wmo van Actiz, VGN, Berenschot, Zorgthuis.nl en de Nederlandse GGZ.

Teneinde het pgb-tarief te bepaald wordt het laagste zorg in natura tarief verminderd met het percentage

overheadkosten zonder opslag op primair proces. Vanaf 1 januari 2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma. 1580) Met de twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB: ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en

ECLI:NL:CRVB:2023:) op 16 augustus 2023 is bepaald dat het pgb-tarief voor informele ondersteuning bij

Huishoudelijke hulp en individuele begeleiding gebaseerd moet zijn op de hoogste periodiek van CAO VVT.

Daarbij moet bovenop berekend worden vakantietoeslag en tegenwaarde van verlofuren. Voor de individuele begeleiding geldt dat de FWG 30 van de CAO VVT gevolgd moet worden volgens de hoogste periodiek.

De pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari van het lopende jaar geïndexeerd.

Met opmerkingen [MW24]: Toegevoegd nav aanpassing tarieven en nav uitspraak CRvB

Artikel 16. Financiële tegemoetkoming In verschillende uitspraken heeft de CRvB aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel

1.1.1 Wmo 2015 ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRvB 122-2018, ECLl:NL:CRVB: 2018:395, CRvB 12-2-2018, ECLl:NL:CRVB: 2018:396,CRvB 27-3-2019,

ECLl:NL:CRVB:2019:1166). De grondslag van de financiële tegemoetkoming is niet artikel 2.1.7 Wmo 2015. In dat artikel is de tegemoetkoming in de meerkosten geregeld, welke regeling een algemeen inkomensondersteunend karakter heeft.

De hoogte van de financiële tegemoetkoming moet dusdanig zijn dat het een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. De tegemoetkoming hoeft dus niet

kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet,

waarin is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Aan het 'bestrijden' van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb's gaat als het goed is

een poging dit te 'voorkomen' vooraf. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een 'informatieplicht' voor het college opgenomen.

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte

verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen

bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken Il 39

2013/14, 33841, nr.3, blz.157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om

maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; 'omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten

maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.' In het zesde lid is dan ook een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte voorzieningen.

Het, tweede, derde en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is

opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de verordening wordt

beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Hierbij is onder lid3 f opgenomen dat een voorziening kan worden ingetrokken indien een cliënt niet verantwoord gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het pgb.

Het vierde lid is een 'kan'-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een

voorziening treft. Als binnen drie maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen

voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte

verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen

bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken Il 2013/14, 33841, nr.3, blz.157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om

maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; 'omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=16acf13e-eede-40f1-8b64-2ea30cd288c1