Bijlage 1 Nota bodembeheer Lievense WSP.pdf
Tekst van het document
De gemeenten staan het daarom toe dat als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen voldoen aan de 90-percentielwaarden21 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie de bijlagen 3A en 3B), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 90-percentielwaarden van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als de 90-percentielwaarden lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld, mag het gehalte voldoen aan de Achtergrondwaarde (AW2000). Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de RUD Zuid-Limburg. 2.21
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel
Een bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Als aan voornoemde basisprincipes is voldaan, werken de bodemkwaliteitskaarten als volgt: • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’; groen op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3A en 3B) mag overal worden toegepast. Bij toepassing op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en kunnen de bodemkwaliteitskaarten niet worden gebruikt omdat de kwaliteit van de daar toe te passen grond moet zijn aangetoond met een partijkeuring.
• De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de te verwachten ontgravingsklasse ‘Wonen’ (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3A en 3B) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk oranje/bruin en roze op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 5A en 5B). • De grond vallend in de ontgravingsklasse ‘Industrie’ mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (roze op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 5A en 5B).
21
De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
37/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 2.20.1 en § 2.20.2). Als uit een onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 2.20.1 en § 2.20.3). Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten voldoen aan de 90-percentielwaarden22 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 3), mogen de bodemkwaliteitskaarten met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 2.20.1 en § 2.20.4). Grond van buiten de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein, moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4A en 4B) én de gedefinieerde regionale toepassingseisen voor PFAS-verbindingen (zie § 2.8, tabel 2.3, blz. 24/60).
Uitzondering hierop zijn de onverharde kinderspeelplaatsen en moes- en volkstuincomplexen waar voor zware metalen, PCB, PAK en minerale olie strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit gelden. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie § 2.5.2). Grond uit de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5A en 5B) én de gedefinieerde regionale toepassingseisen voor PFAS-verbindingen (zie § 2.8, tabel 2.3, blz. 24/60). De mogelijkheden voor vrij grondverzet is weergegeven in een grondstromenmatrix (zie bijlage 4) 2.22
Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet
2.22.1 Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving[14] en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of • er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). 22
De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
38/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
•
de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving).
Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of • sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming. In dat geval moet minimaal een BUS-melding en -evaluatie worden ingediend; • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Besluit bodemkwaliteit). • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving). Het historisch onderzoek moet worden uitgevoerd volgens de NEN 5725 (aanleiding F ‘Toetsing gebruik bodemkwaliteitskaart bij te ontgraven grond en het toepassen van grond’). Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 – protocol 2001[32] met een ministeriële erkenning. De onderzoekslocatie wordt gedefinieerd als zijnde de ontgravings- én de toepassingslocatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden inclusief het omliggende terrein tot een maximum van 25 meter.
Onderdeel van het historisch onderzoek is het opvragen van informatie bij de RUD Zuid-Limburg: E-mail: info@rudzl.nl; telefoon: (043) 389 73 30, postadres: Postbus 5700, 6202 MA Maastricht. Ook moet aandacht worden besteed aan: • informatie van (voormalige) terreineigenaren over (voormalige) bodembedreigende activiteiten zoals bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten en (ondergrondse) tanks; • de kans op het voor komen van PFAS-verbindingen23; • de huidige terreinsituatie; • het voor komen van (type) bodemvreemd materiaal in de bodem; • de aanwezigheid van dempingen en ophogingen; • eventuele toepassingen van grond, inclusief de chemische kwaliteit; • de kans op het voor komen van asbest in, op of aan (voormalige) opstallen; • of de toepassing van de grond nuttig is (artikel 35 van het Besluit; zie ook § 2.1.1 van bijlage 2, onderdeel 'Nuttige toepassingen van grond'); • of het grondverzet plaatsvindt in gebieden met bijzondere omstandigheden (zie § 2.17) en of andere Wet- en regelgeving van belang is (zie § 2.1.6 van bijlage 2). Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de terreinen waar de werkzaamheden plaatsvinden geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen
23
Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in blusschuim of om producten water- en/of vetafstotend te maken en zijn verwerkt in een scala van producten (tefalpannen, kleding, verf, cosmetica, zonnebrand).
39/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
verontreinigen én de locatie onderdeel uitmaakt van een geldige bodemkwaliteitskaart, mag een bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond (zie § 2.21). Als historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald kunnen deze mogelijk worden gebruikt. De beoordeling in hoeverre een bestaand onderzoek voldoende actueel is kan per geval verschillend uitpakken. Het hangt af van wat er op de betreffende locatie sinds het laatste onderzoek is gebeurd en is dus eigenlijk altijd maatwerk. In § 2.20.1 is hier nader op ingegaan. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Als de ontgravings- en/of toepassingslocatie nabij het spoor is gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locatie in eigendom is van ProRail of NS-Vastgoed.
2.22.2 Onderzoek toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: • ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; • afkomstig is van een uitgesloten locatie/gebied van de eigen bodemkwaliteitskaart (zie § 2.4); • afkomstig is van een locatie/gebied van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart maar die nog niet voor PFAS-verbindingen bestuurlijk is vastgesteld. De toe te passen grond hoeft dan alleen voor PFAS-verbindingen te worden gekeurd. • afkomstig is van gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd (zie § 2.4 en § 2.9). • wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (zie § 2.5.2); • onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, bodemvreemde materialen, kleur, geur; zie § 2.6); • afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 2.11 zijn beschreven. • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 2.20. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL 1000 – protocol 1001 of de NEN 574024 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf met een ministeriële erkenning. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL 2000 – protocol 2018[33]. 24
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
40/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Indicatief bodemonderzoek vrijkomende onderhoudsgrond afkomstig van onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Bij onderhoudswerkzaamheden van onverharde (spoor)wegbermen komt grond vrij. Voorafgaand aan de onderhoudswerkzaamheden moet een indicatief bodemonderzoek conform de NEN 5740, strategie ONV, plaatsvinden. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Voor het onderzoek hoeft alleen de te ontgraven bodemlaag te worden onderzocht; onderzoek van de bodemlaag dieper dan de ontgravingsdiepte en het grondwater is niet nodig. Bij de (spoor)bermgrond wordt vanwege mogelijke verschillen in kwaliteit geadviseerd om bij dit onderzoek onderscheid te maken in een bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte en een van de diepere bodemlaag tot en met ontgravingsdiepte. Ten aanzien van de eventueel te onderscheiden partijen grond in de onverharde (spoor)wegbermen sluit de gemeente aan bij de nadere toelichting hierover in het BRL 1000 – protocol 1001. De grondmonsters moeten worden geanalyseerd op het standaard NEN 5740 stoffenpakket, indien van toepassing ook op bestrijdingsmiddelen (bermen van spoorwegen).
Aanvullend onderzoek van eerder onderzochte partijen grond Partijen grond die al eerder conform het Besluit zijn gekeurd, maar nog niet zijn onderzocht op PFAS-verbindingen, moeten alsnog worden onderzocht op deze stofgroep. De gemeenten bieden in die situatie de initiatiefnemer de mogelijkheid om dit onderzoek met een verminderde onderzoeksinspanning uit te voeren: de partijkeuring mag bestaan uit een bemonsteringsinspanning van 2x6 grepen (a-select) en 2x grondanalyses op PFASverbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 1000 – protocol 1001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. 2.22.3 Onderzoek ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als de toepassingslocatie is gelegen in een niet-gezoneerd gebied, is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten (zie hoofdstuk 3 van de bodemkwaliteitskaarten) of al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 2.20.1. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 574025 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht.
Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. 2.23
Procedures bij grondverzet
2.23.1 Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet Voorafgaand aan graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond en een grondstroom tussen locaties (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe 25
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: ONV, ONV-GR, ONB,TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
41/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 2.22.1) De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van tijdelijke ontgraving, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 2.23.2) worden ingeleverd. In de hierna volgende paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet. 2.23.2 Melden tijdelijk opslaan en toepassen grond Algemeen De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag van grond of nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond tijdelijk wordt opgeslagen of toegepast. Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de locatie van de tijdelijke opslag of de toepassing is gelegen. De meldingen voor de betreffende gemeente worden doorgezonden naar de RUD Zuid-Limburg.
Voor de tijdelijke opslag en de toepassingen in oppervlaktewaterlichamen is dat Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het Waterschap Limburg (overige wateren). De RUD Zuid-Limburg is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijn mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de tijdelijke opslag of de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.7). In tabel 2.4 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden.
Toepassen van grond De meldingsplicht voor het nuttig toepassen van grond in het kader van het Besluit geldt altijd met uitzondering van: • de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; • het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast;
42/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
• •
het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; het toepassen van schone grond in hoeveelheden maximaal 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
De RUD Zuid-Limburg kan namens de gemeenten Beek, Beekdaelen of Stein ondanks de ontheffing van de meldplicht wel de bewijsmiddelen opvragen van de kwaliteit van de toegepaste grond of (verspreide) baggerspecie. De RUD Zuid-Limburg maakt van deze bevoegdheid gebruik. Tijdelijke opslag De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan van grond in het kader van het Besluit geldt altijd, met uitzondering van de opslag van grond als sprake is van tijdelijke uitname. In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: • De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. • De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. • De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. In tabel 2.4 zijn de vormen van tijdelijke opslag en de bijbehorende voorwaarden (kwaliteitseisen en meldingsplicht) opgenomen. Tabel 2.4 Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag
Voorwaarden van het Besluit Maximale duur van de
Kwaliteitseisen
Meldingsplicht
-
Ja1)
opslag Kortdurende opslag
6 maanden
Tijdelijke opslag op
Kwaliteit moet voldoen
landbodem
aan de 3 jaar
bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem
Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie
3 jaar
op aangrenzend perceel
Opslag tijdelijke uitname
met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Alleen baggerspecie die
Ja1),
voldoet aan de normen
met voorziene duur van
voor verspreiding over
opslag en
aangrenzende percelen
eindbestemming
-
Nee
Looptijd van de werkzaamheden
1)
Ja1),
Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.
43/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
2.23.3 Registratie van de melding De melding van de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door de RUD Zuid-Limburg, voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein, bij binnenkomst geregistreerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, dan kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de RUD Zuid-Limburg, namens de gemeenten, nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit. 2.23.4 Beoordeling van de melding De meldingen van tijdelijke opslag en toepassingen van grond in de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein worden door de RUD Zuid-Limburg, namens de gemeenten, beoordeeld. Namens de gemeenten streeft de RUD Zuid-Limburg ernaar om binnen 5 werkdagen na de melding de melder hiervan op de hoogte te brengen.
Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis uit deze nota bodembeheer. Daarnaast wordt onder andere gecontroleerd of de tijdelijke opslag of toepassing nuttig is of strijdig is met andere ruimtelijke aspecten en aan de bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1). Ten slotte kan ook andere wet- en regelgeving van invloed zijn (zie § 2.1.6 van bijlage 2) of kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar. 2.24
Transport van grond
Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 2.26). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.
44/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
2.25
Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen
Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elke afzonderlijk toepassing van een partij grond een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de RUD Zuid-Limburg (namens de gemeenten Beek, Beekdaelen en/of Stein). Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct worden gemeld aan de RUD Zuid-Limburg. 2.26
Grondtransport met de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel
Als grond wordt getransporteerd met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond, dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn.
45/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
3
Uitwerking meersporenbeleid onderdeel saneren
3.1
Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden
Het wettelijke kader voor bodemsaneringen is de Wet bodembescherming. Voor de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein geldt dat de provincie Limburg in de meeste situaties het bevoegd gezag is voor de Wet bodembescherming. Naast de regels in deze nota bodembeheer zijn op werkzaamheden op of in de bodem ook de regels van de Wet bodembescherming van toepassing. De provincie Limburg heeft deze regels beschreven in het provinciaal Beleidskader bodem. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: • Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen[34]); • Aanvullen van ontgravingsput of het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering (zie § 2.15). In het provinciale Beleidskader bodem van de provincie Limburg zijn deze overlappingen uitgewerkt. Ter plaatse van gesaneerde en te saneren locaties mag niet zonder meer grond worden ontgraven, tijdelijk worden opgeslagen of toegepast. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 van bijlage 2) en aan de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn gedefinieerd en gelden voor de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen.
Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[35]) geregeld: Wet bodembescherming 1. Bodemfunctie (Circulaire artikel 4.1.2) 2. Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan (Circulaire artikel 4.1.2) BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden óók geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. In § 2.15 is ingegaan op het toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag of leeflaag in een sanering. Als in woongebieden sprake is van een sanering met een ophooglaag of een
46/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
leeflaag moet deze laag minimaal 1 meter dik zijn in voortuinen en minimaal 2 meter dik in achtertuinen. Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 2.23.2). Melden grondverzet op een saneringslocatie Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeenten is dat de provincie Limburg, zie ook de website: https://www.limburg.nl/@1686/melding-wet/ of het klikpad:. start › onderwerpen › milieu › Wet bodembescherming, melding (onder de kop ‘Producten en diensten)’. De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). 3.2
Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht
Het in paragraaf 3.1 genoemde provinciale Beleidskader bodem richt zich met name op de verontreinigingen waarvoor de provincie bevoegd is in het kader van de Wet bodembescherming. Voor de volgende verontreinigingen geldt dat de gemeente bevoegd gezag is of kan zijn in het kader van de Wet bodembescherming: • Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging (voor 1987). • Zorgplicht (na 1987). Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde grond (concentratie > interventiewaarde) minder dan 25 m3 bedraagt. Voor asbest geldt dat de concentratie de interventiewaarde niet mag overschrijden. Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat: • De regels van BRL 6000[36] /7000[37] niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden; • Een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is; • 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij zowel de betreffende gemeente als de RUD Zuid-Limburg waar de activiteit plaatsvindt. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt.
Zorgplicht Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (art. 13 Wbb) van toepassing is. Dit betekent dat, voor zover dat redelijkerwijs vergbaar is, de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie
47/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
(bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het Waterschap Limburg (overige wateren) bevoegd gezag is. 3.3
Onverwachte bodemverontreiniging tijdens graafwerkzaamheden
Tijdens het graven in de bodem kunnen zich situaties voordoen die niet voorzien waren op basis van een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek. Gedacht kan worden aan een sterke oliegeur, begraven afval, asbestnesten, et cetera. In dergelijke gevallen moet de ontgraving gestaakt worden en het bevoegd gezag worden ingelicht. Hierna kan in overleg met gemeente, de RUD Zuid-Limburg en/of provincie bekeken worden op welke wijze met de verontreiniging moet worden omgegaan. Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Dit geldt overigens ook voor het toepassen van bouwstoffen. 3.4
Grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem
Van grensoverschrijdende verontreiniging is sprake als verontreinigingen in de waterbodem in de landbodem terechtkomen en andersom. De aanpak van grensoverschrijdende gevallen is gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging. Op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is. In de praktijk betekent dit het volgende: aanpak volgens de Wet Bodembescherming als de bron van de (historische) verontreiniging op de landbodem ligt (saneringsregeling) en aanpak volgens de Waterwet als de bron in de waterbodem ligt (maatregelen treffen in het kader van het watersysteem).
48/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
4
Uitwerking meersporenbeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming
4.1
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen
Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geregeld dat deze niet eerder in werking treedt nadat: • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of • een BUS-melding is gedaan en de vijfwekentermijn is verstreken. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet dus bodeminformatie worden verzameld. Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen is geen bodemonderzoek nodig wanneer: • het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; • het bouwwerk de grond niet raakt; • in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag mensen verblijven. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. Het meersporenbeleid geeft de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te kunnen gebruiken om uit te sluiten dat er gebouwd gaat worden op ernstig verontreinigde grond. 4.2
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming
In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. Niet altijd is bij een bestemmingswijziging op voorhand een bodemonderzoek noodzakelijk. Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de betreffende gemeente. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.
49/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Het meersporenbeleid geeft de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te kunnen gebruiken om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming. 4.3
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming
De gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) ter plaatse van de locatie achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaarten mogen dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: • De locatie is niet gelegen in een door de provincie of gemeente aangewezen beschermingsgebied (zie § 2.17.2). • De locatie is niet gelegen in een voor de bodemkwaliteitskaarten uitgesloten gebied. • De locatie is niet gelegen op het voormalige grondgebied van de voormalige gemeenten Onderbanken en Schinnen. • Het uitgevoerde historisch onderzoek conform de NEN 5725 (aanleiding A ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’) heeft als resultaat dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt.
Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor de omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de RUD Zuid Limburg (Toezicht en Handhaving; voor de gemeenten) of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een deskundig persoon of bedrijf. Bijvoorbeeld een bedrijf dat is gecertificeerd voor het BRL 2000 – protocol 2001 met een ministeriële erkenning. • Bij een omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming ter plaatse van grotere verharde oppervlaktes, moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek.
Met een ‘niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging’ wordt bedoeld, een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een verdachte ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging.
50/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Wanneer een locatie (mogelijk) verdacht is maar aangetoond of gevalideerd kan worden dat deze verdenking niet leidt tot (het vermoeden van) een ernstig geval van bodemverontreiniging of tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het plan dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden, uitgesloten locaties is normaliter een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) noodzakelijk, en indien van toepassing aangevuld met een verkennend onderzoek asbest (conform de NEN 5707[38]). Vrijstelling kan alleen verleend worden als de randvoorwaarden in deze paragraaf zijn opgenomen in de gemeentelijke bouwverordening. Het historisch onderzoek moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de betreffende gemeente worden ingediend waarin de locatie is gelegen en omgevingsvergunning voor wordt aangevraagd. De RUD Zuid-Limburg beoordeelt het historisch onderzoek/vooronderzoek/verkennend bodemonderzoek of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling.
51/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
5
Toezicht en handhaving
5.1
Betrokkenen bij grondwerkzaamheden
Bij toezicht en handhaving tijdens het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. In tabel 5.1 staat een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen rond het toepassen van grond conform het Besluit. Naast de in tabel 5.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondwerkzaamheden, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond). Tabel 5.1 Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen
Verantwoordelijkheden Bij het toepassen van grond op of in de bodem
RUD Zuid-Limburg voor de
Beschikbaar stellen van informatie over en het inzage geven in archieven
gemeenten Beek, Beekdaelen en
met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit.
Stein (Besluit bodemkwaliteit)
Indien noodzakelijk het voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer.
Bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit: Toezicht en handhaving van de melding (administratief en in het veld). Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond. Provincie Limburg
Als gemeente en RUD Zuid-Limburg, maar dan bij het nuttig toepassen
(Besluit bodemkwaliteit)
van grond in Wet milieubeheer-inrichtingen met provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden.
Waterschap Limburg
Als gemeente en RUD Zuid-Limburg, maar dan bij het nuttig toepassen of
(Besluit bodemkwaliteit)
verspreiden van grond/baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam.
Provincie Limburg voor de
Toezicht en handhaving van gevallen van (vermoedelijk) ernstige
gemeenten
bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op
(Wet bodembescherming)
grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Leverancier (ontdoener) van de
Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren
grond
grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de volledig ingevulde begeleidingsbrief krijgt. Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.
Transporteur
Tijdens het transport beschikken over een volledig ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar. In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond.
52/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Betrokkenen
Verantwoordelijkheden
Partij die de grond toepast
Conform het Besluit bodemkwaliteit (laten) melden bij het centrale
(initiatiefnemer of een ieder die op
meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
een bepaald moment macht uit
Nagaan of uit andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze
oefent). Dit kan ook een
navolgen.
gemeentelijke afdeling zijn.
In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond.
Milieupolitie
Toezicht en handhaving (strafrechtelijk).
Inspectie Leefomgeving en
Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan
Transport
de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam. Bij activiteiten bouwen en bestemmingswijzigingen
Gemeenten Beek, Beekdaelen en
Toetsen omgevingsvergunningsaanvragen
Stein (Wro en Wabo) RUD Zuid-Limburg voor de
Beoordelen gebruik (eerder) uitgevoerd bodemonderzoek.
gemeenten Beek, Beekdaelen en
Beoordelen uitgevoerd historisch onderzoek en gebruik
Stein
bodemkwaliteitskaart in plaats van een bodemonderzoek
(Wro en Wabo)
5.2
Toezicht en handhaving
Het college van burgemeester en wethouders van elke gemeente is voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. De RUD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein die taken uit. Bij de tijdelijke opslag en de toepassingen van grond kan toezicht en handhaving plaatsvinden: • tijdens de melding; • in het veld (tijdens het transport of bij de tijdelijke opslag of de toepassing); • na de tijdelijke opslag of de toepassing. Bij toezicht en handhaving voor het Besluit maakt de RUD Zuid-Limburg gebruik van de Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit (HUM Bbk) [39]. Als de RUD Zuid-Limburg (namens de gemeenten) constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De RUD Zuid-Limburg kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten. Een dwangsom is een indirect
53/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen. De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen. In het kader van het Besluit is voor toepassingen van grond op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegd-gezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen. Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem. Overtredingen zoals afwijkingen van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/melden-en-vragen.
De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.
54/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
6
Delegeren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college
6.1
Inleiding
Voordat het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid van kracht kan worden, moet deze nota bodembeheer, conform artikel 44 van het Besluit, door de gemeenteraden van de gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein worden vastgesteld. Bij de vaststelling van deze nota bodembeheer stelt de gemeenteraad ook de bodemkwaliteitskaarten en de bodemfunctieklassenkaart vast. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de gemeenteraad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. Elke gemeenteraad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan haar college van burgemeester en wethouders over te dragen (artikel 156 Gemeentewet). Op deze manier kan de werkdruk van de gemeenteraad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de gemeenteraad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te delegeren. In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de gemeenteraad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overgedragen. 6.2
Tussentijds aanpassen van bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaart
Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifieke beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaarten. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden drie functieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ (onder andere landbouw/natuur), zie kaartbijlage 1. Op de toepassingskaarten wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te delegeren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.
55/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
6.3
Aanvullende bodeminformatie
6.3.1
Uitgesloten locaties en gebieden
Een aantal locaties en gebieden zijn nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaarten (zie hoofdstuk 3 van de bodemkwaliteitskaarten) omdat deze locaties en gebieden onder een ander bevoegd gezag vallen, of door een andere organisatie worden beheerd en/of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaarten alsnog voldoende gegevens beschikbaar komen om deze gebieden te zoneren, delegeert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders deze gebieden desgewenst toe te voegen aan bodemkwaliteitskaart en het bodembeheergebied. Voorwaarde hierbij is dat de indeling van de bodemkwaliteitszones niet wijzigt. 6.3.2
Resultaten bodemonderzoek op een voor bodemverontreiniging verdachte locatie
Van voor bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, delegeert de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders de verdachte locatie toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaarten en de omliggende bodemkwaliteitszone als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat de grond voldoet aan de gebiedseigen kwaliteit. De gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als de 90-percentielwaarden26 van de betreffende bodemkwaliteitszone. Daarna kunnen de bodemkwaliteitskaarten worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel. 6.4
Accepteren bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten/gebieden als bewijsmiddel chemische kwaliteit toe te passen grond
De gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein accepteren elkaars bodemkwaliteitskaarten. Een gemeente kan besluiten nog meer bodemkwaliteitskaarten te accepteren als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart nog niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, in de gemeente toe te passen. Het besluiten tot acceptatie van een bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel moet worden gedaan door de gemeenteraad. Dit besluit delegeert de gemeenteraad aan het college.
26
De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is gelegen, wordt de Achtergrondwaarde (AW2000) als lokale achtergrondwaarde gehanteerd.
56/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
De acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen onder de volgende voorwaarden als: • de bodemkwaliteitskaart en eventueel bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied moet bestuurlijk zijn vastgesteld door de betreffende gemeenteraad (of gemandateerd/gedelegeerd college) of het college, het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat; • de eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en (gewichts)percentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones mogen niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde (gewichts)percentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer; • voor acceptatie van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel geldt ook dat: – de bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; – de milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau, uitgezonderd PFASverbindingen; – de kwaliteitsklasse kan gebaseerd worden op de gemiddelde bodemkwaliteit; – de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar. 6.5
Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart
Zoals in § 1.5 al is aangegeven, worden de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaarten maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van de kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling).De gemeenteraad delegeert deze bestuurlijke vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke beleid. 6.6
Procedure
Het voorgaande laat onverlet dat op de gedelegeerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.
57/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Bronvermelding [1]
[2] [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9] [10] [11] [12] [13] [14]
[15] [16] [17] [18] [19]
Bodemfunctieklassenkaart gemeente Schinnen, kaartnummer 217331.24-FK-SC, Oranjewoud, 12 april 2010. Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Gemeenten Beek, Nuth en Stein, documentcode; 17M1123.RAP001, Lievense Milieu B.V., 16 november 2018. Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen gemeenten Beek, Beekdaelen en Stein, documentcode: SOB010377.RAP001, 2020. Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. Beleidskader Bodem, Aanpak van bodemverontreiniging in Limburg, Provincie Limburg, Cluster Ruimte, geactualiseerd juli 2016. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, publicatie Staatsblad, nummer 570, 24 december 2009 en latere wijzigingen Wet ruimtelijke ordening, publicatie Staatsblad, nummer 15, 22 maart 2007 en latere wijzigingen. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014. Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr.
434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en later wijzigingen. Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen. NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. NEN 5725 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825, 15 augustus 2018. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013.
58/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
[20]
[21] [22] [23] [24] [25]
[26] [27]
[28] [29] [30]
[31] [32] [33] [34] [35] [36] [37] [38] [39] [40]
Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399; aangepast op 29 november 2019 en 2 juli 2020. Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond BRL 9335. Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL 7500. Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: BRL 9335 – protocol 9335-1. Landelijk afvalbeheerplan (LAP3). De richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+, 30 april 2020. CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. Actualisatie Archeologische Beleidskaart voor de Gemeente Beek, Archolrapport 229, 2013. Actualisatie Archeologische Beleidskaart 2019, Gemeente Stein (provincie Limburg), Archolrapport 375, 2019. Erfgoed is identiteit, Beleidsnota Archeologie, Gemeente Onderbanken, augustus 2018. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Schinnen, rapport V-09.0053, BAAC, maart 2010.
Handvat implementatie besluit bodemkwaliteit, Onderwerp: reikwijdte verspreiden van baggerspecie, Senternovem, Bodem+, juni 2008. Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019. NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL 1000 – protocol 1001. Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 – protocol 2001. Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, BRL 2000 – protocol 2018. Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. BRL SIKB 6000, Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg, SIKB. BRL SIKB 7000, Beoordelingsrichtlijn Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, SIKB. NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. Handhavings Uitvoerings Methode Besluit bodemkwaliteit, 3BODM0906, Bodem+, april 2010.
Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, publicatie Staatscourant, nummer 207, 27 oktober 2004 en latere wijzigingen.
59/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
[41]
[42]
Verordening van Provinciale Staten van de provincie Limburg houdende Omgevingsverordening Provincie Limburg, 12 december 2014, publicatie Provinciaal Blad 15 januari 2015 nr. 1. Handreikingen bodem voor gemeenten, Overzicht gemeentelijke bodemtaken, Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 1 augustus 2013.
60/60 — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002 — 8 maart 2021
Overzicht bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Bijlage 2 Wet- en regelgeving Bijlage 3 A Statistische parameters bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (voor standaardbodem) Bijlage 3B Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemkwaliteitszone Bijlage 4 Mogelijkheden vrij grondverzet
Bijlagen — SOB010377 — Nota bodembeheer — SOB010377.RAP002
Bijlage 1 Begrippenlijst Aangrenzend perceel Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015). In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit, stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk. Naar verwachting wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ bij de eerst volgende wijziging van het Besluit bodemkwaliteit vervangen. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Voor de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit, blijft te allen tijde van kracht.