CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Concept verordening maatschappelijke ondersteuning 2024

Beeldvormende bijeenkomst 21 februari 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Aanpassingen verordening Wmo 202223.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2024 De raad van de gemeente Stein ; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein; gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.l .4b tweede lid, artikel 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gezien het advies van de adviesraad Sociaal Domein en de Steinse Jongeren Adviesraad; overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden; het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en cliënten die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn; het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de

invulling van de plicht tot ondersteuning. besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2024.

0

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Lid 1. Aanbieder Natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening; of een maatwerkvoorziening te leveren; Lid 2. Aanvraag Een verzoek van een cliënt om een besluit te nemen; Lid 3. Algemeen gebruikelijke voorziening Een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; Lid 4. Algemene voorzieningen Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn bijvoorbeeld een klussendienst, een wasen strijkservice, een maaltijdvoorziening, sociaal vervoer, informele buurtzorg, sociaal culturele voorzieningen, opvang voor dak- en thuislozen die uitsluitend bestaat uit slapen en eten zonder verdere ondersteuning. Lid 5.

Begeleiding Activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; Lid 6. Beschermd wonen Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Lid 7. Bijdrage in de kosten Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4.a van de wet; Lid 8. Cliënt Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; Lid 9. Cliëntondersteuning Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het verstreken van de zelfredzaamheid en participatie van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Lid 10.

Gebruikelijke hulp Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; 1

Lid 11. Gesprek Een gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 12. Hulpmiddel Roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; Lid 13. Hulpvraag Behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 14. Maatschappelijke ondersteuning Bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang; Lid 15. Maatwerkvoorziening Op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: a)

ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

b)

ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

c)

ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

Lid 16. Mantelzorg Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde 'gebruikelijke hulp' waarbij zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk wordt overschreden; Lid 17. Melding Melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 18. Opvang Onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Lid 19. Participatie Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; Lid 20. Persoonlijk plan Plan zoals bedoeld is in artikel 2.3.2.2, van de wet; Lid 21. Persoonsgebonden budget (pgb) Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; bedrag waaruit namens het college

2

betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden heeft betrokken; Lid 22. Sociaal netwerk Personen uit de huiselijke kring, zoals familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot, mantelzorgers of andere personen, zoals buren, met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Lid 23. Vertegenwoordiger Persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; Lid 24. Voorziening Algemene voorziening of maatwerkvoorziening, goedkoopst adequate beschikbare voorziening van aard; Lid 25. Voorziening in natura Een maatwerkvoorziening welke aan de cliënt wordt versterkt in eigendom, in bruikleen of bij wijze van persoonlijke dienstverlening; Lid 26. Wet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Lid 27. Woningaanpassing Bouwkundige of woon technische ingreep in of aan een woonruimte; Lid 28. Zelfredzaamheid In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Lid 29. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Alle bedragen die in deze verordening worden genoemd, betreffen prijspeil 2023 en zijn inclusief btw, tenzij anders is vermeld.

Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek, aanvraag en beschikking Artikel 2. Melding hulpvraag Lid 1. Een hulpvraag kan door middel van een hiervoor beschikbaar formulier of vormvrij door of namens een cliënt bij het college telefonisch, mondeling, schriftelijk of elektronisch worden gemeld. Lid 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. Lid 3. In de ontvangstbevestiging brengt het college de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan, dat bij het onderzoek wordt betrokken, te overhandigen. Lid 4. Bij de bevestiging van ontvangst wordt de cliënt tevens geïnformeerd over rechten, plichten en gang van zaken; Lid 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

3

Artikel 3. Cliëntondersteuning Lid 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. Lid 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Lid 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek , bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt een afspraak voor een onderzoek (zie Besluit nadere regels). Lid 2. Voor of tijdens het onderzoek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment , redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Lid 3. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht ter inzage. Beschikt de cliënt niet over een geldig identificatiedocument dan kan deze tijdens het onderzoek aangevraagd en ter inzage worden verstrekt; Lid 4. Als er van de cliënt voldoende gegevens beschikbaar en bekend zijn bij de gemeente, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Lid 1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel zijn vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, en voor zover nodig: a.

de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b.

of de verzochte ondersteuning leidt tot zelfredzaamheid, participatie , opvang of beschermd wonen;

c.

de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door een beroep te doen op een voorliggende (wettelijke) regeling zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d.

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

e.

de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

f.

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

g.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbie ders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, 4

jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen en opvang; h.

de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

i.

welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn en

j.

de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Lid 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, derde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Lid 3. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

Artikel 6. Verslag Lid 1. Het college zorgt voor schriftelijke of digitale verslaglegging van het onderzoek. Lid 2. Uiterlijk 6 weken na ontvangst melding verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Lid 3. Als tijdens het onderzoek blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dan kan de cliënt direct een aanvraag indienen, middels het daarvoor bestemde aanvraagformulier, dat de klantmanager Wmo meeneemt naar het gesprek. Lid 4. Het verslag wordt in geval van art. 6 lid 3 wel opgestuurd naar de cliënt maar hoeft niet meer geretourneerd te worden als de cliënt het eens is met het verslag en de gemaakte afspraken. Als de cliënt nog relevante aanvullingen heeft op het verslag dan kan hij dat aangeven en het verslag binnen 2 weken retourneren.

Artikel 7. Aanvraag Lid 1. Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een schriftelijke aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college. a.

Een aanvraag kan ingediend worden door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of

b.

Het college kan een ondertekend verslag van het onderzoek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven, mits ontvangen binnen 3 maanden na datum onderzoek.

Lid 2. Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 6 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening Lid 3. Het college kan ambtshalve een besluit nemen tot verstrekking van een voorziening indien: a.

het gaat om een herindicatie of aanpassing van een bestaande voorziening;

b.

er geen wezenlijke veranderingen zijn opgetreden in de persoonlijke omstandigheden.

5

Artikel 8. Advisering Lid 1. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als dit van belang wordt geacht voor de beoordeling van de aanvraag van een maatwerkvoorziening; Lid 2. Als het nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger, diens vertegenwoordiger, of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoot oproepen voor een gesprek of onderzoek door een daartoe aangewezen adviesinstantie; Lid 3. Het college informeert de cliënt, zijn mantelzorger of diens vertegenwoordiger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten over de uitkomsten daarvan.

Artikel 9. Inhoud beschikking Lid 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Lid 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a)

welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is;

b)

wat de ingangsdatum en indien van toepassing wat de duur van de verstrekking is;

c)

in welke leveringsvorm de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

d)

welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

e)

als sprake is van een te betalen bijdrage in kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd;

f)

indien van toepassing binnen welke termijn de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld.

Lid 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a)

welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

b)

voor welk resultaat en doel het pgb kan worden aangewend;

c)

welke (kwaliteits)eisen gelden voor de besteding van het pgb;

d)

het bedrag van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

e)

de termijn waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden;

f)

wat de ingangsdatum en indien van toepassing wat de duur van de verstrekking is;

g)

de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

h)

of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

6

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening Lid 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a)

ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen of andere voorzieningen waarop recht bestaat vanuit andere regelingen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

b)

ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg

of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met

gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen waarop recht bestaat vanuit andere regelingen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Lid 2. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorziening die op grond van lid 1 beschikbaar zijn.

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequ ate, tijdig beschikbare voorziening. Lid 2. Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico's met zich meebrengt en. niet anti- revaliderend werkt. Lid 3. Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien: a)

de cliënt ingezetene is van de gemeente Stein, tenzij de cliënt een beroep doet op beschermd wonen of opvang;

b)

de cliënt, wat betreft opvang en beschermd wonen, ingezetene van Nederland is en in de gemeente Stein ondersteuning zoekt en de opvang of beschermd wonen in de gemeente Stein de meeste kans van slagen heeft;

c)

het college verstrekt de voorziening opvang en beschermd wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Sittard - Geleen. De geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze gemeente.

7

Lid 4. Een cliënt komt niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking als: a)

de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan en de noodzaak dus vermijdbaar was;

b)

voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

c)

de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

d)

de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

e)

deze niet langdurig noodzakelijk, tenzij het gaat om kortdurende hulp bij het huishouden of begeleiding en de verstrekking leidt tot het verbeteren van de participatie en zelfredzaamheid, of opvang en beschermd wonen;

f)

de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;

g)

deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht;

h)

de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er een redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt en niet mee heeft gewerkt of

niet meewerkt aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a

van de wet van toepassing is; i)

de cliënt of zijn huisgenoten bij gebruikelijke hulp onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek en de noodzaak en passendheid van de gevraagde voorziening hierdoor niet kan worden vastgesteld.

Lid 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorzieningen wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van l.500 kilometer /750 ovzones op jaarbasis. Lid 6. Geen vervoersvoorziening wordt verstrekt als een adequate stallingsmogelijkheid noodzakelijk is maar deze ontbreekt en ook niet te realiseren is. Lid 7. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a) als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen ; b) als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c) ten behoeve van (trekkers)woonwagens, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, aangezien de voorziening bedoeld is voor woningen die de eigenschappen hebben van een zelfstandige woonruimte, permanent bewoond worden, en als hoofdverblijf dienen. Dit geldt bovendien voor specifiek op personen 8

met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Hierbij wordt wel een uitzondering gemaakt voor het bezoek baar maken van een woning. d) ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt ; e) als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, met uitzondering van automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen; f) of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden

verstrekt;

g) als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van

beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; h) als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; i) als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; Lid 8. In afwijking van lid 7 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoek baar gemaakt worden. Lid 9. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een bereikbaarheid- en beschikbaarheidsdienst wordt uitsluitend verstrekt een cliënt met psychische of psychosociale problemen. Lid 10. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een bereikbaarheid- en beschikbaarheidsdienst wordt aan een zelfstandig wonende cliënt met psychische of psychosociale problemen verstrekt indien instroom in beschermd wonen wordt voorkomen of uitstroom uit beschermd wonen naar zelfstandig wonen wordt bevorderd.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget Artikel 12. Soorten pgb Er zijn twee soorten persoonsgebonden budget (pgb) te onderscheiden, te weten: a)

persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een hulpmiddel, aanpassing van een hulpmiddel, vervoersvoorziening, dan wel woningaanpassing;

b)

persoonsgebonden budget ten behoeve van de inkoop van diensten, zoals begeleiding, groepsbegeleiding of huishoudelijke ondersteuning.

Artikel 13. Regels voor pgb Lid 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. Lid 2. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:

9

a)

wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

b)

welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;

c)

hoe de onderbouwde begroting eruit ziet, de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

d)

op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden;

e)

op welke wijze de cliënt een overeenkomst aangaat met de pgb-aanbieder;

f)

of de voorziening voldoet aan alle kwaliteitseisen die het college stelt aan de voorziening in natura en als dit niet het geval is waarom de voorziening volgens cliënt toch van voldoende kwaliteit

g)

is;

op welke wijze is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor de te behalen doelen en resultaten waarvoor het pgb wordt verstrekt. Voor de diensten geldt aanvullend de eis genoemd in lid 3;

h)

op welke wijze de (kwaliteit) van de ondersteuning wordt gecontroleerd;

i)

hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden;

j)

hoe de cliënt zelf of met ondersteuning van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

k)

indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, ook aan deze behartiger zijn dezelfde voorwaarden gebonden als aan de pgb-houder.

Lid 3. In aanvulling op lid 1 geldt voor diensten dat in het budgetplan in ieder geval omschreven staat: a)

wie de directe zorgverlener(s) is;

b)

wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s);

c)

wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid en de deskundigheid van deze vervanger;

d)

op welke wijze de cliënt de zorgverlener aanstuurt in de praktijk.

Lid 4. Het college kent geen persoonsgebonden budget toe indien, ook na afloop van een hersteltermijn, het budgetplan als bedoeld in lid 1 ontbreekt of niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in lid 2. Lid 5. Het college maakt de kwaliteitseisen voor voorzieningen in natura als bedoeld in lid 2 onder f bekend in de vigerende Besluit Wmo. Lid 6. Het pgb mag niet worden besteed aan: a)

kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b)

kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

c)

kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

d)

kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige (eindejaars) uitkering;

e)

kosten voor coördinatie, en voortgezette diagnostiek en overige bijkomende zorgkosten;

f)

kosten voor het inkopen van voorliggende, algemene en algemeen gebruikelijke diensten en voorzieningen;

g)

kosten voor het volgen van cursussen en informatiemateriaal over het pgb; 10

h)

de bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 20;

i)

reiskosten van de hulpverlener. Deze zijn in het tarief inbegrepen;

j)

indirect cliëntgebonden uren en niet cliëntgebonden uren. Deze zijn in het uurtarief inbegrepen;

k)

een uitkering in geval van overlijden van de budgethouder.

Lid 7. Het is niet toegestaan om het Pgb te declareren op basis van een vast bedrag per periode (maandloon)

Artikel 14. Onderscheid en eisen professionele en informele ondersteuning Lid 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor diensten, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele ondersteuning en informele ondersteuning. Lid 2. Van professionele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen of organisaties, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt; a) Een aanbieder die door de gemeente Stein voor ondersteuning in natura is gecontracteerd voor de betreffende dienstverlening; b) Personen die werkzaam zijn bij een instelling die: I.

ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b van het Handelsregisterwet 2007);

II.

professionals inzet die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en die een salaris of vergoeding ontvangen dat daarmee overeenkomstig is;

III.

werkt conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is;

IV.

voldoet aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is.

c) personen die aangemerkt zijn als zelfstandigen zonder personeel (zzp) die: I.

ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 onderdeel b Handelsregisterwet 2007)

II.

beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken

III.

werken conform de beroepscode van de beroepsgroep, waarbij het werken conform een erkende/geldende methodiek onderdeel is;

IV.

voldoen aan de overige kwaliteitseisen die voor de betreffende dienst in natura worden gesteld of door het college is vastgesteld dat de kwaliteit van de geboden dienstverlening daaraan gelijkwaardig is.

Lid 3. Informele ondersteuning is: a)

ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, of personen die (werkzaam zijn bij een instelling die) niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;

11

b)

ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, of werkzaam zijn bij een aanbieder die voldoet aan de criteria als genoemd in lid 2, met een minimale eis van het aanleveren van een VOG, maar bloed- of aanverwanten in de l e of 2e graad zijn van cliënt.

Lid 4.De eisen van een pgb zijn: a)

dat diegene die de ondersteuning verleend geen pgb-beheerder is;

b)

dat er een onafhankelijkheidsrelatie tussen pgb-beheerder en zorgverlener is;

c)

dat de relatie tussen Pgb-beheerder en zorgverlener voldoende objectief is.

Artikel 15 Bedrag pgb Lid 1. Het bedrag van een pgb wordt vastgesteld voor: a)

een hulpmiddel:

I.

op basis van de kostprijs van het hulpmiddel die de cliënt zou hebben ontvangen als het hulpmiddel in natura zou zijn verstrekt (huurprijs per maand), hierbij wordt rekening gehouden met een reële termijn voor de aanschaf, technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten van 7 jaar;

II.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van de verschillende categorieën in het vigerend besluit Wmo. Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig

III.

afgerond op 2 decimalen na de komma. b)

een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning:

op basis van de uurloon-bedragen voor een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning van:

I.

Professionele ondersteuning: De hoogte van het pgb-tarief voor professionele ondersteuning voor huishoudelijke hulp bedraagt niet meer dan het 'laagste zorg in natura tarief minus de overheadkosten' welke gebaseerd wordt op de in het AMvB omschreven reële prijs.

II.

Informele ondersteuning: Het Pgb-tarief voor informele ondersteuning is gebaseerd op de hoogste periodiek behorende bij huishoudelijke ondersteuning van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaard van de verlofuren. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor kenbaarheid van het

III.

bedrag in het vigerend besluit Wmo. Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig

IV.

afgerond op 2 decimalen na de komma. c)

een maatwerkvoorziening begeleiding:

op basis van een percentage van het uurtarief van de maatwerkvoorziening begeleiding in natura: I.

Professionele ondersteuning:

12

a)

Gecontracteerde aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder a: 95 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende begeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

b)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder b: 90 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende begeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c)

Zzp als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder c: 80 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende begeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

d)

Indien het opleidingsniveau van de in te zetten professional(s) afwijkt van de opleidingsmix waar het uurtarief van de voorziening in natura op is gebaseerd (bijvoorbeeld mbo -3 in plaats van mbo-4), wordt dit uurtarief herrekend op basis van het opleidingsmix die feitelijk wordt ingezet en vervolgens wordt het in i t/m iii genoemde percentage toegepast.

II.

Informele ondersteuning:

a) Het pgb-tarief voor informele ondersteuning is gebaseerd op de hoogste periodiek behorende bij de FWG 30 (Functie Waardering Gezondheidszorg) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaard van de verlofuren. III.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van deze bedragen in het vigerend besluit Wmo.

IV.

Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma.

d) een maatwerkvoorziening groepsbegeleiding: op basis van een percentage van het uurtarief voor de maatwerkvoorziening groepsbegeleiding in natura: I.

Professionele ondersteuning:

a)

Gecontracteerde aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder a: 95 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende groepsbegeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

b)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder b: 90 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende groepsbegeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c)

Zzp als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder c: 80 % het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende groepsbegeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

d)

Indien het opleidingsniveau van de in te zetten professional(s) afwijkt van de opleidingsmix waar het tarief van de voorziening in natura op is gebaseerd (bijvoorbeeld mbo-2 in plaats van mbo-3), wordt dit tarief herrekend op basis van het opleidingsmix die feitelijk wordt ingezet en vervolgens wordt het in i t/m iii genoemde percentage toegepast.

II.

Informele ondersteuning:

a)

50% van het uurtarief voor de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende begeleiding voor een lager tarief kan worden ingekocht.

13

III.

Vervoer binnen de maatwerkvoorziening groepsbegeleiding wordt indien nodig bepaald op basis van 100% van de toeslag voor vervoer bij de maatwerkvoorziening groepsbegeleiding in natura.

IV.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van deze bedragen in het vigerend besluit Wmo.

V.

Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma.

e)

een maatwerkvoorziening bereikbaarheid en beschikbaarheid:

op basis van een percentage van het tarief per etmaal voor een maatwerkvoorziening bereikbaarheid en beschikbaarheid in natura: I.

Professionele ondersteuning:

a)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder a: 95 % het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

b)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder b: 90 % het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c)

Zzp als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder c: 80 % tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

d)

Indien het opleidingsniveau van de in te zetten professional(s) afwijkt van de opleidingsmix waar het tarief van de voorziening in natura op is gebaseerd (bijvoorbeeld mbo-2 in plaats van mbo-3), wordt dit tarief herrekend op basis van het opleidingsmix die feitelijk wordt ingezet en vervolgens wordt het in i t/m iii genoemde percentage toegepast.

II. a)

Informele ondersteuning: 50 % het tarief per etmaal van de ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

III.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van deze bedragen in het vigerend besluit Wmo.

IV.

Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma. f)

een maatwerkvoorziening intramuraal wonen:

op basis van een percentage van het tarief per etmaal voor een maatwerkvoorziening intramuraal wonen in natura, welke is opgebouwd uit een kostencomponent woonbegeleiding, en een kostencomponent hotelmatige voorzieningen en stenen: I.

Professionele ondersteuning:

a)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder a: 95% van de kostencomponent woonbegeleiding en 100% van de kosten component hotelmatige voorzieningen- en stenen binnen het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

14

b)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder b: 90% van de kostencomponent woonbegeleiding en 100% van de kosten component hotelmatige voorzieningen en stenen binnen het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c)

ZZP-er als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder c: 80% van de kostencomponent woonbegeleiding en 100% van de kosten component hotelmatige voorzieningen en stenen binnen het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

d)

Indien de opleidingsniveau van de professional(s) woonbegeleiding afwijkt van de van de opleidingsmix waar het tarief per etmaal van de voorziening in natura op is gebaseerd (bijvoorbeeld mbo-2 in plaats van mbo-3), wordt het tarief per etmaal herrekend op basis van het opleidingsmix die feitelijk wordt ingezet en vervolgens wordt het in i t/m iii genoemde percentage toegepast.

II. a)

Informele ondersteuning: 50% van de kostencomponent woonbegeleiding en 0% van de kosten component hotelmatige voorzieningen- en stenen binnen het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

I.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van deze bedragen in het vigerend besluit Wmo.

II.

Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma. g)

een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf:

op basis van het tarief per etmaal voor kortdurend verblijf in natura. I.

Professionele ondersteuning:

a)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder a: 95% het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

b)

Aanbieder als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder b: 9 % het tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

c)

Zzp als bedoeld in artikel 14 lid 2 onder c: 80% tarief per etmaal van de voorziening in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

d)

Indien het opleidingsniveau van de in te zetten professional(s) afwijkt van de opleidingsmix waar het tarief van de voorziening in natura op is gebaseerd (bijvoorbeeld mbo-2 in plaats van mbo-3), wordt dit tarief herrekend op basis van het opleidingsmix die feitelijk wordt ingezet en vervolgens wordt het in i t/m iii genoemde percentage toegepast.

II. a)

Informele ondersteuning: 50% het tarief per etmaal van de ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 15

III.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van deze bedragen in het vigerend besluit Wmo.

h)

een woningaanpassing opgenomen in het Prijzenboek

I.

op het bedrag van de kosten van de woningaanpassing in natura conform de lijst van prijzen van woningaanpassingen in het vigerend Besluit Wmo; het zogenoemd Prijzenboek.

II.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van de verschillende categorieën in het vigerend Besluit Wmo.

III.

Vanaf 1-1-2025 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd. Het berekend bedrag wordt rekenkundig afgerond op 2 decimalen na de komma. i)

een woningaanpassing niet opgenomen in het Prijzenboek

I.

op het bedrag van de kosten van de woningaanpassing in natura middels een kostenbepaling door een door het college gecontracteerd bouwkostencalculatiebedrijf;

II.

Een pgb voor een bouwkundige woningaanpassing in of aan een woonruimte kan worden verstrekt aan de eigenaar van een koopwoning of aan een verhuurder -of huurder van een huurwoning;

III.

In het geval de pgb wordt verstrekt aan een huurder, wordt met de eigenaar van de woning overlegd over de aanpassing.

j)

collectief vervoer

I.

op basis van de kilometerprijs voor een auto in de compacte klasse volgens de vigerende Nibud-prijsgids vermenigvuldigd met het aantal van 1500 kilometers dat binnen de eigen leef en woonomgeving gereisd moet kunnen worden.

II.

Het college draagt zorg voor kenbaarheid van het bedrag onder 1 in het vigerend Besluit Wmo.

Lid 2. Indien het vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de voorziening hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

Artikel 16 Financiële tegemoetkoming Lid 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor de volgende kosten in de vorm van een financiële tegemoetkoming: a)

Verhuiskosten indien de eigen/huidige woning niet aangepast kan worden en de woningaanpassing duurder is dan verhuizing;

b)

de kosten van het bezoekbaar maken van een woning;

c)

de kosten van sanering van een woning in verband met astma, allergie of rolstoelgebruik;

d)

de kosten van een autoaanpassing mits de auto niet ouder is dan 3 jaar;

e)

de kosten van aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorzieningen.

Lid 2. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt voor: a)

verhuiskosten maximaal een bedrag van €2000;

b)

de kosten van het bezoekbaar maken van een woning maximaal een bedrag van €4.538;

16

c)

de kosten van sanering van de woning in verband met astma, allergie of rolstoelgebruik maximaal de normbedragen voor bodembedekking en raambekleding uit de Nibud-prijslijst, waarbij de volgende percentages worden toegepast:

I.

100% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening tot twee jaar;

II.

75% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening van twee tot vier jaar;

III.

50% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening van vier tot zes jaar;

IV.

25% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening van zes tot acht jaar;

V.

0% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening van 8 jaar en ouder jaar; d)

de kosten van autoaanpassingen maximaal een bedrag van €1500;

e)

de kosten van aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportvoorziening maximaal een bedrag van €3500 voor een periode van drie jaar.

Lid 3. Het college draagt zorg voor kenbaarheid van de bedragen als genoemd in lid 2 onder c in het vigerend Besluit Wmo.

Hoofdstuk 5. Bestrijding misbruik Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Lid 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Lid 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken en de voorziening beëindigen als het college vaststelt dat: a)

de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b)

de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

c)

de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

d)

de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

e)

de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

f)

de cliënt niet verantwoord gebruik maakt van de maatwerkvoorziening.

Lid 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 3 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

17

Lid 5. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Lid 6. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Lid 7. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Lid 8. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of: a)

de cliënt nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

b)

de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is;

c)

de cliënt nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb;

d)

de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

Lid 9. Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.

Artikel 18 Opschorting betaling uit het pgb Lid 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Het college stelt de pgb-houder hiervan schriftelijk op de hoogte. Lid 2. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Het college stelt de pgb-houder hiervan schriftelijk op de hoogte. Lid 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 19 Terugvordering pgb bij de pgb-aanbieder (derdenbeding in overeenkomst met cliënt) Lid 1. Het college kan tot terugvordering van het Pgb bij de Pgb-aanbieder overgaan indien: a)

de pgb-aanbieder geld heeft ontvangen voor ondersteuning die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en hij niet binnen 72 uur melding heeft gedaan bij de pgb-beheerder om dit te crediteren;

b)

een maatwerkvoorziening voor een ander doel is ingezet, dan waarvoor het is toegekend;

c)

een maatwerkvoorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet.

Lid 2. In geval van terugvordering stuurt het college een factuur naar de Pgb- aanbieder, die binnen 4 weken moet worden voldaan.

18

Lid 3. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Lid 4. De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldwaarde van het (ten onrechte) bestede pgb.

Hoofdstuk 6. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Artikel 20. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s of financiële tegemoetkomingen Lid 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, pgb of financiële tegemoetkoming zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of de periode waarvoor het pgb of financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. Lid 2. De hoogte van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen pgb of een financiële tegemoetkoming bedraagt voor een of meerdere voorzieningen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4. lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. Lid 3. De kostprijs van een: a)

een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening maakt;

b)

een pgb of een financiële tegemoetkoming is gelijk aan de hoogte van het pgb of de financiële tegemoetkoming.

Lid 4. De bijdrage voor beschermd wonen wordt vastgesteld conform hoofdstuk 1, paragraaf 1 en 3, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Lid 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen v oor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. Lid 6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening, pgb of financiële tegemoetkoming ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Lid 7. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer €0,95 per zone per 1 januari 2022; vanaf 1 januari 2022 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd met de Landelijke Tarieven Index LTI. Lid 8. Als toepassing is gegeven aan het vorige lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.

19

Hoofdstuk 7. Kwaliteit en veiligheid Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Lid 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a)

het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b)

het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

c)

erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

Lid 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Lid 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Lid 4. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.

Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Lid 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a)

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

b)

een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

I.

een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

II.

de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

Lid 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a)

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

b)

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

Lid 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a)

de kosten van de beroepskracht;

b)

redelijke overheadkosten;

c)

kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d)

reis en opleidingskosten; 20

e)

indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f)

overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Lid 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Lid 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Lid 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. Lid 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. Lid 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Lid 4. Aanbieders dienen zich te houden aan de geldende wetgeving. Lid 5. Aanbieders dienen cliënten te informeren over de wijze waarop zij calamiteiten en geweldincidenten kunnen melden en hoe de procedure van het verwerken van meldingen van calamiteiten en geweldincidenten eruitziet in overeenstemming met de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz). Lid 6. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 8. Waardering mantelzorgers Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Lid 1. Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Stein ontvangen jaarlijks een blijk van waardering. Het college bepaalt bij nadere regeling de invulling van de blijk van waardering en de daarvoor geldende criteria.

Hoofdstuk 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 25. Klachtregeling Lid 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

21

Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Lid 3. De zorgvrager stelt onverwijld het college in kennis van het indienen van een klacht en over de afwikkeling ervan.

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Lid 1. Aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Lid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Lid 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Lid 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 10. Overige bepalingen Artikel 28. Hardheidsclausule, situaties waarin de verordening niet voorziet Lid 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Lid 2. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=7e2276f0-0cd7-44e8-80dc-6efc256924b6