CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

B.4.4 BP Zaam Wonen Nieuwdorp_Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Bestemmingsplanherziening 'Kern Stein'22.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de Woondeal wordt voor de Westelijke Mijnstreek (gemeenten Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein) uitgegaan van de realisatie van in totaal 2.875 woningen (bruto) voor de periode 2022 tot en met 2030 (waarvan 655 woningen in de periode 2022-2024 en 2.220 woningen in de periode 2025-2030). Daarnaast is de ambitie uitgesproken om additioneel 1.650 woningen te realiseren vóór eind 2030. Dit betreft weliswaar een stevige ambitie, maar daarbij geldt dat de gemeente Stein zich niet laat leiden door woningaantallen. Kwaliteit voor de nieuwe woningen en verbetering van de leefomgeving staat voorop. Oftewel: "eerst de kwaliteit en dan pas de kwantiteit". Ingezet wordt op een zorgvuldige verdichting van het bestaand bebouwd gebied, waardoor de woningvoorraad beter aansluit op de lokale behoefte. Hierna is beschreven hoe onderhavig plan zich verhoudt tot de Woonzorgvisie Stein 2023-2028 en de Woondeal. Conclusie

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

31

Het planvoornemen gaat uit van de realisatie van kwalitatieve woningen en draagt nadrukkelijk bij aan een verbetering van de leefomgeving. De realisatie van de beoogde 32 levensloopbestendige woningen geeft immers een positieve (kwaliteits)impuls aan de omgeving. De wijk Nieuwdorp krijgt, in plaats van sterk verouderde woningen (en garageboxen), woningen die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd en waaraan daadwerkelijk behoefte bestaat. Ook nodigt de nieuwe inrichting van het plangebied uit tot bewegen, recreëren en elkaar ontmoeten. De beoogde nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving en de aanwezige bomen blijven zoveel als mogelijk behouden. Het planvoornemen past derhalve binnen de 'Woonzorgvisie Stein 2023-2028'. Tot slot wordt onderhavig plan in de Woondeal specifiek aangeduid als zijnde 'sleutelproject', waardoor het planvoornemen ook past binnen de Woondeal. 3.5.4 Groenbeleidsplan gemeente Stein In het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein' van 5 oktober 2016 is het groenbeleid van de gemeente Stein nader uitgewerkt. Dit is voor zowel het buitengebied als de kernen afzonderlijk gedaan. Volgens het groenbeleidsplan kennen de groen- en bomenstructuren van de kernen in de huidige situatie bijzondere groene (landschappelijke) elementen. De samenhang en herkenbaarheid van de kernen komt echter onvoldoende tot uiting in het groen.

De visie voor de kernen is dan ook: Groen laten bijdragen aan de identiteit van de kern: de centra van de kernen zijn door een sterke en onderscheidende groenstructuur aantrekkelijk en herkenbaar. De bewoners wonen in een gezonde en aangename leefomgeving door het aanwezige duurzame groen in de straat. Concreet voor de wijk Nieuwdorp komt, voor zover relevant voor onderhavig plan, het volgende uit het groenbeleidsplan naar voren: Veel straten in Nieuwdorp beschikken over voortuinen zonder groene invulling. Een vergroeningsactie met bewoners voor de voortuinen wordt van belang geacht. Daarnaast volgt uit onderstaande beleidskaart dat het aanwezige groen binnen het plangebied duurzaam moet worden behouden, versterkt en geoptimaliseerd. Voor de bomenrijen geldt ook dat deze duurzaam moeten worden behouden.

32

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

Uitsnede beleidskaart afkomstig uit het Groenbeleidsplan gemeente Stein (pagina 110). Conclusie Met onderhavig planvoornemen blijven de aanwezige bomen in het plangebied zoveel als mogelijk behouden en wordt de groene inrichting van het plangebied waar mogelijk versterkt (zie ook paragraaf 2.3 van de toelichting). In het noordoostelijke (groene) gedeelte van het plangebied wordt een flora- en fauna-toren gerealiseerd, onder andere vanwege de aanwezige vleermuizen en gierzwaluwen binnen het plangebied. De beoogde nieuwbouwwoningen worden zorgvuldig ingepast in de omgeving. Gelet op de groene inrichting van het plangebied past onderhavig plan goed binnen de visie van het groenbeleidsplan. Onderhavig plan past dus goed binnen de visie van het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein', waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding komt. 3.5.5 Energievisie Gemeente Stein 2018-2021 Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Stein de 'Energievisie Gemeente Stein 2018-2021' vastgesteld. Met deze visie wordt gewerkt aan een energieneutrale gemeente Stein. Als uitdaging wordt genoemd dat alle woningen en gebouwen vóór 2030 van het aardgas af moeten. Derhalve vormt 'gasloos bouwen' binnen de visie een belangrijk aandachtspunt. Verder wordt als duurzame energie de energie afkomstig van de restwarmte van Het Groene Net (afkomstig van Chemelot) en zonnepanelen genoemd.

Volgens de energievisie moet de gemeente Stein op 'proactieve wijze, in de voorhoede' fors inzetten op nieuwe initiatieven en projecten (energiebesparing, duurzame energieopwekking en inkoop van duurzame energie). De opgave voor de gemeente Stein is om met minimale impact op middelen, capaciteit en ruimte maximaal effect te sorteren. Conclusie Bij voorliggend planvoornemen is 'gasloos bouwen' het uitgangspunt. Daarnaast dient, als gevolg van Europese wetgeving, te worden gebouwd conform de BENG-normen. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG), zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving). Ook zal gebruik worden gemaakt van zonnepanelen (op de daken van de woningen).

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

33

Gelet op het voorgaande is het planvoornemen passend binnen de Energievisie van de gemeente Stein.

34

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen de diverse milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden steeds dichter naar elkaar toe. De milieu- en omgevingskwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden welke milieu- en omgevingsaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende milieu- en omgevingsaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

4.2

Mer-beoordeling

4.2.1 Algemeen Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Een belangrijke wijziging die in het Besluit mer is aangebracht, is dat voor de vraag of een mer-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet mer-(beoordelings)plichtig.

De criteria als bedoeld betreffen: de kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); de plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving); de kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). 4.2.2 Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet, binnen het bestaand stedelijk gebied, in de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Momenteel zijn binnen het plangebied nog 62 (voornamelijk gestapelde) woningen met bijbehorende voorzieningen aanwezig. Hierdoor is sprake van een herstructurering c.q. transformatie van de bestaande bebouwing in het noordelijke gedeelte van de wijk Nieuwdorp. Het aantal woningen neemt per saldo af met 30 woningen, en ook de bouwmassa binnen het plangebied neemt af. Van extra (planologisch) ruimtebeslag en/of een functiewijziging is derhalve geen sprake.

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

35

4.2.3 Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gesitueerd in het noordelijke gedeelte van de (woon)wijk Nieuwdorp te Stein en ligt aan drie zijden 'ingeklemd' tussen bestaande bebouwing. De noordelijke zijde van het plangebied wordt begrensd door de Diepenbeekstraat (met groenstrook) en een geluidswerende voorziening met daarachter de Rijksweg A76. De bestaande bebouwing in de nabije omgeving van het plangebied bestaat uitsluitend uit grondgebonden woningen. Ten zuiden van het plangebied zijn, op een afstand van circa 160 meter, enkele kleinschalige centrumvoorzieningen gelegen. Een uitgebreidere omschrijving van de omgeving, en de inpassing van onderhavig plan daarin, is opgenomen in de paragrafen 2.2 en 2.3 van deze toelichting. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van de Natura 2000-gebieden vastgelegd. Natura 2000 betreft de natuurparels die vanwege hun natuurwaarden Europese bescherming genieten, hetgeen in Nederland inhoudt, dat werkzaamheden of ontwikkelingen in (de nabijheid van) deze gebieden getoetst dienen te worden aan de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt niet in, noch in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Grensmaas (op een afstand van ca. 1,1 kilometer) en het Bunder- en Elslooërbos (op een afstand van ca. 2,0 kilometer).

Gezien deze afstanden zijn er geen significante effecten op dit gebied te verwachten ten aanzien van geluid, licht en trillingen. Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van stikstofdepositie op dit gebied (zie in dit verband paragraaf 4.11.3). De instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten blijven gewaarborgd. Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. 4.2.4 Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig onderzocht en hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen en de omgeving. In onderhavig hoofdstuk (hoofdstuk 4) zijn de betreffende milieuaspecten, alsmede de uitgevoerde onderzoeken nader beschreven. 4.2.5 Conclusie Als gevolg van de realisatie van (maximaal) 32 levensloopbestendige woningen en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen, binnen het bestaand stedelijk gebied, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zullen optreden op de in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en (te verwachten) beschermde soorten.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige significante effecten zijn te verwachten. Een verdere (vormvrije) mer-beoordeling wordt derhalve niet noodzakelijk geacht, gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en dat er geen nadelige significante effecten te verwachten zijn.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.

36

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

4.3.2 Uitgevoerde bodemonderzoeken In dat kader is een historisch bodemonderzoek conform NEN-5725 (d.d. 29 september 2023, met kenmerk: E231679.001/HWO) uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting bijgevoegd. Uit dit historisch bodemonderzoek is gebleken dat uit de voorhanden zijnde historische informatie geen specifieke aanwijzingen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen gevonden, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Wel is geconstateerd dat er binnen onderhavig plangebied in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden, zoals de aanleg van parkeergarages en de aanleg van de met klinkers verharde straten: Tripsstraat en Loonstraat, waarbij ten gevolge van deze activiteiten mogelijk (ongewenste) fundatiematerialen in de bodem terecht zijn gekomen dan wel bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden, althans dit kan op voorhand niet worden uitgesloten. De overige straten binnen onderhavig plangebied (waaronder de Baesweilerstraat en Kuringenstraat) zullen niet worden gewijzigd (voor wat betreft functie en/of ligging), waardoor deze straten verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Aangezien ten aanzien van onderhavig plangebied geen eerdere specifieke (bodem)onderzoeken voorhanden zijn, dient een verkennend bodem- en asbestonderzoek (conform NEN-5740 en NEN-5707) te worden uitgevoerd. Dit verkennend bodem- en asbestonderzoek kan gelijktijdig met het doorlopen van deze bestemmingsplanprocedure worden opgestart en uitgevoerd. Uit het uitgevoerde historisch bodemonderzoek blijkt dat nader onderzoek in de vorm van een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN-5740 en NEN-5707 noodzakelijk is om de bodemkwaliteit beter inzichtelijk te maken. Op basis van dit verkennend onderzoek zal dan blijken of de bodemkwaliteit voldoende is om het planvoornemen te realiseren. Mocht uit dit verkennend onderzoek eventueel blijken dat sprake is van een verontreiniging dan zal de noodzakelijke sanering van de bodem aan de hand van een plan van aanpak plaatsvinden zodat de bodem geschikt is voor het planvoornemen. Dit zal dan plaatsvinden vooraf of gelijktijdig met het bouwrijp maken van het plangebied. Aangezien ten aanzien van bodem nog niet volledig is aangetoond dat het aspect bodem geen belemmering vormt en nog verkennend en eventueel nader onderzoek noodzakelijk is, is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen binnen de verschillende bestemmingen.

Deze voorwaardelijke verplichting bepaald dat er pas gesloopt en gebouwd mag worden als uit verkennend en eventueel nader onderzoek is gebleken dat het aspect bodem geen belemmering meer is voor het beoogde planvoornemen. 4.3.3

Conclusie bodemkwaliteit

Het aspect bodem is nog niet volledig onderzocht. Er is nog nader onderzoek nodig in de vorm van een verkennend bodem- en asbest onderzoek. Om te waarborgen dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen is ten aanzien van bodem een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.4

Geluid

4.4.1 Wettelijk kader Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Deze wet voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (bijvoorbeeld de aanpassing van een weg) mogelijk maakt, dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

37

Onderhavig plan voorziet niet in een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron. Daarentegen voorziet dit plan wel in de realisatie van 32 woningen, hetgeen in het kader van de Wet geluidhinder wordt aangemerkt als geluidsgevoelig object. 4.4.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (artikel 76, lid 1 Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A76 (voor het overige is het plangebied omgeven met 30 km/uur-wegen). Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden.

In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Het rapport van het uitgevoerde akoestisch onderzoek d.d. 15 december 2023 (met kenmerk: M230069.001.001.R1/JME) is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting. De geluidsbelasting afkomstig van de Rijksweg A76 op de gevels van de woningen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 5 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt echter nergens overschreden, waardoor het mogelijk is om gebruik te maken van een hogere grenswaarde. Aangezien het aanleggen van overdrachts- en/of bronmaatregelen (zoals een geluidwal- of scherm of geluidreducerend wegdek) tegen overwegende bezwaren van financiële aard aanloopt, wordt ervoor gekozen om parallel aan onderhavige bestemmingsplanprocedure een procedure hogere grenswaarde te doorlopen. 4.4.3 Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een spoorweg. Het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.4.4

Industrielawaai

Verder geldt dat de woningen, zijnde geluidsgevoelige objecten, worden gerealiseerd binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein (industrieterrein Chemelot). In het vigerend bestemmingsplan 'Kern Stein' is daarom ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie' opgenomen (zie ook paragraaf 1.3 van deze toelichting). Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige objecten (in dit geval woningen) binnen een dergelijke geluidszone dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 50 dB(A) niet overschreden wordt. Vanwege de ligging van onderhavig plangebied (en de te realiseren woningen) binnen de geluidszone van het industrieterrein Chemelot dient (ingevolge artikel 48, lid 1 Wgh) middels een akoestisch onderzoek naar industrielawaai de geluidbelasting op de gevels inzichtelijk te worden gemaakt. Uit het voornoemde (akoestisch) onderzoeksrapport d.d. 15 december 2023 (zie Bijlage 2) volgt dat de geluidsbelasting op het plangebied afkomstig van het industrieterrein Chemelot ten hoogste 54 dB(A) bedraagt. Aangezien dit hoger is dan de wettelijke grenswaarde van 50 dB(A) (maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde) zal parallel aan onderhavige bestemmingsplanprocedure een procedure hogere grenswaarde worden doorlopen. Omdat onderhavig plan vervangende nieuwbouw betreft binnen de geluidzone van Chemelot.

Bij de bestaande woningen die worden vervangen is bij zonevaststelling van het industrieterrein een hogere grenswaarde van 55 dB(A) vastgesteld. Voor deze woningen dienen hogere

38

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

waarden vastgesteld te worden die gelijk zijn aan de grenswaarde die gelden voor de bestaande (te vervangen) woningen te weten: 55 dB(A). 4.4.5 Cumulatie Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief correctie artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In onderhavig geval betreft dit de Rijksweg A76 en het industrieterrein Chemelot. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met het akoestisch onderzoek d.d. 31 oktober 2023 (zie Bijlage 2) de cumulatieve geluidsbelasting op onderhavig plangebied bepaald. Hierbij zijn niet alleen de Rijksweg A76 en het industrieterrein Chemelot betrokken, maar ook de nabij gelegen 30 km/uur-wegen. De gecumuleerde waarde is getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 59 dB (kwalificatie 'matig'). Hierom is bezien of maatregelen mogelijk zijn. In paragraaf 4.4.2 van deze toelichting is reeds aangegeven dat overdrachts- en/of bronmaatregelen (zoals een geluidwal- of scherm of geluidreducerend wegdek) op overwegende bezwaren van financiële aard stuiten. Dit betekent dat de oplossing gezocht dient te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel.

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Hieraan kan bij nieuwbouw goed worden voldaan. Het plan is derhalve uitvoerbaar en daarmee is sprake van een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat. 4.4.6 Warmtepompen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zal afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Indien een warmtepomp een instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (silent-/nachtmodus) mag ingevolge de Regeling Bouwbesluit 2012 voor de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00 uur) een correctie van -5 dB worden toegepast.

Uit het Bouwbesluit 2012 (en bijbehorende regeling) volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit weliswaar een regulering van de geluidemissie van een warmtepomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Om die reden is in beeld gebracht wat de cumulatieve akoestische gevolgen zijn van de toepassing van warmtepompen voor het planvoornemen. Daarbij wordt ingegaan op de gevolgen daarvan voor de omliggende bestaande woningen en de nieuw te realiseren woningen, waarbij wordt uitgegaan van een (theoretische) situatie waarin alle nieuw te realiseren woningen een eigen warmtepomp krijgen. Uit de als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 16 augustus 2023, met kenmerk: M230069.001.002/JME) blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting afkomstig van de warmtepompen de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (45 dB(A) voor de dagperiode en 40 dB(A) voor de avond- en nachtperiode) niet zullen overschrijden. Gelet op het voorgaande en de eisen die in het Bouwbesluit 2012 worden gesteld aan afzonderlijke warmtepompen, wordt geconcludeerd dat bij de toepassing van warmtepompen ten behoeve van onderhavig

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

39

planvoornemen geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee geen strijdigheid ontstaat met een goede ruimtelijke ordening. 4.4.7 Conclusie Het aspect geluid vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.5

Geur

4.5.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Stein beschikt niet over dergelijk geurhinderbeleid of een geurverordening. 4.5.2 Toepassing Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 32 (levensloopbestendige) woningen. Woningen geven geen geuroverlast voor de nabije omgeving, maar worden gekwalificeerd als zijnde geurgevoelig object. Om deze reden dient aandacht te worden besteed aan het aspect geurhinder. Het plangebied is gelegen in het noordelijke gedeelte van de (woon)wijk Nieuwdorp te Stein.

In de nabije omgeving van het plangebied (binnen een straal van 300 meter vanaf de nieuw te realiseren woningen) bevinden zich geen inrichtingen die stank- of geuroverlast (kunnen) veroorzaken. Ter plaatse van het plangebied is ten aanzien van het aspect geur dan ook geen overlast te verwachten. 4.5.3 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 (lid 1) van de Wet Milieubeheer geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

40

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijnstof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogt, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. 4.6.2 Toetsing Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving.

Met onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 32 levensloopbestendige woningen mogelijk gemaakt, waardoor het plan als NIBM is aan te merken. Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Ingevolge de kencijfers van CROW voorziet het planvoornemen in een gemiddelde verkeersgeneratie tussen de 166,4 en 192 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (zie ook paragraaf 4.13 van deze toelichting). Daarbij wordt overigens opgemerkt dat als gevolg van onderhavig planvoornemen 62 bestaande woningen worden gesloopt, waardoor het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van onderhavig planvoornemen per saldo juist afneemt.

NIBM-tool Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM, uitgaande van de realisatie van maximaal 32 woningen, zonder daarbij rekening te houden met de sloop van 62 woningen. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

41

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

Uitsnede NSL-monitor Op bovenstaande kaartuitsnede is de globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de twee meest nabij gelegen rekenpunten (op de Rijksweg A76 en Heerstraat Zuid) voor de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (zwarte pijlen) inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2021 zijn als volgt: pijl ten zuiden van het plangebied (Heerstraat Zuid): maximaal 16,8 µg/m³ (NO2), 17,3 µg/m³ (PM10) en 10,5 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Rijksweg A76): maximaal 16,0 µg/m³ (NO2), 16,9 µg/m³ (PM10) en 10,4 µg/m³ (PM2,5). Voor het peiljaar 2030 is de volgende prognose aan jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gesteld: pijl ten zuiden van het plangebied (Heerstraat Zuid): maximaal 12,0 µg/m³ (NO2), 13,9 µg/m³ (PM10) en 7,3 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Rijksweg A76): maximaal 11,6 µg/m³ (NO2), 13,6 µg/m³ (PM10) en 7,2 µg/m³ (PM2,5). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m³) en PM2,5 (20 µg/m³) wordt zowel in 2021 als in 2030 niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie (PM10) is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.

42

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.6.3 Conclusie Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Bevi geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 Bevi dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare)

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

43

objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 4.7.2 Toetsing Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 32 woningen. Volgens artikel 1 Bevi worden woningen als kwetsbare objecten aangewezen. Opgemerkt wordt dat als onderdeel van onderhavig planvoornemen ook 62 woningen worden gesloopt, waardoor het aantal woningen per saldo afneemt met 30 woningen. In de nabije omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig (met de bijbehorende afstanden tot het plangebied):

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Risicobron Rijksweg A76 Rijksweg A2 Maascorridor Hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding ARG-leiding en MVC-leiding Gasdrukregel- en meetstation van Gasunie Schietsportcentrum Stein Chemelot industrieterrein

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (lichtblauwe contouren) Transportroutes

44

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

Afstand tot het plangebied ca. 35 meter ca. 1 kilometer ca. 980 meter ca. 480 meter ca. 810 meter ca. 455 meter ca. 460 meter ca. 1,1 kilometer

De Rijksweg A76 is op een afstand van circa 35 meter tot het plangebied gelegen. Volgens de Regeling Basisnet bedraagt de plaatsgebonden risicocontour (10-6) voor de Rijksweg A76 (Grens België - Knooppunt Kerensheide) 13 meter en het plasbrandaandachtsgebied 30 meter aan weerzijden van het betreffende wegvak (gemeten vanaf de buitenste kantstrepen). Gelet op de afstand van het plangebied tot de transportroutes (Rijksweg A76, Rijksweg A2 en Maascorridor) zijn voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot het plasbrandaandachtsgebied en de plaatsgebonden risicocontour (10-6). Het plangebied bevindt zich daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A76 (stofcategorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF1, GF2, GF3 en GT3) en de Maascorridor (stofcategorie GT3). Ten aanzien hiervan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Buisleidingen De buisleidingen (hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding, en ARG-leiding en MVC-leiding) liggen op een dusdanige afstand tot het plangebied, dat de buisleidingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen.

Inrichtingen Voor de inrichtingen gasdrukregel- en meetstation van Gasunie en schietsportcentrum Stein geldt dat deze inrichtingen op een zodanige afstand tot het plangebied zijn gelegen, dat de inrichtingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen. Voor wat betreft het industrieterrein Chemelot geldt dat het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 (en 10-7 en 10-8) ligt. Daarentegen ligt het plangebied wel binnen het invloedsgebied (maatgevende scenario 'toxische wolk'), waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig is. Beperkte verantwoording groepsrisico Doordat als gevolg van onderhavig planvoornemen het aantal woningen binnen het plangebied per saldo afneemt (van 62 woningen naar 32 woningen) en de nieuwe woningen op een grotere afstand tot de Rijksweg A76 komen te liggen, neemt logischerwijs ook het groepsrisico ter plaatse af. Desondanks is er een beperkte verantwoording van het groepsriscio noodzakelijk. Voor de volgende scenario's wordt dan ook ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid: 1.

een calamiteit met toxische stoffen (stofcategorieën LT1, LT2 en GT3) op de Rijksweg A76, Rijksweg A2 en Maascorridor of het industrieterrein Chemelot; 2. een calamiteit met brandbare stoffen (stofcategorieën GF2 en GF3) op de Rijksweg A76. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. In geval van een calamiteit met een toxische stof dienen personen binnen te blijven. De mate waarin de bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. In nieuwe bouwwerken wordt geadviseerd een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd (e.e.a. conform Bouwbesluit 2012). Rijksweg A76 Bij een BLEVE-scenario op de rijksweg A76 is het handelingsperspectief voor de personen binnen het plangebied binnen blijven. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het landelijke alarmsysteem (NL-Alert) toe te passen. Bestrijding vindt plaats bij de bron. De

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

45

Veiligheidsregio han-teert protocollen die toegespitst zijn op het bestrijden van rampen met gevaarlijke stoffen. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid In het geval van een calamiteit op de rijkswegen A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot is het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar onder andere via de Suttnerstraat. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen of secundaire brandhaarden blussen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: op tijd ter plaatse te zijn; voldoende opstelplaatsen te hebben; voldoende blusmiddelen te hebben. Daarnaast is de Veiligheidsregio Zuid-Limburg ten aanzien van het groepsrisico om advies gevraagd. Op 6 december heeft de veiligheidsregio haar advies (Bijlage 4) uitgebracht, waarin de volgende adviezen worden gegeven: Hittestralingsscenario's Om te voorkomen dat de gebouwen gaan branden kunnen maatregelen worden genomen: Pas materialen toe aan de gevels naar de snelweg A76 (noord-, oost- en westgevel) en het dak die de impact van de scenario's op het complex verlagen zoals: 1. toepassen van brandwerend metselwerk; 2. gebruik maken van minerale wolisolatie; 3.

Toepassen van brand- en hittewerende beglazing; 4. Gebruik maken van dakpannen. Zorg voor vluchtroutes van de bronnen af (naar het zuidoosten). Voorkomen van schade door overdruk: toepassen van zodanige beglazing dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen (explosiewerend glas ER)) aan de zijden gericht naar de A76 (noord-, oost- en wetgevel. Bij de bouw rekening houden met de impact van overdruk (bijv. door het toepassen van dikkere gevels, wanden voorzien van blastproof wallpaper). Risicocommunicatie om rsicobewustzijn te vergroten. Toxische scenario's De woningen uitvoeren met voorzieningen om binnendrinven van giftige gassen te voorkomen of uit te stellen. Hieronder wordt verstaan de woningen uitvoeren met ventilatie beperkende maatregelen (uitschakelbare ventilatie die centraal kan worden aangestuurd en luchtinlatende ventilatieopeningen die niet aan de zijde van de risicobron zijn aangebracht). Plaats de luchtinvoer niet aan de zijde van de risicobron(nen). Maakt de gebruikers bewust van de risico's en het handelingsperspectief: binnen blijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Aan de eisen van bluswatervoorziening en bereikbaarheid wordt voldaan.

Bovenstaande adviezen hebben met name betrekking op de uitwerking van de (bouw)plannen in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Bij de verdere uitwerking van deze (bouw)plannen zal dan ook (waar mogelijk) rekening worden gehouden met deze adviezen en invulling aan worden gegeven. In de planregels is een regeling opgenomen ten behoeve van de bereikbaarheid van voor mensen toegankelijke bouwwerken en de aanwezigheid van (voldoende) bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen

46

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

voor brandweerauto's (zie artikel 7.2 en 7.3). 4.7.3 Convenant Versterking veiligheid Chemelot In het kader van externe veiligheid hebben de provincie Limburg, de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek, Stichting Chemelot, Chemelot Site Permit (CSP) en DSM nadere afspraken gemaakt over het versterken van de veiligheid rondom Chemelot. Met deze afspraken creëren de partijen een nog veiligere leefomgeving rondom de site Chemelot. De afspraken passen in de ambitie om de kwaliteit van de leefomgeving van Chemelot te verhogen. Deze ambitie ligt vast in de Strategische Gebiedsvisie Omgeving Chemelot. De gemeenten worden beschermd tegen ongewone voorvallen en er worden afspraken gemaakt over nieuwe ontwikkelingen binnen en buiten Chemelot. De afspraken gaan verder dan de huidige wet- en regelgeving. Het convenant is van toepassing op nieuwe initiatieven binnen en buiten Chemelot. Maar ook op ingrijpende veranderingen aan bestaande installaties die een veranderend risicoprofiel met zich meebrengen. Er wordt een pilot gestart om nieuwe initiatieven te beoordelen op integrale veiligheid. Het gaat hierbij om externe veiligheid, maar ook om andere veiligheidsaspecten en economische meerwaarde. Ook worden keuzes gemaakt op basis van best beschikbare technieken op het gebied van veiligheid.

De omliggende gemeentes (Sittard-Geleen, Stein en Beek) op hun beurt stemmen de ruimtelijk-planologische ontwikkeling van het gebied rondom Chemelot af op de aanwezige risico’s. De partijen hebben afgesproken dat de in het convenant genoemde verplichtingen tegen eind 2025 zijn gerealiseerd. De partijen monitoren de afspraken de komende jaren en sturen deze daar waar nodig bij. De afspraken hebben betrekking op bijvoorbeeld bestemmingsplannen, omgevingsplannen, vergunningsvoorschriften en contractuele afspraken. Voor iedere partij zijn in het convenant maatregelen opgenomen om de veiligheid op en rondom Chemelot te versterken. Het convenant is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg en de colleges van Burgemeester en Wethouders van Sittard-Geleen, Stein en Beek en de directies van de Stichting Chemelot, CSP en DSM. De betreffende partijen hebben zich tot het volgende verplicht:: Partijen nemen de in het veiligheidskader gehanteerde uitgangspunten inhoudende: dat de veiligheidssituatie op termijn omhoog dient te gaan; dat de toepassing ziet op veranderende situaties (geen ‘terugwerkende kracht’); een integrale benadering van veiligheid en alle optredende-effecten; een proportionele kosten-batenafweging van maatregelen versus veiligheidswinst, vooralsnog over en 1.

geven daartoe in een pilotomgeving nadere uitwerking en afbakening aan het concept integrale veiligheid op basis van de eerste grofmazige uitwerking als ontwikkeld; 2. besluiten op basis van de resultaten van deze testpilots medio 2023 definitief over bovengenoemde uitgangspunten in relatie tot de relevante eigen visie- en beleidskaders. Bij de verdere uitwerking van de (bouw)plannen zal bezien worden hoe hieraan nader invulling kan worden gegeven. 4.7.4 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

47

4.8

Kabels en Leidingen

4.8.1 Wettelijk kader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1 . hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2 . = 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 1

= Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 2

4.8.2 Toepassing Uit voorgaande paragraaf is reeds gebleken dat de gesignaleerde buisleidingen op dusdanige afstond tot het plangebied zijn gelegen, dat ze geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen. In of nabij het plangebied zijn verder geen kabels en/of leidingen aanwezig die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid daarvan planologische bescherming behoeven, en daarmee een belemmering voor onderhavig planvoornemen betekenen. In het straatprofiel van de omliggende wegen (onder andere Diepenbeekstraat, Peldenstraat, Baesweilerstraat, Tripsstraat en Kuringenstraat) zijn wel de reguliere leidingen voor gas, water, elektra en telefonie/internet gelegen. Deze leidingen worden doorgetrokken in de nieuwe ontsluitingswegen om de nieuwe woningen hierop aan te sluiten. 4.8.3 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels en leidingen' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

48

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

4.9

Bedrijven en milieuzonering

4.9.1 Wettelijk kader Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen (blijven) uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten.

De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

Richtafstanden per bedrijfscategorie Werking handreiking op hoofdlijnen In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

49

situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Samengevat dient men als volgt te werk te gaan: bedrijf(sactiviteit) indelen in een SBI-code; de hoogste bij de SBI-code behorende richtafstand is bepalend; bepalen van welke omgevingstype er sprake is; de richtafstand met 1 stap verlagen indien sprake is van type 'gemengd gebied'. Gemotiveerd toepassen Soms is niet geheel duidelijk in welke categorie een bepaalde situatie valt. Ook kan een feitelijke situatie significant verschillen als gevolg van specifieke bedrijfsprocessen, hinderbeperkende maatregelen, de concrete inrichting van het bedrijf en/of de geldende milieuvergunning. De daadwerkelijke milieubelasting kan in dat geval aanzienlijk afwijken van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het bepalen van de standaard richtafstanden.

Dit is de reden dat de Afdeling heeft bepaald dat de richtafstanden niet zondermeer overgenomen mogen worden: er dient te worden gemotiveerd waarom welke afstanden gelden (ofwel waarom een situatie in een bepaalde categorie valt) en waarom hier (eventueel) van kan worden afgeweken. Voor een onderzoek naar de milieuzonering kan daarom concreet en gedetailleerd onderzoek naar de feitelijke milieubelasting zinvol of noodzakelijk zijn. De handreiking bevat hiervoor een aantal stappenplannen. 'Rustige woonwijk/rustig buitengebied' of 'gemengd gebied' In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'; 'gemengd gebied'. Bij het bepalen van het van toepassing zijnde omgevingstype moet niet gekeken worden naar de locatie zelf maar naar het (soort) gebied waarin de locatie ligt. Wijze van meten van de richtafstanden De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een milieubelastende bestemming c.q. functie rust tot de grens van het perceel waarop een woning (milieugevoelige bestemming) volgens het bestemmingsplan mogelijk is.

Wanneer deze afstand niet toereikend is, wordt gekeken naar de maximale bouwmogelijkheden. 4.9.2 Toetsing Met onderhavig plan worden (maximaal) 32 woningen gerealiseerd, hetgeen een (nieuwe) milieugevoelige functie betreft. Hierom moet worden gekeken naar de invloed van en invloed op omliggende milieubelastende functies. Dit gebeurt, zoals gezegd, op basis van de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (hierna: VNG-uitgave). Hieruit blijkt dat bij woningen geen sprake is van een milieuzone ten opzichte van derden. De woningen zelf kunnen echter wel beïnvloed worden door milieuhinder van omliggende functies. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende functies. De meest nabij gelegen milieubelastende functies zijn de centrumvoorzieningen aan de Peldenstraat (bedrijven tot en met

50

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

categorie 2) met een grootste richtafstand van 30 meter. Aangezien de centrumvoorzieningen op een afstand van circa 160 meter tot het plangebied zijn gelegen, zijn ze niet van invloed op de te realiseren woningen. 4.9.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de te realiseren woningen geen belemmerende werking hebben op de nabijgelegen milieubelastende functies c.q. bedrijven en andersom de bedrijven geen belemmering vormen voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen. Het aspect bedrijven- en milieuzonering levert derhalve geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.10

Archeologie

4.10.1 Wettelijk kader Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie. Om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men in beginsel verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. 4.10.2 Toepassing De gemeente Stein beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart waarin voor het hele gemeentelijke grondgebied de archeologische verwachtingswaarden (indicatief) in beeld zijn gebracht. Deze beleidskaart is in 2019, als onderdeel van het Erfgoedbeleid 2019 van de gemeente Stein, nog geactualiseerd.

Op de archeologische beleidsadvieskaart is het grondgebied van de gemeente Stein ingedeeld in verschillende categorieën. Per categorie wordt over het algemeen een drempel gehanteerd in de vorm van een minimale diepte (beneden maaiveld) en minimale oppervlakte van bodemingrepen.

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

51

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met globale aanduiding plangebied (zie rode cirkel)

Tabel ondergrenzen voor archeologisch onderzoek per categorie Uit de archeologische beleidsadvieskaart volgt dat binnen het plangebied een lage archeologische verwachtingwaarde (categorie 4) geldt. Volgens bovenstaande tabel geldt hiervoor een algehele vrijstelling van archeologisch onderzoek. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de beoogde bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van een locatie waar reeds bestaande bebouwing aanwezig is (woongebouwen en garageboxen) en dus reeds in de grond is geroerd. Hierdoor is in het verleden de bodem binnen het plangebied op dusdanige wijze verstoord dat geen archeologische waarden (meer) zijn te verwachten of kunnen worden geschaad. Wanneer bij het uitvoeren van de (bouw)werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen (en derhalve sprake is van een toevalsvondst), wordt hiervan uiteraard (conform de Erfgoedwet) melding gedaan.

52

bestemmingsplan Zaam Wonen Nieuwdorp

4.10.3 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.

4.11

Ecologie

4.11.1 Wettelijk kader Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen, waaronder de Natura 2000-gebieden. 4.11.2

Soortenbescherming

Om in te schatten of er binnen het plangebied planten- en/of diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door het planvoornemen, is door Idverde Advies een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De Quickscan flora en fauna d.d. 24 maart 2021 (met kenmerk: 724210036) is bijgevoegd als Bijlage 5. Quickscanflora en fauna Als onderdeel van een grote(re) transformatieopgave (verduurzaming, renovatie, sloop en nieuwbouw van 466 woningen in de wijk Nieuwdorp te Stein) zijn ook de aanwezige woningen (en bijbehorende bebouwing) binnen het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten. De relevante onderzochte bebouwing wordt in de Quickscan flora en fauna aangeduid als: Complex 022: de 8 woningen aan de Peldenstraat; Complex 221: de appartementencomplexen aan de Tripsstraat, Kamperstraat, Baesweilerstraat en Kuringenstraat; Complex 910: de garages behorende bij de woningen c.q. appartementen. Ten aanzien van deze bebouwing is een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets uitgevoerd. De biotooptoets (het veldonderzoek) is op 1 maart 2021 uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn hieronder beknopt beschreven. Algemeen: de aanwezigheid van de algemene broedvogels kan niet op voorhand worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=37015288-93ba-4345-83bc-48ffa0ced467