CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

B.3.3 Bruisend Hart Nieuwdorp_Toelichting

Oordeelsvormende raadsvergadering 13 juni 2024, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Bestemmingsplanherziening 'Kern Stein'26.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tot slot heeft over de toevoeging van de beoogde woningen aan de Regionale Woningmarktprogrammering reeds (sub)regionale afstemming plaatsgevonden, waarna is ingestemd met het toevoegen van onderhavig plan aan de Regionale Woningmarktprogrammering. Daarbij wordt voldaan aan het 'use it or lose it' principe. Dit houdt in dat winingbouwinitiatieven die mogelijk worden gemaakt via deze beleidsregel, binnen 2 jaar naar na afstemming in de (sub)regio planologisch-juridisch diente te zijn vastgesteld en binnen 3 jaar nadat het plan planologisch-juridisch onherroepelijk is geworden te zijn gerealiseerd. Woningbouwplannen die deze termijnen niet halen, verliezen hun status op de subregionale woningmarktprogrammering. Gezien het voorgaan voldoet onderhavig planvoornemen aan de voornoemde drie criteria: maatschappelijke meerwaarde, planologisch aanvaardbaar en (sub)regionale afstemming. Daarmee valt onderhavig planvoornemen aan te merken als een 'goed woningbouwplan', waarvoor op basis van de Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' geen compensatieplicht (door middel van sloop of een financiële bijdrage) geldt.

3.4.3 Transformatievisie Westelijke Mijnstreek Samen met de andere gemeenten van de Westelijke Mijnstreek (gemeente Beek, voormalige gemeente Schinnen en de gemeente Sittard-Geleen) heeft de gemeente Stein de 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' opgesteld, welke in 2020 is vastgesteld. De gemeenten van de Westelijke Mijnstreek (waaronder dus de gemeente Stein) zien zich geconfronteerd met de demografische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio en de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt op schaal van de Westelijke Mijnstreek. Met de transformatievisie willen de gemeenten inzetten op levendige kernen en aantrekkelijke woonmilieus, waarin de leefkwaliteit voorop staat. Het wordt belangrijk geacht om de eigenheid van de verschillende woonmilieus te (her)ontdekken en te versterken. In de visie vindt hierom een differentiatie plaats naar verschillende types van woonmilieus in de regio. Hiermee sluit de transformatievisie goed aan op de 'Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg' (zie hiervoor paragraaf 3.4.1). Aan ieder type woonmilieu wordt vervolgens een concrete transformatieopgave gekoppeld, waarbij de volgende vier pijlers worden toegepast: 1. 2. 3. 4.

de cultuurhistorische identiteit; het landschap; de voorzieningenstructuur; de woningvoorraad.

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

33

De ambitie is om niet alleen de uitdagingen op het gebied van demografie en woningvoorraad aan te gaan, maar ook om te bouwen aan een toekomstbestendige, veerkrachtige ruimte, met oog voor identiteit en leefkwaliteit van de verschillende woonomgevingen en aangepast aan de veranderende woonwensen/-eisen. Conclusie Het plangebied is volgens de synthesekaart van de transformatievisie gelegen binnen het woonmilieu 'verstedelijkte kern' (zie onderstaande kaartuitsnede).

Kaartuitsnede synthesekaart 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' (deel II - Ruimtelijke Visie) Volgens de 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' worden de verstedelijkte kernen gekenmerkt door haar historische centra met commerciële en maatschappelijke voorzieningen enerzijds en monotone suburbane woonwijken anderzijds. De monotone woonwijken dienen te veranderen naar groene woonomgevingen met meer landschap voor iedereen. Het centrum dient te worden uitgebouwd tot een nog sterkere voorzieningenknoop en maatschappelijke voorzieningen dienen te worden versterkt. De publieke ruimte dient daarbij als belangrijke ontmoetingsplek. In een verstedelijkte kern is het aangenaam wonen voor jong en oud, met voorzieningen (en ontmoetingsplekken) op korte afstand. Kwetsbare woningen dienen te worden gesloopt of getransformeerd ten voordele van nieuwe of grondig gerenoveerde duurzame en levensloopbestendige woningen. Daarnaast dient voor wat betreft de woningvoorraad rekening te worden gehouden met maatschappelijke tendenzen en demografische ontwikkelingen (zoals de voorziene vergrijzing). Als voorbeeld wordt genoemd dat men kan voorzien in collectieve ouderenwoningen in markante gebouwen die een nieuwe invulling zoeken. Een ander voorbeeld is dat men kan slopen of verdunnen ten voordele van nieuwe levensloopbestendige schakelwoningen.

Naast de grotere projecten kunnen op kleinere schaal ook woningen samengevoegd en gerenoveerd worden om aan de toekomstige woonwensen te voldoen. Tot slot kunnen beeldbepalende gebouwen ook met gemeenschapsfuncties worden ingevuld, zoals een buurt- of jeugdhuis.

34

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in de realisatie van 35 levensloopbestendige woningen (onder andere bestemd voor senioren) en 32 zorgeenheden. Ook wordt voorzien in een buurtcentrum. Daarnaast worden de nodige groenvoorzieningen aangelegd, waaronder een tweetal collectieve binnentuinen en een buurttuin. Hierdoor wordt met onderhavig planvoornemen voorzien in een groene woonomgeving, waar het aangenaam wonen is voor jong en oud en de bewoners elkaar kunnen ontmoeten. De zorgeenheden worden gerealiseerd ter plaatse van het kerkgebouw, waarbij de cultuurhistorisch waardevolle elementen van de kerk behouden blijven (zie paragraaf 4.11 van deze toelichting). Onderhavig planvoornemen past naar aard en omvang derhalve goed binnen het woonmilieu 'verstedelijkte kern'. De 'Transformatievisie Westelijke Mijnstreek' levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen, waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding is.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025 De gemeenteraad van de gemeente Stein heeft op 26 februari 2015 de 'Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025' vastgesteld. In deze structuurvisie heeft de gemeente de hoofdlijnen voor voorgenomen ontwikkelingen en het door de gemeente te voeren (ruimtelijke) beleid vastgelegd. De structuurvisie geeft ook aan op welke wijze de gemeente van plan is de voorngenomen ontwikkelingen daadwerkelijk te realiseren. De structuurvisie geeft invulling aan de strategische toekomstvisie 'Het Stein van morgen' dat het strategische beleid voor de periode 2011-2021 vormde. In deze visie verlegt de gemeente de ambitie van groei naar de borging van ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie is tot stand gekomen door de inbreng van vele mensen. Het samenspel tussen overheden, inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden wordt als belangrijk punt voor de ruimtelijke ontwikkelingen van Stein aangemerkt. De volgende kernpunten zijn in de ruimtelijke structuurvisie geformuleerd: Werken aan leefbare dorpen, een attractief buitengebied en sterke bedrijventerrein, waarbij burgers en ondernemers actief meedenken en meedoen. Een verbinding leggen tussen opgaven in het sociaal domein (zoals vergrijzing, ontgroening, meer burgerparticipatie, en leefbaarheid van de dorpen) en het ruimtelijk domein.

Een actueel, op ontwikkelingen van de komende jaren inspelend ruimtelijk beleid, dat ook past binnen het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Als kernopgave voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Stein wordt de vergrijzing en ontgroening genoemd. Geïnvesteerd moet worden in de kwaliteit en leefbaarheid van de dorpen binnen de gemeente. Als één van de belangrijkste speerpunten wordt in de structuurvisie genoemd: het (her)invullen van lege plekken die ontstaan in het bebouwd gebied en het herinvullen van gebouwen die als gevolg van demografische veranderingen dan wel maatschappelijke ontwikkelingen leeg komen te staan. Andere speerpunten zijn het participeren van bewoners in ruimtelijke ontwikkelingsprocessen en het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk. Conclusie Het centrum van Nieuwdorp is op de 'Projectenkaart' behorende bij deze ruimtelijke structuurvisie aangeduid als een project waar een 'integrale aanpak' noodzakelijk is. Onder andere wordt benoemd dat een herstructurering nodig is, en de leefbaarheid van het gebied verbeterd moet worden. Met onderhavig plan wordt voorzien in een herstructurering c.q. transformatie van de (voormalige) school- en kerklocatie in het centrum van Nieuwdorp. Hiermee wordt voorkomen dat de aanwezige gebouwen leeg komen

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

35

te staan. De leefbaarheid van het centrum krijg een positieve impuls. Zo wordt een buurttuin aangelegd waar men kan recreëren en elkaar ontmoeten. In het plan wordt ook de nodige aandacht geschonken aan het behouden en versterken van groen. Voorts worden 35 levensloopbestendige woningen (onder andere bestemd voor senioren) en 32 zorgeenheden gerealiseerd, waardoor tegemoet wordt gekomen aan de vergrijzing van de gemeente Stein. Kortom, het plan past binnen de beleidskaders die worden gesteld in de 'Ruimtelijke Structuurvisie Stein 2015-2025'. De structuurvisie levert derhalve geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan. 3.5.2 Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040 De gemeenteraad van de gemeente Stein heeft op 17 februari 2022 de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' vastgesteld. Deze omgevingsvisie betreft een strategische integrale visie voor de fysieke leefomgeving van de gemeente Stein voor de komende jaren. De fysieke leefomgeving is breder dan alleen de ruimtelijke aspecten. Ook ontwikkelingen op het gebied van onder andere cultureel erfgoed, economie, veiligheid en gezondheid, duurzaamheid en landschap krijgen een plek in deze visie. De omgevingsvisie is een uitwerking van de 'Strategische toekomstvisie 2018-2022' en geeft verder richting aan welke gemeente de gemeente Stein wil zijn op het gebied van de fysieke leefomgeving.

De vijf thema's die in de omgevingsvisie van de gemeente Stein centraal staan, zijn: Thema 1: Sociale en vitale wijken en kernen. Thema 2: Een veilige, gezonde en groene leefomgeving. Thema 3: Versterken van de unieke omgevingskwaliteiten. Thema 4: Een bereikbare en bedrijvige gemeente. Thema 5: Energietransitie. Specifiek voor de woonkernen, waarvan onderhavig plangebied onderdeel uitmaakt, geldt dat met name de thema's 'sociale en vitale wijken en kernen' en 'veilige, gezonde en groene leefomgeving' (thema's 1 en 2) van belang zijn. Uitgangspunten daarbij zijn onder andere dat de identiteit en unieke kenmerken van de wijk of kern centraal komen te staan en dat primair de focus komt te liggen op de versterking van vitale stedelijke en landelijke centrumkernen. In het kader van het versterken van de leefkwaliteit dient een balans te bestaan tussen enerzijds bedrijvigheid in de woonkernen en anderzijds een veilige, gezonde en groene leefomgeving. In de centrumkernen moeten de functies zoveel als mogelijk worden gecentraliseerd, behouden en versterkt. Daarnaast wordt een veilige, gezonde en groene leefomgeving geacht een belangrijke voorwaarde te zijn voor de versterking van de leefkwaliteit in de gemeente Stein. De energietransitie (thema 5) loopt als een rode draad door voornoemde thema's en uitgangspunten heen.

Conclusie Met onderhavig plan wordt ruimschoots tegemoetgekomen aan de eerste twee thema's. Door de herstructurering c.q. transformatie van (een gedeelte van) het centrum van de wijk Nieuwdorp wordt de levendigheid en vitaliteit van het centrum bevorderd. De bewoners worden gestimuleerd om het centrum te bezoeken en elkaar daar te ontmoeten. De beoogde buurttuin en maatschappelijke plint (met onder andere een buurtcentrum) dragen daaraan bij. Ook wordt voor wat betreft de doelgroep van de te realiseren woningen voorzien in een gezonde mix tussen 'jong en oud' (doelgroep: senioren en starters), hetgeen het sociale karakter van de wijk Nieuwdorp ten goede komt. Door de aanwezige bomen in het plangebied zoveel als mogelijk te handhaven, een autovrije 'Loper' te realiseren en collectieve binnentuinen aan te leggen, wordt tevens voorzien in een gezonde en groene leefomgeving. Gelet op het voorgaande wordt concludeerd dat de 'Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040' geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

36

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

3.5.3 Woonzorgvisie Stein 2023-2028 en Woondeal De 'Woonzorgvisie Stein 2023-2028' is op 28 september 2023 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze visie staat beschreven wat de gemeente Stein voor ogen heeft op het gebied van wonen én de zorg- en ondersteungingsbehoefte in relatie tot wonen. Het betreft een uitwerking van het thema wonen van de Omgevingsvisie Gemeente Stein 2040 (zie paragraaf 3.5.2) en hangt nauw samen met het regionaal (en provinciaal) woonbeleid, waaronder de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en de Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021 (zie paragraaf 3.4.1 en 3.4.2). In de Woonzorgvisie staan de navolgende ambities beschreven. 1. 2.

3.

4.

Vanuit het mensperspectief: het optimaliseren van de leefkwaliteit door mensen maximaal de mogelijkheid te bieden om een 'thuis' te hebben. Vanuit het perspectief leefomgeving: het afstemmen van woonmilieus op de toekomstige samenstelling van de bevolking op basis van een op maat gerichte aanpak, waarbij de uitdaging is om een actieve bijdrage te leveren aan de leefkwaliteit, bijvoorbeeld door vergroening middels klimaatadaptief bouwen en het creëren van ontmoetingsplekken en stimuleren van een gezonde levensstijl. Vanuit het perspectief wonen: het kwalitatief en kwantitatief transformeren van de woningvoorraad, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling van de bevolking en wordt gestuurd op kwaliteit, bijvoorbeeld door de juiste woning te realiseren op de juiste plek op het juiste moment voor een diverse populatie aan huishoudens en door in te zetten op inbreiding in plaats van uitbreiding. Vanuit het woonzorg perspectief: het zo lang mogelijk thuis laten wonen van zorgbehoevenden ("zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan").

In de Woondeal wordt voor de Westelijke Mijnstreek (gemeenten Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein) uitgegaan van de realisatie van in totaal 2.875 woningen (bruto) voor de periode 2022 tot en met 2030 (waarvan 655 woningen in de periode 2022-2024 en 2.220 woningen in de periode 2025-2030). Daarnaast is de ambitie uitgesproken om additioneel 1.650 woningen te realiseren vóór eind 2030. Dit betreft weliswaar een stevige ambitie, maar daarbij geldt dat de gemeente Stein zich niet laat leiden door woningaantallen. Kwaliteit voor de nieuwe woningen en verbetering van de leefomgeving staat voorop. Oftewel: "eerst de kwaliteit en dan pas de kwantiteit". Ingezet wordt op een zorgvuldige verdichting van het bestaand bebouwd gebied, waardoor de woningvoorraad beter aansluit op de lokale behoefte. Hierna is beschreven hoe onderhavig plan zich verhoudt tot de Woonzorgvisie Stein 2023-2028 en de Woondeal. Conclusie Met onderhavig planvoornemen worden in de eerste plaats 32 zorgeenheden geschikt voor extramurale 24-uurs zorg (VPT/MPT) gerealiseerd. Hierdoor kan de zorg 'aan huis' worden geleverd en kunnen kwetsbare ouderen en andere zorgbehoevenden zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Dit is geheel in lijn met de vierde (en eerste) ambitie uit de Woonzorgvisie.

Voorts nodigen de collectieve binnentuinen, buurttuin en het buurtcentrum uit tot ontmoeten, recreëren en bewegen, hetgeen de leefkwaliteit van Nieuwdorp bevorderd. Daarnaast is sprake van een inbreiding (in plaats van een uitbreiding) en wordt opnieuw invulling gegeven aan een (voormalige) school- en kerklocatie, waarbij wordt aangesloten op de actuele (kwantitatieve en kwalitatieve) woningbehoefte binnen de gemeente Stein (zie ook paragraaf 3.2.3). Het planvoornemen gaat derhalve uit van kwalitatieve woningen en een verbetering van de leefomgeving, waardoor het planvoornemen passend is binnen de 'Woonzorgvisie Stein 2023-2028'. Tot slot wordt onderhavig plan in de Woondeal specifiek aangeduid als zijnde 'sleutelproject', waardoor het planvoornemen ook past binnen de Woondeal.

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

37

3.5.4 Erfgoedbeleid 2019 De gemeenteraad van de gemeente Stein heeft in 2019 haar Erfgoedbeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld omdat de gemeente Stein, behoudens 66 rijksmonumenten en twee rijksbeschermde dorpsgezichten, geen bescherming van haar erfgoed kende. Alvorens kon worden overgaan tot bescherming van het erfgoed heeft 'gemeentebreed' een uitgebreide inventarisatie van al het aanwezige erfgoed plaatsgevonden. Hoe met het erfgoed vervolgens moet worden omgegaan is gebaseerd op de volgende drie speerpunten c.q. thema's: 1. 2. 3.

(h)erkenning van erfgoed (bewustwording van het erfgoed binnen de gemeente); het verbeteren van de kwaliteit van erfgoed (onder andere door middel van onderhoud, restauratie en herbestemming); de beleving van erfgoed.

In het Erfgoedbeleid staat vermeld dat de wijk Nieuwdorp, als laatste mijnkolonie van Limburg en vanwege de stedenbouwkundige structuur, aangemerkt is als waardevol gebied c.q. dorpsgezicht. De juridisch-planologische vertaling van het Erfgoedbeleid, en daarmee de bescherming van het aanwezige erfgoed, heeft plaatsgevonden met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' (zie ook paragraaf 1.3.2 van de toelichting) en de 'Erfgoedverordening Stein 2021'. Conclusie In dit geval is (de beschermende werking van) het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' van belang. De 'Erfgoedverordening Stein 2021' is niet relevant, doordat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht en binnen het plangebied geen gemeentelijk monument aanwezig is. Ingevolge het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' (vastgesteld d.d. 22 juli 2021) is het kerkgebouw (en de pastoriewoning) - door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Historische bebouwing en gezichten' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - historisch gebouw' - aangeduid als historisch gebouw. Dit betekent dat in beginsel geen aantasting mag plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden van het kerkgebouw (en de pastoriewoning). Uit paragraaf 4.11 van voorliggende toelichting blijkt dat met onderhavig planvoornemen de cultuurhistorisch waardevolle elementen van de kerk behouden blijven.

In de planregels (artikel 7) is de bescherming daarvan ook juridisch-planologisch geborgd. Daarnaast beschikt de Heisteeg volgens het bestemmingsplan 'Erfgoed Stein' over de dubbelbestemming 'Waarde - Historische infrastructuur' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - te behouden historisch tracé', wat inhoudt dat het historisch tracé (ter plaatse van de Heisteeg) moet worden behouden en/of zichtbaar en herkenbaar worden gemaakt. Met onderhavig planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de Heisteeg als zijnde historisch tracé. Sterker nog: met het planvoornemen wordt, gezien de situering en oriëntatie van de beoogde bebouwing ten opzichte van de Heisteeg, de zichtbaarheid en herkenbaarheid van het historisch tracé bevorderd. Door het overnemen van voornoemde dubbelbestemming en functieaanduiding (zie artikel 8) blijft het historisch tracé juridisch-planologisch beschermd. Gelet op het voorgaande past onderhavig planvoornemen binnen het Erfgoedbeleid 2019, en levert dit beleid geen belemmering op voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 3.5.5 Groenbeleidsplan gemeente Stein In het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein' van 5 oktober 2016 is het groenbeleid van de gemeente Stein nader uitgewerkt. Dit is voor zowel het buitengebied als de kernen afzonderlijk gedaan.

Volgens het groenbeleidsplan kennen de groen- en bomenstructuren van de kernen in de huidige situatie bijzondere groene (landschappelijke) elementen. De samenhang en herkenbaarheid van de kernen komt echter onvoldoende tot uiting in het groen. De visie voor de kernen is dan ook:

38

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

Groen laten bijdragen aan de identiteit van de kern: de centra van de kernen zijn door een sterke en onderscheidende groenstructuur aantrekkelijk en herkenbaar. De bewoners wonen in een gezonde en aangename leefomgeving door het aanwezige duurzame groen in de straat. Opgemerkt wordt dat de groenvoorzieningen langs de Heisteeg/Van der Marckstraat respectievelijk Arnoldenstraat/Peldenstraat onderdeel uitmaken van de bestaande groenstructuur in de kern Stein en dat deze groenvoorzieningen als het ware samenkomen in het plangebied. Concreet voor de wijk Nieuwdorp komt, voor zover relevant voor onderhavig plan, het volgende uit het groenbeleidsplan naarvoren: Een groene inbedding van functies als speelvoorzieningen, een hondenweide en een weekmarkt wordt wenselijk geacht; De groenvoorzieningen aan de Heisteeg / Van der Marckstraat dienen duurzaam in stand te worden gehouden; Het kerkplein aan de Peldenstraat is als specifieke opgave aangeduid (zie pagina 110 van het groenbeleidsplan). Hiervoor wordt extra aandacht gevraagd en een verbijzondering c.q. opwaardering van het groen is hier gewenst; Een vergroeningsactie met bewoners voor de voortuinen wordt van belang geacht. Conclusie Met onderhavig planvoornemen blijven de aanwezige bomen in het plangebied zoveel als mogelijk behouden, en vindt een versterking van het groen plaats (zie ook paragraaf 2.3 van de toelichting).

Zo worden een tweetal collectieve binnentuinen en een buurttuin aangelegd, en krijgen de parkeervoorzieningen een groene uitstraling. Door het huidige onbebouwde binnenterrein in gebruik te nemen als buurttuin en richting deze buurttuin een autovrije 'Loper' te realiseren, wordt het aantrekkelijker voor de bewoners om deze groene zone te bezoeken. Door de sloop van de 6 appartementen aan het Pastoor van Heldenplein ontstaat vanaf de Heisteeg/Van der Marckstraat een groene looproute naar het plangebied (en de buurttuin). De bestaande groenstructuren langs de Heisteeg/Van der Marckstraat en Arnoldenstraat/Peldenstraat worden met het planvoornemen sterker met elkaar verbonden. Onderhavig plan past dus goed binnen de visie van het 'Groenbeleidsplan gemeente Stein', waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding komt. 3.5.6 Energievisie Gemeente Stein 2018-2021 Op 31 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Stein de 'Energievisie Gemeente Stein 2018-2021' vastgesteld. Met deze visie wordt gewerkt aan een energieneutrale gemeente Stein. Als uitdaging wordt genoemd dat alle woningen en gebouwen vóór 2030 van het aardgas af moeten. Derhalve vormt 'gasloos bouwen' binnen de visie een belangrijk aandachtspunt. Verder wordt als duurzame energie de energie afkomstig van de restwarmte van Het Groene Net (afkomstig van Chemelot) en zonnepanelen genoemd.

Volgens de energievisie moet de gemeente Stein op 'proactieve wijze, in de voorhoede' fors inzetten op nieuwe initiatieven en projecten (energiebesparing, duurzame energieopwekking en inkoop van duurzame energie). De opgave voor de gemeente Stein is om met minimale impact op middelen, capaciteit en ruimte maximaal effect te sorteren. Conclusie Bij voorliggend planvoornemen is 'gasloos bouwen' het uitgangspunt. Daarnaast dient, als gevolg van Europese wetgeving, te worden gebouwd conform de BENG-normen. Dit betekent dat moet worden voldaan aan

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

39

de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG), zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving). Gelet op het voorgaande is het planvoornemen passend binnen de Energievisie van de gemeente Stein.

40

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen de diverse milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden steeds dichter naar elkaar toe. De milieu- en omgevingskwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden welke milieu- en omgevingsaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende milieu- en omgevingsaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

4.2

Mer-beoordeling

4.2.1 Algemeen Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Een belangrijke wijziging die in het Besluit mer is aangebracht, is dat voor de vraag of een mer-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet mer-(beoordelings)plichtig.

De criteria als bedoeld betreffen: de kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); de plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving); de kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). 4.2.2 Kenmerken van de activiteit Het planvoornemen voorziet ter plaatse van een (voormalige) school- en kerklocatie, binnen het bestaand stedelijk gebied, in de realisatie van (maximaal) 35 woningen en 32 zorgeenheden, een buurtcentrum, en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen (zoals een buurttuin). Daarmee vindt een herstructurering c.q. transformatie van de bestaande bebouwing plaats in het centrum van de wijk Nieuwdorp.

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

41

4.2.3 Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gesitueerd in het centrum van de wijk Nieuwdorp te Stein en ligt volledig 'ingeklemd' tussen bestaande bebouwing. De bestaande bebouwing in de nabije omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit woningen. Daarnaast zijn ten westen van het plangebied enkele kleinschalige centrumvoorzieningen (al dan niet met bovenwoning) gelegen. Een uitgebreidere omschrijving van de omgeving, en de inpassing van onderhavig plan daarin, is opgenomen in de paragrafen 2.2 en 2.3 van deze toelichting. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van de Natura 2000-gebieden vastgelegd. Natura 2000 betreft de natuurparels die vanwege hun natuurwaarden Europese bescherming genieten, hetgeen in Nederland inhoudt, dat werkzaamheden of ontwikkelingen in (de nabijheid van) deze gebieden getoetst dienen te worden aan de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt niet in, noch in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Grensmaas (op een afstand van ca. 1,2 kilometer) en het Bunder- en Elslooërbos (op een afstand van ca. 1,9 kilometer). Gezien deze afstanden zijn er geen significante effecten op dit gebied te verwachten ten aanzien van geluid, licht en trillingen.

Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van stikstofdepositie op dit gebied (zie in dit verband paragraaf 4.12.3). De instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten blijven gewaarborgd. Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. 4.2.4 Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan uitvoerig onderzocht en hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor het planvoornemen en de omgeving. In onderhavig hoofdstuk (hoofdstuk 4) zijn de betreffende milieuaspecten, alsmede de uitgevoerde onderzoeken nader beschreven. 4.2.5 Conclusie Als gevolg van de realisatie van (maximaal) 35 woningen en 32 zorgeenheden, een buurtcentrum en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen ter plaatse van een (voormalige) school- en kerklocatie, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zullen optreden op de in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en (te verwachten) beschermde soorten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige significante effecten zijn te verwachten.

Een verdere (vormvrije) mer-beoordeling wordt derhalve niet noodzakelijk geacht, gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en dat er geen nadelige significante effecten te verwachten zijn.

4.3

Bodem

4.3.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.

42

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

4.3.2 Uitgevoerde bodemonderzoeken In dat kader is een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 (d.d. 15 september 2023, met kenmerk: E231016.001/SBI) uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting bijgevoegd. Uit dit historisch onderzoek is gebleken dat uit de voorhanden zijnde historische informatie geen specifieke aanwijzingen zijn die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Daar geen specifieke eerdere onderzoeken voorhanden zijn, kan op basis van vorenstaande geen eenduidige conclusie worden geformuleerd. Er wordt dan ook geadviseerd om gelijktijdig met het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure tevens een daadwerkelijk bodemonderzoek op te starten. Dit verkennend bodemen asbestonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de NEN-5740 en NEN-5707. Uit het uitgevoerde historisch bodemonderzoek blijkt dat nader onderzoek in de vorm van een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN-5740 en NEN-5707 noodzakelijk is om de bodemkwaliteit beter inzichtelijk te maken. Op basis van dit verkennend onderzoek zal dan blijken of de bodemkwaliteit voldoende is om het planvoornemen te realiseren.

Mocht uit dit verkennend onderzoek eventueel blijken dat sprake is van een verontreiniging dan zal de noodzakelijke sanering van de bodem aan de hand van een plan van aanpak plaatsvinden zodat de bodem geschikt is voor het planvoornemen. Dit zal dan plaatsvinden vooraf of gelijktijdig met het bouwrijp maken van het plangebied. Aangezien ten aanzien van bodem nog niet volledig is aangetoond dat het aspect bodem geen belemmering vormt en nog verkennend en eventueel nader onderzoek noodzakelijk is, is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen binnen de verschillende bestemmingen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaald dat er pas gesloopt en gebouwd mag worden als uit verkennend en eventueel nader onderzoek is gebleken dat het aspect bodem geen belemmering meer is voor het beoogde planvoornemen. 4.3.3 Conclusie bodemkwaliteit Het aspect bodem is nog niet volledig onderzocht. Er is nog nader onderzoek nodig in de vorm van een verkennend bodem- en asbest onderzoek. Om te waarborgen dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen is ten aanzien van bodem een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

4.4

Geluid

4.4.1

Wettelijk kader

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Deze wet voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (bijvoorbeeld de aanpassing van een weg) mogelijk maakt, dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Onderhavig plan voorziet niet in een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron. Daarentegen voorziet dit plan wel in de realisatie van 35 woningen en 32 zorgeenheden, hetgeen in het kader van de Wet geluidhinder wordt aangemerkt als geluidsgevoelig object.

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

43

4.4.2 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (artikel 76, lid 1 Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen en zorgeenheden) binnen de onderzoekszone van de Rijksweg A76 (voor het overige is het plangebied omgeven met 30 km/uur-wegen). Derhalve dient een akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder uitgevoerd te worden. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Uit het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai ((d.d.

12 december 2023, met kenmerk: M230058.001.001.R3/JME ) is gebleken dat de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de A76 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 1 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw binnen de zone van een snelweg wordt echter nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde bedraagt 60 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn.

Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit nader onderzoek voor het bepalen van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen zal worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen en (zorg)appartementen. Het akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai is als Bijlage 2 bij deze toelichting bijgevoegd. 4.4.3 Industrielawaai Verder geldt dat de woningen en zorgeenheden, zijnde geluidsgevoelige objecten, worden gerealiseerd binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein (industrieterrein Chemelot). In het vigerend bestemmingsplan 'Kern Stein' is daarom ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidszone industrie' opgenomen (zie ook paragraaf 1.3.1 van deze toelichting).

Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige objecten binnen een dergelijke geluidszone dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 50 dB(A) niet overschreden wordt. Vanwege de ligging van onderhavig plangebied (en de te realiseren woningen en zorgeenheden) binnen de

44

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

geluidszone van het industrieterrein Chemelot dient (ingevolge artikel 48, lid 1 Wgh) middels een akoestisch onderzoek naar industrielawaai de geluidbelasting op de gevels inzichtelijk te worden gemaakt. Uit het akoestisch onderzoek naar industrielawaa ((d.d. 12 december 2023, met kenmerk: M230058.001.001, R3/JME ) is gebleken dat de berekende geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op diverse toetspunten/gevels wordt overschreden. Hiervoor dient een hogere waarde procedure te worden doorlopen. Op enkele gevels wordt de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) overschreden op de 4e verdieping. Deze gevels dienen daarom als dove gevel uitgevoerd te worden of er mag geen geluidgevoelige ruime achter deze gevel gerealiseerd worden. Het betreffen de beoordelingspunten t56 en t61 tot en met t67 op 11,0 meter. Hoewel de zijgevel van beoordelingspunt t 61 niet berekend is, mag worden aangenomen dat aldaar de maximale ontheffingswaarde ook wordt overschreden op 11,0 meter hoogte. Daarom dient deze gevel eveneens als dove gevel uitgevoerd te worden.

Beoordelingspunten waar de maximale ontheffingswaarde op 11,0 meter wordt overschreden (geel gemarkeerd) Om te waarborgen dat het woon- en leefklimaat van de zorgeenheden op de 4e verdieping wordt gewaarborgd is op de verbeelding de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' opgenomen met in de regels een bijbehorende regeling. De regeling bepaalt dat de gevel van de zorgeenheid als dove gevel moet worden uitgevoerd om het woon- en leefklimaat van de zorgeenheid te waarborgen, tenzij door middel van nader onderzoek aangetoond wordt dat het woon- en leefklimaat van de zorgeenheid is gewaarborgd. Onder een dove gevel wordt in deze verstaan een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

45

geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A) etmaalwaarde, alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In de regels is bepaald binnen de 4e bouwlaag geen verblijfs-/woonruimte c.q. geluidsgevoelige ruimte is toegestaan. Dit betekent dat hier geen extra voorzieningen getroffen hoeven te worden in de vorm van een eventuele dove gevel. Akoestisch onderzoek wegverkeers- en industrielawaai is als Bijlage 2 bij deze toelichting bijgevoegd. 4.4.4 Spoorweglawaai Het plangebied ligt niet binnen een zone voor railverkeerslawaai. Dit is dan ook niet nader onderzocht in het kader van dit planvoornemen. 4.4.5 Warmtepompen Aangezien woningen niet meer met aardgasgestookte installaties mogen worden verwarmd, wordt in de praktijk als alternatief vaak gebruik gemaakt van warmtepompen. Afhankelijk van het type warmtepomp kunnen die pompen bestaan uit onder andere een buitenunit in de vorm van een compressor of een ventilator. De bronvermogens van die pompen kunnen sterk verschillen en in de praktijk kunnen die pompen tot geluidhinder leiden.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de 'stand der techniek' voor wat betreft warmtepompen zich de komende jaren verder zal ontwikkelen, en de geluidshinder die de warmtepompen veroorzaken steeds meer zal afnemen. Sinds april 2021 zijn in het Bouwbesluit 2012 geluidnormen opgenomen voor warmtepompen. Dit betreft een norm van 40 dB op een perceelsgrens met een perceel met een woonfunctie. Indien een warmtepomp een instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (silent-/nachtmodus) mag ingevolge de Regeling Bouwbesluit 2012 voor de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00 uur) een correctie van -5 dB worden toegepast. Uit het Bouwbesluit 2012 (en bijbehorende regeling) volgt - in combinatie met de situering van de buitenunit weliswaar een regulering van de geluidemissie van een warmtepomp, maar slechts voor één enkele pomp. Bij appartementencomplexen of de toepassing van pompen bij een clustering van meerdere woningen c.q. tuinen is echter ook de cumulatieve geluidsbelasting van belang in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op dat punt bevat het Bouwbesluit 2012 geen regels. Om die reden is in beeld gebracht wat de cumulatieve akoestische gevolgen zijn van de toepassing van warmtepompen voor het planvoornemen.

Daarbij wordt ingegaan op de gevolgen daarvan voor de omliggende bestaande woningen en de nieuw te realiseren woningen, waarbij wordt uitgegaan van een (theoretische) situatie waarin alle nieuw te realiseren woningen een eigen warmtepomp krijgen. Uit de als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 14 augustus 2023, met kenmerk: M230058.001.002/JME) blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting afkomstig van de warmtepompen de geluidsnormen uit het Bouwbesluit 2012 (45 dB(A) voor de dagperiode en 40 dB(A) voor de avond- en nachtperiode) niet zullen overschrijden. Gelet op het voorgaande en de eisen die in het Bouwbesluit 2012 worden gesteld aan afzonderlijke warmtepompen, wordt geconcludeerd dat bij de toepassing van warmtepompen ten behoeve van onderhavig planvoornemen geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee geen strijdigheid ontstaat met een goede ruimtelijke ordening.

46

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

4.4.6 Conclusie Het aspect geluid (wegverkeers-, industrielawaai en spoorweglawaai) vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel is een HGW-procedure nodig in het kader van wegverkeers- en industrielawaai. In dat kader dient tevens nader akoestisch onderzoek plaats te vinden om de geluidwering van de gevels te bepalen voor het waarborgen van het binnenniveau. Dit nader akoestisch onderzoek zal uitgevoerd worden in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Tevens dienen een aantal gevels op de vierde verdieping (11 meter) als dove gevel te worden uitgevoerd.

4.5

Geur

4.5.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij de 'omgekeerde werking' gaat het om de vraag of ter plaatse van geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van de standaardnormen van de Wgv af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen en vastleggen in een geurverordening dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. De gemeente Stein beschikt niet over dergelijk geurhinderbeleid of een geurverordening. 4.5.2 Toepassing Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 35 (levensloopbestendige) woningen en 32 zorgeenheden. Woningen en zorgeenheden geven geen geuroverlast voor de nabije omgeving, maar worden gekwalificeerd als zijnde geurgevoelig object. Om deze reden dient aandacht te worden besteed aan het aspect geurhinder. Het plangebied is gelegen te midden van de (woon)wijk Nieuwdorp te Stein.

In de nabije omgeving van het plangebied (binnen een straal van 300 meter vanaf de nieuw te realiseren woningen) bevinden zich geen inrichtingen die stank- of geuroverlast (kunnen) veroorzaken. Ter plaatse van het plangebied is ten aanzien van het aspect geur dan ook geen overlast te verwachten. 4.5.3 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 (lid 1) van de Wet Milieubeheer geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

47

een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijnstof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogt, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

4.6.2 Toetsing Pas als een planvoornemen uitgaat van de realisatie van meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen zal een plan mogelijk in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging van de omgeving. Met onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 35 woningen en 32 zorgeenheden mogelijk gemaakt, waardoor het plan als NIBM is aan te merken. Daarnaast geldt voor het planvoornemen dat de luchtverontreiniging ten gevolge van het plan wordt veroorzaakt door voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Ingevolge de kencijfers van CROW voorziet het planvoornemen in een gemiddelde verkeersgeneratie tussen de 229,6 en 283,2 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (zie ook paragraaf 4.14 van deze toelichting).

NIBM-tool Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen aan te merken is als NIBM, uitgaande van de realisatie van maximaal 35 woningen, 32 zorgeenheden. Gezien het voorgaande is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

48

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

Uitsnede NSL-monitor Op bovenstaande kaartuitsnede is de globale ligging van het plangebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van de twee meest nabij gelegen rekenpunten (op de Rijksweg, A76 en Heerstraat Zuid) voor de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 (rode pijlen) inzichtelijk gemaakt. De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2021 zijn als volgt: pijl ten zuiden van het plangebied (Heerstraat Zuid): maximaal 15,3 µg/m³ (NO2), 17,1 µg/m³ (PM10) en 10,4 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Rijksweg, A76): maximaal 16,0 µg/m³ (NO2), 16,9 µg/m³ (PM10) en 10,4 µg/m³ (PM2,5). Voor het peiljaar 2030 is de volgende prognose aan jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 gesteld: pijl ten zuiden van het plangebied (Heerstraat Zuid): maximaal 10,6 µg/m³ (NO2), 13,7 µg/m³ (PM10) en 7,2 µg/m³ (PM2,5); pijl ten noorden van het plangebied (Rijksweg, A76): maximaal 11,6 µg/m³ (NO2), 13,6 µg/m³ (PM10) en 7,2 µg/m³ (PM2,5). De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m³) en PM2,5 (20 µg/m³) wordt zowel in 2021 als in 2030 niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie (PM10) is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.

De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

49

4.6.3 Conclusie Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is en nader onderzoek met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Tevens zijn in het kader van de omgekeerde werking ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 te verwachten en zodoende een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers. Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang.

De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Bevi geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen. Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Op grond van artikel 13 Bevi dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren.

Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

50

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

4.7.2 Toetsing Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 35 woningen en 32 zorgeenheden. Volgens artikel 1 Bevi worden deze objecten als kwetsbare objecten aangewezen. Door Econsultancy een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage d.d. 18 december 2023 (met kenmerk: 23083.001) is bijgevoegd als Bijlage 4. Uit het onderzoek externe veiligheid blijkt het navolgende. In de nabije omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig (met de bijbehorende afstanden tot het plangebied): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Risicobron Rijksweg A76 Rijksweg A2 Maascorridor Hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding ARG-leiding en MVC-leiding Gasdrukregel- en meetstation van Gasunie Schietsportcentrum Stein Chemelot industrieterrein

Afstand tot het plangebied ca. 260 meter ca. 835 meter ca. 1 kilometer ca. 385 meter ca. 645 meter ca. 500 meter ca. 320 meter ca. 430 meter

Deze risicobronnen zijn op onderstaande kaartuitsnede aangeduid.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied Transportroutes Gelet op de afstand van het plangebied tot de transportroutes (Rijksweg A76, Rijksweg A2 en Maascorridor) zijn voor onderhavig planvoornemen geen belemmeringen te verwachten met betrekking tot het

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

51

plasbrandaandachtsgebied en de plaatsgebonden risicocontour (10-6). Het plangebied bevindt zich daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A76 (stofcategorieën LT1, LT2, GF2, GF3 en GT3), de Rijksweg A2 (stofcategorie LT2) en de Maascorridor (stofcategorie GT3). Ten aanzien hiervan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Buisleidingen De buisleidingen (hogedruk aardgastransportleiding Z-530-03 en defensieleiding, en ARG-leiding en MVC-leiding) liggen op een dusdanige afstand tot het plangebied, dat de buisleidingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen. Inrichtingen Voor de inrichtingen gasdrukregel- en meetstation van Gasunie en schietsportcentrum Stein geldt dat deze inrichtingen op een zodanige afstand tot het plangebied zijn gelegen, dat de inrichtingen geen belemmeringen vormen voor onderhavig planvoornemen. Voor wat betreft het industrieterrein Chemelot geldt dat het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 (en 10-7 en 10-8) ligt. Daarentegen ligt het plangebied wel binnen het invloedsgebied (maatgevende scenario 'toxische wolk'), waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig is. Beperkte verantwoording groepsrisico Voor de volgende scenario's wordt in de rapportage van Econsultancy ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid: 1.

een calamiteit met toxische stoffen (stofcategorieën LT1, LT2 en GT3) op de Rijksweg A76, Rijksweg A2 en Maascorridor of het industrieterrein Chemelot; 2. een calamiteit met brandbare stoffen (stofcategorieën GF2 en GF3) op de Rijksweg A76. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. In geval van een calamiteit met een toxische stof dienen personen binnen te blijven. De mate waarin de bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. In nieuwe bouwwerken wordt geadviseerd een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd (e.e.a. conform Bouwbesluit 2012). Rijksweg A76 Het plangebied ligt in de 3e ring van een koude/warme BLEVE. In de 3e ring treedt licht schade op (geen branden, afbladderen verf en ernstige verkleuringen). Om te voorkomen dat gebouwen gaan branden, kan brandwerend metselwerk worden toegepast en gebruik worden gemaakt van minerale wolisolatie.

Afhankelijk van de plaats van een BLEVE-scenario op de rijksweg A76 is het handelingsperspectief voor de personen binnen het plangebied binnen blijven of ontruimen. Het gebouw moet zodanig worden ingericht dat bewoners van de bron af kunnen vluchten. Bij voorkeur zijn vluchtwegen aan alle zijden van het gebouw aanwezig. Om de zelfredzaam-heid te vergroten dient een ontruimingsplan te worden opgesteld en moet er regelmatig worden geoefend met de betreffende scenario. Tot slot dient aandacht te worden besteed aan risicocommunicatie naar de bewoners van het gebouw. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

52

bestemmingsplan Bruisend Hart Nieuwdorp

In het geval van een calamiteit op de rijkswegen A76 en A2, Maascorridor en industrieterrein Chemelot is het plangebied voor hulpdiensten bereikbaar onder andere via de Suttnerstraat. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen of secundaire brandhaarden blussen. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: op tijd ter plaatse te zijn; voldoende opstelplaatsen te hebben; voldoende blusmiddelen te hebben. Bij de verdere uitwerking van het plan dient ten aanzien van bluswatervoorziening en bereikbaarheid contact te worden gezocht met de Veiligheidsregio Zuid-Limburg. Naar aanleiding hiervan is de Veiligheidsregio Zuid-Limburg ten aanzien van het groepsrisico om advies gevraagd. Op 6 december heeft de veiligheidsregio haar advies (Bijlage 5) uitgebracht, waarin de volgende adviezen worden gegeven: Hittestralingsscenario's Om te voorkomen dat de gebouwen gaan branden kunnen maatregelen worden genomen: Pas materialen toe aan de gevels naar de snelweg A76 en het dak die de impact van de scenario's op het complex verlagen zoals: 1. toepassen van brandwerend metselwerk; 2. gebruik maken van minerale wolisolatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=385104a9-30de-4f84-b460-62199fda9767