CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Rapport ETFAL

Besluitvormende raadsvergadering 27 november 2025, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake Bindend advies aanvraag omgevingsvergunning voor een zendmast op de locatie Haslou, kadastraal bekend als Elsloo, sectie B, perceelnummer 4575, te Catsop11.764 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast heeft de Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan voor regering en parlement, geconcludeerd dat een verband tussen blootstelling aan elektromagnetische velden van antennes en negatieve gezondheidseffecten niet is aangetoond, of waarschijnlijk is. Met onderhavig project wordt binnen de geldende limieten voor elektromagnetische straling geopereerd in relatie tot het waarborgen van de volksgezondheid. Er kan gesteld worden dat het aspect straling en gezondheid geen belemmering zal vormen voor het project omdat er gehandeld wordt in lijn met de rechtspraak van de Raad van State.

Pagina 28 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

4.6

Geluid door activiteiten, geur en trillingen

Wet- en regelgeving Geluid door activiteiten Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. Geur Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt.

Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Trillingen Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl). In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.

Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking plangebied Activiteiten uitgevoerd door bedrijven kunnen invloed hebben op de fysieke leefomgeving, doordat ze geluid, geur, trillingen en soms stof produceren. Om deze reden is het niet altijd aanvaardbaar om een bedrijf op korte afstand van een woning te plaatsen. Overigens andersom ook niet. Bewoners kunnen namelijk geur-, geluid- en trillingenhinder ervaren. Om deze reden is beoordeeld of aanvaardbaar is dat deze functie wordt gerealiseerd. Geur

Pagina 29 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

Onderhavig planinitiatief is geen geurgevoelig gebouw en produceert zelf ook geen geur. Dit aspect is zodoende niet relevant. Geluid door activiteiten Onderhavige ontwikkeling ziet niet op de realisatie van een geluidgevoelig object. Een belemmering als gevolg van geluid van activiteiten is daarom op voorhand uit te sluiten. Daarnaast zal de beoogde mast over het algemeen zelf ook geen geluid produceren. Mogelijk kan het voorkomen dat de bijbehorende apparatuur en technische installatie enig geluid produceert. Dit geluid zal echter niet ver dragen. Bovendien is het dichtstbijzijnde gevoelige object (woning) gelegen op een afstand van ruim 60 meter. Deze woning zal geen overlast ondervinden van geluid van de telecommast. Trillingen Het in gebruik nemen van het beoogde object zal geen toename in trillingen veroorzaken voor omliggend gebied. Verder is de beoogde mast zelf geen gevoelig object voor trillingen waardoor een belemmering op basis daarvan op voorhand uitgesloten kan worden. Resumé Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid door activiteiten, geur en trillingen geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.

Pagina 30 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

4.7

Omgevingsveiligheid

Wet- en regelgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: 1. Zeer kwetsbare gebouwen; 2. Kwetsbare gebouwen en locaties; 3. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s.

Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: 1. Een brandaandachtsgebied, 2. Een explosieaandachtsgebied, en 3. Een gifwolkaandachtsgebied. Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

Pagina 31 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Doorwerking plangebied De beoogde antenne-installatie betreft, in het kader van omgevingsveiligheid, geen kwetsbaar object. Omliggende risicobronnen met externe veiligheidsrisico’s behoeven derhalve geen nadere beschouwing. Ook betreft de antenne installatie, in het kader van omgevingsveiligheid, geen risicobron. Met betrekking tot omgevingsveiligheid is met onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Pagina 32 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

4.8

Water en klimaatadaptatie

Wet- en regelgeving Waterwet De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen.

Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: ▪ Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; ▪ Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; ▪ Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De ‘weging van het waterbelang’, voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Waterschap Limburg Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van Waterschap Limburg. Het Waterschap is daarmee verantwoordelijk voor het opstellen van regels en leggers die betrekking hebben tot het water.

Hierin wordt geregeld op welke wijze men schade aan dijken en oevers dient te voorkomen hoe watertekorten, wateroverlast en watervervuiling voorkomen worden, maar stelt ook regels over waar wel en niet gebouwd mag worden langs of nabij wateren en waterstaatswerken. Waterschapsverordening Limburg De Waterschapsverordening Limburg (in werking vanaf 22 mei 2025) bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van het waterschap. De verordening regelt onder andere het onttrekken en lozen van water en andere watergerelateerde activiteiten. Deze regels zijn van toepassing op iedereen.

Pagina 33 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

Naast beken en dijken kunnen ook aangrenzende grondstroken onder bescherming vallen, zoals aangegeven in de verordening. Hierin staat tevens vermeld voor welke activiteiten een vergunning vereist is. Doorwerking plangebied De initiatiefnemer voert geen compenserende maatregelen uit, aangezien het nieuw aangelegde verhard oppervlak zeer beperkt is. Hierdoor is de invloed op het oppervlaktewatersysteem minimaal. Daarnaast gelden er geen plan specifieke regels vanuit de waterschapsverordening. Derhalve vormt het omgevingsaspect water geen belemmering. Daarbij kan ook in beschouwing genomen worden dat onderhavig planvoornemen geen activiteit bij oppervlaktewater of een waterkering betreft. Verder zal hemelwater afstromen naar omliggend onverhard gebied.

Pagina 34 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

4.9

Verkeer en parkeren

Wet- en regelgeving Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat. Doorwerking plangebied Verkeer Een antenne-installatie is op zichzelf geen functie die een verkeersgeneratie met zich meebrengt. Verkeersbewegingen van en naar het plangebied betreffen enkel incidentele vervoersbewegingen. Dit houdt in dat het in stand houden van de antenne-installatie geen invloed heeft op de verkeersintensiteit. Parkeren Een antenne-installatie is op zichzelf geen functie die een parkeervraag met zich meebrengt.

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt enkel incidenteel nabij de antenne-installatie geparkeerd. In de nabije omgeving van de antenne-installatie zijn hiervoor voldoende parkeerplaatsen aanwezig van het sportpark Haslou of bij de Scouting Elsloo.

Pagina 35 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

4.10

Beschermen van de gezondheid

Wet- en regelgeving De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Doorwerking plangebied In paragraaf 4.5 is onderbouwd dat de initiatiefnemer zich aan de geldende limieten voor elektromagnetische straling houdt. Daarmee is de volksgezondheid voldoende gewaarborgd en kan er worden gesteld dat er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Verder is uit een toetsing van de overige omgevingsaspecten aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving zal opleveren.

Zo zal het beoogde object geen significant negatieve invloed op het water en de ecologie tot gevolg hebben, en levert het object geen overlast op voor omwonende op het gebied van bodem, geluid, trillingen of externe veiligheid. Bovendien zal het object een toevoeging voor de omgeving zijn op het gebied van dekking van mobiele telecommunicatie. Dit zorgt voor een verbetering in woonkwaliteit, vestigingskwaliteit en veiligheid omdat veiligheidsdiensten beter bereikbaar zullen zijn.

Pagina 36 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

5

Wijziging Omgevingsplan

Vanaf 1 januari 2032 geldt de verplichting dat gemeenten binnen vijf jaar de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten hebben verwerkt in het omgevingsplan. Overigens wordt bij Koninklijk Besluit de datum van 1 januari 2032 nog vastgelegd (artikel 22.5 van de Omgevingswet). Ingevolge artikel 4.17 van de Omgevingswet is bepaald dat gemeenten een voortdurende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet verwerken in het omgevingsplan. Het verwerken van de vergunning dient binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit te zijn uitgevoerd. Om een buitenplanse omgevingsactiviteit te verwerken in het omgevingsplan dient hij ingevolge van artikel 8.97a tot en met 8.97c in overeenstemming te zijn met de: ▪ Instructieregels van het Bkl; ▪ Instructieregels in de omgevingsverordening van de provincie; ▪ Instructie van het rijk of provincie. Doorwerking plangebied Om het te verwerken van buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan probleemloos te laten verlopen worden in deze paragraaf de strijdigheden met het tijdelijk omgevingsplan opgesomd. Het planinitiatief is in strijd met het volgende artikel van het bestemmingsplan ‘Kern Elsloo’: ▪ Artikel 13.1, omdat het gebruik niet passend is binnen de bestemmingsomschrijving behorende bij de bestemming ‘Sport’.

▪ Artikel 13.2, omdat de toegestane bouwhoogte ter plaatse van het plangebied wordt overschreden.

Pagina 37 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

6

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. Doorwerking plangebied Omdat geen sprake is van een bouwplan als bedoeld in de wet (artikel 13.11 van de Omgevingswet), is geen sprake van een verplicht kostenverhaal. De kosten voor het doorlopen van de procedure zullen verhaald kunnen worden middels leges. De gemeente Stein heeft voor het vorderen van leges het beleidsdocument ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges Stein 2025’. De initiatiefnemer zal voldoen aan de leges. 6.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: ▪ die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; ▪ die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift. Doorwerking plangebied Voor onderhavig project geldt dat het effect van de ontwikkeling op de omgeving ten opzichte van de huidige situatie minimaal blijft. Een nadere beschouwing van eventuele nadeelcompensatie wordt niet nodig geacht. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven: ‘Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.’ (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit). ‘Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.’ (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit).

Pagina 38 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

Doorwerking planinitiatief De initiatiefnemer heeft reeds participatie uitgevoerd. Betrokken partijen, waaronder de omliggende sport- en scoutingvereniging, zijn geïnformeerd over het voorgenomen plan en uitgenodigd voor een voorlichtingsavond met het Antennebureau. Tijdens deze bijeenkomst is toelichting gegeven over veiligheid, radioplannen en dekking. Daarnaast heeft NOEM de noodzaak en locatiekeuze toegelicht. De voorkeur van de participanten gaat uit naar een locatie zo dicht mogelijk bij de poort naast het scoutingclubhuis. Afgesproken is dat hierover nader overleg met de gemeente zal plaatsvinden. Door belanghebbenden actief bij het initiatief te betrekken en hun voorkeuren te inventariseren, is voldaan aan de participatie-eis. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De beslistermijn voor een aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht). 6.2.3 Bezwaar/beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de korte procedure voor. In de bezwaarprocedure maakt iemand bezwaar tegen een besluit. Deze persoon moet het bezwaar indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.

Pagina 39 van 40

ETFAL-motivering Sportpark Haslou, Catsop/Elsloo

7

Conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Uit hoofdstuk 4 van voorliggende ETFAL blijkt dat het planinitiatief geen belemmering vormt voor het beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente. Vervolgens is in hoofdstuk 5 getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bijlage 1: AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase

Pagina 40 van 40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=15034a11-e118-4e0d-9c81-6d8706027322