CConstaterende datStein
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Wmo-verordening 2020.pdf

Oordeelsvormende raadsvergadering 22 juli 2021, gemeente SteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Beheersmaatregel collectief vervoer (Omnibuzz)16.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Stein

Verordening maatschappelijke ondersteuning Stein 2020 De raad van de gemeente Stein ; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikelen 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; gezien het advies van de adviesraad Sociaal Domein en de Steinse Jongeren Adviesraad; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het

noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een samenleving waarin iedereen mee kan doen.; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Stein 2020

1

Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Lid 1. Aanbieder Natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening; of een maatwerkvoorziening te leveren; Lid 2. Aanvraag Een verzoek van een cliënt om een besluit te nemen; Lid 3. Algemeen gebruikelijke voorziening Een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn. Lid 4. Algemene voorzieningen Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn bijvoorbeeld een klussendienst, een wasen strijkservice, een maaltijdvoorziening, sociaal vervoer, informele buurtzorg, sociaal culturele voorzieningen, opvang voor dak- en thuislozen die uitsluitend bestaat uit slapen en eten zonder verdere ondersteuning. Lid 5. Begeleiding Activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; Lid 6.

Beschermd wonen Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Lid 7. Bijdrage in de kosten Bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4.a van de wet; Lid 8. Cliënt Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; Lid 9. Cliëntondersteuning

2

Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het verstreken van de zelfredzaamheid en participatie van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Lid 10. Gebruikelijke hulp Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; Lid 11. Gesprek Een gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 12. Hulpmiddel; Roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen; Lid 13. Hulpvraag Behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 14. Maatschappelijke ondersteuning: a)

bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

b)

ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

c)

bieden van beschermd wonen en opvang;

Lid 15. Maatwerkvoorziening Op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: a)

ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

b)

ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

c)

ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

Lid 16. Mantelzorg Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Lid 17. Melding Melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; Lid 18. Opvang 3

Onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; Lid 19. Participatie Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; Lid 20. Persoonlijk plan Plan zoals bedoeld is in artikel 2.3.2.2, van de wet; Lid 21. Persoonsgebonden budget (pgb) Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden heeft betrokken; Lid 22. Sociaal netwerk Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Lid 23. Vertegenwoordiger Persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; Lid 24. Voorziening Algemene voorziening of maatwerkvoorziening, goedkoopst adequate beschikbare voorziening van aard; Lid 25. Wet Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Lid 26. Woningaanpassing Bouwkundige of woon technische ingreep in of aan een woonruimte; Lid 27.

Zelfredzaamheid In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2. Melding hulpvraag Lid 1. Een hulpvraag kan door middel van een hiervoor beschikbaar formulier of vormvrij door of namens een cliënt bij het college telefonisch, mondeling, schriftelijk of elektronisch worden gemeld. Lid 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. Lid 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning Lid 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 4

Lid 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Lid 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt een afspraak voor een onderzoek (zie Besluit nadere regels). Lid 2. Voor of tijdens het onderzoek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment, redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. Lid 3. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Lid 4. Als er van de cliënt voldoende gegevens beschikbaar en bekend zijn bij de gemeente, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Lid 1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel zijn vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, en voor zover nodig: a)

de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b)

het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

c)

de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door een beroep te doen op een voorliggende (wettelijke) regeling zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d)

de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

e)

de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

f)

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

g)

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen en opvang;

h)

de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

5

i)

welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn en

j)

de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Lid 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, derde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Lid 3. Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Lid 4. Als er van de cliënt onvoldoende gegevens beschikbaar en bekend zijn bij de gemeente, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 6. Verslag Lid 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Lid 2. Binnen 10 werkdagen na heronderzoek verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een verslag van de uitkomsten van het gesprek. Lid 3. Als tijdens het onderzoek blijkt dat de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dan kan de cliënt direct een aanvraag indienen, middels het daarvoor bestemde aanvraagformulier, dat de klantmanager Wmo meeneemt naar het gesprek. Lid 4. Het verslag wordt in geval van art. 6 lid 3 wel opgestuurd naar de cliënt maar hoeft niet meer geretourneerd te worden als de cliënt het eens is met het verslag en de gemaakte afspraken. Als de cliënt nog relevante aanvullingen heeft op het verslag dan kan hij dat aangeven en het verslag binnen 2 weken retourneren. Lid 5. Als tijdens of na het onderzoek blijkt dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening dan wordt na het gesprek het verslag naar de cliënt gestuurd met daarin de optie dat de cliënt geen aanvraag doet. Als de cliënt het hiermee niet eens is en toch een aanvraag wil doen, moet hij dit met redenen omkleed binnen 2 weken schriftelijk kenbaar maken.

Artikel 7. Aanvraag Lid 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een schriftelijke aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen bij het college. a.

Een aanvraag kan ingediend worden door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of

b.

Een door de cliënt ondertekend verslag als bedoel in artikel 6, welke binnen twee weken wordt retourneert door cliënt.

Lid 3. Indien binnen zes weken na melding geen onderzoek heeft plaats gevonden, dan kan cliënt een aanvraag indienen conform artikel 2.3.2. van de Wmo. Lid 4. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening 6

Lid 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. Lid 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of Lid 3. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Lid 4. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als: a)

de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

b)

de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;

c)

er sprake is van een langdurige noodzaak tenzij kortdurende spoedeisende hulp bij het huishouden, kortdurend verblijf en/ of kortdurende begeleiding leidt tot het verbeteren van de participatie en zelfredzaamheid;

d)

de cliënt woonachtig is in de gemeente Stein, tenzij de cliënt een beroep doet op beschermd wonen of opvang;

e)

er sprake is van beperkingen, (chronische) psychische en/of psychosociale problemen die de zelfredzaamheid en participatie belemmeren.

f)

goedkoopst adequate voorziening.

Lid 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a)

tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b)

tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

c)

als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

7

a)

voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

b)

voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

c)

voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen

d)

kan wegnemen;

e)

indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

f)

indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

g)

voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

h)

indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond;

i)

als deze niet langdurig noodzakelijk is;

j)

indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Stein;

k)

indien cliënt onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek.

Lid 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a)

voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

b)

ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, aangezien de voorziening bedoeld is voor woningen die de eigenschappen hebben van een zelfstandige woonruimte, permanent bewoond worden, en als hoofdverblijf dienen. Dit geldt bovendien voor specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Hierbij wordt wel een uitzondering gemaakt voor het bezoek baar maken van een woning.

c)

voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

d)

indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

e)

indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

f)

voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger uitrustingsniveau voor sociale woningbouw

Lid 3. Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een 8

persoonsgebonden budget in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is. Als het collectieve systeem de vervoersbehoefte niet volledig dekt kan de cliënt, naast deze collectieve vervoersvoorziening in aanmerking komen voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een PGB.

Artikel 10. Advisering Het college wint een specifiek deskundig advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Artikel 11. Inhoud beschikking Lid 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Lid 2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Lid 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a)

welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is;

b)

wat de ingangsdatum en indien van toepassing wat de duur van de verstrekking is;

c)

in welke leveringsvorm de voorziening wordt verstrekt;

d)

indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn, en

e)

als sprake is van een te betalen bijdrage in kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Lid 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a)

voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

b)

welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c)

wat het bedrag van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d)

welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

e)

wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

f)

de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Artikel 12. Regels voor pgb Lid 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

9

Lid 2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Lid 3. Een persoonsgebonden budget wordt versterkt, indien: a)

de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b)

de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c)

naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Lid 4. De hoogte van het pgb: a) wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en 2. indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b) wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; 2. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Lid 5. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a)

Een hulpmiddel: op basis van de kostprijs van het hulpmiddel die de cliënt zou hebben ontvangen als het hulpmiddel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.

b)

Huishoudelijke ondersteuning: De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning: 1.

Voor hulp bij het huishouden door een niet daartoe opgeleid persoon die niet werkzaam is voor een instelling of als ZZP’er: minimumuurloon met vakantiegeld en – uren van betreffend kalenderjaar + 2%

2.

Voor hulp bij het huishouden door een daartoe opgeleid persoon werkzaam voor een instelling of als ZZP’er: € 22,89 per uur per 1-1-2019; vanaf 1-1-2020 wordt het 10

tarief jaarlijks geïndexeerd met de OVA-index minus 1 jaar. (Een onderneming als bedoel in artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van huishoudelijke ondersteuning) c)

Maatwerkvoorziening ondersteuning: De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening ondersteuning wordt bepaald per arrangement Ondersteuning, op basis van het basistarief voor het betreffende arrangement Ondersteuning in natura. Afhankelijk van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening ondersteuning worden de volgende percentages van dit basistarief gehanteerd: 1.

Ondersteuning door een persoon die behoort tot het sociale netwerk dan wel een niet daartoe opgeleid persoon: 90% van het natura tarief;

2.

Ondersteuning door een daartoe opgeleide professional of instelling: 95% van het natura tarief;

3.

Vervoer binnen de maatwerkvoorziening ondersteuning wordt indien nodig bepaald op basis van 100% van het vervoer tarief in natura.

d)

Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf: De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening kortdurend verblijf wordt bepaald per dag, op basis van het basistarief voor kortdurend verblijf in natura. Afhankelijk van de uitvoerder van de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf worden de volgende percentages van dit basistarief gehanteerd: 1.

Kortdurend verblijf door een door een niet daartoe opgeleid persoon of ZZP’er: 90% van het natura tarief;

2.

Kortdurend verblijf door een instelling (eventueel door de gemeente gecontracteerd): 95% van het natura tarief.

e)

Eenvoudige woningaanpassingen: Voor het berekenen van de kosten van eenvoudige standaard woningaanpassingen gelden de normbedragen, zoals opgenomen in de genormeerde lijst van prijzen van woningaanpassingen (nader gespecificeerd in het Besluit nadere regels 2018). Deze normbedragen worden jaarlijks door de gemeente vastgesteld. De standaardaanpassingen kunnen conform de vastgestelde normbedragen uitgevoerd worden (bijvoorbeeld door aannemers of installateurs).

f)

Complexe woonaanpassingen (bouwkundige- of woon technische woonvoorziening): 1.

De hoogte van het Pgb voor een bouwkundige of woon technische woonvoorziening en de daarmee eventueel samenhangende kosten van onderhoud, verzekering, keuring en reparatie wordt bepaald aan de hand van door de belanghebbende opgevraagde vergelijkbare offertes, waarbij de prijs van de leverancier die de goedkoopst adequate voorziening kan leveren doorslaggevend is. De gemeente is gemachtigd om een tegenofferte op te vragen;

2.

De hoogte van het Pgb voor een bouwkundige of woon technische woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde die vermeld staat in de door het college geaccepteerde offerte voor de goedkoopst adequate voorziening. 11

g)

h)

Verhuiskosten: 1.

Verhuiskosten worden uitsluitend in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;

2.

Het persoonsgebonden budget voor verhuiskosten bedraagt maximaal € 2.000,-

3.

De vervaldatum voor verhuiskosten betreft 1 jaar na datum beschikking.

Tijdelijke huisvesting: 1.

Tijdelijke huisvestingskosten worden uitsluitend in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;

2.

Kosten van een tijdelijke huisvesting, die ontstaan doordat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van een woningaanpassing tijdelijk niet bewoond kan worden, kunnen worden vergoed als die door de persoon met beperkingen moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: 1. Zijn huidige woonruimte 2. Zijn nog te betrekken woonruimte

3.

De hoogte van het Pgb is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten, met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13, lid1 onder a van de Wet op de huurtoeslag.

4. i)

Het Pgb kan maximaal voor de duur van 6 maanden worden verstrekt.

Bezoekbaar maken van een woning: Het maximumbedrag dat wordt verstrekt bij het bezoekbaar maken van een woning, niet zijnde het hoofdverblijf, bedraagt maximaal € 4.538,-.

j)

Woningsanering: 1.

Woningsaneringen worden uitsluitend in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;

2.

Bij woningsanering (nieuwe bedekking van de vloer / raambekleding) in verband met astma en allergie en het verstrekken van rolstoeltapijten, wordt het persoonsgebonden budget voor woningsanering op basis van de maximum normbedragen verstrekt, zoals nader gespecificeerd in het Besluit nadere regels 2018.

3.

De in het Besluit nadere regels 2018 genoemde normbedragen worden bepaald op: 1. 100% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening tot twee jaar; 2. 75% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening tussen de twee en vier jaar; 3. 50 % bij een ouderdom van de te vervangen voorziening tussen de vier en zes jaar; 4. 25% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening tussen de zes en acht jaar; 5. 0% bij een ouderdom van de te vervangen voorziening van 8 jaar of ouder;

4.

Een persoonsgebonden budget voor woningsanering wordt slechts éénmaal verstrekt;

12

k)

Auto aanpassingen: 1.

Autoaanpassingen worden uitsluitend in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt en enkel indien de auto niet ouder is dan 3 jaar;

2. l)

Het maximale bedrag voor een autoaanpassing bedraagt € 1.500,-.

Sportvoorziening: 1.

Sportvoorzieningen worden uitsluitend in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt;

2.

De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening bedraagt maximaal €3.500,- welke is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie voor een periode van drie jaar.

Lid 6. Er bestaat geen aanspraak op een pgb: a.

indien er een kortdurende ondersteuningsbehoefte van drie maanden of minder bestaat;

b.

Indien de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, een van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

c.

indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, een van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

d.

Indien de cliënt geen of een onvolledig budgetplan heeft overlegd;

e.

Indien de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen;

f.

Indien sprake is van een vervanging van een maatwerkvoorziening in natura waarvan de afschrijftermijn nog niet is verstreken;

g.

Indien er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet;

h.

Indien naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het pgb zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;

i.

Indien bekend is dat de cliënt op een zodanige termijn gaat verhuizen buiten de gemeente, dat de afschrijftermijn van de maatwerkvoorziening ten tijde daarvan nog niet zal zijn verstreken;

j.

Indien op voorhand vaststaat dat op korte termijn vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is;

k.

Indien de cliënt naar oordeel van het college redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het pgb te beheren, tenzij de cliënt de cliënt het beheren laat uitvoeren door een gemachtigde die: 1. Niet werkzaam is bij of via de rechtspersoon waar de ondersteuning met het pgb wordt betrokken. 2. Niet de rechtspersoon is, of gelieerd aan de rechtspersoon waar de ondersteuning met het pgb wordt betrokken.

13

l.

Voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening;

m. Indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e van de wet, oftewel: 1. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 2. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; 3. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt. o. Indien de cliënt zich niet gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Lid 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Lid 2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen in natura of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen. Lid 3. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer € 0,80 per zone per 1 januari 2019; vanaf 1 januari 2020 wordt het tarief jaarlijks geïndexeerd met de NEA-index. Lid 4. De kostprijs van een: a)

Maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

b)

Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening [huur of eigendom];

Lid 5. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd. Lid 6. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 14

Lid 1. Gecontracteerde aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a)

zorg te dragen dat de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is

b)

het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

c)

het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

d)

erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

e)

voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken

Lid 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Lid 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 15. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Lid 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. Lid 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. Lid 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Lid 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, beëindiging, intrekking of terugvordering Lid 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Lid 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat: a)

de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; 15

b)

de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

c)

de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

d)

de cliënt niet of niet meer voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

e)

de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

f)

de cliënt niet verantwoord gebruik maakt van de maatwerkvoorziening.

Lid 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 3 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Lid 4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Lid 5. Ingeval het recht op een in eigendom/bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Lid 6. Het college onderzoekt vanuit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s en het gebruik van maatwerkvoorziening.. Lid 7. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers van cliënten in de gemeente Stein ontvangen jaarlijks een blijk van waardering. Het college bepaalt bij nadere regeling de invulling van de blijk van waardering en de daarvoor geldende criteria.

Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Lid 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a)

een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

b)

een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

Lid 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

16

a)

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

b)

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

Lid 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a)

de kosten van de beroepskracht;

b)

redelijke overheadkosten;

c)

kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d)

reis en opleidingskosten;

e)

indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f)

overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen, en

Lid 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Lid 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 19. Klachtregeling Lid 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen . Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Lid 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. Lid 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Lid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

17

Lid 2 Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Artikel 22. Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit nadere regels Wmo 2020 van de gemeente Stein geldende bedragen verhogen of verlagen.

Artikel 23. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.

Artikel 24. Bevoegdheid college van burgermeester en wethouders Het college van burgermeester en wethouders beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet.

Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Lid 1. De Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Stein 2018 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2020. Lid 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Stein 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Lid 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Stein 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens die verordening van 2020. Lid 4. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken indien cliënt bij verstrekking op grond van de verordening van 2018 recht op een evident betere voorziening zou hebben gehad. Lid 5. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Stein 2018, welke aanhangig zijn gemaakt voor of uiterlijk zes weken na het in werking treden van deze verordening, wordt beslist met inachtneming van de verordening van 2020.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel Lid 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2020 Lid 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stein 2020.

18

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning 2020 gemeente Stein Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en– financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze taken zijn destijds toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Een van de uitgangspunten hierbij was en is dat er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Binnen de gemeente Stein zal een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen.

Dit doen we om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren. Daarnaast kan zo bepaald worden of met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is in de vorm van maatwerk. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

19

De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige klantmanagers, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel nietondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

Artikelsgewijs Artikel 1. Begripsbepalingen Voor een uitwerking van de in deze verordening gebruikte begrippen zie art. 1 van deze verordening. Hieronder is een beknopte toelichting van een tweetal begrippen. Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets vrij verkrijgbaar in de fietswinkel. Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van , algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. In de toelichting zijn geen verdere definities opgenomen. Indien nodig kunnen definities geraadpleegd worden in de wet. Naast de Wmo 2015 kent ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid):

een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen , en ‘beschikking’ (artikel 1:2).

Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. 20

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email), schriftelijk, fysiek en telefonisch kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg daarvoor geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Particiaptiewet en de Leerplichtwet. Als een cliënt, al dan niet in verband daarmee, behoefte heeft aan ondersteuning bij het verhelderen van zijn ondersteuningsbehoefte, dan wordt de cliënt hierbij ondersteund. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen.

Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. Hierin is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. De gemeenten heeft de opdracht om een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaalt dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling waarborgt een zorgvuldige procedure. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een 21

aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid. Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Bij het onderzoek zal in samenspraak met de cliënt en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger in de eerste plaats gekeken worden naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een algemene voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een maatwerkvoorziening. Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger) wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de cliënt en de thuissituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de cliënt (en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger). In onderdeel b is als onderwerp van onderzoek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.

183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

Artikel 6. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet. Door dat de gemeente aan de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het gesprek onderzoek verstrekt, wordt deze om staat te gesteld een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Een verslag bevat echter geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor om te kunnen voorzien in de behoefte van de cliënt worden opgenomen. Uiteraard kan de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Uiteraard kan de weergave van de uitkomsten anders zijn naar het gelang van het onderzoek per cliënt variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe ondersteuningsvragen zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. In dat geval wordt het verslag ondertekend door de cliënt en de contactpersoon van de gemeente waar het gesprek mee is gevoerd. Desgewenst kan de gemeente het verslag van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor 22

het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, worden vastgelegd. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Soms kan een verslag al direct worden overhandigd, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en zal er aanvullend onderzoek worden gedaan. Daar gaat enige tijd overheen. Daarom wordt in het tweede lid vastgesteld dat er na uiterlijk 10 werkdagen na datum van het onderzoek een verslag met de uitkomsten van de het gesprek naar de cliënt wordt opgestuurd, tenzij anders met de cliënt afgesproken. Het kan overigens ook zijn dat na een onderzoek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is enige tijd na het onderzoek nuttig. In ieder geval geeft het verslag inzicht in de door de klant gewenste resultaten. Indien de cliënt na ontvangst van het verslag nog relevante aanvullende opmerkingen heeft worden deze aan het verslag toegevoegd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Stein&id=75ed0c53-fc75-4726-9bc1-4c9e2a0efbc1