1. Ontwerp-Omgevingsvisie.pdf
Tekst van het document
Verbeteren van de digitale bereikbaarheid In de toekomst zal een goede digitale bereikbaarheid voor Stein als woongemeente steeds belangrijker worden. De Covid-19 crisis heeft duidelijk gemaakt dat we onafhankelijk van tijd en plaats digitaal kunnen werken en leven. Wanneer de trend van meer digitaal vanuit thuis werken en studeren doorzet, kunnen we daar als woongemeente van profiteren. Mensen zijn minder gebonden aan vaste werklocaties ver buiten onze regio en werken meer vanuit thuis, waardoor zij in de regio blijven wonen of terugkeren. Wij streven er dan ook naar om de digitale bereikbaarheid voor onze inwoners, bedrijven en ondernemers te optimaliseren.
Wat gebeurt er al en wat zijn de ontwikkelingen met betrekking tot het verbeteren van de digitale bereikbaarheid? Het grootste gedeelte van de gemeente Stein is reeds aangesloten op het glasvezelnetwerk. Wij streven ernaar om het glasvezelnetwerk uit te breiden naar 100%. Wij hebben de Provincie Limburg gevraagd om Stein mee te nemen in het dossier “snel Internet in het buitengebied”. De provincie heeft de ambitie om tot een aanpak voor Zuid-Limburg te komen en de zeer dure adressen in heel Limburg van een aanpak te voorzien.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 62
Voor omgevingsvergunningplichtige antenne-installaties gelden de volgende algemene beleidsuitgangspunten: • plaatsing van een zendinstallatie op of bij monumenten en in de beschermde stads- en dorpsgezichten in het algemeen is niet toegestaan; • er moet steeds worden gestreefd naar maximale site-sharing; • de plaatsing op bestaande antennemasten of andere bestaande bouwwerken zoals hoogspanningsmasten, lichtmasten en verkeersportalen heeft nadrukkelijk de voorkeur; • er moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande bebouwing of elementen; • plaatsing dient zoveel mogelijk uit het zicht te gebeuren; • de installaties dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur en/of de omgeving; • de installaties mogen geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving; • specifieke architectonische kenmerken mogen niet aangetast worden; • bij in aanmerking komende nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de integratie van de installatie; • een goede vormgeving van installaties en montage- en bevestigingsmethodieken kan de integratie in de omgeving en acceptatie vergemakkelijken; • voor het aanbrengen van installaties nabij bestaande masten en reclamezuilen gelden dezelfde beoordelingscriteria als voor de vormgevende aspecten van gebouwen; • de antenne-installaties, alsmede de bijbehorende technische installaties en de bedrading, moeten
door middel van zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden; • het ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een volledig inzichtelijk beeld te geven van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur. Voor het verlenen van medewerking wordt onderscheid gemaakt in stimulerend en restrictief beleid voor bepaalde gebieden. Stimulerend beleid Hierbij wordt in principe medewerking verleend aan realisering van omgevingsvergunningplichtige antenne-installaties. Deze medewerking is afhankelijk van de functie van de locatie in een bepaald gebied. Stimulerend betekent dan ook ‘onder voorwaarden mogelijk’. Medewerking vindt plaats indien in ieder geval is voldaan aan de algemene beleidsuitgangspunten. Restrictief beleid Hierbij wordt geen medewerking verleend aan de realisering van antenne-installaties in de aangegeven gebieden/functies, tenzij door de aanvrager wordt aangetoond dat in de gebieden waar een stimulerend beleid wordt gevoerd geen adequate locatie c.q. oplossing gevonden kan worden. In zijn algemeenheid wordt een verzoek tot plaatsing van een antenne-installatie getoetst aan de volgende criteria: stedenbouwkundige, landschappelijke, bouwtechnische, ruimtelijke kwaliteit, monumentale en maatschappelijke aspecten. In een als ‘restrictief’ aangemerkt gebied/functie gelden deze aspecten in versterkte mate.
Samengevat ziet dit er als volgt uit: Antwoord Vraag Capaciteit Capaciteit
Gebied
Beschermd stadsen dorpsgezicht Stedelijk gebied/ Gebied binnen bebouwde kom
Woonfuncties
Werkfuncties
Recreatieve functies
Restrictief
Restrictief
Restrictief
Restrictief
Stimulerend
Stimulerend
Restrictief
Stimulerend
Stimulerend
Capaciteit Industriegebied
Ontwerp-Omgevingsvisie • 63
Capaciteit/ Dekking
Buitengebied
Restrictief
Stimulerend
Restrictief
Capaciteit/ Dekking
Infrastructuur
Restrictief
Stimulerend
Restrictief
7.4 Uitgangspunten thema een bereikbare en bedrijvige gemeente Het realiseren van de ambities is gericht op het versterken van het economisch klimaat en dit mag niet leiden tot een inbreuk op de leefkwaliteit in onze woonkernen. Hiertoe is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met economische bedrijvigheid inzichtelijk wordt gemaakt wat de impact is op de leefkwaliteit, welke maatregelen getroffen moeten worden om de negatieve gevolgen tegen te gaan en hoe deze maatregelen in dialoog met de omgeving tot stand komen en op draagvlak worden getoetst. Wij willen onze unieke omgevingskwaliteiten behouden en versterken waarbij kwaliteit en kleinschaligheid leidend zijn. Bij het realiseren van onze ambities met betrekking tot een bereikbare en bedrijvige gemeente zullen wij deze uitgangspunten niet uit het oog verliezen. De ambities en ontwikkelingen rond Chemelot zijn ook van belang voor onze gemeente in het kader van o.a. het versterken van de regionale en lokale economie, het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid. Een absolute voorwaarde voor ons is dat er een balans moet zijn tussen deze ontwikkelingen enerzijds en de ontwikkelingsmogelijkheden van onze gemeente anderzijds.
Ontwikkelingen binnen de inrichting Chemelot kunnen er immers toe leiden dat mogelijkheden voor bijvoorbeeld woningbouw en bedrijven in onze gemeenten in het gedrang komen vanwege regelgeving, waaronder omgevingsveiligheid en geluidsregelgeving.
Hoofdstuk 8
Energietransitie
Ontwerp-Omgevingsvisie • 64
8.1
Wat willen we bereiken?
In het Klimaatakkoord is met het Rijk afgesproken dat provincies, gemeenten en waterschappen primair aan de lat staan om via de Regionale Energiestrategieën (RES-en) maatschappelijk gedragen (ruimtelijke) keuzes te maken voor duurzame elektriciteitsopwekking op land (35 Twh in 2030) en alternatieve warmtevoorzieningen in de gebouwde omgeving. Voor deze energietransitie is (schaarse) ruimte in de fysieke leefomgeving nodig, zowel boven als onder de grond (zie ook hoofdstuk 7 onderdeel bodem). Voor de energietransitie zijn verschillende maatregelen op lokaal niveau noodzakelijk, waarbij wij open staan voor innovatieve toepassingen. De basis hiervoor is gelegd in onze Energievisie. Wij willen in de gemeente Stein een vermindering van de CO2-uitstoot (in 2030 met 49% verlaagd en in 2050 is de gemeente Stein energieneutraal).
8.2
Wat gaan we doen?
De volgende hoofddoelen zijn in de Energievisie opgenomen: • Faciliteren en bijdragen aan de realisatie van de energietransitie • Stimuleren van verduurzamen woningen en gebouwen (warmte en elektriciteit) • Zorgvuldige inpassing van de maatregelen ten behoeve van de energietransitie in de omgeving • Bedrijven stimuleren om deel te nemen aan de energietransitie • Verduurzamen van de mobiliteit In deze Omgevingsvisie sluiten we aan bij de uitgangspunten van de Energievisie. De energietransitie zien we als een rode draad die dwars door de andere vier thema’s van de Omgevingsvisie loopt. We zullen per thema de ambities met betrekking tot de energietransitie aangeven. Daarnaast gaan we in op de opgaven die voor onze gemeente voortvloeien uit de Regionale Energiestrategie (RES) Zuid-Limburg. Tot slot is energiebesparing als aparte opgave geformuleerd.
8.2.1 Sociale en vitale wijken en de energietransitie We faciliteren onze inwoners bij de totstandkoming van de energietransitie. Wij informeren onze inwoners en stimuleren projecten en eigen initiatieven van inwoners. Hierbij staat betrokkenheid en participatie van onze inwoners centraal. Woningcorporaties zien wij als startmotor bij het meenemen van het particuliere bezit in de energietransitie. Naast de energietransitie is energiebesparing een belangrijke maatregel. De energietransitie in wijken en kernen verbinden wij aan de transformatie en het verduurzamen van de woningvoorraad (zie hoofdstuk 5). In 2050 dienen uiteindelijk alle woningen en gebouwen in Nederland van het aardgas af te zijn en aangesloten te zijn op een alternatieve warmtebron. De doelstelling voor 2030 is om 20% van de woningen in Nederland van het aardgas af te sluiten en middels een alternatieve warmtebron te verwarmen. Naast plaatsing van zonnepanelen op daken en mogelijkheden voor duurzame opwek van energie op land vanuit de RES wordt de Transitievisie Warmte (TVW) opgesteld. De resultaten van de RES en de Regionale Structuur Warmte (onderdeel van de RES) vormen input voor deze TVW. In de TVW wordt vastgesteld welke wijk voor 2030 van het gas af gaat en welke alternatieve warmtebron in deze wijk volgens de gemeente de beste oplossing is.
Hierbij wordt ook een doorkijk gegeven naar 2050, wanneer de gehele woningvoorraad van het (aard)gas af moet zijn. De TVW wordt uiterlijk in december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De doelen uit de TVW worden in een vervolgtraject verwerkt in specifieke wijkuitvoeringsplannen waarin per wijk de transitie wordt beschreven die de wijk dient te ondergaan om van het (aard)gas te gaan en om aangesloten te worden op een alternatieve warmtevoorziening.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 65
In het kader van de leefkwaliteit van onze wijken en kernen hanteren we het uitgangspunt van multifunctioneel ruimtegebruik. Dit wil zeggen dat een combinatie van verschillende functies de voorkeur heeft boven enkelvoudige functies. Wat gebeurt er al en wat zijn de ontwikkelingen? Naar aanleiding van deze ambities uit onze Energievisie en onze visie op levensloopbestendig wonen is het project Dubbel Duurzaam Stein ontstaan. Dit project bestaat uit diverse deelprojecten, zoals het aanbieden van energie- en zorgscans, informatiebijeenkomsten, duurzaamheidsloket (telefonisch en fysiek) én het Huis van de Toekomst. Alle deelprojecten hebben als doel om inwoners uit de gemeente Stein te informeren en enthousiasmeren aangaande levensloopbestendig wonen en het verduurzamen van woningen.
8.2.2 Een veilige en gezonde leefomgeving en de energietransitie Om de veiligheid en gezondheid te waarborgen willen wij zicht hebben op de veiligheidsaspecten die samenhangen met de energietransitie en nieuwe technische ontwikkelingen zodat wij risicobronnen kunnen identificeren en meenemen in de verdere planvorming. Wij zetten in op een veilige energietransitie.
8.2.3 Unieke omgevingskwaliteiten en de energietransitie Zoals eerder aangegeven is voor de energietransitie (schaarse) ruimte in de fysieke leefomgeving noodzakelijk. Dit betekent dat er ruimtelijke keuzen gemaakt dienen te worden. Het leidende principe voor ons als gemeente is een zorgvuldige inpassing van de maatregelen in de fysieke leefomgeving en dan met name in ons buitengebied, zodat een balans bestaat tussen enerzijds het versterken van onze unieke omgevingskwaliteiten en anderzijds de urgente opgaven in het kader van de energietransitie. Om onze unieke omgevingskwaliteiten te behouden en te versterken hanteren we het uitgangspunt van multifunctioneel ruimtegebruik. Dit wil zeggen dat een combinatie van verschillende functies de voorkeur heeft boven enkelvoudige functies. Een belangrijk aanvullend uitgangspunt is dat er tot 1 juli 2024 vanuit de RES primair wordt ingezet op grootschalige opwek van zonne-energie op daken, bedrijventerreinen en parkeerterreinen. Vanaf 1 juli 2024 is het mogelijk om onder voorwaarden grootschalige opwek van zonne-energie te realiseren op andere gronden. Hiertoe worden nadere voorschriften opgesteld in een ruimtelijk afwegingskader voor de opwek van zonne-energie op daken en gronden in de gemeente Stein.
In hoofdstuk 7 (onderdeel bodem en ondergrond) is reeds gewezen op de mogelijk toenemende ruimtelijke druk ten gevolge van infrastructurele maatregelen in het kader van de energietransitie. Op dit moment is nog niet duidelijk wat dit voor onze gemeente betekent. In dit stadium, waarin nog een alternatieve warmtebron gekozen moet worden en onduidelijk is waar en hoeveel elektriciteit lokaal opgewekt gaat worden en het benodigde transport hiervan, is het nog te vroeg om conclusies te trekken wat betreft kabeldruk. Wij zullen dit in de toekomst uitdrukkelijk monitoren.
Wat gebeurt er al en wat zijn de ontwikkelingen? In het afwegingskader voor de RES is een rangorde vastgesteld voor zoekgebieden voor het opwekken van duurzame energie. Deze rangorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Dit betekent dat er niet gewacht
Ontwerp-Omgevingsvisie • 66
hoeft te worden met het aanleggen van een zonneweide op bijvoorbeeld parkeerterreinen voordat alle beschikbare en geschikte daken vol liggen. Windenergie is in de gemeente Stein niet mogelijk. Er is gekozen voor de volgende rangorde: • Zon op daken van woningen, gemeentelijke gebouwen en bedrijven/loodsen • Zon op parkeerterreinen, bedrijventerreinen en braakliggende grond • Zon op landbouwgebied (mogelijkheden vanaf juli 2024 op basis van op te stellen ruimtelijk afwegingskader) Naast deze zoekgebieden zijn er ook enkele gebieden met een geringe opbrengst, die daarom geen deel uit maken van de RES, en zijn enkele uitsluitingsgebieden aangewezen (zie ook de toelichting op de RES in 8.2.5): • Gebieden met verwachte geringe opbrengst o Zon op parkeerterreinen kleiner dan 300 m2 o Zon langs wegen en dijken (infrastructuur) o Zon op erven in het buitengebied • Uitsluitingsgebieden o Uitsluitingsgebieden infrastructuur o Uitsluitingsgebieden bewoning en bebouwing (o.a. minimale afstanden) o Landschapszones en natuurwaarden o Landbouwgebieden in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg o Uitsluitingsgebieden vanuit het POL, de NOVI of ander (nationaal) beleid en wet- en regelgeving
8.2.4 Een bereikbare en bedrijvige gemeente en energietransitie In de Energievisie 2018-2021 hebben wij als hoofddoel opgenomen dat we bedrijven willen stimuleren om deel te nemen aan de energietransitie. In het kader van het verduurzamen van onze bedrijventerreinen is de energietransitie hier een onderdeel van. Denk hierbij aan het plaatsen van zonnepanelen op daken of het vergroenen van daken. In hoofdstuk 7 zijn wij ingegaan op onze ambitie om de lokale economie te versterken door een transitie naar een duurzame economie (CO2-neutraal in 2050) waarbij hergebruik van grondstoffen (mede in relatie tot afvalbeheer) kansen biedt. Een van de doelstellingen uit onze Energievisie is het verduurzamen van de mobiliteit. In hoofdstuk 7 hebben wij onze ambities geformuleerd met betrekking tot duurzame mobiliteit en logistiek. Onze ambities met betrekking tot duurzame mobiliteit zijn nader uitgewerkt in het Programma Mobiliteit. Wat gebeurt er al en wat zijn de ontwikkelingen? Momenteel wordt onderzocht hoe, in samenwerking met de RUD Zuid-Limburg, een pilot gestart kan worden om bedrijven te begeleiden in het proces van deelname aan de energietransitie. Daarnaast is er een informatie- en energiebesparingsplicht die bedrijven stimuleert en verplicht om energiebesparingsmaatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar.
Vanaf 1 januari 2023 geldt eveneens de verplichting dat kantoorgebouwen (met enkele uitzonderingen) minimaal dienen te voldoen aan energielabel C.
8.2.5 Regionale Energiestrategie (RES) Zuid-Limburg In 2019 is het Nationaal Klimaatakkoord getekend. Dit Klimaatakkoord is de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van de klimaattop van Parijs in 2015. Op basis van het Klimaatakkoord stellen alle gemeenten, provincies en waterschappen gezamenlijk per regio een Regionale Energie Strategie (RES) op. De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes
Ontwerp-Omgevingsvisie • 67
voor (1) grootschalige opwek van duurzame elektriciteit op land (door middel van zonnepanelen op daken en land en windmolens), (2) de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Regionale Structuurvisie Warmte) en (3) de benodigde opslag en infrastructuur. De Regionale Energiestrategie (RES) bestaat uit 2 opgaven: • Opgave Elektriciteit: een strategie voor een onderbouwd en afgewogen aanbod van de regio • wat betreft mogelijk op te stellen duurzaam opwekvermogen op land, minimaal onderverdeeld in zon en wind. Deze duurzame energie dient te worden opgewekt met zonneparken en windmolens op land, totaal voor alle gemeenten samen 35 TWh. De opgave elektriciteit is bedoeld als bijdrage aan de landelijke behoefte van duurzame energie. • Opgave Gebouwde omgeving: een strategie voor de Regionale Structuur Warmte (RSW) met daarin opgenomen de huidige situatie op het gebied van warmteaanbod, warmtevraag en infrastructuur op regionaal niveau. Deze strategie is tevens belangrijke input voor de Transitievisie Warmte (TVW) die elke gemeente voor het einde van 2021 moet vaststellen. Deze TVW schetst per wijk het tijdspad naar aardgasvrije wijken. Voor de wijken waarvan de transitie vóór 2030 gepland is, zijn ook de potentiële alternatieve energiebronnen en -infrastructuren bekend. Elke gemeente neemt hiermee een deel van de klimaatdoelstellingen voor haar rekening.
De RES heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050. Als het gezamenlijke bod van de 30 regio’s aan de nationale opgave niet optelt tot het gestelde landelijke doel van 35 TWh, zal het Rijk de nationale doelstellingen door middel van een regionale herverdelingssystematiek toedelen. Anders gezegd: ‘van bovenaf aanwijzen’. De inspanningsverplichting die de RES nu inhoudt, wordt dan een resultaatsverplichting. In de RES-regio Zuid-Limburg wordt de RES vormgegeven vanuit drie sub-regio’s. Dit zijn MaastrichtHeuvelland, Parkstad en de Westelijke Mijnstreek. Het totale bod voor de RES Zuid-Limburg bedraagt 1,333 TWh. De gemeente Stein draagt hier 0,058 TWh aan bij. Opgave elektriciteit Voor de gemeente Stein is voor de RES een afwegingskader opgesteld aan de hand waarvan de potentiële hoeveelheid opwek in de gemeente Stein is berekend. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat er voor het tijdspad tot 2030 geen mogelijkheden zijn voor windenergie in verband met de aanwezigheid van het vliegveld, het beschermingsgebied van Rivierenpark Maasvallei en eisen voor clustering van minimaal 3 windmolens. De gemeente Stein heeft op basis van het afwegingskader zoekgebieden geformuleerd waarbinnen zonne-energie gerealiseerd kan worden.
Binnen deze zoekgebieden wordt gewerkt met een zogenoemde benuttingsgraad, dit is het deel van het zoekgebied waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze ook daadwerkelijk wordt benut voor opwekking van elektriciteit. Door uit te gaan van een laag benuttingspercentage wordt zorg gedragen voor een zorgvuldige toekomstige (ruimtelijke) inpassing van zonneweides voor de opwek van duurzame elektriciteit in de gemeente Stein. Op basis van de oppervlakte van de zoekgebieden en de bijbehorende benuttingsgraad is een inschatting gemaakt van de hoeveelheid zonne-energie die kan worden opgewekt.
In de RES voor de gemeente Stein is het volgende afwegingskader met bijbehorende benuttingspercentages en rangorde van zoekgebieden geformuleerd: •
•
Zon op daken van woningen, gemeentelijke gebouwen en bedrijven/loodsen o Benutbaarheid daken >285 m2: 30% o Benutbaarheid daken beschermd stads- of dorpsgezicht: 12,5% Zon op parkeerterreinen, bedrijventerreinen en braakliggende grond
Ontwerp-Omgevingsvisie • 68
•
•
•
o Benutbaarheid parkeerterreinen > 300 m2: 10% o Benutbaarheid braakliggend terrein: 10% Zon op landbouwgebied o Benutbaarheid landbouwgebied: 10% o Vanaf juli 2024 onder voorwaarden (zie toelichting hieronder) Gebieden met verwachte geringe opbrengst (geen onderdeel van RES-bod): o Zon op parkeerterreinen kleiner dan 300 m2 o Zon langs wegen en dijken (infrastructuur) o Zon op erven in het buitengebied Uitsluitingsgebieden: o Gebieden die door NP RES als uitsluitingsgebieden zijn aangewezen o Uitsluitingsgebieden infrastructuur o Uitsluitingsgebieden bewoning en gebouwen (o.a. minimale afstanden) o Landschapszone en natuurwaarden Natuur in goudgroene natuurzones Natuur in zilvergroene natuurzones Natuur in bronsgroene landschapszones Natura2000-gebieden o Landbouwgebieden in het Nationaal Landschap o Uitsluitingsgebieden vanuit het POL, de NOVI of ander (nationaal) beleid en wet- en regelgeving
Het afwegingskader volgt het huidige beleid zoals vermeld in de Strategische toekomstvisie 2018-2022 van de gemeente Stein, de Energievisie Stein 2018-2021 en de voorlopige zonneladder van de Provincie. De benuttingspercentages zijn gebaseerd op gegevens van NP RES en andere (beleids)overwegingen. Het definiëren van zoekgebieden binnen de gemeente betekent niet dat in alle genoemde zoekgebieden ook daadwerkelijk opwek van duurzame elektriciteit gerealiseerd zal worden. Het totale bod van de gemeente Stein bedraagt 0,058 TWh. Dat is echter nog onvoldoende om alle in Stein gebruikte energie duurzaam op te wekken. Tot 1 juli 2024 wordt ingezet op de opwek van zonne-energie op daken, bedrijventerreinen (en braakliggende terreinen) en parkeerterreinen. Middels het opstellen van een ruimtelijk afwegingskader voor de opwek van zonne-energie op daken en gronden in de gemeente Stein wordt beoordeeld of inzet van landbouwgronden na 1 juli 2024 noodzakelijk is om de doelstelling van 2030 te behalen. Hierbij wordt gekeken naar aanvullende (zachte) criteria, zoals specifieke technische voorwaarden m.b.t. inrichting, inpassing en beheer; procesmatige randvoorwaarden m.b.t. participatie en inbreng van de omgeving; maar ook financiële randvoorwaarden m.b.t. profijt voor (grond)eigenaren, omwonenden en gemeente.
In dit stadium van opstellen van de RES is dit nog niet uitgewerkt, daar dit stappen zijn die genomen dienen te worden voordat vergunningen kunnen worden verleend voor de daadwerkelijke realisatie van opwek van energie op een locatie. Opgave gebouwde omgeving Voor de opgave gebouwde omgeving (warmte) is onderzoek gedaan naar de warmtevraag en mogelijke alternatieve warmtebronnen in de regio, hiervan is een overzicht gemaakt en is per wijk/buurt vastgesteld welke oplossing(en) de laagste nationale/maatschappelijke kosten 20 heeft. Dit is de Regionale Structuur Warmte (RSW). Er zijn in dit stadium nog geen besluiten genomen over de definitieve keuze van een alternatieve warmtebron per wijk Hierin wordt pas een keuze gemaakt wanneer deze RSW nader wordt uitgewerkt in de Transitievisie Warmte (TVW). Voor de Regionale Structuur Warmte (RSW) is in het onderzoek uitgegaan van de volgende vijf strategieën: • Strategie 1: Individuele elektrische warmtepomp; • Strategie 2: Warmtenet met midden- of hoge temperatuur bron; • Strategie 3: Warmtenet met lage temperatuur bron; 20
Niet hetzelfde als eindverbruikerskosten.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 69
• •
Strategie 4: Hernieuwbaar gas met hybride warmtepomp; Strategie 5: Hernieuwbaar gas met een hr-ketel.
In de landelijke Startanalyse is per wijk bekeken welke strategie op basis van ‘laagste nationale kosten’ het goedkoopste zou zijn. Deze informatie is verwerkt in de analyse van de warmtebronnen voor de RES. Zo blijkt dat met name in de stedelijke gebieden van Zuid-Limburg een warmtenet met midden- of hoge temperatuurbron (strategie 2), indien onbeperkt beschikbaar, de goedkoopste oplossing is. De landelijke gebieden zijn meer aangewezen op een individuele elektrische/hybride warmtepomp, al dan niet aangevuld met hernieuwbaar gas. Strategie 4 en 5 zijn voor de warmtevraag van 2030 momenteel zeer beperkt toepasbaar, omdat hernieuwbaar gas, zoals biogas en waterstofgas, nog niet (in voldoende mate) beschikbaar is. Met de op dit moment beschikbare hoeveelheid alternatieve warmte, o.a. vanuit de restwarmte van Chemelot en andere lokale bronnen, kan de doelstelling om in 2030 20% van de woningen en gebouwen in ZuidLimburg van het aardgas af te halen worden bereikt. 8.2.6 Energiebesparing Energiebesparing kan niet los worden gezien van de energietransitie. Energie die wordt bespaard, hoeft immers niet te worden opgewekt. Energiebesparing leidt dus indirect tot ruimtebesparing. De verwachting is echter dat een eventuele energiebesparing op de korte termijn op de lange termijn teniet wordt gedaan door de veranderingen als gevolg van de energietransitie.
We zullen een andere manier moeten vinden voor onze manier van koken, verwarmen en vervoer welke we nu nog vooral met fossiele brandstoffen doen. De verwachting is dat hiervoor op termijn vooral gebruik gemaakt zal worden van elektriciteit en elektrische alternatieven waardoor de elektriciteitsvraag (sterk) zal toenemen. Wat gebeurt er al en wat zijn de ontwikkelingen? Wij stimuleren inwoners (middels ons Dubbel Duurzaam project en het Huis van de Toekomst), bedrijven (middels de nog op te starten pilot) en maatschappelijke organisaties om energiebesparende maatregelen te nemen en verspilling van energie tegen te gaan. Als gemeente geven wij zelf ook het goede voorbeeld door hiermee actief aan de slag te gaan (o.a. verduurzamen van ons maatschappelijk vastgoed, reduceren van het energieverbruik van de openbare verlichting).
8.3
Uitgangspunten thema Energietransitie
Energiebesparing is onlosmakelijk verbonden met de energietransitie. Energie die bespaard wordt hoeft niet te worden opgewekt. Er vindt een zorgvuldige afweging en inpassing plaats van de ruimtelijke maatregelen die samenhangen met de energietransitie, zodat een balans bestaat tussen enerzijds het versterken van onze unieke omgevingskwaliteiten en anderzijds de urgente opgaven in het kader van de energietransitie. We gaan uit van multifunctioneel ruimtegebruik. Dit wil zeggen dat een combinatie van verschillende functies de voorkeur heeft boven enkelvoudige functies.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 70
Deel
Deel III Basisprincipes en uitgangspunten
Ontwerp-Omgevingsvisie • 71
Hoofdstuk 9
Integraal beleid fysieke leefomgeving
In de hoofdstukken 4 tot en met 8 zijn de ambities, ontwikkelingen en uitgangspunten thematisch uitgewerkt en daarbij is een verbinding gemaakt met de strategische toekomstvisie. In de Omgevingsvisie dienen de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid weergegeven te worden. Hoewel thematisch ingestoken, geven de voorgaande hoofdstukken ieder vanuit een bepaalde invalshoek invulling aan de leefkwaliteit in onze gemeente. Zoals eerder aangegeven gebruiken we het begrip ‘leefkwaliteit’ als kapstok om de vijf thema’s onderling te verbinden. Leefkwaliteit is een breed begrip en omvat zowel fysieke, sociale, culturele, economische en milieukenmerken van de leefomgeving. De vijf thema’s geven ieder hun eigen accent aan deze aspecten van leefkwaliteit. Zo ligt in het thema sociale en vitale wijken en kernen een accent op het sociale aspect van de fysieke leefomgeving en bij het thema een bereikbare en bedrijvige leefomgeving ligt de nadruk op de economische kenmerken. Door deze verschillende accenten per thema kunnen spanningsvelden ontstaan tussen de verschillende aspecten van leefkwaliteit. Om per thema focus aan te brengen, zijn in de afzonderlijke hoofdstukken een aantal uitgangspunten opgenomen die als basis dienen voor ons integraal te voeren beleid.
In dit hoofdstuk worden basisprincipes geformuleerd die leidend zijn bij het voeren van integraal beleid in het kader van de fysieke leefomgeving. Daarnaast worden in dit hoofdstuk de eerder beschreven thematische uitgangspunten gebiedsgericht vertaald. Op deze wijze wordt een strategisch afwegingskader geformuleerd dat de basis vormt voor het maken van ruimtelijke keuzen zoals o.a. vastgelegd in het omgevingsplan en de verdere uitwerking in programma’s. Daarnaast kunnen de basisprincipes en uitgangspunten als (afwegings)kader worden gebruikt bij concrete casussen waarbij van het omgevingsplan wordt afgeweken.
9. 1 Basisprincipes integraal beleid fysieke leefomgeving Basisprincipe 1 Als eerste basisprincipe hanteren we: ‘de gemeente Stein als eigenzinnige groene woongemeente in de Maasvallei waar het dorps wonen is in een verstedelijkt gebied met ruimte voor particulier initiatief en ondernemerschap’. Basisprincipe 2 Om basisprincipe 1 te realiseren is het noodzakelijk dat de fysieke leefomgeving in al haar facetten een bijdrage dient te leveren aan het versterken van de leefkwaliteit in Stein als woongemeente. Dit betekent ook dat bij ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen niet alleen het fysieke aspect centraal staat, maar alle facetten van leefkwaliteit (dus behalve de fysieke kenmerken ook sociale, economische, milieu, veiligheid en gezondheid) moeten worden meegenomen en afgewogen. Basisprincipe 3 In de Uitgangspuntennotitie Omgevingsvisie is reeds opgenomen dat de specifieke kenmerken van een ruimtelijk gebied centraal staan in de Omgevingsvisie. Hierbij is onze gemeente ingedeeld in drie gebieden: woonkernen, bedrijventerreinen en buitengebied. Vanwege de verschillen en specifieke kenmerken en kwaliteiten in een gebied kunnen ook verschillende afwegingen gelden. In de volgende paragraaf wordt dan ook onderscheid gemaakt in algemene afwegingsprincipes en afwegingen/prioriteiten die van toepassing zijn binnen een bepaald gebied.
Basisprincipe 4 De Omgevingsvisie is weliswaar vastgesteld door de gemeenteraad, maar het is een visie die we niet alleen als gemeente verder gaan vormgeven. Dit doen we uiteraard samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, medeoverheden en andere betrokkenen. Samenwerking is hierbij het
Ontwerp-Omgevingsvisie • 72
sleutelwoord, waarbij we uitgaan van datgene wat ons allemaal bindt en dat is ervoor zorgen dat de gemeente Stein die eigenzinnige woongemeente blijft. Zoals ook tijdens de werkconferentie door stakeholders werd aangegeven moeten we niet denken en handelen in tegenstellingen. Het gaat er om dat ieder vanuit zijn eigen betrokkenheid, kennis, ervaring en belang bijdraagt aan het grotere geheel en dat is het versterken van de leefkwaliteit in onze gemeente, zodat we die eigenzinnige woongemeente in de Maasvallei blijven waar het dorps wonen is een verstedelijkt gebied met ruimte voor particulier initiatief en ondernemerschap. Basisprincipe 5 Om onze ambities verder vorm te geven zoeken we afhankelijk van de maatschappelijke opgave de samenwerking op een passend schaalniveau. Dit kan op kern- of wijkniveau, op gemeentelijk, (sub)regionaal, provinciaal of grensoverschrijdend niveau zijn. Samenvattend zien de basisprincipes er als volgt uit: Basisprincipe 1 De gemeente Stein is een eigenzinnige groene woongemeente in de Maasvallei waar het dorps wonen is in een verstedelijkt gebied met ruimte voor particulier initiatief en ondernemerschap. Basisprincipe 2 Bij ruimtelijke opgaven en ontwikkelingen worden alle facetten van de leefkwaliteit (fysiek, sociaal, economisch, milieu, veiligheid en gezondheid) integraal meegewogen.
Basisprincipe 3 De specifieke kenmerken en kwaliteiten van een gebied staan centraal waarbij onderscheid wordt gemaakt in: woonkernen, buitengebied en bedrijventerreinen. Ook binnen deze gebieden staan de identiteit en unieke kenmerken van een gebied centraal, waarbij kwaliteit en kleinschaligheid leidende principes zijn. Basisprincipe 4 Om onze ambities vorm te geven werken we samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, medeoverheden en andere betrokkenen. Hierbij denken en handelen we niet in tegenstellingen, maar ieder draagt vanuit zijn eigen betrokkenheid, kennis en ervaring bij aan het versterken van de leefkwaliteit in onze gemeente. Basisprincipe 5 Afhankelijk van de opgave werken we samen op een passend schaalniveau. Dit kan op kernof wijkniveau, op gemeentelijk, (sub)regionaal, provinciaal of grensoverschrijdend niveau zijn.
9.2 Uitgangspunten integraal beleid fysieke leefomgeving In de voorgaande hoofdstukken waarin de afzonderlijke thema’s van de Omgevingsvisie centraal stonden, zijn per thema uitgangspunten geformuleerd. In de volgende tabel is hier de gebiedsindeling (woonkernen, bedrijventerreinen en buitengebied) zoals geformuleerd in de basisprincipes aan toegevoegd. Elk gebied kent een primair thema of thema’s. De uitgangspunten die betrekking hebben op de energietransitie zijn niet specifiek toe te schrijven aan één gebied en lopen als een rode draad door alle drie de gebieden. Zoals eerder aangegeven vormen deze uitgangspunten een belangrijk afwegingskader en de basis voor keuzen die ten grondslag liggen aan het omgevingsplan. Op deze wijze leggen we de verbinding tussen de Omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 73
Gebied
Primaire thema
Uitgangspunten
Woonkernen
Sociale en vitale wijken en kernen
De identiteit en unieke kenmerken van een wijk of kern staan centraal.
Veilige, gezonde en groene leefomgeving
Onze ruimtelijke (economische) focus is primair gericht op een versterking van vitale stedelijke en landelijke centrumkernen. In het kader van het versterken van de leefkwaliteit dient er een balans te zijn tussen bedrijvigheid in onze woonkernen (o.a. detailhandel, horeca, aan huis gebonden bedrijvigheid) en een veilige, gezonde en groene leefomgeving. Binnen onze woonkernen maken we onderscheid in de volgende ruimtelijke subgebieden: • Stedelijke en landelijke centrumkernen met concentratiegebieden: hier is ruimte voor bedrijvigheid waarbij functies worden gecentraliseerd, behouden en versterkt. • Woongebieden met de focus op wonen en leefkwaliteit: in deze gebieden worden voor de leefomgeving belastende functies beperkt. • Aanloopgebieden (tussengebieden) Een veilige, gezonde en groene leefomgeving is een belangrijke voorwaarde om de leefkwaliteit in de gemeente Stein als woongemeente te versterken. Wij zetten in op het aan de voorkant verkleinen van veiligheidsrisico’s voor onze inwoners, ondernemers en bezoekers, het voorkomen incidenten en een goede voorbereiding van het bestrijden van rampen en crises, mochten deze zich voordoen.
Energietransitie als rode draad door gebieden en thema’s De uitgangspunten met betrekking tot de energietransitie worden in alle drie de gebieden (woonkernen, buitengebied en bedrijventerreinen) gehanteerd.
Energiebesparing is onlosmakelijk verbonden met de energie-transitie. Energie die bespaard wordt hoeft niet te worden opgewekt.
We gaan uit van multifunctioneel ruimtegebruik. Dit wil zeggen dat een combinatie van verschillende functies de voorkeur heeft boven enkelvoudige functies.
De waterketen draagt bij aan een veilige, gezond en groene leefomgeving. We bieden passende bescherming voor de effecten van klimaatverandering. Bij ruimtelijke ontwikkelingen met betrekking tot klimaatadaptatie houden wij zoveel mogelijk rekening met het voorkomen van gezondheidsrisico’s van omgevingsfactoren (b.v. pollen) en infectieziekten vanuit de leefomgeving veroorzaakt door b.v. ratten, teken en muggen. Wat betreft milieu aspecten voldoen wij aan de daarvoor geldende wetten en normen. Wij houden hierbij rekening met de specifieke kenmerken van een gebied (woonkernen, bedrijventerreinen en buitengebied). Tevens houden wij rekening met de milieubeginselen (voorzorgsbeginsel, preventief handelen, voorrang voor bronbeleid en de vervuiler betaalt). Buitengebied
Unieke omgevingskwaliteiten
In het belang van het versterken van de unieke omgevingskwaliteiten in relatie tot de leefkwaliteit kiezen we om (toekomstige) ruimtelijke opgaven binnen dit thema in samenhang te bekijken en aan te pakken via een integrale gebiedsgerichte benadering, waarbij de identiteit en kwaliteit van het gebied centraal staat. Hierbij betrekken we inwoners en (maatschappelijke) partners. De unieke leefkwaliteiten willen wij verder versterken om zo een gezonde en groene leefomgeving voor onze inwoners te realiseren. Binnen het thema unieke omgevingskwaliteiten hanteren we kwaliteit en kleinschaligheid als basisprincipes om de leefkwaliteit in onze gemeente verder te versterken. Er dient bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake te zijn van een
Ontwerp-Omgevingsvisie • 75
balans tussen toerisme, recreatie en vrijetijdseconomie enerzijds en landelijke verstilling anderzijds. Dit geldt ook voor het toekomstbestendig maken van de land- en tuinbouw. Nieuwe ontwikkelingen (inclusief vrijkomend agrarisch vastgoed) worden beoordeeld aan de hand van de specifieke kenmerken van het gebied, waarbij kleinschaligheid en kwaliteit voorop staan. Bij medewerking is landschappelijke inpassing als basisprestatie verplicht. Kortom, ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het versterken van de unieke omgevingskwaliteiten.
Bedrijventerre inen
Een bereikbare en bedrijvige gemeente
Het realiseren van de ambities gericht op het versterken van het economisch klimaat mag niet leiden tot een inbreuk op de leefkwaliteit in onze woonkernen. Hiertoe is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met economische bedrijvigheid inzichtelijk wordt gemaakt wat de impact is op de leefkwaliteit, welke maatregelen getroffen moeten worden om de negatieve gevolgen tegen te gaan en dienen deze maatregelen in dialoog met de omgeving tot stand te komen en op draagvlak te worden getoetst. Wij willen onze unieke omgevingskwaliteiten behouden en versterken, waarbij kwaliteit en kleinschaligheid leidend zijn. Bij het realiseren van onze ambities met betrekking tot een bereikbare en bedrijvige gemeente zullen wij deze uitgangspunten niet uit het oog verliezen. De ambities en ontwikkelingen rond Chemelot zijn ook van belang voor onze gemeente in het kader van o.a. het versterken van de regionale en lokale economie, het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid. Een absolute voorwaarde is dat er een balans moet zijn tussen deze ontwikkelingen bij Chemelot enerzijds en de Ontwerp-Omgevingsvisie • 76
ontwikkelingsmogelijkheden van onze gemeente anderzijds. Ontwikkelingen binnen de inrichting Chemelot kunnen er immers toe leiden dat mogelijkheden voor bijvoorbeeld woningbouw en bedrijven in onze gemeenten in het gedrang komen vanwege regelgeving, waaronder omgevingsveiligheid en geluidsregelgeving.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 77
Hoofdstuk 10 Kostenverhaal en financiële bijdragen in de Omgevingswet
10.1 Nadere toelichting Kostenverhaal en financiële bijdragen hebben betrekking op het verhalen van kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen, naar evenredigheid te verhalen, indien initiatiefnemers profijt hebben van openbare voorzieningen. Als gesproken wordt over financiële bijdragen dan gebeurt dat regelmatig in het kader van kostenverhaal. Dat gebeurt ook in de parlementaire geschiedenis van de Aanvullingswet grondeigendom, waarin een nieuwe kostenverhaalsregeling in de Omgevingswet wordt geïntroduceerd. Tegelijk maakt de wetgever daar onderscheid tussen kostenverhaal enerzijds en financiële bijdragen anderzijds. Bij kostenverhaal gaat het – kortgezegd – over de plicht en de mogelijkheid om kosten te verhalen zoals die zijn opgenomen op de kostensoortenlijst. Dat is geregeld in afdeling 13.6 Omgevingswet (het reguliere kostenverhaal). In afdeling 13.7 wordt de materie van financiële bijdragen geregeld. Dan gaat het om zaken die niet op de kostensoortenlijst staan of die niet via het reguliere kostenverhaal toerekenbaar zijn omdat een causaal verband ontbreekt. Als er desondanks een functionele samenhang is met ontwikkelingen voor bouwen of verbouwen dan kan verhaal plaatsvinden via afdeling 13.7 van de Omgevingswet.
Onder de Omgevingswet zijn deze mogelijkheden opgenomen in artikel 13.22 (privaatrecht, dat wil zeggen via anterieure overeenkomsten) respectievelijk de artikelen 13.23 en 13.24 (publiekrecht, dat wil zeggen via een regel in het omgevingsplan). De privaatrechtelijke mogelijkheid wordt daar formeel ‘financiële bijdragen voor ontwikkeling van een gebied’ genoemd. De publiekrechtelijke mogelijkheid wordt daar formeel ‘financiële bijdrage in omgevingsplan’ genoemd. 21 Voor de privaatrechtelijke mogelijkheid die artikel 13.22 biedt voor anterieure overeenkomsten (AO’s) is het nodig dat in een Omgevingsvisie of programma de samenhang wordt benoemd tussen de (ver)bouwactiviteiten (de kostendragers) en de ontwikkelingen waaraan wordt bijgedragen (de kostenvragers). Voor de publiekrechtelijke mogelijkheid van artikel 13.23 en 13.24 is dat niet vereist (hoewel het aanbevelenswaardig kan zijn). Wel moet in het omgevingsplan de functionele samenhang worden benoemd. Het privaatrechtelijke spoor biedt meer mogelijkheden dan het publiekrechtelijke spoor. Dat heeft de volgende redenen: a. In het publiekrechtelijke spoor gelden de zes categorieën van aangewezen (ver)bouwactiviteiten als kostendrager (art. 8.13 Omgevingsbesluit). Voor het privaatrechtelijke spoor gelden meer categorieën. Het aanvullende deel is opgenomen in art. 8.20 Omgevingsbesluit.
In dat aanvullende deel valt bijvoorbeeld de realisatie van een zonneakker of windturbine(park), de bouw van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor land- of tuinbouw, voor zover de oppervlakte ten minste 100 m2 bedraagt; andere activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie, voor zover het gaat om het gebruik van: 1°. een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeroppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m2 bedraagt; 2°. gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m2 bedraagt; of 3°. een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning. b. In het publiekrechtelijke spoor worden zes categorieën genoemd van ontwikkelingen (kostenvragers) waarvoor in het omgevingsplan een plicht tot een financiële bijdrage kan worden 21 In het Omgevingsbesluit (‘Ob’) wordt die bijdrage in het omgevingsplan de ‘publiekrechtelijk afdwingbare financiële
bijdrage’ genoemd. Deze afdwingbaarheid kan overigens alleen verlopen via het omgevingsplan en niet via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
opgenomen. Dat wordt geregeld in art. 8.21 Omgevingsbesluit. In het privaatrechtelijke spoor is er geen beperking qua kostenvragers.
10.2 Invulling kostenverhaal en financiële bijdragen In de voorgaande toelichting is aangegeven dat bij de privaatrechtelijke mogelijkheid tot het vragen van een financiële bijdrage voor de ontwikkeling van een gebied in een Omgevingsvisie of een programma de samenhang wordt benoemd tussen de (ver)bouwactiviteiten (de kostendragers) en de ontwikkelingen waaraan wordt bijgedragen (de kostenvragers). Wat betreft het vragen van een financiële bijdragen sluiten wij aan op ons standpunt op basis van de Ruimtelijke Structuurvisie om in beginsel geen financiële bijdrage te vragen voor de ontwikkeling van een gebied anders dan het eerder genoemde verplichte kostenverhaal en het gemeentelijk kwaliteitsmenu zoals vastgelegd in de Uitvoeringsparagraaf bij de Ruimtelijke Structuurvisie 22. De gemeente Stein wil een uitnodigende houding nastreven op het moment dat zich nieuwe initiatieven voordoen die een bijdrage leveren aan de ambities en strategische doelstellingen zoals opgenomen in deze Omgevingsvisie. Echter, gelet op de grote opgaven op het gebied van o.a. energietransitie en klimaatadaptatie sluiten wij niet uit om in de toekomst financiële bijdragen te vragen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van een functionele samenhang van de ontwikkeling en de bijdrage aan bijvoorbeeld een duurzaamheidsfonds om onze doelstellingen te kunnen realiseren.
Hiertoe zal in een aparte uitvoeringsparagraaf en/of programma concreet de eerder benoemde functionele samenhang worden uitgewerkt.
.
22 In de Ruimtelijke Structuurvisie 2015 is een uitvoeringsparagraaf opgenomen waarin het thans geldende
gemeentelijk kwaliteitsmenu is uitgewerkt. Het kwaliteitsbeleid is van toepassing op vanuit ruimtelijk functioneel oogpunt aanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen, waarvoor een bestemmingsplanwijziging/-herziening of een projectbesluit nodig is. Kenmerkend is dat de bedoelde ontwikkelingen vaak nieuwe functies zijn met een nieuw ruimtebeslag in het buitengebied met het daaraan verbonden ruimtelijke effect op de omgeving. Het toepassingsgebied is daarmee het buitengebied van de gemeente Stein. Dit is het gebied binnen de gemeente Stein voor zover gelegen buiten de legenda eenheden ‘bestaand stedelijk gebied, landelijke kern en bedrijventerrein’. Echter, met de vaststelling van de Omgevingsvisie door de Raad vervalt de Ruimtelijke Structuurvisie (2015) en de basis van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu. Om te voorkomen dat de basis voor toepassing van het gemeentelijk kwaliteitsmenu vervalt bij vaststelling van de Omgevingsvisie, wordt dit tijdelijk in een apart programma opgenomen. Het gaat dus om een tijdelijke oplossing waarbij geen beleidswijzigingen plaatsvinden ten opzichte van het beleid zoals opgenomen in de uitvoeringsparagraaf van de Ruimtelijke Structuurvisie. Ook is er geen sprake van tegenstrijdigheden met de Omgevingsvisie.
Bij het opstellen van het omgevingsplan zal echter wel worden bekeken hoe het gemeentelijk kwaliteitsmenu in lijn met de Omgevingswet kan worden geactualiseerd.
Ontwerp-Omgevingsvisie • 79
Overzicht bijlagen
Bijlage 1 Beschrijving huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving (incl. kaartmateriaal) Bijlage 2 Overzicht Global Goals en Omgevingsvisie
Ontwerp-Omgevingsvisie • 81
Ontwerp-Omgevingsvisie • 82