CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-en-wordt-tabel financiele verordening

Politieke Markt 12 december 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie gemeente Steenwijkerland 20237.939 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vergelijking nieuwe Financiële verordening met de huidige verordening uit 2018 ‘WAS’ (Huidige verordening uit 2018) ‘WORDT’ (Nieuwe verordening, ligt bij de raad ter vaststelling op 19/12/23) Toelichting Artikel 1. Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: - administratie: Het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. - eenheid: Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de algemeen directeur. - inkomsten: Totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves. - netto schuld per inwoner: Bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteurenvorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa.

- onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting: Verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting. - overheidsbedrijf: Onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. - onbenutte belastingcapaciteit: Verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting.

- overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. - rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving. Voor de formulering aangesloten bij de modelverordening van de VNG. Verder geen bijzonderheden. 2 onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. Artikel 2. Programma-indeling 1. De raad kan bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vaststellen. 2. De raad kan bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vaststellen. 3. De raad stelt op voorstel van het college (per programma) de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Artikel 2.

Vaststelling programma-indeling en paragrafen 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college per programma vast: a. de taakvelden, en b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van het college bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Geen inhoudelijke wijzigingen. Met ‘taakvelden’ bedoelen we de verplichte taakvelden op grond van het BBV. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de begroting en de jaarstukken wordt het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead weergegeven. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 4.

In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten (restantkredieten) en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt: a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven, en b. in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. 3. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 50.000 afzonderlijk gespecificeerd. Voor de formulering aangesloten bij de modelverordening van de VNG. Nieuw is dat we de incidentele baten en lasten voortaan gaan specificeren vanaf een bedrag van € 50.000. Het opnemen van een grensbedrag in de verordening is conform het advies van de commissie BBV (Kadernota rechtmatigheid 2023, augustus 2021). 3 Artikel 4. Kaders begroting 1.

Het college biedt voor het zomerreces aan de raad een Perspectiefnota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 1 augustus vast. 2. In de begroting is een post onvoorzien opgenomen waaraan de raad een bedrag kan toekennen. Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming 1. Het college biedt voor het zomerreces aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 1 augustus vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen. Geen inhoudelijke wijzigingen. Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per taakveld. 2. Nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen de raad op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. 3.

Het college informeert de raad als ze verwacht, dat de lasten van een taakveld de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een taakveld de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het taakveld voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. 4. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke onderdeel is van een programma, als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren. 3.

Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 4. Het college informeert de raad als zij verwacht, dat de lasten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. 5. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten De raad autoriseert de baten en lasten op programmaniveau. Dat sluit aan bij de geldende praktijk. Nieuw is dat we een ‘kan-bepaling’ (lid 2) hebben toegevoegd om de raad de mogelijkheid te geven om hierop een uitzondering te maken.

Voortaan kan de raad besluiten om een activiteit, welke onderdeel is van een programma, apart te autoriseren. In lid 6 is het investeringsbedrag verhoogd van € 500.000 naar € 1.000.000. Dat hebben we gedaan, omdat vanaf een dergelijk investeringsbedrag er pas enig effect op de schuldpositie van onze gemeente te verwachten valt. 4 voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 5. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 500.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 6.

Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. Artikel 6. Tussentijdse rapportage 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van het lopende boekjaar. 2. De tussenrapportages bevatten, met uitzondering van de Hoofdlijnenrapportage, een uiteenzetting over: a. de uitvoering en bijstelling van het beleid; b. de uit lid a volgende financiële mutaties (> € 20.000); c. het saldo volgende uit lid b van dit artikel. Artikel 6. Tussentijdse rapportages 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente van het lopende boekjaar. 2. De tussentijdse rapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van de baten en de lasten per programma. De term ‘Hoofdlijnenrapportage’ komt niet langer terug, omdat deze is afgeschaft.

Verder is de tekst meer in lijn gebracht met de modelverordening van de VNG. Artikel 7. Informatieplicht Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft niet bij de begroting geraamde of anderszins vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake: a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 20.000; b. het verstrekken van waarborgen en garanties groter dan € 50.000; Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen 1. In het kader van de actieve informatieplicht bij nieuw beleid beslist het college niet over: a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 20.000; b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 50.000, en c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in Tekst is in lijn gebracht met de modelverordening van de VNG. Lid 2 is toegevoegd om expliciet te maken dat het college een actieve informatieplicht heeft via een zienswijzeprocedure als verplichtingen worden aangegaan groter dan € 20.000. Dit gaat alleen om situaties die zich kunnen voordoen buiten de reguliere P&C-cyclus. 5 c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen.

de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. 2. Bij het aangaan van een verplichting groter dan € 20.000 initieert het college een zienswijzeprocedure door de raad. Artikel 8. EMU-saldo Wanneer het rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU- tekort, bedoeld in artikel 3, lid 6, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel 9. EMU-saldo Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Geen inhoudelijke wijzigingen. Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage “Waardering en afschrijving vaste activa” bij deze verordening. 2.

Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 3. Een saldo voor agio of disagio wordt lineair in maximaal 1 jaar afgeschreven. Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 2. Het college biedt de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode. Nieuw is dat we jaarlijks een bijlage bij de begroting opnemen met de informatie over de geplande investeringen en kapitaallasten. Het betreft alle geplande investeringen dus ook de investeringen waarvoor de raad al eerder krediet beschikbaar heeft gesteld. In de Programmabegroting 2023-2026 (p. 62) is aangekondigd dat we een aanvang zouden maken met het inrichten van een Meerjaren Investerings Planning (MIP). Met de jaarlijkse bijlage bij de begroting geven we hier invulling aan. Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. Artikel 15.

Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. De opsomming onder lid 2 is aangepast, omdat de vermakelijkhedenretributie met ingang van het begrotingsjaar 2021 is ingevoerd en de hondenbelasting met 6 2. Voor openstaande vorderingen betreffende: a. onroerende-zaakbelastingen; b. hondenbelasting; c. rioolheffing; d. afvalstoffenheffing; e. bijstandsverstrekking; f. dwangsommen, wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van een percentage van oninbaarheid waarbij de ouderdom van de vordering bepalend is voor de hoogte van het percentage. Voor dwangsommen wordt in afwijking van het bovenstaande een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van 100% van deze dwangsommen. 2. Voor openstaande vorderingen betreffende: a. onroerende-zaakbelastingen; b. vermakelijkhedenretributie; c. rioolheffing; d. afvalstoffenheffing; e. bijstandsverstrekking; f. dwangsommen, wordt, met uitzondering van individuele vorderingen, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. ingang van het begrotingsjaar 2022 is afgeschaft. Artikel 11. Reserves en voorzieningen 1.

In de programmabegroting en in de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen. 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investerings-voornemen in de vorm van een kapitaallastenreserve wordt minimaal aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve; d. de maximale looptijd. 3. Als een kapitaallastenreserve binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en worden deze middelen aan de algemene reserve vrij besteedbaar toegevoegd. Artikel 16. Reserves en voorzieningen 1. In de programmabegroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de programma’s plaats. 2. Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen. 3.

Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve, en d. de maximale looptijd. 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. Geen inhoudelijke wijzigingen. 7 Artikel 12. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten, de omslagrente en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen van de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa.

Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. 4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. 5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de Artikel 17. Kostprijsberekening 1.

Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. 4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. 5.

Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de overheadkosten (ter grootte van de totale overheadskosten minus de direct toe te rekenen kosten) die worden besteed aan de desbetreffende goederen, De tekst van lid 5 is in overeenstemming gebracht met de geldende praktijk. Verder zijn er inhoudelijk geen wijzigingen aangebracht. 8 geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel. 6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten.

Eventuele rentebaten op verstrekte leningen worden hierop in mindering gebracht. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een kwart procent afgerond. 7. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen. werken, diensten, rechten en heffingen, gedeeld door de totale begrote uitgaven van de begroting exclusief dotaties aan de reserves. Indien het BBV een andere wijze van berekening voorschrijft, wordt deze berekening overeenkomstig aangepast. 6. Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als bedoeld in artikel 16 eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. 7. In afwijking van artikel 16 eerste lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente kan worden verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico. Artikel 13. Prijzen economische activiteiten 1.

Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel aan de raad voor het nemen van een besluit, waarin het publiek belang van de levering Artikel 18. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Inhoudelijk geen wijzigingen. In plaats van een opsomming van uitzonderingen onder lid 4, wordt nu verwezen naar een artikel in de Mededingingswet. 9 van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad voor het nemen van een besluit, waarin het publiek belang van de garantie wordt gemotiveerd. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad voor het nemen van een besluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Een raadsbesluit met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden is niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a. leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; g.

een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd. 5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. 10 Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, rechten, leges, de rioolheffingen en de afvalstoffenheffing. Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rechten, de leges, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing.

Ongewijzigd Artikel 15. Financieringsfunctie Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de richtlijnen in acht zoals vastgelegd in het “Financieringsstatuut gemeente Steenwijkerland” van 21 juni 2011 dan wel de opvolgende, bijgewerkte of vervangende versie daarvan. Artikel 20. Financieringsfunctie 1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de richtlijnen in acht zoals vastgelegd in het door de raad vastgestelde treasurystatuut van de gemeente Steenwijkerland. In het bijzonder neemt het college de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Inhoudelijk geen wijzigingen. In de nieuwe tekst wordt verwezen naar het treasurystatuut (uit 2020) in plaats van het financieringsstatuut uit 2011. Tekst is verder in lijn gebracht met de modelverordening van de VNG. Artikel 16.

Lokale heffingen In de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het BBV op. Artikel 21. Lokale heffingen In de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Geen inhoudelijke wijzigingen. Artikel 17. Financiering In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het BBV op. Artikel 24. Financiering Het college neemt in de paragraaf financiering van de begroting en de jaarstukken minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Geen inhoudelijke wijzigingen. 11 Artikel 18. Weerstandsvermogen en risicobeheersing In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het BBV in ieder geval op: a. de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner; b. het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten; c.

de onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting als percentage van de inkomsten. Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa; - onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting. 2. Het college neemt in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner; b.

het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten; c. de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten; d. de wijze waarop met de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan, uitgedrukt via het kengetal ‘weerstandsratio’. Tekst is meer uitgeschreven, in lijn met de modelverordening van de VNG. Daarnaast is de term ‘weerstandsratio’ geïntroduceerd (en toegelicht onder de artikelsgewijze toelichting). 12 Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het BBV op. 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een meerjarenonderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor in ieder geval het water, wegen, kunstwerken, gebouwen en openbaar groen. De raad stelt het plan vast. 3. Het college biedt de raad ten minste eens in de 6 jaar een watertakenplan aan, inclusief riolering. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast. Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen 1.

Het college neemt in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de begroting en de jaarstukken minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 6 jaar een Nota onderhoud kapitaalgoederen aan. Deze nota geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt de Nota onderhoud kapitaalgoederen vast. 3. Het college biedt de raad ten minste eens in de 6 jaar een riool- en waterprogramma aan. Dit programma geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het riool- en waterprogramma vast. Inhoudelijk geen wijzigingen, behalve dan dat de Nota onderhoud kapitaalgoederen ook ‘ten minste eens in de 6 jaar’ wordt geactualiseerd. Actualisatie van de Nota onderhoud kapitaalgoederen eens in de vier jaar is niet realistisch gebleken. De huidige ‘Nota Kapitaalgoederen 2019- 2023’ kent een looptijd tot en met 2023. Actualisatie eens in de zes jaar betekent dat de huidige nota 2024 en 2025 nog van toepassing is. Artikel 20.

Bedrijfsvoering In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het BBV op. Artikel 25. Bedrijfsvoering Het college neemt in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de omvang en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; b. de kosten van inhuur derden; c. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen, voor zover deze de rapportagegrens zoals bedoeld in artikel 10 overschrijden, en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; Meer aandacht voor personele ontwikkelingen. Dit is een logisch vervolg op de ingezette lijn in de paragraaf bedrijfsvoering in de Programmabegroting 2024-2027. Dit was ook een wens van de raad. Daarnaast is er meer aandacht voor eventuele afwijkingen in rechtmatigheid. 13 d. een overzicht van en toelichting op niet- financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen; e.

rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen; f. geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt. Artikel 21. Verbonden partijen Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het BBV op. Artikel 26. Verbonden partijen Het college neemt in de paragraaf verbonden partijen van de begroting en de jaarstukken minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. Geen inhoudelijke wijzigingen. Artikel 22. Grondbeleid 1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel 16 van het BBV op. 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; c. het verloop van de grondvoorraad; d. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden. Artikel 27. Grondbeleid 1.

Het college neemt in de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken minimaal de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten op. 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 6 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; c. het verloop van de grondvoorraad; d. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; e. de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan. Inhoudelijk geen wijzigingen. Zaken zijn alleen meer uitgeschreven. Zo kennen we de jaarlijkse grondprijzenbrief voor de raad al. Enige wijziging betreft de actualisatie van de nota grondbeleid. Dat was eens in de 4 jaar en dat wordt eens in de 6 jaar. Actualisatie van de nota grondbeleid eens in de vier jaar is niet realistisch gebleken. 14 3. Het college biedt de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. Het college stelt de grondprijzenbrief vast. Artikel 23. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a.

het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de eenheden; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en verplichtingen; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 28. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen; b.

het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en inkoopcontracten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Slechts een kleine aanpassing doorgevoerd door in de opsomming van informatie onder lid b ook ‘contracten’ op te nemen. 15 Artikel 24. Financiële organisatie Het college draagt zorgt voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de eenheden; b.

een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden; g. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; h. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; i. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan. Artikel 29. Financiële organisatie Het college draagt in ieder geval zorg voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen; b.

een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan; i. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. In basis is dit artikel gelijk gebleven.

Het nieuwe lid i is toegevoegd om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. 16 Artikel 25. Interne controle 1. Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. Artikel 30. Interne controle 1.

Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 25 onder c. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. Geen inhoudelijke wijzigingen. Nieuw is dat in lid 1 een relatie wordt gelegd met de rechtmatigheidsverantwoording zoals beschreven in artikel 25 (paragraaf bedrijfsvoering). Artikel 26. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule De raad en het college kunnen één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing leidt tot onbedoelde en ongewenste effecten. Artikel 31.

Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule De raad en het college kunnen één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Staat niet langer in de modelverordening van de VNG, maar wij vinden het wenselijk om een dergelijke ‘kan-bepaling’ wederom op te nemen. Artikel 27. Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De “Financiele verordening gemeente Steenwijkerland”, vastgesteld in de raadsvergadering van 25 januari 2005, wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het Artikel 32. Intrekking oude regeling De ‘Financiële verordening gemeente Steenwijkerland 2018’, vastgesteld op 18 december 2018, wordt ingetrokken, maar blijft van toepassing op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar 2022. Formulering is in lijn met het nieuwe controleprotocol. 17 jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt. 2. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2018 zijn gedaan, is de in het eerste lid vermelde verordening van toepassing. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2018. 2.

Deze verordening wordt aangehaald als: “Financiële verordening gemeente Steenwijkerland 2018” Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Steenwijkerland 2023. Formulering is in lijn met het nieuwe controleprotocol. NIEUW Artikel 7. Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Dit nieuwe artikel sluit aan bij de geldende praktijk. Voor lid 2 geldt dat de algemene lijn is dat er geen restantmiddelen worden overgeheveld naar het volgend begrotingsjaar. In uitzonderingssituaties kan het college afwijken van deze lijn en een voorstel tot overheveling voorliggen aan de raad. Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1.

De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 1% van Nieuw artikel i.h.k.v. de rechtmatigheidsverklaring door het college. 18 de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan 7,5% van de goedkeuringstolerantie nader toegelicht. Artikel 11. Voorwaardencriterium 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Het college biedt de raad jaarlijks ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Nieuw artikel i.h.k.v.

de rechtmatigheidsverklaring door het college. Artikel 12. Begrotingscriterium 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. Nieuw artikel i.h.k.v. de rechtmatigheidsverklaring door het college. 19 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage. 5.

Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Het college legt de regels vast voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Nieuw artikel i.h.k.v. de rechtmatigheidsverklaring door het college.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/de05a54d-75e7-412f-a3f5-1add5c6350b4?agendaItemId=eca768e5-43fb-4011-a126-a78a811c9514