CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Vormvrije m.e.r.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling locatie Steenwijkerweg 235 te Witte Paarden5.078 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 1. INLEIDING Deze notitie heeft betrekking op de locatie aan de Steenwijkerweg 235 te Witte Paarden in de gemeente Steenwijkerweg. Voorheen was op deze locatie een horecabedrijf gevestigd. Momenteel staat het pand leeg en is het voornemen om de locatie te herontwikkelen met vijf woningen. Concreet gaat het hier om het realiseren van een woonlocatie met één vrijstaande en vier halfvrijstaande woningen. In afbeelding 1 is een uitsnede van de huidige situatie opgenomen. Afbeelding 1: Huidige situatie projectgebied (Bron: Provincie Overijssel) De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Vanuit het ruimtelijke spoor is vanwege de aard en omvang een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. Voorliggende notitie voorziet hierin. Eerst wordt een nadere toelichting op de M.e.r.-beoordeling gegeven. M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven.

Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Passende beoordeling Bij het opstellen van een bestemmingsplan beziet de gemeenteraad in de zogenoemde ‘voortoets’ of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien de waarschijnlijkheid of het NOTITIE Onderwerp: Vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling locatie Steenwijkerweg 235 - Witte Paarden Auteur: Michiel van Putten Datum: 6 december 2019 2 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R .

V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of meerdere Natura 2000-gebieden. Dat risico bestaat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer deze gevolgen op grond van objectieve gegevens niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Een uitzondering op de verplichting om een passende beoordeling op te stellen is neergelegd in artikel 2.8, lid 1 Wnb. Ingeval het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, kan ingevolge dat artikel lid een nieuwe passende beoordeling achterwege blijven, voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen ervan. De plan-m.e.r. die voor bestemmingsplannen is gekoppeld aan het opstellen van een passende beoordeling is in deze situatie ook niet nodig. Feitelijk is er dan al een – nog steeds actuele – passende beoordeling aanwezig, die aantoont dat schadelijke effecten als gevolg van het plan zijn uitgesloten. Significantie Bij de voortoets draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied van een plan wordt afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied.

Deze zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Omgekeerd moet een plan dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar dreigt te brengen, noodzakelijkerwijs worden beschouwd als een plan dat significante gevolgen kan hebben. De significantie van de gevolgen moet met name worden beoordeeld in het licht van de specifieke milieukenmerken en omstandigheden van het gebied waarop het plan betrekking heeft. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van de depositie leiden. Van plannen, die ten opzichte van de feitelijke situatie op het referentiemoment geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dit geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.

Als uit de voortoets blijkt dat de realisatie van de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden wel leidt tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitats waarvan de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden, moet de gemeenteraad wel een passende beoordeling opstellen. In een passende beoordeling kan als maatregel en onder voorwaarden externe saldering worden toegepast. Zoals uit hoofdstuk 3 van deze notitie blijkt heeft de voorgenomen ontwikkeling geen dusdanige milieugevolgen die het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk maken. Van een directe m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm is in voorliggend geval dan ook geen sprake. Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit MER) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen. In het Besluit m.e.r.

neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER.

In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het realiseren van woningen is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 3 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In voorliggend geval is geen sprake van het realiseren van 2000 of meer woningen en wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden. Het projectgebied bedraagt namelijk circa 2.000 m2. Daarnaast gaat het niet om 2.000, maar per saldo slechts 5 woningen. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voorliggende oplegnotitie voorziet hierin. De notitie zal als bijlage onderdeel gaan uitmaken van het bestemmingsplan.

Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt met bijbehorende subcriteria. Hierna is de Selectiecriteria Europese richtlijn opgenomen. Selectiecriteria Europese richtlijn 1. Kenmerken van de activiteiten Bij activiteiten met mogelijke significante negatieve milieueffecten moeten de volgende aspecten in het bijzonder in overweging worden genomen:  de omvang van het project/de activiteit;  de cumulatie met andere projecten;  het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;  de productie van afvalstoffen;  verontreiniging en hinder;  risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën. 2. Plaats van de activiteiten De locatie van een project/activiteit bepaalt mede de impact van dit project. Daarom moet de kwetsbaarheid van een gebied waar het project invloed op heeft in de beoordeling worden betrokken.

In het bijzonder moet in overweging worden genomen:  het bestaande gebruik;  de relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan;  het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende gebieden: o wetlands; o kustgebieden; o berg- en bosgebieden; o reservaten en natuurparken; o gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; o speciale beschermingszones, door de aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect In samenhang met de kenmerken en de locatie van de activiteiten/projecten moet bij potentiële effecten van een project in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen:  het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking);  het grensoverschrijdend karakter van het effect;  de orde van grootte en de complexiteit van het effect;  de waarschijnlijkheid van het effect;  de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. 4 B J Z .

NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken, waaronder de gemeente Steenwijkerland, provincie Overijssel en waterschap Drents Overijsselse Delta (WDO). Voor het vaststellen van het bestemmingsplan is de gemeenteraad van Steenwijkerland het bevoegd gezag. Daarnaast wordt de provincie Overijssel, het waterschap Drents Overijsselse Delta en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het project betrokken en zal het bestemmingsplan in het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) naar deze partijen worden toegezonden. Relatie met (nog te nemen) besluiten Geen relatie met (nog te nemen) besluiten bekend. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voornemen beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de plaats van het plan. Hoofdstuk 4 gaat in op de kenmerken van het potentiële effect. In hoofdstuk 5 is de conclusie opgenomen. 5 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 2.

KENMERKEN VAN DE PROJECTEN Bij activiteiten met mogelijke significante negatieve milieueffecten moeten de volgende aspecten in het bijzonder in overweging worden genomen:  de omvang van het project/de activiteit;  de cumulatie met andere projecten;  het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;  de productie van afvalstoffen;  verontreiniging en hinder;  risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën. De omvang van het project/de activiteit Het voornemen heeft betrekking op de locatie aan de Steenwijkerweg 235 te Witte Paarden in de gemeente Steenwijkerweg. Deze locatie voorziet in de herontwikkeling naar een woonlocatie met 5 woningen. In de huidige situatie staat het horecapand leeg. In de volgende afbeelding is de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. Afbeelding 2: Indicatieve inrichting van het projectgebied (Bron: B&V Bouwmeesters) De cumulatie met andere projecten; Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In de omgeving van het projectgebied zijn geen (grootschalige) ontwikkelingen gepland/bekend welke in vergelijkbare effecten veroorzaken als de voorgenomen ontwikkeling.

Cumulatie is daarom niet aan de orde Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De woningen zullen gasloos gebouwd worden, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De productie van afvalstoffen; De productie van afvalstoffen betreffen voor de beoogde woningen uitsluitend de huishoudelijke afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. Verontreiniging en hinder; In de aanlegfase kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Vanwege de ligging, de omvang van de ontwikkeling en de geschatte tijdsduur (korte bouwperiode), is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na 6 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen.

Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. Woningen worden namelijk niet gezien als milieubelastende functies. Zoals in hoofdstuk 3 en 4 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse. 7 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 3. PLAATS VAN DE PROJECTEN De locatie van een project/activiteit bepaalt mede de impact van dit project. Daarom moet de kwetsbaarheid van een gebied waar het project invloed op heeft in de beoordeling worden betrokken.

In het bijzonder moet in overweging worden genomen:  het bestaande gebruik;  de relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan;  het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu met in het bijzonder aandacht voor de volgende gebieden: o wetlands; o kustgebieden; o berg- en bosgebieden; o reservaten en natuurparken; o gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; o speciale beschermingszones, door de aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG; o gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; o gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; o landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Het bestaande gebruik Het projectgebied is geheel binnen grondgebied van de gemeente Steenwijkerland gelegen, in het gehucht Witte Paarden. Het gaat in dit geval om een herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie (inbreidingslocatie). Op het perceel was een horecabedrijf gevestigd. Het horecapand wordt gesloopt. De relatieve rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen van het gebied, specifiek de kwaliteit en het regeneratievermogen ervan De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.

Het opnamevermogen/de gevoeligheid van het natuurlijk milieu (natuur, ecologie, archeologie en cultuurhistorie) Het betreft een locatie in Witte Paarden in de gemeente Steenwijkerland. Hieronder wordt per thema ingegaan op mogelijke aanwezige waarden in het projectgebied. Ecologie Door Natuurbank Overijssel is een ecologisch onderzoek is uitgevoerd1, waarbij getoetst is aan de gebiedsbescherming en soortenbescherming. De belangrijkste conclusies zijn hierna opgenomen. Soortenbescherming Het projectgebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het projectgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er zijn aanwijzingen gevonden dat vogels in het dakvlak nestelen en dat sommige grondgebonden zoogdiersoorten er mogelijk een rust- en/of voortplantingsplaats bezetten. Vleermuizen en amfibieën bezetten er een (winter)rust- of voortplantingsplaats. In het projectgebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Vleermuizen of amfibieën bezetten er geen (winter)rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het projectgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het projectgebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen niet aangetast. Het projectgebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, 1 Quickscan Natuurwaardenonderzoek Steenwijkerweg 235 Witte Paarden: (projectnr. 1995, versie 1.0, 17-07-2019) 8 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Mits bezette vogelnesten beschermd worden en er geen beschermde diersoorten verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. De functie van het projectgebied als foerageergebied voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten, wordt niet aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde diersoorten verwond of gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden: Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.

Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 4 kilometer afstand van het projectgebied. In dit geval is er door BJZ.nu een Aerius-berekening uitgevoerd teneinde de gevolgen van de ontwikkeling ten opzichte van het Natura 2000-gebied in beeld te brengen2.  Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden  Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.  Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland: Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 400 meter afstand van het projectgebied. Gezien de onderlinge afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Cultuurhistorie In het gebied zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig. Ook in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig, waarop het plan invloed zou kunnen hebben. Archeologie Het projectgebied ligt in een archeologische zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In dit geval is er door Laagland archeologie een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd3. Conform het verwachtingsmodel is een ophoogpakket van circa 80-90 cm dik aangetroffen. Hierin zijn baksteenfragmentjes/puin, sintels en hout gezien.

Qua datering betreft het materiaal uit de 19e en 20e eeuw, een 2 Aerius-berekening Woningbouw Witte Paarden, Steenwijkerweg 235, oktober 2019 3 Laagland archeologie Rapport 326, bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek – verkennende fase (augustus 2019) 9 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E en ander conform het verwachtingsmodel. Dekzand is nergens aangetroffen en er resteert nog een dun laagje keizand zonder podzolprofiel. Aangenomen kan worden dat eventuele resten van vroegere bewoning op het keizand nagenoeg zijn verdwenen. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het projectgebied uit te voeren. Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Steenwijkerland. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevrouw M. Nieuwenhuis. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 10 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 4.

KENMERKEN VAN HET POTENTIELE EFFECT In samenhang met de kenmerken en de locatie van de activiteiten/projecten moet bij potentiële effecten van een project in het bijzonder het volgende in overweging worden genomen:  het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking);  het grensoverschrijdend karakter van het effect;  de orde van grootte en de complexiteit van het effect;  de waarschijnlijkheid van het effect;  de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, geur, water, ecologie, externe veiligheid en stikstof. De effecten van de hiervoor genoemde aspecten zijn lokaal van aard. Verkeer Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de CROW-publicatie Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld.

Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Het plan gaat uit van de realisatie van 5 woningen. Voor vrijstaande woningen geldt op basis van de CROW- publicatie een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. Voor tweekappers geld en verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen per woning. In totaal maakt dit voor het plan dat er sprake is van 40 verkeersbewegingen. Het projectgebied wordt ontsloten op de weg Witte Paarden. Deze straat is van voldoende capaciteit is om deze verkeersgeneratie te kunnen verwerken. Het effecten van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘verkeersgeneratie’ is neutraal. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave, omdat woningen in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. Echter zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden), hiervoor gelden echter geen normen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de geluidsituatie wordt ingeschaald op neutraal. Luchtkwaliteit De ontwikkeling draagt in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit.

Ten aanzien van luchtkwaliteit is er dan ook sprake van een neutraal effect. Geur In voorliggend geval worden er geen geurbelastende objecten gerealiseerd. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van geur wordt ingeschaald op neutraal. Ecologie Zoals eerder vermeld zijn in het projectgebied geen beschermde soorten aanwezig. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader soort- of gebiedsbescherming. Zoals eerder vermeld blijkt uit de Aerius-berekening dat er zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van ecologie (met inbegrip van stikstofdepositie) wordt ingeschaald op neutraal. Externe veiligheid Binnen het projectgebied wordt geen gebruik gemaakt van gevaarlijke stoffen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van externe veiligheid is neutraal. Water Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de waterhuishouding wordt ingeschaald als positief, vanwege het feit dat het verharde oppervlak afneemt. Het hemelwater wordt op een adequate wijze geïnfiltreerd en het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk gemengde rioleringsstelsel.

Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van het aspect water is positief. 11 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E Het grensoverschrijdend karakter van het effect De effecten hebben geen landsgrensoverschrijdend karakter. De orde van grootte en de complexiteit van het effect Er zijn geen significant negatieve effecten te verwachten. De waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk, echter met inbegrip van voorgestelde maatregelen zijn geen significante negatieve effecten te verwachten. De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Er zijn geen significant negatieve effecten te verwachten. Cumulatie van effecten met effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. Cumulatie is daarom niet aan de orde. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) De milieueffecten van de ontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd of gecompenseerd worden.

De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat met uitzondering van het aspect ecologie mitigerende maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Ecologie (mitigerend) Tijdens de uitvoering van het voornemen kan flora en fauna hinder ondervinden. Door buiten het broedseizoen te werken of maatregelen te treffen binnen het broedseizoen wordt eventuele hinder op natuur zoveel mogelijk beperkt. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. 12 B J Z . NU T W E N T E P O O R T O O S T 1 6 A 7 6 0 9 R G A L M E L O / D R . V A N D E E N W E G 1 3 8 0 2 5 B P Z W O L L E 5. CONCLUSIE De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/d963a5c1-3d92-48bb-8161-b880c5e58580?agendaItemId=66bc0aa7-8f34-488d-be1e-86c00d5b4e64