Verordeningen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2017 - RAADSVOORSTEL.doc
Tekst van het document
1 Voorstel aan de raad Aan de gemeenteraad Gemeente Steenwijkerland Vendelweg 1 8331 XE Steenwijk Steenwijk, 09-05-2017 Nummer voorstel: 2017/66 Voor raadsvergadering d.d.: 20-06-2017 Agendapunt: 5.5 Onderwerp: Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 en Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017 Aan de raad van de gemeente Steenwijkerland wordt voorgesteld te besluiten: Conceptbesluit: 1. de Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017, inclusief toelichting, vast te stellen; 2. de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017, inclusief toelichting, vast te stellen; Samenvatting: Per 1 januari 2015 zijn de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet van kracht. Gemeenten zijn op basis van deze wet verantwoordelijk voor het leveren van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om binnen de kaders van deze twee wetten de verordeningen vast te stellen. Uw raad heeft voorafgaand aan 2015 beide verordeningen vastgesteld in de raadsvergadering van 28 oktober 2014. Inmiddels is er twee jaar ervaring opgedaan met de Jeugdwet en de Wmo 2015 en met de daaraan verbonden gemeentelijke regelgeving. Het is wenselijk en noodzakelijk dat beide verordeningen geactualiseerd worden.
De verordeningen die nu voo rliggen zijn aangepast aan actuele ontwikkelingen, jurisprudentie en veranderingen in de uitvoeringspraktijk. In de collegevergadering van 7 maart 2017 zijn de concept verordeningen vastgesteld en hebben belanghebbenden en ingezetenen vervolgens tijdens de inspraakperiode hun zienswijze kunnen geven op de inhoud. Hierbij wordt u verzocht de Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017 vast te stellen. Inleiding 2 Na twee jaar ervaring met de Jeugdwet en de Wmo 2015 en de daaronder hangende gemeentelijke regelgeving (verordening, nadere regels/besluit en beleidsregels) zijn kleinere en grotere aanpassingen van de gemeentelijke verordeningen wenselijk en noodzakelijk. De punten voor herziening zijn de afgelopen twee jaren verzameld vanuit zowel de toegang, de backoffice, beleid en door juridisch opgedane ervaring en wijzigingen in de wetgeving. Zo is een aantal aanpassingen op korte termijn noodzakelijk omdat, vanwege jurisprudentie, enkele bepalingen niet meer in het juiste document staan. Als voorbeeld: de hoogte van een Pgb-tarief dient in de verordeningen opgenomen te worden en niet meer in de Nadere regels (Jeugd) of het Besluit (Wmo).
Het beleidskader voor de verordeningen is het Beleidsplan Sociaal Domein 2017 -2020 zoals vastgesteld door de raad op 13 september 2016. Aanleiding wijzigen regelgeving jeugd en Wmo Vanuit de toegang, de backoffice, beleid, jurisprudentie en wetgeving, is de wens en noodzaak ontstaan voor (grote en kleine) aanpassingen van de regelgeving. Deze zijn gedurende de afgelopen twee jaren verzameld en meegenomen in het proces om te komen tot herziening van de regelgeving jeugd en Wmo. Daarnaast zijn er wijzigingen doorgevoerd op basis van de meest actuele modelverordeningen van de VNG. Wettelijk gezien moeten er een aantal bepalingen worden opgenomen in de verordening, waar deze in de huidige situatie in de Nadere regels (jeugd) en het Besluit (Wmo) staan. Om deze redenen zijn de verordeningen uitgebreid en zijn de Nadere regels jeugd en Besluit Wmo niet langer van toepassing met ingang van 1 juli 2017. Mede daarom zijn de Beleidsregels Jeugd en Wmo (op uitvoeringsniveau) herzien. Door de verordeningen te actualiseren, is de gemeentelijke regelgeving up-to-date, waarbij er sprake is van zorgvuldige en correcte regelgeving. Hierdoor ontstaat er een eenduidig beeld van de kaders voor de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet op gemeentelijk niveau. De belangrijkste wijzigingen worden apart genoemd in de paragraaf ‘’Belangrijkste wijzigingen’’ op pagina 3.
Juridisch kader Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017 Op basis van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 heeft de raad het Beleidsplan Sociaal Domein 2017- 2020 vastgesteld op 13 september 2016. Op grond van artikel 2.1.3 stelt de raad een verordening vast. De uitwerking en uitvoering van deze verordening is de verantwoordelijkheid van het college en vindt plaats in de Beleidsregels Wmo 2017 gemeente Steenwijkerland. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2015 k omt te vervallen, wanneer de Verordening maatschappelijke ontwikkeling gemeente Steenwijkerland 2017 in werking treedt. Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 De raad heeft op basis van artikel 2.2 van de Jeugdwet het Beleidsplan Sociaal Domein 2017-2020 vastgesteld op 13 september 2016. Op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet stelt de raad de verordening vast. De uitwerking en uitvoering van de verordening is de verantwoordelijkheid van het college en vindt plaats in de Beleidsregels jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017. De Nadere regels jeugdhulp gemeente Steenwijkerland komen te vervallen, zodra de Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 in werking treedt. Twee verordeningen Momenteel hebben we separate (gemeentelijke) regelgeving onder de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Voor de toegang tot de maatwerk-/individuele voorzieningen hebben we een integraal 3 gemeentelijk toegangsteam. Er is onderzocht of het wellicht logischer is om één integrale verordening op te stellen. Het betreft echter taken en bevoegdheden op grond van twee aparte wetten waarbij er inhoudelijk veel verschillen zijn. Daarom is het niet wenselijk om één verordening op te stellen voor zowel jeugdhulp als maatschappelijke ondersteuning. De wetten bevatten ieder hun eigen terminologie. Zo spreekt de Wmo 2015 van ‘maatwerkvoorziening’, en de Jeugdwet van ‘individuele voorziening’. Beide wetten kennen een verantwoordelijkheidsladder, maar deze verschilt wel van elkaar. Ook zit er een verschil in de soort ondersteuning die de gemeente op grond van beide wetten moet bieden. De Jeugdwet maakt de gemeente ook verantwoordelijk voor de (oude) jeugd GGZ terwijl de volwassenen GGZ onder de Zorgverzekeringswet valt en niet onder de Wmo 2015. Hulpmiddelen, ook voor jeugdigen, vallen onder de Wmo 2015. De Wmo 2015 kent de mogelijkheid eigen bijdragen te vragen, de Jeugdwet niet. Voor beide wetten geldt dat de mogelijkheid bestaat een persoonsgebonden budget (pgb) te vragen. Hiervoor geldt dan het trekkingsrecht.
Onder de Jeugdwet moge n echter aanvullende voorwaarden (aangaande de kwaliteit) worden gesteld waaronder de cliënt iemand uit het sociaal netwerk mag inhuren terwijl onder de Wmo 2015 dergelijke aanvullende voorwaarden niet zijn toegestaan. Ook zijn de termijnen verschillend. Belangrijkste wijzigingen Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017 De belangrijkste wijzigingen van de nieuwe verordening ten opzichte van huidige verorden ing worden hieronder beschreven: De algemene voorziening Huis Tip Top is niet meer de enige voorziening voor huishoudelijke hulp. Huishoudelijke hulp wordt voortaan ook als een maatwerkvoorziening verstrekt. Als gevolg van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016 is een algemene voorziening huishoudelijke hulp niet zonder meer toereikend. Er moet door een deskundige een hulp of zorgbehoefte worden bepaald. Vervolgens moet worden bekeken of de algemene voorziening in de behoefte voorziet, of dat er aanvullende hulp nodig is. De maatwerkvoorzieningen huishoudelijke hulp 1 en huishoudelijke hulp 2 zijn aanbesteed en ingekocht bij zorgaanbieders. De zorgbehoefte, uitgedrukt in een indicatie voor huishoudelijke hulp wordt uitgedrukt in normtijden.
Deze normtijden zijn gebaseerd op de normtijden van het CIZ uit 2006, gepreciseerd door Steenwijkerland in 2012 en afgezet tegen het op onafhankelijk onderzoek gebaseerde advies normtijden voor een schoon huis aan gemeente Utrecht van de onderzoeksbureaus KPMG Plexus en Bureau HHM. De basis voor de beleidsregel over normtijden ligt in deze verordening verankerd. De CRvB oordeelt in één van de uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) dat de gemeenteraad bij raadsverordening moet bepalen of een bijdrage is verschuldigd voor het gebruik van algemene voorzieningen en wat de hoogte is van deze bijdrage. Delegatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage wordt als niet toelaatbaar bestempeld (zie r.o. 4.5.4 tot en met 4.5.6). De CRvB verwijst eerst naar de tekst van artikel 2.1.4 van de Wmo 20 15, waarin staat dat “bij verordening” bepaald wordt of de bijdrage voor algemene voorzieningen verschuldigd is. Daarna oordeelt de CRvB, mede op basis van de wetsgeschiedenis, dat de hoogte van de bijdrage in een raadsverordening moet worden bepaald en on derwerp is van lokaal beleid. Vervolgens oordeelt de CRvB dat delegatie hiervan aan het college niet is toegestaan.
Artikel 2.1.4, tweede lid, van de Wmo 2015 zou hier namelijk aan in de weg staan, daar dit artikel 4 niet voorziet in een wettelijke grondslag om het vaststellen van de hoogte te delegeren aan het college. Er is wel een tegemoetkoming opgenomen in de wet voor het bestrijden van meerkosten als het gaat om de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronisch psychische- of psychosociale problemen. Deze tegemoetkoming zetten wij mede in om de bestaande praktijk voor de financiële tegemoetkoming rond vervoerskosten te handhaven. Mensen met een laag inkomen die met een Wmo-indicatie zijn aangewezen op vervoer van deur tot deur kunnen op deze manier een tegemoetkoming ontvangen. De verordening is aangepast voor de juiste wettelijke basis, omdat een algemene bepaling voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming niet langer in de wet staat. Het normbedrag voor vervoerskosten is met 6% verhoogd omdat dit vanaf 2012 niet geïndexeerd is en de kosten voor het vervoer wel navenant zijn gestegen. Ook zijn de meest recente ontwikkelingen rondom de AMvB (reële kostprijs thuisondersteuning) meegenomen in de verordening. De AMvB bevat een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met ingang van 1 juli 2017. Er wordt een nieuw artikel toegevoegd (Artikel 5.4) aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Dit artikel houdt in dat een gemeente een reële prijs betaalt, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van de Wmo dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om op dit punt de verordening Wmo aan te passen. Belangrijkste wijzigingen Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 De belangrijkste wijzigingen van de nieuwe verordening ten opzichte van huidige verorden ing worden hieronder beschreven: Omdat uit de praktijk en jurisprudentie duidelijk naar voren komt dat bij de afweging van de jeugdhulpbehoefte (voorziening) er steeds uitgegaan dient te worden van maatwerk, zijn de bepalingen die dit in de weg staan, verwijderd. In de verordening jeugdhulp (net als bij de Wmo) wordt bepaald hoe tot de hoogte van een pgb wordt gekomen. In de huidige regelgeving staat dat in de Nadere Regels. Uit jurisprudentie is gebleken dat dit in strijd is met de wet daarom wordt de hoogte van een pgb opgenomen in de verordening jeugdhulp. In de verordening jeugdhulp is ook opgenomen onder welke voorwaarden iemand uit het sociaal netwerk mag worden ingehuurd met een pgb. Dat staat nu nog in de Nadere regels. In de verordening staat nu opgenomen hoe het college ingezetenen bij het beleid betrekt.
Dit is een wettelijke plicht en vanuit beleidsoogpunt een belangrijk thema. Opgenomen is dat dit in eerste instantie via de Adviesraad Sociaal Domein geschiedt en dat het college daarnaast op andere wijzen inwoners of cliënten kan betrekken bij de vormgeving van bel eid. In de huidige verordening jeugdhulp staat dat bij een verwijzing van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist alsnog een beschikking wordt afgegeven door de gemeente. Dit kan niet. Een verwijzing door huisarts, jeugdarts of medisch specialist geeft al recht op jeugdhulpverlening. Deze bepaling is daarom verwijderd. 5 Inspraak Ingezetenen van Steenwijkerland en belanghebbenden zijn van 14 maart 2017 tot 4 april 2017 in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen ten aanzien van de concept Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2017 en de concept Verordening maatschappelijke ondersteuning Steenwijkerland 2017 en de bijbehorende toelichtingen in te dienen. Omdat het een herziening van beide bestaande verordeningen betreft, heeft het college de inspraaktermijn op drie weken bepaald. Tevens is de Adviesraad Sociaal Domein gevraagd schriftelijk advies te geven over de bovengenoemde stukken. Er zijn, naast het schriftelijk advies van de Adviesraad Sociaal Domein, geen zienswijzen ingediend tijdens de inspraakperiode.
De zienswijze heeft geleid tot één aanpassing in Artikel 1 (begripsbepalingen) van de concept Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017. De zienswijze heeft verder niet tot aanpassingen van beide concepten geleid. Kanttekening Landelijke wet- en regelgeving is aan verandering onderhevig, met name in dit dynamische werkveld van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Er zijn twee jaar voorbij sinds de inwerkingtreding van de Jeugdwet en Wmo 2015. Na de eerste overgangsperikelen is doorontwikkeling op gang gekomen. Het is goed mogelijk dat herziening van de verordeningen en beleidsregels vaker nodig is. Dit is ondervangen door de wijzigingen zoveel mogelijk te verzamelen en in één keer voor te leggen. Bovendien is de inzet om sober en doelma tig om te gaan met regelgeving en hierbij zo weinig mogelijk te verwijzen naar landelijke wet - en regelgeving, waardoor aanpassingen van de verordeningen niet voortdurend nodig is. Bijlagen bij het voorstel Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Steenwijkerland 2017 Ondertekening De secretaris De waarnemend burgemeester S.S. Weistra J.H. Bats Betrokken partijen afdeling adviseur behandeld in raadscommissie MO Judith Kolk, tel.: 14 0521, email: judith.kolk@steenwijkerland.nl ja, nl.
nee 1 Raadsbesluit Steenwijk, 20 juni 2017 Nummer: 2017/66 De raad van de gemeente Steenwijkerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 09-05-2017, nummer 2017/Error! Reference source not found.; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet; gelet op de uitgangspunten opgenomen in het ‘Beleidsplan Sociaal Domein 2017-2020’; b e s l u i t vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Steenwijkerland 2017 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; - onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 6; - hulpvraag: behoefte va n een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; - individuele voorziening: een niet vrij -toegankelijke op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening op het gebied van jeugdhulp als bedoeld in artikel 2, tweede lid; - melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; - overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening op het gebied van jeugdh ulp (geen beschikking voor nodig); - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in
artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; - wet: Jeugdwet. Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: - preventie (inclusief advies en voorlichting); - lichte (opvoed)ondersteuning zoals cursussen en trainingen; - vertrouwenspersoon; - Veilig Thuis; 2 - mantelzorgondersteuning 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: - begeleiding individueel - begeleiding groep - persoonlijke verzorging - specialistische diagnostiek en behandeling - verblijf (kortdurend/logeren en dag- & 24uursverblijf - pleegzorg - spoedzorg (met en zonder verblijf) - forensische zorg - gesloten jeugdzorg (na machtiging rechter) - vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag 1.
Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 4. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening. Artikel 5. Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem of zijn ouders een afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 2. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.
De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 6. Onderzoek 1. Het college onderzoekt door middel van in ieder geval één of meerde re gesprekken tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; 3 f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h.
hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken. 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6. 2. Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na het onderzoek aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 8.
Aanvraag Jeugdigen en ouders kunnen na afronding van het onderzoek een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk doormiddel van een door het college vastgesteld formulier indienen bij het college. Het verslag van het onderzoek wordt bij het aanvraagformulier gevoegd. Artikel 9. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welke voorziening het pgb wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat is; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Artikel 10.
Regels voor pgb 1. Het tarief voor een pgb: a. is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden; 4 b. is toereikend om veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede jeugdhulp die tot de individuele voorzieningen behoren van derden te betrekken, en c. bedraagt – onverminderd het bepaalde in lid 3 - ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura; 2. De kostprijs van de zorg in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop. 3. Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door: a. een jeugdhulpaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband v an natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen (en werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura; b. een jeugdhulpaanbieder zijnde een solistisch werkende jeugdhulpverlener (zzp’er) (die werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) bedraagt maximaal 75% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura; c.
een persoon uit het sociale netwerk dan wel een persoon anders dan de onder a en b genoemde jeugdhulpaanbieders bedraagt maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met een maximum van €20,- per tijdseenheid waarmee de betreffende jeugdhulpvorm bij ZiN wordt verrekend. 4. Het tarief voor vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt verleend bedraagt €0,31 per kilometer. 5. Het pgb mag niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelings- en coördinatietaken alsmede begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag. Cadeautjes en feestdagenuitkeringen mogen ook niet uit het PGB worden bekostigd. Wanneer geen passende voorziening in natura beschikbaar is, én niet door de gemeente alsnog gecontracteerd kan worden, én de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet in staat is op verantwoorde wijze uitvoering te geven aan het pgb, dan zal de gemeente een coördinator (zorg in natura) aanwijzen of (al dan niet tijdelijk) toestaan dat een pgb-bureau voor ondersteuning wordt ingeschakeld. Er vindt daarbij in ieder geval functiescheiding plaats tussen de coördinatortaken en het bieden van daadwerkelijke hulp. Artikel 11.
Voorwaarden pgb voor jeugdhulp door persoon uit sociaal netwerk De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk dan wel van een persoon niet zijnde een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in de Jeugdwet: 1. dat dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan professionele jeugdhulp; 2. dat naar het oordeel van het college het verlenen van informele zorg, in combinatie met alle overige verplichtingen en verantwoordelijkheden van deze persoon, een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast niet verstoort en het verlenen van de informele zorg niet leidt tot de noodzaak een voorziening voor respijtzorg ter ontlasting van de informele hulp toe te kennen. 3. dat de informele hulp op geen enkele wijze druk op de jeugdige en/of zijn ouders(s) heeft uitgeoefend bij de besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling; 4. dat de informele hulp een recente verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG NP), specifiek screeningsprofiel 45. ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’, kan overleggen; 5. dat naar het oordeel van het college de kwaliteit van de geboden hulp vol doende is gewaarborgd; 6. de informele hulp bevoegd en bekwaam is, (gelet op het doel van de jeugdhulp) de betreffende jeugdhulp te verlenen; 5 Artikel 12.
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat h et pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s. Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d.
een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 14. Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 15. Klachtenregeling Het college behandelt klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de klachtenregeling van de gemeente Steenwijkerland. 6 Artikel 16. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het betrekken van ingezeten en cliënten bij de beleidsontwikkeling op het gebied van jeugdhulp of maatschappelijke ontwikkeling geschiedt in eerste instantie via de Adviesraad Sociaal Domein. 4. Daarnaast kan het college op andere wijzen inwoners of cliënten betrekken bij de vormgeving van beleid. Artikel 17. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2015 wordt met ingang van 1 juli 2017 ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordenin g, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2015, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2017. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Steenwijkerland 2017. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, A. ten Hoff J.H. Bats 7 Toelichting Verordening jeugdhulp Steenwijkerland Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorzie ning wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. Vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij- toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben.
De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan kan op basis van mandaat geregeld worden dat de deskundige, namens het college, een besluit neemt en verwijst hij de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist.
Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast w elke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn 8 ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld.
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente i s op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.
Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concr eet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Artikelsgewijs Artikel 1.
Begripsbepalingen Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in artikel 2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 e.v. De definities van ‘gesprek’ en ‘onderzoek’ zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal spraakgebruik. 9 De melding is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 4) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 8. Het onderzoek is het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - het college kan deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°.
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente (artikel 4 tot en met 8) of door de 10 huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.
Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aa nkloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp.
Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in artikel 4 tot en met 8 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. Het college kan de beslissing over het inzetten van jeugdhulp mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar s taat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet -ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.
Vierde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van (artikel 4 en volgende) deze verordening. Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugd ige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.
Een vooronderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke 11 indiening aanvraag (artikel 8)) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming. Artikel 5. Vooronderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn e n omvat ook de uitnodiging voor het gesprek. Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of s prake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen. In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie . Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig.
Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste is bepaald in artikel 6, derde lid. Artikel 6. Onderzoek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling.
H et kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor 12 het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde uitgangsp unt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.
Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ/Wlz of de Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs. Artikel 7. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat hierover dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelij k is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herste llen van feitelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid). Artikel 8. Aanvraag Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder ge val regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraa g te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Beslistermijnen Awb In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag.
De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden. 13 Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als aanvraag aan te merken. Artikel 9. Inhoud beschikking Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen (artikel 8), dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen.
Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of z ijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is g eregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een ouderbijdrage is verschuldigd (vierde lid). De vaststelling en inning geschiedt door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast. Artikel 10.
Regels voor pgb In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a, van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Zo wordt voorkomen dat inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning willen inkopen met een pgb. Een pgb is ge middeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. Voor dienstverlening door een jeugdhulpaanbieder zijnde een natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen (en werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) wordt de hoogte van een pgb vastgesteld op maximaal 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura. Voor een jeugdhulpaanbieder zijnde een solistisch werkende jeugdhulpverlener (zzp’er) (die werkt volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling) wordt de hoogte van het pgb bepaald op maximaal 75% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura omdat hier sprake is van lagere overheadkosten.
Het tarief voor een pgb voor dienstverlening door een persoon uit het sociale netwerk danwel een niet- professional op het gebied van jeugdhulp (zoals bedoeld onder sub a en b) wordt vastgesteld op maximaal 50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura, met een maximum van €20,- per tijdseenheid waarin de jeugdhulp wordt toegekend. Artikel 11. Voorwaarden pgb voor jeugdhulp door persoon uit sociaal netwerk In artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet is geregeld dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Op basis van deze bepaling krijgt de gemeente de ruimte om zelf te bepalen wanneer pgb-houders jeugdhulp mogen inschakelen uit het eigen sociale netwerk. In dit artikel is daar invulling aan gegeven. Daarbij is onder andere aansluiting gezocht bij de Nota van wijzigingen bij wetsvoorstel Jeugdwet, kamerstuk 33 684, waarin staat: ‘Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning 14 daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.’ Artikel 12.