Vaststelling bestemmingsplan Tuk Hooidijk 1 en 1A - ontwerp_toelichting_16122016.pdf
Tekst van het document
5.2 Waterbeleid 5.2.1 Waterwet De Waterwet regelt in hoofdzaak het beheer van watersystemen, waaronder waterkeri n- gen, oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke fun c- ties door watersystemen. In hoofdstuk 6 van de Waterwet wordt genoemd wanneer een waterwetvergunning nodig is. Deze is nodig wanneer sprake is van het lozen of storten van stoffen in oppervlaktewater of de zee of het onttrekken van grond water of infiltreren van water. Bij het omzetten van de recreatiewoning in een reguliere woning is van deze activiteiten geen sprake. Een waterwetvergunning is daarom niet nodig. 5.2.2 Waterplan gemeente Steenwijkerland 2008 -2015 Het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is een op grond van de Wet milieubeheer verplicht plan. De gemeente geeft hierin aan hoe ze op korte en lange termijn invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplicht. Op basis van het gemeentelijk waterplan willen gemeente en w a- terschappen de wateropgave verankeren in ruimtelijke plannen en besluiten . Dit geldt voor zowel het niet-stedelijke gebied van Steenwijkerland, voor herinrichting en beheer, maar ook zeker voor zoeklocaties en nieuwbouwlocaties.
Uitgangspunt is dat bij de pla n- nen gestreefd wordt naar voldoende water, schoonwater en bruikbaar water. Hierb ij wordt telkens gekeken naar verschillende mogelijkheden en wordt gestreefd naar het lev e- ren van maatwerk. Bij de keuze voor een nieuwe bouwlocatie wordt door de gemeente het proces volgens de digitale watertoets gevolgd. Op deze manier wordt betrokkenhei d van waterdeskundigen gewaarborgd van planvorming tot realisatie/beheer. Op grond van het waterplan zal de gemeente bij nieuwe initiatieven in het spoor van de ruimtelijke ordening middels de watertoets de belangen van waterwin- en grondwaterbe- schermingsgebieden een volwaardige plats in de belangenafweging geven, in lijn met het provinciale ruimtelijke ordeningsspoor. Het waterplan samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geform u- leerd: - bestaande waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden krijgen een beschermend regeling in het bestemmingsplan; - bij nieuwe initiatieven worden middels de digitale watertoets de waterbelangen vol- waardig meegewogen in de belangenafweging.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 24 5.2.3 Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan Het Verbrede Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP) beschrijft de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval -, hemel- en grondwater in Steenwijkerland voor de periode 2009-2015. Het vGRP vertaalt de voorge- nomen maatregelen in een kostendekkingsplan en geeft aan welke gevolgen dit heeft voor de rioolheffing. In het vGRP worden ook op hoofdlijnen de taken en verplichtingen van een (particuliere) grondeigenaar benoemd. De grondeigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn w o- ning en perceel. De grondeigenaar is ook zelf verantwoordelijk voor het op eigen perceel treffen van maatregelen voor de inzameling en afwatering. Hieronder vallen ook maatr e- gelen tegen eventuele grondwateroverlast. Het ingezamelde afvalwater dient de gronde i- genaar af te voeren naar de erfgrens. Hier gaat de verantwoordelijkheid over naar de g e- meente. Veelal is op de erfgrens een zogenaamd ontstoppingsstuk aangebracht. Via dat ontstoppingsstuk kan in geval van een verstopping worden nagegaan in welk deel van de riolering de verstopping aanwezig is (particulier of gemeente). 5.3 Watertoets De watertoets is op 4 augustus 2016 uitgevoerd op www.dewatertoets.nl.
Op basis hiervan heeft het waterschap Reest en Wieden een wateradvies uitgebracht. Omdat de voorgeno- men ontwikkeling alleen een functieverandering van bestaande bebouwing betreft en geen invloed heeft op de waterhuishouding, is er geen sprake van een waterschapsbelang. Het proces van de watertoets is hiermee goed doorlopen, conform de Handreiking Watertoets III. De resultaten van de watertoets zijn als bijlage aan de toelichting van het bestem- mingsplan toegevoegd. 5.4 Conclusie waterparagraaf Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect water uitvoerbaar. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 25 Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf 6.1 Milieu Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterre i- nen.
6.2 Geluidhinder 6.2.1 Inleiding In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat indien in het plangebied nieuwe geluid- gevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedsfeer van wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. 6.2.2 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de bouwde kom van Steenwijk/Tuk langs de Hooidijk. Op deze weg geldt een maximum snelheid van 50 km/h. Als gevolg van artikel 74 Wgh geldt voor deze weg een breedte van de geluidszone van 250 meter aan weerszijden van de weg, ge- meten vanaf de as van de weg. De kortste afstand van de as van de Hooidijk tot de grens van het bouwvlak bedraagt circa 60 meter. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe gelui dsgevoelige ontwikkeling binnen de geluidszone van de Hooidijk gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek wegver- keerslawaai is niet noodzakelijk. 6.2.3 Industrielawaai Het plangebied grenst aan de bedrijventerreinen NOVAC en Hooidijk. Dit bedrijventer- rein is aan te merken als een industrieterrein in de zin van de Wgh en beschikt samen met het bedrijventerrein Groot Verlaat over een geluidzone als bedoeld in artikel 52 Wgh. In het kader van de actualisatie van het bestemmingsplan voor de bedrijventerreinen in d e gemeente is door middel van berekeningen de ligging van de grens van deze zone be- paald.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 26 H Afbeelding 9: Zonegrens, bestaande en nieuwe geluidzone industrieterrein Groot Verlaat, NOVAC en Hooidijk/Dolderkanaal (bron: toelichting bestemmingsplan Bedrijventerreinen, vastgesteld 28 januari 2014) k Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 27 Het plangebied ligt buiten de geluidzone van de industrieterreinen Groot Verlaat, NOVAC en Hooidijk/Dolderkanaal. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is niet noodzakelijk. 6.2.4 Conclusie geluidhinder Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect geluidhinder uitvoerbaar. 6.3 Bodem 6.3.1 Inleiding Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften o m- trent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben ui t- sluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend me n- sen aanwezig zullen zijn. 6.3.2 Toetsing voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op bestemming ‘Wonen’, maar wijzigt die bestemming slechts in die zin dat een bestaande recreatiewoning wordt omgezet naar een reguliere woning. Het feitelijke gebruik in de zin van de hierboven aangehaalde voor- schriften wijzigt in dat geval niet. Als gevolg hiervan is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk.
6.3.3 Conclusie bodem Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect bodem uitvoerbaar. 6.4 Luchtkwaliteit 6.4.1 Inleiding Op basis van de Wet luchtkwaliteit, die onderdeel uitmaakt van de Wet Milieubeheer (hoofdstuk 5), gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten sti k- stofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Het Milieu- en Natuur Planbureau beschikt over kaarten met informatie over de luchtkwa- liteit in Nederland. De bestaande jaargemiddelde concentratie van fijn stof is 22,1 µg/m3 (achtergrondconcentratie 2011). Volgens de wettelijke normen mag deze concentratie maximaal 40,0 µg/m3 bedragen. Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die ‘Niet in b e- tekenende mate’ (NIBM) en ‘In betekenende mate’ (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van geva l- len opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijnstof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 28 werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwal i- teit te realiseren. In het geval een planvoornemen strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dient onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd te worden. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM - grens blijft: a. aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling niet in betekenende mate bijdragen valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het projec t is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit niet in betekenende mate bijdr a- gen (luchtkwaliteitseisen)); b. op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criter i- um. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn.
Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toet- sing aan grenswaarden plaats te vinden. Indien een project boven de getalsmatige grenzen uitkomt, is een project in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. Behoort een project tot een niet in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen genoemde categorie dan zal steeds met behulp van onderzoek dienen te worden aangetoond of het project NIBM is. 6.4.2 Toetsing voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling valt gezien de aard en omvang binnen de categorie ‘niet in betekende mate’. Als gevolg hiervan is verdere toetsing aan milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit niet noodzakelijk. 6.4.3 Conclusie luchtkwaliteit Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. 6.5 Bedrijven en milieuzonering 6.5.1 Inleiding In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijf s- activiteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk.
Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszone ringslijst van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als g evolg van bedrijfsac- tiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de bestemmingsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstan- den gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Indien sprake is van een gemengd gebied (een gebied waar naast woningen ook diverse vormen van al dan niet agrarische bedrijvigheid voor- komt), wordt de richtafstand van een categorie lager toegepast. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 29 6.5.2 Toetsing voorgenomen ontwikkeling Het plangebied ligt in de directe omgeving van het bedrijventerrein en NOVAC en Hooi- dijk en een agrarisch bedrijf. Gezien de functionele structuur van dit gebied, is de omge- ving van het plangebied is aan te merken als een gemengd gebied. Naast enkele woningen komen er op de nabijgelegen bedrijventerreinen verschillende bedrijfstypen en een agra- risch bedrijf voor. Het meest nabije deel van het bedrijventerrein ligt direct ten oosten van het plangebied (NOVAC).
Volgens het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ zijn hier uit- sluitend bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Voor deze bedrijven geldt een richtaf- stand van 30 meter. Gezien het feit dat er sprake is van een gemengd gebied wordt deze richtafstand teruggebracht tot 10 meter. De afstand tussen de bestemmingsgrens van het bedrijventerrein en de grens van het nieuwe bouwvlak bedraagt circa 20 meter. Ten zuiden van het plangebied ligt een bedrijventerrein (Hooidijk/Dolderkanaal) waar conform het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter, die gezien het gebiedstype wordt teruggebracht naar 50 meter. De afstand tussen de bestemmingsgrens van het be- drijventerrein en de grens van het nieuwe bouwvlak bedraagt circa 95 meter. 6.5.3 Conclusie bedrijven en milieuhinder Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuhinder uitvoerbaar. 6.6 Wet geurhinder en veehouderij 6.6.1 Inleiding Op grond van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand tussen een veehouderij en een woning in het buitengebied minimaal 50 meter bedragen. Hierbij gaat het om de afstand tussen emissiepunt en een woning van een derde. 6.6.2 Toetsing voorgenomen ontwikkeling Ten noordwesten van het plangebied is een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd.
De afstand tussen dit bedrijf en het nieuwe bouwvlak bedraagt circa 370 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstandseis uit de Wet geurhinder en veehouderij. 6.6.3 Conclusie bedrijven en milieuhinder Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuhinder uitvoerbaar. 6.7 Externe veiligheid 6.7.1 Inleiding Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); - Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen; - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Rege- ling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 30 Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsaf- standen en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Mili- eu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spe- len bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstan- den rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening komen net als bij het Bevi in een re- geling te staan. Deze regeling is nog niet gepubliceerd. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidin- gen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar.
6.7.2 Inrichtingen In de directe omgeving komen geen inrichtingen voor, waarvoor als gevolg van het Bevi een risicocontour voor het plaatsgebonden risico geldt of waardoor als gevolg van het toe- voegen van een reguliere woning de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt over- schreden. 6.7.3 Transportroutes gevaarlijke stoffen In de directe omgeving van het plangebied komen geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen voor. 6.7.4 Transportroutes gevaarlijke stoffen Direct ten zuiden van het plangebied ligt een aardgastransport leiding van de Gasunie. Over deze trasportleiding is geen nadere informatie beschikbaar ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.5 Conclusie externe veiligheid Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect externe veiligheid uitvoerbaar. 6.8 Milieubescherming Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied, grondwaterbesche r- mingsgebied, stiltegebied of ecologische hoofdstructuur. 6.9 Verkeer 6.9.1 Toetsing voorgenomen ontwikkeling Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 31 De voorgenomen ontwikkeling heeft een zeer beperkende verkeersaantrekkende werking. De ontsluiting van het perceel vindt plaats direct op de Hooidijk. De capaciteit van deze weg zal als gevolg van de ontwikkeling niet onder druk komen te staan.
6.9.2 Conclusie verkeer Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect verkeer uitvoerbaar. 6.10 Kabels en leidingen Direct ten zuiden van het plangebied ligt een aardgastransport leiding van de Gasunie. In het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ is ten aanzien van deze leiding een dubbelbe- stemming ‘Leiding’ opgenomen. De dubbelbestemming heeft een breedte van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de gasleiding. In deze dubbelbestemming is geregeld dat er ter plaatse van de dubbelbestemming niet gebouwd mag worden en dat bij het uitvoe- ren van werken of werkzaamheden vooraf schriftelijk advies bij de beheerder van de lei- ding aangevraagd dient te worden. 6.11 Conclusie Het bestemmingsplan is ten aanzien van de verschillende milieuaspecten uitvoerbaar. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 32 Hoofdstuk 7 Juridische opzet 7.1 Inleiding In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemming s- plan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
7.2 Uitgangspunten Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een viertal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten: - de digitale raadpleegbaarheid; - de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012); - Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); - Het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Steenwijkerland. Bij het opstellen van de inhoud van de regels wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de v i- gerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ van de gemeente Steenwijkerland. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teru g- gelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. 7.3 De verbeelding Op de verbeelding zijn aangegeven: ˗ de grens van het plangebied; ˗ de bestemming van de in het plangebied gelegen grond; ˗ de aanduidingen bij de bestemmingen; ˗ de bouwvlakken. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In het bouwvlak mogen gebouwen en bijgebouwen opgericht worden. 7.4 De planregels De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd: ˗ inleidende regels; ˗ bestemmingsregels; ˗ algemene regels; ˗ overgangs- en slotregels.
Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 33 Hoofdstuk 8 Financiële uitvoerbaarheid 8.1 Financiële haalbaarheid Het voorgenomen ontwikkeling vloeit voort uit afspraken tussen de eigenaar/bewoner van het betreffende perceel en de gemeente. De planologische kosten worden gedragen door de gemeente. Een en ander is in een overeenkomst tussen eigenaar/bewoner en gemeente vastgelegd. Voorgaande overziend zijn er voor de gemeente geen onevenredige kosten aan de realise- ring van het plan verbonden. 8.2 Exploitatieplan Gezien het feit dat de afspraken over de kosten voor uitvoerbaarheid van dit bestem- mingsplan zijn vastgelegd in een overeenkomst met de eigenaar/bewoner van Hooidijk 1a is een exploitatieplan niet aan de orde. Ontwerpbestemmingsplan Tuk – Hooidijk 1 en 1a – 16 december 2016 34 Hoofdstuk 9 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter vi- sie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
9.2 Procedure Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning doorlopen als ontwerp, vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan respectievelijk ontwerp en verleende omgevingsvergu n- ning de volgende procedure: a. Voorbereiding: - vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, w a- terschap (watertoets). b. Ontwerp: - publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeent eraad. c. Vaststelling bestemmingsplan / verlenen vergunning: - verlenen omgevingvergunning door het college van burgemeester en wethouders; - vaststelling door de raad mogelijkheid reactieve aanwijzing (dat gedeelte waarvoor een reactieve aanwijzing is gegeven treedt niet in werking) publicatie en terinzag e- legging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroep stermijn. d. Inwerkingtreding: - na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) e. Beroep: - Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 9.3 Overleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan in het kader van het verplichte overleg voorgelegd aan verschillende (overheids)instanties. Eventuele reacties en de antwoorden daarop worden verwerkt in dit hoofdstuk.
9.4 Zienswijzen Conform de afdeling 3.4 Awb en de Wro wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze tegen het bestemmingsplan inbrengen. Eventuele zienswijzen en de antwoor- den daarop worden verwerkt in dit hoofdstuk.