CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Tuk - Tukseweg 136.pdf

Politieke Markt 2 maart 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Dit agendapunt is verplaatst naar de agenda van de politieke markt van 23 maart 202112.324 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 30 Toelichting 4.7.2 Doorwerking naar het plan Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Om te onderzoeken of wordt voldaan aan de grenswaarden is op 15 januari 2019 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk 0195-R-17-A, “Akoestisch onderzoek nieuwbouw woonbestemming aan de Tukseweg 136 te Steenwijk, versie 2”). Het rapport is als bijlage 7.4 toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste resultaten en conclusies besproken. Verkeerslawaai De geluidbelasting ten gevolge van de Tukseweg (30 km/uur) is niet gebonden aan grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 47 dB Lden wat lager is dan de voorkeursgrenswaarde, te weten 48 dB Lden, uit de Wet geluidhinder. Ten aanzien van verkeerslawaai kan dan ook gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zijn dan ook geen akoestisch belemmeringen als gevolg van verkeerslawaai geconstateerd om de woonbestemming te realiseren.

Industrielawaai Door de Omgevingsdienst IJsselland is de geluidbelasting van het geluidgezoneerde industrieterrein “Groot Verlaat-Dolderkanaal-Hooidijk” vastgesteld. Op basis van de bevindingen van de Omgevingsdienst IJsselland blijkt dat een hogere waarde vastgesteld moet worden van ten hoogste 55 dB(A) en dat daarmee omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. In de berekeningen is uitgegaan van de worst-case situatie waarbij alle kavels op het industrieterrein gebruik maken van de maximale invulling qua geluid. In de praktijk zullen niet alle bedrijven de maximale invulling qua geluid vergund hebben gekregen. Daarnaast zullen in de praktijk niet alle bedrijven voortdurend en tegelijkertijd in bedrijf zijn. De geluidbelasting zal dan ook in de praktijk veelal lager zijn. Bij de hogere waarde procedure dient een binnenniveau van 35 dB(A) gewaarborgd te worden. De minimale vereiste geluidwering uit het Bouwbesluit is 20 dB(A) waardoor het binnenniveau, bij een hogere waarde van 55 dB(A), (55 - 20= 35) automatisch voldoet. Geluidreducerende maatregelen aan de gevels van de woning zijn dan ook niet noodzakelijk om een akoestisch goed binnenniveau te garanderen.

Ten aanzien van industrielawaai kan op basis voorstaande, de stedelijke ligging van de ontwikkelingslocatie en dat er sprake is van twee geluidluwe gevels op de begane grond, gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om de woonbestemming mogelijk te maken wordt het bevoegd gezag verzocht medewerking te verlenen aan een hogere waarde procedure. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 31 Toelichting 4.8 Luchtkwaliteit 4.8.1 Aanleiding en doel Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen en het Besluit gevoelige bestemmingen.

De luchtkwaliteit hoeft geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkel ingen als:  geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt;  een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. 4.8.2 Doorwerking naar het plan Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere:  woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. 4.9 M.E.R.-beoordeling 4.9.1 Aanleiding en doel De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 32 Toelichting plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure. 4.9.2 Doorwerking naar het plan Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D -lijst en die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r. - beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk;  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. In bijlage III van de EU-richtlijn m.e.r.

staan de criteria genoemd waarnaar moet worden gekeken bij de beoordeling. In voorliggende casus is gekeken naar deze Europese criteria. Voor het initiatief is een notitie vormvrije m.e.r. aangeleverd. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat de gemeente heeft besloten dat op basis hiervan, kan worden afgezien van een milieueffectrapportage. 4.10 Milieuhinder 4.10.1 Aanleiding en doel In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensi e: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009).

Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke acti viteiten en stappenplannen voor concrete situaties. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 33 Toelichting categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). 4.10.2 Doorwerking naar het plan Voor doorwerking naar het plan moet het vanuit twee perspectieven worden beoordeeld: 1. Vanuit de omgeving naar het plangebied 2.

Vanuit het plangebied naar de omgeving Vanuit de omgeving naar het plangebied In de nabije omgeving van het plangebied is een aantal bedrijven gevestigd. Om de minimale afstand te bepalen is gekeken naar de feitelijke situatie, de volgende bedrijven hebben een (maximale) categorie 3.1. Omdat deze bedrijven er al lange tijd zijn gevestigd en zij er ook gevestigd blijven, mag van deze situatie worden uitgegaan :  Boterweg 5 (kringloopwinkel) op 85 meter afstand;  Boterweg 8 (wooninrichting) op 103 meter afstand. Voor een bedrijf in categorie 3.1 geldt een afstandseis van:  30 meter voor geur;  10 meter voor stof en gevaar;  50 voor geluid. Deze bedrijven liggen dus op voldoende afstand van het plangebied. Het volgende bedrijf heeft een (maximale) categorie 3.2:  Tukseweg 134 (depot, opslag en uitlevering van kunststof leidingsystemen). Voor een bedrijf in categorie 3.2 geldt een afstandseis van:  30 meter voor geur;  10 meter voor stof en gevaar;  50 voor geluid. Voor Tukseweg 134 geldt de afstand van de perceelsgrens bedrijf tot woning van 50 meter. Er wordt echter een hogere grenswaarde procedure gevoerd, waarmee op het onderdeel geluid van deze afstand (50 meter) kan worden afgeweken. Het volgende bedrijf heeft een (maximale) categorie 2:  Tukseweg 87 (wooninrichting en banket) op 40 meter afstand.

Voor een bedrijf in categorie 2 geldt een afstandseis van:  10 meter voor geur, stof en gevaar;  30 meter voor geluid. Dit bedrijf ligt dus op voldoende afstand van het plangebied. Het volgende adres heeft een maatschappelijke bestemming: • Tukseweg 87A (kookstudio). Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 34 Toelichting De volgende adressen zijn woonbestemmingen: • Tukseweg 138 (naast het plangebied); • Tukseweg 89 tot en met 113 (tegenover het plangebied). Vanuit het plangebied naar de omgeving Het bedrijf aan de Tukseweg 136 wordt een bedrijf met reparatie voor auto-elektronica. Dit is een categorie 2 bedrijf volgens de VNG (“handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven”). Voor een bedrijf in categorie 2 geldt een afstandseis van:  10 meter voor geur en gevaar;  30 voor geluid. Het bedrijf ligt dus op voldoende afstand van de objecten in de omgeving. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 4.11 Landschappelijke inpassing Aan Twan Landschapsadvies is gevraagd advies te geven op de inrichting aan de Tukseweg 136. Hiertoe is er een ruimtelijke kwaliteitsplan voor het plangebied opgesteld (bijlage 7.1). De omgevingsvisie vormt het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel, dit geldt als basis voor het ruimtelijk kwaliteitsplan.

Eveneens is met de welstandsnota van Steenwijkerland rekening gehouden. Het voorgaande resulteert in het hierna weergegeven beeld. Afbeelding 14: Landschappelijke inpassing

Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 35 Toelichting 4.12 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde Watertoets. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Ten behoeve van de watertoets is via het instrument www.dewatertoets.nl een wateradvies opgevraagd. Het blijkt dat het plangebied in het beheersgebied ligt van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Op basis van de uitgevoerde watertoets blijkt dat voor het project de zogeheten ‘ korte procedure’ van toepassing is. Binnen de procedure kan dan gebruik worden gemaakt van de standaardwaterparagraaf uit dit document. De ontwikkeling is aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets (kenmerk: 20180219-35-17123) op 19 februari 2018. Op basis van deze toets volgt de normale procedure, zie bijlage 7.5. Waterhuishouding Het plan heetft een verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m 2. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als de hemelwaterafvoer: 1.

niet wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel; of 2. niet wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel: is oppervlakkige afvoer en infiltratie in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. In dit geval wordt het hemelwaterafvoer rechtstreeks geloosd op de bestaande hemelwaterafvoer. Voor het afvalwater wordt gekozen om een nieuwe aansluiting op het bestaande rioleringsstelsel te realiseren. Hemelwaterzorgplicht Bij hevige neerslag blijft water op het maaiveld staan. Het vloerpeil van de gebouwen wordt voldoende hoog ten opzicht van de omgeving aangelegd. Ter hoogte van het bedrijfsgebouw kan bij hevige regenval veel water komen te staan. Dat zou dan inhouden dat het gebouw tijdelijk niet toegankelijk is. In dit geval is dat voor dit gebouw acceptabel. Het gebruik van materialen Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionalewatersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden materialen zoals lood, koper en zink niet gebruikt. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 36 Toelichting Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG).

Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Bij de uitvoering van de toekomstige woningen wordt rekening gehouden met het voorkomen van wateroverlast. Grondwaterzorgplicht Om te voorkomen dat er water in de kruipruimte staat moet bij de aanvraag omgevingsvergunning van de woning rekening gehouden worden met de bemalingsniveaus van de in de omgeving liggende kanalen en sloten. Op deze manier wordt voorkomen dat de kruipruimte bodem onder de hoogste grondwaterstand wordt aangelegd. Wetgeving lozen in oppervlaktewater In het plan vindt een lozing plaats van water in oppervlaktewater. Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Hemelwater dat van een parkeerterrein afstroomt (of anderszins) vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren. Voor het onttrekken van grondwater tijdens de aanleg en het lozen hiervan in oppervlaktewater gelden specifieke regels.

Indien hier sprake van is wordt voortijdig contact opgenomen met het waterschap. Wetgeving grondwateronttrekking Er vindt in het plan een grondwateronttrekking plaats. Gezien de verschillende belangen is het grondwaterbeheer wettelijk geregeld in de Waterwet. In het kort komt het er op neer dat grote grondwateronttrekkingen vergunningplichtig zijn. Voor kleinere onttrekkingen geldt een meldingsplicht. Indien hier sprake van is wordt voortijdig contact opgenomen met het waterschap. Watertoetsproces De initiatiefnemer heeft waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. "De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies". Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 37 Toelichting 4.13 Waterveiligheid Overstromingsrisico's en meerlaagsveiligheid Waar in het klassieke waterkeringsbeleid wordt uitgegaan van waterkeringsnormen wordt in de nieuwe benadering uitgegaan van overstromingsrisico.

Deze nieuwe normen zijn tot stand gekomen met de risicobenadering: de normen hangen niet alleen samen met de kans op een overstroming, maar ook met de gevolgen van een overstroming. Daarbij wordt ingezet op meerlaagsveiligheid. Dit betekent dat de waterveiligheid niet alleen afhankelijk is van de kwaliteit van dijken, dammen en sluizen. In de nieuwe benadering is sprake van waterveiligheid in drie lagen:  maatregelen om overstromingen te voorkomen (zoals versterking van dijken, dammen en duinen en rivierverruiming);  gevolgen van overstromingen beperken via ruimtelijke inrichting;  gevolgen van overstromingen beperken via rampenbestrijding. Het plangebied ligt op hoger gelegen gronden en ligt niet in een dijkring. Hierdoor vormt het aspect overstromingsrisico geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 38 Toelichting 5 Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het wijzigingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 5.2 Opzet van de regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels.

5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:  Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd;  Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 39 Toelichting 5.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in onder andere:  Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;  Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (zoals bijvoorbeeld bebouwingshoogte en bebouwingspercentage);  Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan. 5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:  Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

 Algemene bouwregels In dit artikel staan de algemene regels die bij het bouwen in acht genomen moeten worden.  Algemene gebruiksregels In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.  Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels behandeld. In voorliggend geval betreft het de bepalingen omtrent het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. In deze regels wordt aangegeven welke werken en werkzaamheden verboden zijn en welke zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht.  Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.  Overige algemene regels In dit artikel wordt geregeld dat bij een nieuw bouwwerk voldoende parkeergelegenheid moet zijn en de voorrang bij dubbelbestemming wordt er in aangeduid. 5.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 40 Toelichting 5.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw - en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Het onderhavige plan is gebaseerd op het bestemmingsplan “Steenwijk en Tuk”, vastgesteld op 17 september 2013 van de gemeente Steenwijkerland. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Bedrijf Deze bestemming geeft aan dat bedrijven vallende in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan (onder voorwaarden). Groen Aan de westzijde van het perceel is een strook ‘Groen’ bestemd.

Deze zone is bestemd voor groenvoorzieningen en structurele beplantingen en voor eventuele water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voor openbare nutsvoorzieningen. Er mag niet gebouwd worden, behalve als het ten dienste is van nutsvoorzieningen. Hierbij mogen dan geen onevenredige aantasting plaats vinden van het straat- en bebouwingbeeld, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Tuin De bestemming 'tuin' ligt over het voorerf tot 1 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning. Dit sluit aan op de naast gelegen woningen, die ook voor de woning, deze bestemming hebben. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen, parkeren en water en waterhuishoudkundige voorzieningen met de daarbij behorende voorzieningen. Waarde - Archeologie 2 De voor " Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onderzoek naar en bescherming van naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 41 Toelichting 6 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Het is echter mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het project betreft een volledig particulier initiatief. De financiering van het project is rond. Voor wat betreft de gemeentelijke kosten, worden de kosten van het opstellen van het plan en het doorlopen van de procedure verhaald via leges. Verder is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten, waarin is vastgelegd dat hij eventuele kosten van planschade voor zijn rekening neemt. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In deze paragraaf worden, wanneer deze beschikbaar zijn en indien noodzakelijk, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. Vooroverleg Op 1 april 2019 is er een inloopavond georganiseerd waarbij alle direct omwonenden zijn uitgenodigd. Ongeveer drie kwart van de genodigden was aanwezig. Naast de initiatiefnemer zelf waren zijn adviseur en een medewerker van de gemeente Steenwijkerland aanwezig.

In een informele setting konden de buurtbewoners kennis nemen van het plan en hun vragen stellen en opmerkingen maken. Vragen en opmerkingen hadden onder andere betrekking op de zichtbaarheid van Dyka op het achtergelegen perceel, de landschappelijke inpassing van het bedrijfsgebouw, de precieze aard van de bedrijfsactiviteiten en op de situering en vormgeving van de te bouwen bedrijfswoning. Een deel van de vragen en opmerkingen kon ter plekke worden beantwoord. Voor andere onderdelen is afgesproken daarop terug te komen. Verzoeken om (geringe] aanpassingen van het plan zullen definitief worden beoordeeld als ook de reacties van instanties als provincie en waterschap zijn ontvangen en verwerkt. Eén concreet verzoek is in de als ontwerp ter inzage gelegde versie verwerkt. Dit betreft de aanplant van een aantal extra bomen/groenvoorzieningen rechts van de te realiseren inrit om het bedrijfsgebouw meer aan het zicht te onttrekken voor omwonenden tegenover de locatie. Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 42 Toelichting Zienswijzen Op het ontwerp bestemmingsplan zijn door een aantal omwonenden/betrokkenen, zienswijzen ingediend. Dit heeft geleid tot een aanpassing van paragraaf 3.1.2 van deze toelichting. Voor het overige zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord en als bijlagen 7.8 ingesloten.

In het ontwerpbestemmingsplan was het gehele perceel van de voormalige school met de bestemming ‘Maatschappelijk’ niet opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan, met als gevolg dat de vigerende bestemming van kracht bleef. Hierdoor zou, ruimtelijk gezien een ongewenste situatie ontstaan. Daarnaast wordt daardoor ook de groenbuffer tussen het bedrijventerrein en de Tukseweg zoals met omwonenden is afgesproken onvoldoende gewaarborgd. De verbeelding is op dit punt aangepast. Bovenstaand is de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan. De onderste is een weergave van de aangepaste verbeelding waarbij de bestemming ‘Maatschappelijk’ gewijzigd in een bestemming ‘Groen’. Provincie Overijssel Het plan is het kader van het vooroverleg naar de provincie gestuurd. De provincie heeft aangegeven dat met deze ontwikkeling geen provinciale belangen gemoeid zijn die nadere aandacht vragen. Waterschap Via “de watertoets” is het plan ook naar het waterschap gestuurd. Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies.

Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 43 Toelichting 7 Hoofdstuk 7 Bijlagen 7.1 Landschappelijke inpassing Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 44 Toelichting 7.2 Bodemonderzoek Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 45 Toelichting 7.3 Ecologisch onderzoek Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 46 Toelichting 7.4 Akoestisch onderzoek Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 47 Toelichting 7.5 Watertoets Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 48 Toelichting 7.6 Archeologisch onderzoek Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 49 Toelichting 7.7 Beeldkwaliteitsplan Tuk – Tukseweg 136 Vastgesteld Pagina 50 Toelichting 7.8 Reactienota zienswijzen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/a789c53a-604f-49b9-ae25-1486302564d0?agendaItemId=9bac7def-1add-46ad-801f-fa8c84bc433b