Toelichting en regels BP Steenwijk - Prins Bernhardstraat.pdf
Tekst van het document
Steenwijk - Prins Bernhardstraat BESTEMMINGSPLAN COLOFON Plannaam Steenwijk - Prins Bernhardstraat Plannummer NL.IMRO.1708.STWmeppelerweg40BP-ON01 Datum februari 2021 Planstatus ontwerp Opdrachtgever Woonconcept Projectteam Witpaard Ruben Beens Projectnummer 1708.979SW20 Steenwijk - Prins Bernhardstraat bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 2 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 3 Inhoudsopgave Toelichting 5 Hoofdstuk 1 Inleiding 7 1.1 Aanleiding 7 1.2 Huidige planologische situatie 7 1.3 Uitgangspunten voor het plan 8 1.4 Leeswijzer 8 Hoofdstuk 2 Huidige situatie 9 2.1 Ligging plangebied 9 2.2 Ruimtelijke structuur 9 2.3 Functionele structuur 10 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 11 3.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten en beeldkwaliteit 11 3.2 Verkeer en parkeren 12 Hoofdstuk 4 Beleidskader 13 4.1 Nationaal beleid 13 4.2 Provinciaal beleid 14 4.3 Gemeentelijk beleid 16 Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 23 5.1 Archeologie en cultuurhistorie 23 5.2 Bedrijven en milieuzonering 24 5.3 Bodem 25 5.4 Duurzaamheid en energie 26 5.5 Ecologie 27 5.6 Externe veiligheid 28 5.7 Geluid 30 5.8 Luchtkwaliteit 31 5.9 Mer- beoordeling 33 5.10 Water 33 Hoofdstuk 6 Juridische opzet 37 6.1 Algemeen 37 6.2 Toelichting op de planregels 37 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 39 7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 39 7.2 Economische haalbaarheid 40 Bijlagen bij
toelichting 41 Bijlage 1 Akoestisch onderzoek 43 Bijlage 2 Archeologisch onderzoek 45 Bijlage 3 Bodemonderzoek 47 Bijlage 4 Brief belanghebbenden 49 Bijlage 5 Ecologisch onderzoek 51 Bijlage 6 Inrichtingstekening 53 Bijlage 7 Watertoets 55 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 4 Regels 57 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 59 Artikel 1 Begrippen 59 Artikel 2 Wijze van meten 66 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 69 Artikel 3 Tuin 69 Artikel 4 Verkeer 70 Artikel 5 Wonen 72 Hoofdstuk 3 Algemene regels 77 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel 77 Artikel 7 Algemene bouwregels 78 Artikel 8 Algemene gebruiksregels 79 Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 80 Artikel 10 Parkeren 81 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 83 Artikel 11 Overgangsrecht 83 Artikel 12 Slotregel 84 Bijlagen bij regels 85 Bijlage 1 Aan huis gebonden beroepen en/of ambachtelijke bedrijvigheid 87 Bijlage 2 Nota parkeernormen 89 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 5 Toelichting bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 6 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 7 Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van de achterzijde van het perceel Meppelerweg 40 in Steenwijk mogelijk. Het perceel ligt feitelijk aan de Prins Bernhardstraat.
Deze woonstraat loopt vrijwel parallel aan de Meppelerweg en heeft zodoende te maken met achterkantsituaties van de daar gevestigde bedrijven. Ook voor de Meppelerweg 40 is dit het geval. Op het terrein aan de zijde van de Prins Bernhardstraat stond voorheen een oude bedrijfsloods, die is inmiddels gesloopt en het terrein ligt momenteel braak. Voor de leefbaarheid van deze woonstraat is de herontwikkeling van het bedrijfsperceel een aanmerkelijke verbetering. Het plan beoogt daarom een kwaliteitsverbetering van het plangebied door het omzetten van de bedrijfsbestemming in een woonbestemming en daarmee de bouw van vijf woningen mogelijk te maken. 1.2 Huidige planologische situatie Het perceel waarop de beoogde woningbouw gerealiseerd gaat worden, is geregeld in het bestemmingsplan 'Steenwijk en Tuk', zoals vastgesteld op 17 september 2013. De gronden zijn in dat bestemmingsplan voor wat betreft het westelijk deel bestemd als 'Bedrijf' en het oostelijk deel heeft de bestemming Wonen - 1 (zonder bouwvlak) en Tuinen. Daarnaast kent het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Binnen deze bestemmingen is de bouw van de 5 woningen niet mogelijk. Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het plan weergegeven.
bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 8 Afbeelding: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Steenwijk en Tuk' 1.3 Uitgangspunten voor het plan Uitgangspunten voor het plan is het gesloopte bedrijfspand en de bouw van vijf woningen. Dit alles binnen de gestelde normen en beleidsdoelen. Om de uitvoerbaarheid te toetsen zijn in dit kader diverse onderzoeken uitgevoerd. 1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie beschreven, waarna in hoofdstuk 3 de toekomstige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het planvoornemen getoetst aan de beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 worden alle belangrijke omgevingsaspecten behandelt in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de Regels van het bestemmingsplan. Tos slot wordt de uitvoerbaarheid van het plan in hoofdstuk 7 beschouwd. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 9 Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Prins Bernhardstraat te Steenwijk, ten oosten van de historische stadskern. De situering van het plangebied is weergegeven op de volgende afbeelding. Afbeelding: Situering plangebied 2.2 Ruimtelijke structuur het plangebied is gelegen aan de Prins Bernhardstraat, zijnde een zijstraat van de Meppelerweg. de Meppelerweg is de oostelijke invalsweg van Steenwijk.
Het plangebied maakt deel uit van een gebiedje dat als het ware ingeklemd ligt tussen de Meppelerweg, de Prins Bernhardstraat en de Heuvel. De Prins Bernhardstraat is een smal, beklinkt straatje met een smalle stoep aan één zijde. De gebouwen aan de zuidzijde van de straat betreffen woningen van veelal één laag met kap. De kapvormen verschillen, zowel dwarskappen als langskappen komen voor, evenals mansardekappen. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 10 De noordzijde, waar ook het plangebied is gelegen, heeft geen duidelijke ruimtelijke structuur. Zo zijn hier deels achterzijden van percelen gelegen die gericht zijn op de Meppelerweg en staat er een mix van gebouwen met verschillende functies en bouwstijlen. Direct ten oosten van het plangebied staat een tweekapper die (zeker in vergelijking met de overige bebouwing) vrij recent is gebouwd (1995). Direct ten westen van het plangebied is een oud bedrijfspand gesitueerd die in gebruik is bij een garagebedrijf dat aan de Meppelerweg is gelegen. Het parkeren vindt plaats op langsparkeerplaatsen langs de stoep. Te samen met het feit dat de weg op zich al vrij smal is, levert dit een smalle straat op, waarin slechts stapvoets gereden kan worden. 2.3 Functionele structuur Het plangebied is gelegen in een gebied waar verschillende functies naast elkaar voorkomen.
Zo zijn aan de zuidzijde van de Prins Bernardstraat allemaal woningen gelegen, terwijl zich aan de noordzijde verschillende achterzijden bevinden van bedrijfjes die gevestigd zijn aan de Meppelerweg. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 11 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten en beeldkwaliteit Qua functie zal het plangebied een woonbestemming krijgen. Daarmee verdwijnt er een bedrijfsbestemming ter plaatse van de locatie. Een woonbestemmings past goed binnen de functies die in de verdere omgeving van het plangebied bestaan. Zo zijn aan de zuidzijde van de Prins Bernardstraat ook allemaal woningen gelegen. Aan de noordzijde wordt het aantal woningen vergroot. Voor de vijf te bouwen woningen wordt uitgegaan van een voorgevelrooilijn die evenwijdig loopt met de straat. De woningen hebben een oppervlak van ongeveer 54 m2 en hebben tezamen een totale voetprint van ongeveer 270 m2. Met een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter kunnen er woningen in één bouwlaag met een kap worden gerealiseerd. Op de inrichtingstekening welke is opgenomen in Bijlage 6 is goed te zien waar de woningen precies gesitueerd worden. Op de volgende afbeelding wordt een impressie gegeven van de te bouwen woningen.
Afbeelding: Impressie te bouwen woningen bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 12 3.2 Verkeer en parkeren De gemeente Steenwijkerland heeft zijn eigen parkeerbeleid vastgelegd in het document 'Nota Parkeernormen 2015'. Voor een sociale huurwoning in de 'rest bebouwde kom' geldt een parkeernorm van 1,2 per woning. Voor de ontwikkeling van de vijf woningen zouden dus 6 (1,2 x 5) parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Hiervoor is ook voldoende ruimte gereserveerd. Er worden zelfs 8 parkeerplaatsen aangelegd. Vanuit de omwonenden waren er namelijk zorgen over toename van verkeer en parkeren door het realiseren van 5 woningen. Parkeren wordt in de huidige situatie al als probleem ervaren. Omwonenden verwachten dat 6 parkeerplaatsen voor 5 woningen niet voldoende is. Op basis hiervan is besloten om 2 extra parkeerplaatsen te realiseren. De ligging van deze parkeerplaatsen is weergegeven op de inrichitngstekening welke is opgenomen in Bijlage 6. De verder ontsluiting vindt plaats via de Prins Bernhardstraat.
De extra verkeersbeweging die de nieuwe woningen tot gevolg hebben kan het wegennet prima aan en er zijn dan ook geen aanleidingen dat dit voor problemen kan zorgen bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 13 Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Nationaal beleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de nationale Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Nationale belangen Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor het projectgebied zijn de volgende nationale belangen van toepassing: Nationaal belang 4 'Efficiënt gebruik van de ondergrond': In hoofdstuk 3 is aangegeven hoe met dit belang rekening is gehouden. Nationaal belang 8 'Verbeteren van de milieukwaliteit': In hoofdstuk 5 is ook aandacht geschonken aan de verschillende milieuaspecten. Nationaal belang 13 'Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen': Bij de voorliggende ruimtelijke onderbouwing zijn alle belangen zorgvuldig afgewogen.
Burgers, belangenorganisaties en andere overheden hebben de mogelijkheid om in het kader van de procedure te reageren op deze afweging. Ladder voor duurzame verstedelijking Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is in 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe stedelijke ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. De Ladder is derhalve een instrument voor de borging van een efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Beoordeling van het voorliggende project aan de hand van de Ladder De voorgenomen ontwikkeling ligt binnen bestaand bebouwd gebied en sluit direct aan op bestaand bebouwd gebied. Er is sprake van herstructurering en er wordt geen nieuwbouw in een uitleglocatie toegevoegd. Daarnaast kan de realisatie van een beperkt aantal woningen niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.
Het begrip "woningbouwlocatie" (zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip "stedelijke ontwikkeling" in artikel 1.1.1 Bro) is niet nader gedefinieerd. Gelet op de kleinschalige woningbouw die bovenstaande plannen mogelijk maken, is de Afdeling van oordeel " dat de plannen niet voorzien in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. Binnen het plan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De plannen kunnen dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling". Op de Ladder hoeft hierop daarom niet verder ingegaan te worden. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 14 4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel 2017 In de Omgevingsvisie Overijssel (2017) wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel geschetst. De visie is daarbij gericht op 2030. Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening (2017) opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren met het oog op een goed vestigingsklimaat, een veilige en aantrekkelijke woonomgeving en een fraai buitengebied. Deze leefomgeving moet geschikt zijn voor de grote diversiteit aan activiteiten die mensen in de provincie willen ondernemen.
In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Generieke beleidskeuzes Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkeling nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkeling hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt. Het slopen en vervangen van de bestaande woningen past binnen de genoemde generieke beleidskeuzes van de provincie. De ontwikkeling vindt plaats door een herstructurering van een voorheen bebouwd perceel en de woonfunctie past in de sociaaleconomische structuur van de omgeving. Hierna wordt ingegaan op de gebiedskenmerken en ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt.
Hierna wordt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering: De natuurlijke laag: Stuwwallen De provincie wil het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken. Er vinden geen ingrepen plaats waardoor sprake is van een aantasting van de oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 15 De laag van het agrarisch cultuurlandschap: Essenlandschap Samenhangend systeem van open essen, kleinschalige flanken met erven en esdorpen, kleinschalige natte laagtes met beken en voormalige grote open heidevelden. De ordening van het landschap volgt de natuurlijke ondergrond van hoog en laag en nat en droog en is als een spinnenwebstructuur gegroeid vanuit de nederzettingen. De essen onderscheiden zich door de karakteristieke openheid, de bijzondere bodemkwaliteit met archeologische waarden en het huidige reliëf. Op de flanken ligt een kleinschalig landschappelijk raamwerk van landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen.
Door verschillende uitbreiding van woonbebouwing is dit Essenlandschap ter plaatse van het plangebied niet meer aanwezig. De stedelijke laag en de lust- en leisurelaag: Bebouwingsschil 1900 - 1955 De provincie wil de compacte stadskwartieren met de ‘gesloten’ stadsvorm doorontwikkelen. Waar maar enigszins mogelijk herstellen van de functiemix. Veel ruimte en aandacht voor zorgvuldig individueel (in de individuele wijken) en collectief (in de tuindorpen en fabrieksdorpen) opdrachtgeverschap. Als daar vanuit de (woon)kwaliteit aanleiding toe is ligt er in delen van deze wijken een belangrijke herstructureringsopgave. Met het ontwerp is rekening gehouden met de stedenbouwkundige structuur en de bebouwingskarakteristieken van de woningen in de directe omgeving. Daarnaast is sprak van een herstructureringslocatie. De lust- en leisurelaag: niet van toepassing Ontwikkelingsperspectieven Op basis van de gebiedskenmerken zijn verschillende 'ontwikkelingsperspectieven' opgesteld. Een nieuwe ontwikkeling moet passen binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Het plangebied is gelegen binnen het deel van de stedelijke omgeving waar als ontwikkelingsperspectief het ontwikkelen van een gemengd en divers woon- en werkmilieu is geformuleerd (woonwijk). In het gebied is tevens ruimte voor herstructurering.
4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017 Hoe aan het beleid uit de Omgevingsvisie uitvoering moet worden gegeven is vastgelegd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is een uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is opgesteld in de vorm van regels. In veel regels is gekozen voor proces- en motiveringsvereisten. In de Omgevingsverordening moet elk inhoudelijk thema geregeld zijn, waar de provincie de mogelijkheid op wil hebben om juridische instrumenten in te kunnen zetten. Het inzetten van juridische instrumenten vindt plaats op basis van de interventieladder. In hoofdstuk 2 van de verordening worden de regels gegeven die betrekking hebben op de ruimtelijke ordening. In artikel 2.1.5 van de verordening worden regels gegeven gericht op de ruimtelijke kwaliteit van nieuwe ontwikkelingen. Deze moeten bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In paragraaf 4.2.1 is reeds beschreven dat de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de gebiedskenmerken. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 16 Voorts is van belang dat op grond van het concentratiebeleid van de Provincie Overijssel stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk worden geconcentreerd in de stedelijke netwerken.
In de kern Steenwijk mag worden gebouwd voor de regionale behoefte, mits dit pas binnen de regionale programmering. De verplichting tot (boven)regionale afstemming is erop gericht om vraag en aanbod in de regio in balans te houden. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven dient inzicht te worden gegeven over de manier waarop die afstemming heeft plaatsgevonden (zie 4.3.4). Daarnaast bieden herstructurering en transformatie kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur of water te reserveren). De stedelijke ontwikkeling dient daarom altijd te zijn afgestemd op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld door in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening te houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Deze punten zijn uitgewerkt in paragraaf 5.4. Wat betreft de Ladder van duurzame verstedelijking is hier dieper op ingegaan in paragraaf 4.1.1.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland De Omgevingsvisie vormt het kader voor ruimtelijke ontwikkeling en beschrijft de visie van de gemeente op de ruimtelijke kwaliteit van de verschillende omgevingsw aarden binnen de gemeente. De Omgevingsvisie heeft een tijdhorizon van 15 jaar en wordt elke 2 jaar aangepast. Doel van de Omgevingsvisie is het vergroten van de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente door de omgevingskwaliteiten te behouden en te versterken. Het versterken van de omgevingskwaliteit creëert kansen voor inwoners. Door in te zetten op het versterken van de kwaliteit van het landschap, het ontwikkelen van toerisme en het behoud van werkgelegenheid, blijft de gemeente ook een aantrekkelijke woongemeente. Wonen Voor onderhavig plan is relevant dat met betrekking tot wonen wordt ingezet op het laten aansluiten van de woningvoorraad bij de behoefte door transformatie van een bedrijfslocatie. Het bedrijfspand heeft een behoorlijke tijd leeg gestaan en is inmiddels gesloopt. De bedrijfsbestemming bevindt zich niet op een bedrijventerrein en de herbestemming past daarom in het gemeentelijk beleid, omdat het beleid is om bedrijven zoveel mogelijk op bedrijventerreinen te concentreren.
In de prestatieafspraken staat de locatie Prins Bernhardstraat expliciet benoemd als ontwikkellocatie voor 5 woningen wat Woonconcept tot ontwikkeling zal bergen ten behoeve van sociale woningbouw. Beleid van uit de omgevingsvisie is dat de bestaande woningvoorraad zich ontwikkelt door aansluiting te vinden bij innovatieve woonconcepten. Zo wordt ook de kwaliteit verbeterd; er zijn slimme woonplossingen bedacht en woningen zijn duurzaam en hebben een zo gering mogelijk energieverbruik. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 17 In de Omgevingsvisie zet de gemeente nadrukkelijk in op het creëren van duidelijke aansluitingen tussen omliggende wijken en het centrum en tussen Steenwijk en de natuur. De wijken buiten het centrum zijn ruim opgezet en groen. Ze bieden een plek voor gezinnen, dichtbij voorzieningen. Er wordt beperkt bijgebouwd en er is een beperkte plancapaciteit. Ook wil de gemeente dat daar waar de bestaande woningvoorraad niet voldoet aan de hedendaagse eisen, woningen duurzaam worden gerenoveerd. Duurzaamheid Met betrekking tot duurzaamheid heeft de gemeente hoge ambities: waar omgevingswaarden het toelaten, wordt duurzame energie opgewekt. De kwaliteit van het landschap blijft daarbij intact. Er is ruimte voor kleinschalige initiatieven en toepassing van zonnepanelen op daken. Bij transformatie en functieverandering, wordt ook verduurzaamd.
Ook wordt gezocht naar nieuwe oplossingen voor de problemen als gevolg van de klimaatverandering zoals droogte, hitte en wateroverlast. Onderhavig plan gaat uit van transformatie van een bedrijfsbestemming tot woningen. Het benutten van deze vrijgekomen locaties is in lijn met de Omgevingsvisie. De overige uitgangspunten in de Omgevingsvisie ten aanzien van wonen en duurzaamheid zijn vertaald in het bouwplan (zie ook hoofdstuk 3 en paragraaf 5.4). Het plan is daarmee in overeenstemming met het beleid en de ambities van de gemeente zoals neergelegd in de Omgevingsvisie. 4.3.2 Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 De gemeente Steenwijkerland heeft de Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 (2009) ontwikkeld. Deze visie bevat een integrale visie op de ontwikkeling van de gehele gemeente tot 2030. De visie gaat uit van het koesteren en versterken van bestaande kwaliteiten. Daarbij gaat het om de kwaliteiten van de landschappen, de stad en de overige kernen en de potenties van het gebied. In de visie wordt gesteld dat Steenwijkerland een streekfunctie voor wonen, werken en voorzieningen heeft. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. Het aantal huishoudens stijgt zeker tot het jaar 2025. Het beleid is om voor de lokale bevolking te bouwen met aantrekkelijke woningen op de juiste plek.
4.3.3 Beleidsplan Verkeer Steenwijkerland 2017 - 2020 Het Beleidsplan Verkeer Steenwijkerland bouwt voort op het Verkeersplan uit 2010 en richt zich op een gestructureerde aanpak voor de verbetering van de verkeersstructuur. In het Beleidsplan is de groeiambitie ten opzichte van de ambitie in het Verkeersplan 2010 naar beneden bijgesteld. Een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid van en voor alle weggebruikers vormt een belangrijke pijler onder het beleid. Vanuit verkeersveiligheid ligt de focus op een duurzaam veilige inrichting van het wegennet. Voor onderhavig plan is in relatie tot de verkeersveiligheid relevant dat de focus is gericht op een verkeersveilige schoolomgeving, het doorvoeren van door bewoners en ondernemers gewenste kleine verkeersmaatregelen en de herinrichting van de doorgaande wegen door kernen. Op de zogenaamde wensenkaart, zijn voor onderhavig plangebied geen wensen opgenomen. In paragraaf 3.2 is nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren staan aangegeven welke verkeerskundig maatregelen er worden getroffen. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 18 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 19 4.3.4 Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 De Woonvisie beschrijft de ambities ten aanzien van wonen in de periode 2017 - 2021. Algemeen geldt dat de leefbaarheid door bewoners als ruim voldoende wordt beoordeeld.
Wel is er risico op leegstand en verpaupering in sommige kernen en in het buitengebied. Vanaf 2025 wordt een afname van het aantal inwoners verwacht. Vanaf 2035 geldt dit ook voor het aantal huishoudens. De mate waarin hiervan sprake is, verschilt per kern. Vergroening en vergrijzing zetten door: het aantal één en tweepersoonshuishoudens neemt de komende 10 jaar toe. Het aantal jonge huishoudens neemt af. Door de vergrijzing neemt de vraag naar beschutte woonvormen en naar zorg aan huis toe. In die periode richt het beleid zich op het realiseren van passende woonruimte voor mensen met een laag inkomen, de groeiende groep senioren (ook als deze zorg nodig hebben), jongeren, statushouders en specifieke kwetsbare groepen. Een ander speerpunt is het voorkomen van leegstand. Daarbij streeft de gemeente naar woningen van goede kwaliteit, ook als het gaat om het energielabel. Uitgangspunt is dat in 2021 45% van alle koopwoningen energielabel B heeft. Dat energielabel wordt ook gevraagd aan woningcorporaties. Nieuwbouw is bij voorkeur energieneutraal. Ook geldt als uitgangspunt dat nieuwbouw op de beschikbare locaties binnen de bebouwde kom wordt ontwikkeld. Er zijn in Steenwijkerland verschillende woningcorporaties actief; daarvan is Woonconcept er één. In de gemeente staan circa 7335 huurwoningen, daarvan zijn circa 5385 sociale huurwoningen in het bezit van woningcorporaties.
Dit percentage is groter dan in andere Overijsselse gemeenten. Uitgaande van de biedingen woningcorporaties (juli 2016) wordt een beperkte afname voorzien van de voorraad sociale woningen door herstructurering en verkoop. Het woningmarkt onderzoek Steenwijkerland (2016) geeft aan dat er vooral in Steenwijk een toenemende vraag naar sociale huurwoningen wordt verwacht. De gewenste voorraad aan sociale woningen ligt tussen 5150 en 5650 woningen in 2025. Als gevolg van het verplichte 'passend toewijzen' is de verwachting dat de druk op goedkope woningen en woningen voor specifieke kwetsbare inwoners toe zal nemen. Hoewel gelijkvloerse woningen moeilijk verhuurd worden, wordt verwacht dat de vraag naar gelijkvloerse woningen toe zal nemen als gevolg van de toenemende vergrijzing. Mogelijk is het huidige aanbod te gedateerd en ligt hier een transformatieopgave. Voor onderhavig plangebied is relevant dat de gemeente de volgende doelen heeft geformuleerd: leefbare wijken waar betrokken inwoners zich inzetten voor hun leefomgeving en met plannen komen voor het verbeteren van hun wijk; voldoende aanbod van betaalbare en beschikbare woningen voor alle doelgroepen; het ontwikkelen van beschutte woonvormen; samenhang als het gaat om de combinatie van wonen, welzijn en zorg zodat inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen.
De gemeente wil dat bereiken door: inwoners en andere partijen te ondersteunen bij het versterken van de leefbaarheid in de wijken; speciale aandacht te besteden aan wijken waar sprake is van een toename van bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 20 kwetsbare inwoners; op nieuwbouwlocaties te streven naar een goede mix van woningen tot €300.000 en goedkope rij- en hoekwoningen tot €150.000. Tevens wordt ruimte geboden voor duurdere seniorenwoningen, zowel huur als koop. afspraken te maken met woningcorporaties over voldoende voorraad aan betaalbare eengezinswoningen én geschikte woningen voor ouderen; afspraken te maken met woningcorporaties over het huisvesten van 1-persoonshuishoudens; samen met betrokken partijen in beeld te brengen wat nodig is als het gaat om de combinatie van wonen, welzijn en zorg. Daarnaast hebben de verschillende regiogemeenten en de provincie Overijssel gezamenlijk afspraken gemaakt in de Samenwerkingsovereenkomst woonafspraken West-Overijssel 2016 - 2020. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de volgende thema's: doelgroepen wonen en zorg stedelijke vernieuwing bestaande voorraad programmeren en zuinig ruimtegebruik De Samenwerkingsovereenkomst vormt het kader voor de toevoeging van woningen. Uitgangspunt is dat Steenwijkerland tot 2025 met circa 1170 huishoudens zal groeien.
De huidige nieuwbouwplancapaciteit voorziet in 850 woningen. Dat betekent dat er tot 2025 nog circa 320 woningen kunnen worden toegevoegd. Aangezien er in een aantal kernen (op termijn) sprake is van krimp, is het van belang zorgvuldig om te gaan met de vraag waar welke woningen (kunnen) worden gebouwd. Om toekomstige leegstand te voorkomen, is het van belang terughoudend te zijn met nieuwbouw en te focussen op transformatie. Ook is afgesproken dat in bestemmingsplannen wordt gestreefd naar onderprogrammering zodat er ruimte blijft voor nieuwe initiatieven. Als gevolg van de woningmarktregio indeling die in augustus 2016 door de Minister is bepaald, zijn de mogelijkheden voor Woonconcept om te investeren en uit te breiden in de gemeente Steenwijkerland beperkt. In 2017 is daarom een nadere verkenning uitgevoerd naar de toekomstige invulling van de volkshuisvestelijke opgave in vooral Steenwijk en de noordelijke kernen. De uitkomsten hiervan vormen nadere input voor de toekomstige samenwerking met de woningcorporaties en de prestatieafspraken. Naast afspraken over de gezamenlijke opgave zijn afspraken gemaakt ten aanzien betaalbaarheid, voorraad en beschikbaarheid, kwaliteit en duurzaamheid, leefbaarheid en bijzondere doelgroepen en wonen, welzijn en zorg.
De kernopgave van de prestatieafspraken is het borgen van voldoende woningen voor de primaire doelgroep en een gedifferentieerd aanbod. Onderhavig plan is in lijn met de gemaakte afspraken. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 21 4.3.5 Welstandsnota De gemeente wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente en haar inwoners inspireren en stimuleren om dat zelf ook te doen. De Welstandsnota biedt daarvoor de kaders. De gemeente is opgedeeld in gebieden waarvoor criteria gelden. Onderhavig plangebied ligt binnen deelgebied 2: het stuwwallandschap tussen Steenwijk en Johannes Postkazerne. Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt binnen de vooroorlogse wijken van Steenwijk. Vanuit Welstand geldt als uitgangspunt dat de vormgeving wisselend van kwaliteit is. Deze wijken zijn zeer herkenbaar en bepalend voor het aanzicht van de kern Steenwijk. Van belang is dan ook dat, meer nog dan de individuele panden, de karakteristieken die deze wijken bepalen worden behouden. De grote doorgaande wegen zijn daarbij divers qua vormgeving van bebouwing. Het welstandsbeleid concentreert zich hier dan ook meer op de schaal van bebouwing. Criteria Situering 1. De gebouwen dienen zoveel mogelijk naar de openbare ruimte gericht te zijn en afgestemd te worden op de plaatselijke situatie. 2.
Afwijkende situering is mogelijk indien het een vervanging van een compleet stedenbouwkundig ensemble betreft. 3. Bijgebouwen dienen zo te zijn gesitueerd, dat zij ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Vormgeving 1. De bebouwingskarakteristieken zoals in de gebiedsbeschrijving beschreven dienen te worden behouden. Daarbij is in ieder geval relevant: schaal en maat van de bebouwing. 2. Vernieuwing is langs de Meppelerweg en de Tukseweg mogelijk maar met respect voor maat en schaal van de bestaande bebouwing. 3. Uitbreidingen dienen ondergeschikt zijn aan het bestaande gebouw en dienen daar qua vormgeving mee te harmoniëren. 4. De plaats, afmeting en verhoudingen van de raam- en deuropeningen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn. Detaillering, materialen en kleuren Diverse kleuren en materialen zijn toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. Welstandscommissie Het concrete bouwplan zal te zijner tijd getoetst worden aan redelijke eisen van welstand, die voor dit gebied gelden. De welstandscommissie zal dan beoordelen of het bouwplan in het licht van de welstandsnota acceptabel is. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 22 bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 23 Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten 5.1 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2017 ingegaan.
Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Overijssel sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Archeologie Het plangebied ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent volgens het beleid van de gemeente Steenwijkerland dat bij ingrepen van meer dan 100 m2 binnen de bebouwde kom (wat hier het geval is) archeologisch onderzoek gedaan moet worden. Ook de provinciaal archeoloog heeft aangegeven dat archeologisch onderzoek nodig is. In het kader van archeologie zijn een bureauonderzoek en een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder verkort weergegeven: het bodemprofiel is tot in de C-horizont verstoord. De archeologische context van eventueel aanwezige archeologische waarden is daarmee vernietigd. Archeologische indicatoren zijn niet waargenomen, evenmin als resten van een plaggendek. De kans dat het plangebied intacte archeologische waarden bevat is daarmee zeer klein. Eventueel kunnen zeer diepe sporen zoals een waterput zich nog onder de verstoorde laag bevinden en in de C-horizont worden aangetroffen. De kans da dergelijke sporen zich hier daadwerkelijk in de intacte C-horizont bevinden is klein en de kosten om dergelijke sporen bloot te leggen zijn hoog. In het geval van een zwaar verstoord bodemprofiel tot in de C-horizont wordt normaliter geen vervolgonderzoek geëist door het bevoegd gezag. Vanuit archeologisch perspectief is er geen reden hier nader archeologisch onderzoek te verrichten. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 2. Cultuurhistorie In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. Omdat dit plan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving.
bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 24 De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur qua functie en volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2 Bedrijven en milieuzonering Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking'). Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. Van plangebied naar omgeving Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. De bestemming 'Bedrijf wordt gewijzigd naar een woonbestemming, hiervoor is voorliggen bestemmingsplan opgesteld.
Een woning is geen milieubelastende activiteit die mogelijk wordt gemaakt en de ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op omliggende milieugevoelige functies. Van omgeving naar plangebied Het plangebied ligt in een omgeving waar verschillende functies naast elkaar aanwezig zijn. De aanwezigheid van deze verschillende functies betekent wel dat de te bouwen woningen op voldoende afstand moeten liggen van functies die hindercontouren hebben. Bedrijven in de buurt zijn de volgende: een kantoorgebouw direct ten noorden van het plangebied, aan de Meppelerweg; een autodealer met werkplaats en wasstraat aan de Meppelerweg 32, ten westen van het plangebied. Voor het bepalen welke categorieën bedrijfsactiviteiten toelaatbaar zijn, is in het kader van dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009), hierna te noemen bedrijvenlijst. Het kantoorgebouw is volgens de bedrijvenlijst een categorie 1-bedrijf. Voor bedrijven uit milieucategorie 1 wordt minimaal 10 meter ten opzichte van milieugevoelige functies geadviseerd. Het geluid is hierbij de bepalende factor. Hieraan wordt voldaan. Voor de autodealer met werkplaats is milieucategorie 2 van toepassing. Hier geldt een adviesafstand van minimaal 30 meter tot woningen. Ook hierbij is het aspect geluid de bepalende factor.
Deze afstand wordt niet gehaald: de afstand van het bedrijfsperceel tot de dichtstbijzijnde te bouwen woning is ongeveer 5 met er. Van de richtafstanden uit de bedrijvenlijst mag worden afgeweken, mits dit goed wordt gemotiveerd. Teneinde te beoordelen of vanwege de korte afstand tussen de nieuw geprojecteerde woningen en het autobedrijf nog een aanvaardbaar woonklimaat kan bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 25 worden gegarandeerd, is nader onderzoek inzake het aspect geluid uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de woningen in de directe nabijheid van het garagebedrijf aanvaardbaar zijn en een goed woonklimaat kan worden gegarandeerd. In paragraaf 5.7 wordt hierop nader inge gaan. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering. 5.3 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen.
Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s). In opdracht van Woonconcept is door Eco Reest BV een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Prins Bernhardstraat 23 te Steenwijk. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Samenvatting De aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen geplande wijziging van de bestemming en de daaropvolgende ontwikkeling van de onderzoekslocatie. Het doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie. Vooronderzoek De onderzoekslocatie ligt aan de Prins Bernhardstraat 23 in Steenwijk is kadastraal bekend als gemeente Steenwijk, sectie E, nrs. 5723 en 7525 en heeft een oppervlakte van 960 m2. Tijdens de terreininspectie d.d. 6 april 2020 zijn geen verdachte locaties (inclusief asbesttoepassingen) waargenomen. Tevens is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen.
De locatie is onverhard en onbebouwd. Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zand, matig fijn, zwak siltig, zwak/ matig humeus. Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 2,9 m-mv. Tijdens het veldwerk zijn, behoudens sporen van baksteen in de ondergrond (0,5 – 1,5 m-mv) van monsterpunt 2 geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 26 Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: Grond: In het geanalyseerde mengmonster van de bovengrond overschrijden de gehalten minerale olie en PAK de achtergrondwaarden. In het geanalyseerde mengmonster van de ondergrond overschrijden de gehalten kwik, lood en PCB de achtergrondwaarden. Indicatieve toetsing RBk: De monsters zijn indicatief getoetst aan RBk (zie tabel 4.3). De toetsing is indicatief omdat het onderzoek niet is uitgevoerd als partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit. Grondwater: In het geanalyseerde grondwatermonster overschrijdt het barium gehalte de streefwaarde.
Aanbevelingen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, concluderen wij dat verhoogde r isico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de bestemming van het terrein. Conclusie Het aspect bodem levert in principe geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het kan zijn dat er aanvullend onderzoek nodig is naar aanleiding van het advies van de omgevingsdienst. 5.4 Duurzaamheid en energie In 2012 heeft de gemeente Steenwijkerland de Notitie Nieuwe Energie vastgesteld. De Notitie Nieuwe Energie beschrijft een strategische routekaart met verschillende deelpakketten hoe de Raad van Steenwijkerland haar ambitie rond energiebesparing en duurzame energie gaat invullen.
De gemeente Steenwijkerland heeft als ambitie dat in 2020 al het huishoudelijke energiegebruik wordt opgewekt met energie uit (duurzame) energiebronnen binnen de eigen gemeentegrenzen en in regionaal verband. In het ontwerp wordt aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. Zo zal de woning gasloos worden gebouwd. Daarnaast zal gebruik gemaakt worden van moderne isolerende materialen om zoveel mogelijk energie te besparen. Verder zullen de vijf woningen worden gerealiseerd, volgens de richtlijnen Trias -Energetica: 1. Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan. 2. Gebruik duurzame energiebronnen, zoals wind-, water-, en zonne-energie. 3. Zet fossiele brandstoffen zo efficiënt mogelijk in om aan de resterende energiebehoefte te voldoen Deze woningen zijn bruikbaar voor verschillende doelgroepen van jong en oud. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 27 Conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden maatregelen getroffen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5 Ecologie Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante negatieve gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Soortenbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied biedt gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van bebouwing en opgaand groen geen geschikte broedgelegenheid voor (jaarrond beschermde) vogels. In de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen uitgesloten. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Deze soorten zijn opgenomen in de provinciale verordening en daardoor vrijgesteld van de verbodsartikelen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 2,2 kilometer afstand.
Vanwege deze afstand, de potentiële effecten en bekende dosis-effectrelaties en de aard/omvang van de voorgenomen ontwikkeling, zijn indirecte effecten - met uitzondering van stikstofdepositie - op voorhand uitgesloten. Uit de AERIUS-berekeningen voor het beschouwde plan komt naar voren dat, zowel in de aanleg- als de gebruiksfase, géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (<0,00 mol/ha/jr). De beoogde nieuwbouw heeft zodoende geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000 zijn niet aan de orde. Daarnaast ligt het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland en de leefgebieden agrarisch natuurbeheer (natuur buiten het NNN). Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot deze gebieden (>1km), de ligging binnen de bebouwde kom en de aard en omvang van de plannen geen effect op deze gebieden. Vervolgstappen zijn niet aan de orde. Advies en vervolgstappen Overige broedvogels In de directe omgeving van het plangebied kunnen diverse (niet jaarrond beschermde) vogels tot broeden komen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren.
Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 28 broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen maart en september worden aangehouden als broedseizoen. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Bij uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen is het van belang om voorafgaand aan de werkzaamheden middels een broedvogelcheck na te gaan of er nesten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Indien deze afwezig zijn, kunnen werkzaamheden doorgang vinden. Bij aanwezigheid dient in overleg een zorgvuldige werkwijze worden afgestemd waarmee verstoring wordt voorkomen dan wel beperkt. Ook kan verstoring worden voorkomen door werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten of maatregelen te nemen zodat vogels buiten de invloedsfeer geschikt broedgelegenheid zullen zoeken. Zorgplicht Opgemerkt wordt dat ten allen tijde de zorgplicht blijft gelden.
Deze zorgplicht h oudt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Conclusie Het aspect ecologie levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.6 Externe veiligheid Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ("Indeling Leidraad maatramp") zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot: inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 29 Afbeelding: Uitsnede risicokaart Inrichtingen De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (hierna: Bevi) regels gesteld.
Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden: Of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico. Of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats buiten een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor kwetsbare objecten geldt een plaatsgebonden risico PR 10-6 en voor beperkt kwetsbare objecten geldt een richtwaarde voor het plaatsgebonden risico PR 10-6. Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen Bevi-inrichtingen. Er zijn in dit kader dan ook geen externe veiligheidseffecten waarmee rekening moet worden gehouden.
bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 30 Buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied liggen geen buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals bijvoorbeeld aardgas, plaatsvindt. Er zijn in dit kader dan ook geen externe veiligheidseffecten waarmee rekening moet worden gehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor In de directe nabijheid van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats. Er zijn in dit kader dan ook geen externe veiligheidseffecten waarmee rekening moet worden gehouden. Vanuit het omgevingsaspect 'externe veiligheid' bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de middels het voorliggende bestemmingsplan beoogde ontwikkeling. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect externe veiligheid. 5.7 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluids(over)last ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer of industrieterreinen. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". Wegverkeer Langs alle wegen is op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) sprake van geluidzones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden.
De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Een dergelijke zone geldt echter niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangewezen gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Geluid vanwege bedrijfssituatie Door Adviesbureau VOBRU is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de te verwachten geluidsbelasting van het bedrijfsterrein (voormalig garagebedrijf) op de toekomstige woningen. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. De conclusies van dat onderzoek zijn hierna opgenomen. Het bedrijfsterrein is gelegen aan de westzijde van het bouwplan. In overleg met de gemeente is de omgeving getypeerd als een gemengd gebied. Het bedrijfsterrein is in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor maximaal categorie 2 bedrijven. Voor een categorie 2 bedrijf is op basis van een gemengd gebied in overeenstemming met de VNG publicatie een richtafstand van 10 meter van toepassing. De dichtstbijzijnde gevel van het bouwplan bevindt zich op 3,8 meter vanaf de grens van het bedrijventerrein en is daarmee gelegen binnen de geldende richtafstand van 10 meter.
Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' stap 2, dient voldaan te worden aan de volgende richtwaarden: 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 70 dB(A) etmaalwaarde voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden) 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Ruimtelijke ordening Langtijdgemiddeld geluidniveau bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 31 Uit de rekenresultaten in tabel 5.1 kan worden geconcludeerd dat op alle gevels van het bouwplan wordt voldaan aan stap 2 van de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". De hoogste bepaalde geluidbelasting treed op bij rekenpunt 002 en bedraagt 43 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond- en nachtperiode. Ruimtlelijke ordening maximale geluidniveaus In tabel 5.2 zijn de maximale geluidniveaus weergegeven. De maximale geluidniveaus zijn bepaald op verhoging van het langtijdgemiddelde geluidsniv eau met 20 dB. De verhoging is gebaseerd op het verschil tussen het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau volgens de normering van de VNGpublicatie "Bedrijven en milieuzonering". Op alle gevels wordt aan de gestelde normering voldaan. De hoogste maximale geluidbelasting treedt op bij rekenpunt 002 en bedraagt 63 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond - en nachtperiode.
Conclusie Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de 5 geschakel de grondgebonden woningen wordt voldaan aan goede ruimtelijk ordening waarbij sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het bouwplan geeft geen belemmering voor het naastgelegen bedrijfsterrein bestemd voor bedrijfscategorie 2. 5.8 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening gehouden worden met het gestelde in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een ruimtelijk plan worden vastgesteld, indien: a.
aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde die behoort bij de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het ruimtelijk plan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich een van de volgende ontwikkelingen voordoet: woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of minimaal bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 32 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen; infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie); kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, minimaal 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen. Het ruimtelijk plan bevat niet een van deze ontwikkelingen; de voorgenomen ontwikkeling een ontwikkeling die van geringere omvang is dan de ontwikkelingen die hiervoor zijn aangegeven en het is ook geen project dat beschreven staat i n het NSL. Ondanks dat het project niet is opgenomen in de lijst onder c moet alsnog worden aangetoond dat er sprake is van NIBM. Daarom is de rekentool NIBM ingevuld. Daarbij wordt uitgegaan van een weekdaggemiddelde wat betreft vervoerbewegingen van 4,7 per woning wat aansluit bij de cijfers van het CROW. Afbeelding: NIBM-tool (bron: Infomil) Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
bestemmingsplan "Steenwijk - Prins Bernhardstraat" (ontwerp) 33 5.9 Mer- beoordeling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.