TAM Onderbouwing
Tekst van het document
Denk daarbij aan de aanleg van kabelmateriaal en het aanbrengen van fundamenten onder beoogde bebouwing. - 25 -
In het kader van het bestemmingsplan is geconcludeerd dat er ter plaatse sprake is van de ‘waarde – Archeologie 2’. Blijkens de daarbij behorende planregels , artikel 38. 2. 1 lid 2 , dient bij een aanvraag om omgevingsvergunning (BOPA) enkel een rapport tot archeologisch onderzoek te worden gevoegd indien een 2 vergunning wordt gevraagd voor het bouwen van > 2. 500 m aan bouwwerken. Nu deze drempelwaarde niet wordt overschreden is het dan ook niet nodig verdergaand onderzoek te verrichten. De ontwikkeling is op dit punt dan ook inpasbaar. 4. 7 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur , wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt , zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem , door: - het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. - - Artikel 5. 89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie , opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5. 89K Bkl , art. IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): - Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal , het omgevingsplan , een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa , paragraaf 2. 3. 6a. 2 AbO); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3. 2.
21 AbO en 3. 2. 22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2. 3. 6a. 4 AbO). - - Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. - 26 -
Zowel voor de zorg als recreatieactiviteiten geldt dat de bebouwing die daarvoor zal worden gebruik is aan te merken als bouwwerken waarin mensen langdurig (langer dan 3 uren) kunnen verblijven. Voor die situaties wordt een bodemonderzoek nodig geacht. Voor de beoogde zorg- en recreatiefuncties , waarin sprake is van langdurig verblijf , is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd , bijlage V. Hieruit blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe zorg- en recreatiebebouwing geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ter plaatse van de (voormalige) druppelzone langs de bestaande schuur is een asbestverontreiniging in de toplaag aangetoond. Deze zone ligt buiten de locaties waar de zorg- en recreatiefuncties worden gerealiseerd en maakt geen onderdeel uit van de verblijfs- of speelgebieden. De aangetroffen verontreiniging vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling , mits bij eventuele toekomstige grondroerende werkzaamheden in deze zone rekening wordt gehouden met de geldende regelgeving en , indien nodig , passende maatregelen worden getroffen. 4. 8 Geluid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5. 1. 4. 2. 1 zijn instructieregels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen.
Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA of omgevingsplanwijziging op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit , als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten , zijn de instructieregels van paragraaf 5. 1. 4. 2. 1. van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen , maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien , zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van wonen niet wordt beoordeeld , maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijke gebouwen (minder dan 10 jaar). Paragraaf 5. 1. 4. 2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen , spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen , spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.
Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • Woningen; • Onderwijsgebouwen gymnastieklokaal); (behoudens voorzieningen zoals een • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen , psychiatrische inrichtingen , medische centra , poliklinieken , medische kleuterdagverblijven , etc. - 27 -
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg , spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5. 78t nieuw Een Bkl. het van geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in tabel 5. 78t van het BKL. In onderhavig geval is er geen sprake van het realiseren van een nieuwe geluidgevoelige functie , de beoogde zorg en recreatie vallen hier niet onder. Tevens is gebleken dat na motivering er sprake is van een situatie die past binnen de handreiking BMZ (paragraaf 4. 3). De situatie is akoestisch dan ook inpasbaar. 4. 9 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag , productie , gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5. 6 tot en met artikel 5. 11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5. 11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden , afhankelijk van de activiteit , vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5. 12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand , explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen , zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). - 28 -
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl. ) Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen , kinderdagopvang , en verzorgingshuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke omgevingsvergunning. eisen worden dan opgenomen in de Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen , maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen (voormalige belemmeringengebied het in belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5. 1. 2. 3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan , herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5. 1. 2. 4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5. 1. 2. 5 Bkl; • Veiligheid rond luchthavens: par. 5. 1. 2. 6 Bkl. Toetsing Binnen het plangebied is een propaantank aanwezig voor eigengebruik. Buiten het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig die van invloed zijn op het plangebied. Een kaart waarop de situatie ter plaatse wordt getoond is hieronder opgenomen. - 29 -
Figuur 5 , uitsnede risicokaart. Op het perceel is een bovengrondse propaantank aanwezig met een inhoud van circa 3 m³. Deze tank wordt gebruikt voor de verwarming van de woning en enkele bijbehorende functies. Op basis van het Bkl geldt rondom dergelijke installaties (BEA-gebied). Dit explosieaandachtsgebied en brand- zogenoemd een aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van gangbare rekenmethoden op basis van de Handleiding Risicoberekeningen en relevante NEN-normen. Voor een propaantank van deze omvang is de straal van het aandachtsgebied relatief beperkt. Een globale inschatting laat zien dat een deel van één recreatie- eenheid binnen dit aandachtsgebied komt te liggen. De recreatiewoningen worden recreatief gebruikt en vallen onder de categorie beperkt kwetsbare gebouwen zoals bedoeld in het Bkl. Beoordeling op grond van artikel 5. 14 Bkl Artikel 5. 14 Bkl schrijft voor dat bij het toelaten van beperkt kwetsbare gebouwen binnen een BEA-gebied een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt.
Daarbij zijn de volgende punten relevant: – de inhoud van de propaantank is gering (3 m³); – kleine propaantanks hebben een zeer laag faalrisico bij regulier gebruik; – bij plaatsing en gebruik wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en de PGS-19 richtlijn; – er geldt een afstand van 3 meter tot bedrijfsgebouwen en 10 meter tot overige gebouwen; aan deze afstanden wordt voldaan; – de erfstructuur biedt voldoende vluchtmogelijkheden in geval van een incident. - 30 -
Op basis hiervan is sprake van een aanvaardbaar restrisico. Inbreng Veiligheidsregio IJsselland De Veiligheidsregio is in een vroeg stadium betrokken bij de beoordeling van dit plan (Omgevingstafel). De Veiligheidsregio heeft het volgende aangegeven: – binnen de risicocontour van de propaantank mogen geen zeer kwetsbare functies worden toegelaten; – recreatiewoningen worden aangemerkt als beperkt kwetsbare functies en kunnen , mits zorgvuldig gepositioneerd , binnen of nabij de risicocontour worden toegestaan; – het verdient wel de voorkeur deze buiten de contour te plaatsen; – de zorgfunctie dient volledig buiten het BEA-gebied te zijn gesitueerd; – als alternatief kan worden overwogen de propaantank te verwijderen in het kader van de energietransitie , waarmee alle risicoafstanden vervallen. In de planopzet is hiermee rekening gehouden. De recreatiewoningen liggen grotendeels buiten de risicocontour; uitsluitend een klein deel van het bouwvolume van één recreatie-eenheid komt binnen het aandachtsgebied. De hoofdverblijfsruimten liggen buiten de risicocontour. De zorgfunctie ligt geheel buiten het BEA-gebied. Hiermee wordt voldaan aan het advies van de Veiligheidsregio. Indien in de toekomst wordt gekozen voor vervanging van de propaantank door een alternatieve warmtevoorziening (bijvoorbeeld een warmtepomp) , vervalt de risicocontour geheel.
Het wijzigingsplan staat hieraan niet in de weg. Conclusie De aanwezige propaantank van 3 m³ vormt de enige risicobron binnen het plangebied. De geplande zorgfunctie ligt volledig buiten het BEA-gebied. De recreatiewoningen zijn beperkt kwetsbare functies en zijn grotendeels buiten de risicocontour gelegen; voor het kleine deel dat binnen het aandachtsgebied valt , geldt dat sprake is van een aanvaardbaar restrisico. Het plan voldoet daarmee aan de eisen uit het Bkl en de PGS-19 richtlijn. De Veiligheidsregio heeft geen belemmeringen geconstateerd voor deze ontwikkeling. De ontwikkeling is vanuit externe veiligheid planologisch verantwoord inpasbaar. 4. 10 Luchtkwaliteit In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. • • - 31 -
Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12 , ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren , woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie , maar niet binnen de gestelde grenzen , dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden , eventueel aangevuld met detailberekeningen. In artikel 5. 51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente waarin het bedrijf is gelegen is niet aangewezen als concentratiegebied.
Vervoersbewegingen In Nederland blijkt alleen langs zeer drukke wegen en in de omgeving van grote industriële installaties een overschrijding te zijn van PM10 als zowel NO2. De inrichting is niet gelegen in directe nabijheid van drukke verkeerswegen of zowel verkeersknooppunten. Tevens zijn in de omgeving geen grote industriële installaties aanwezig. In een omgeving waar geen overschrijding dreigt van de kwaliteitsnormen , zullen de voorgenomen activiteiten niet een zodanige bijdrage aan de luchtverontreiniging veroorzaken dat alsnog de kwaliteitsnormen worden overschreden. Ten einde te toetsen of inderdaad aan de gestelde normen kan worden voldaan kan een berekening worden uitgevoerd met de NIBM-tool 2024. Deze tool is ontwikkeld om te kunnen berekenen of een activiteit wel of niet leidt tot een significante toename aan PM10 als NO2 als gevolg van de toename in vervoersbewegingen. In de bestaande situatie is sprake van een melkveehouderijbedrijf met bijbehorende woning. Dit type agrarisch bedrijf genereert gemiddeld een aanzienlijk aantal vervoersbewegingen , zowel door licht verkeer als door middelzwaar en zwaar verkeer. Op basis van ervaringscijfers uit de praktijk wordt de verkeersgeneratie van het melkveebedrijf als volgt ingeschat.
Dagelijks zijn er circa 10 vervoersbewegingen door licht verkeer , waaronder privébewegingen , personeel , bezoek , leveranciers en overige kleine voertuigen. Daarnaast is er sprake van gemiddeld 2 vervoersbewegingen per week door middelzwaar verkeer , zoals kleine vrachtwagens voor bijvoorbeeld onderhoud en leveringen. Voor zwaar vrachtverkeer , waaronder het ophalen van melk , aan- en afvoer van vee , voerleveringen , mestafvoer , aanvoer van stro , zaagsel , kunstmest en brandstoffen , wordt uitgegaan van circa 12 , per dag. Ten slotte vinden er gemiddeld circa 10 vervoersbewegingen per dag plaats met landbouwverkeer , zoals tractoren ten behoeve van voeren , landwerk en mesttransport. - 32 -
In de nieuwe situatie wordt het melkveebedrijf beëindigd en wordt het perceel benut voor een combinatie van een akkerbouwbedrijf met een zorgfunctie en een recreatieve tak. De verwachte verkeersgeneratie is hiermee vergelijkbaar met de bestaande situatie. Het aantal vervoersbewegingen door licht verkeer wordt ingeschat op circa 10 per dag , bestaande uit privébewegingen , bezoekers , cliënten , personeel en recreanten. Het middelzwaar vrachtverkeerverkeer wordt geschat op circa 2 per week voor leveringen , onderhoud en overige diensten. Het zwaar vrachtverkeer blijft op een vergelijkbaar niveau als in de bestaande situatie , namelijk circa 12 , per dag. Het landbouwverkeer , zoals tractorbewegingen voor gewasverzorging , onderhoud en oogstwerkzaamheden , wordt ingeschat op gemiddeld 10 per dag. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een toename van de verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Nu er geen sprake is van een toename hoeft de situatie ook niet op inpasbaarheid te worden berekend. De ontwikkeling is zondermeer inpasbaar binnen de planologisch toegestane referentie. 4. 11 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare verkeerssituatie en of de parkeerbehoefte op een goede manier kan worden opgevangen.
Voor deze onderbouwing worden de richtlijnen uit de publicatie CROW – Parkeerkencijfers 2024 (19 juni 2024) gebruikt. Deze kencijfers vormen in Nederland het standaard referentiekader voor het bepalen van verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. Daarnaast is de Nota Parkeernormen Steenwijkerland (2015) van toepassing. Deze nota bevat de gemeentelijke parkeernormen en de gebiedsindeling. Het plangebied Vollenhoofsedijk 3 te Blokzijl valt binnen het gebiedstype: weinig stedelijk – buitengebied In dit gebied wordt parkeren in beginsel op eigen terrein opgelost. Verkeersgeneratie Met de ontwikkeling wordt de voormalige melkveehouderij beëindigd en wordt het erf heringericht voor een combinatie van akkerbouw , zorg en verblijfsrecreatie (zes recreatie-eenheden). De verkeersbewegingen die behoren bij een akkerbouwbedrijf zijn vergelijkbaar met de agrarische verkeersgeneratie in de bestaande situatie , zowel qua zwaarte als qua seizoenspatronen. De recreatieve functie leidt tot een beperkte en goed te verwerken aanvullende verkeersstroom , passend bij kleinschalige verblijfsrecreatie in het buitengebied. De zorgfunctie betreft kleinschalige dagactiviteiten; cliënten worden in de regel gebracht en gehaald , waardoor het aantal langdurig parkerende voertuigen zeer beperkt is.
Omdat de totale verkeersgeneratie van het initiatief vergelijkbaar is met die van de bestaande situatie , leidt de ontwikkeling niet tot een relevante toename van verkeer. Dit sluit aan bij de beoordeling in paragraaf 4. 10 Luchtkwaliteit , waarin - 33 -
is vastgesteld dat geen sprake is van toename van vervoersbewegingen en dat de ontwikkeling daarmee NIBM is. De bestaande infrastructuur van de Vollenhoofsedijk is ruim voldoende om de verkeersafwikkeling veilig te faciliteren. Ontsluiting en verkeersveiligheid Het plangebied blijft ontsloten via de bestaande aansluiting op de Vollenhoofsedijk. Daarnaast wordt een tweede inrit aangehouden , zoals eerder aan de Omgevingstafel besproken. Deze tweede inrit zorgt voor: • verbeterde interne verkeersstructuur • veilige scheiding tussen bezoekers- en bedrijfsverkeer • voorkomen van manoeuvres op de openbare weg • behoud van verkeersveiligheid voor zowel erfbezoekers als passanten De verkeersveiligheid blijft daarmee op een aanvaardbaar niveau. Parkeren Voor verblijfsrecreatie hanteert de Nota Parkeernormen Steenwijkerland een richtwaarde van 15 , parkeerplaats per recreatie-eenheid in het buitengebied. Bij zes recreatie-eenheden resulteert dit in een normatieve parkeerbehoefte van: 6 × 15 , = 9 parkeerplaatsen In het plan worden echter 16 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Deze extra capaciteit biedt ruimte aan recreanten , personeel van de zorgfunctie , bezoekers , kortparkeerders tijdens het brengen en halen van cliënten en piekmomenten op wisseldagen.
Alle parkeerplaatsen worden binnen het erf gesitueerd en landschappelijk ingepast conform Bijlage III – Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing , zodat het parkeerterrein niet zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Omdat parkeren volledig op eigen terrein wordt opgelost , ontstaat geen parkeerdruk op de openbare weg. Conclusie De verkeersgeneratie van het initiatief is vergelijkbaar met de bestaande agrarische situatie en leidt niet tot een toename ten opzichte van de huidige referentie (zie paragraaf 4. 10 Luchtkwaliteit). De ontsluiting via de Vollenhoofsedijk is verkeerskundig voldoende , mede door de aanwezigheid van een tweede inrit. De parkeerbehoefte wordt ruimschoots opgevangen met 16 parkeerplaatsen op eigen terrein , waarmee ruim wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Er worden geen verkeersonveilige situaties of parkeerproblemen verwacht. De ontwikkeling is daarmee verkeerskundig volledig inpasbaar. - 34 -
4. 12 Milieukundige inpassing Met komst van de Omgevingswet zijn de algemene regels uit het activiteitenbesluit overgegaan naar het Besluit activiteitenbesluit leefomgeving (Bal) en de regels bij het Omgevingsplan. In hoofdstuk 3 van het Bal zijn de milieubelastende activiteiten aangewezen. Afhankelijk van de omvang van de activiteit kan er sprake zijn van een meldings- of vergunningsplichtige activiteit. Alvorens een activiteit uit te voeren moet in geval van een milieubelastende activiteit een melding worden gedaan , of een vergunning worden aangevraagd. In ieder geval is meldingsplichtig het afvoeren van afvalwater van de beoogde recreatievoorzieningen. Deze zullen via een voorziening moeten worden afgevoerd die voldoet aan de wettelijke gestelde eisen. Het van toepassing zijn van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft zekerheid voor de omgeving aangaande een minimale belasting van het milieu. Zo gelden er onder andere regels op het gebied van geluid , bodem , geur en energieverbruik. Doordat deze bepalingen worden opgelegd en voor activiteiten daaraan moet worden voldaan is tevens sprake van een onderbouwing die bijdraagt aan de motivering van ETFAL. 4. 13 Ecologie 4. 13. 1 Natura 2000-gebieden Algemeen Planten en dieren laten zich niet tegenhouden door landsgrenzen. Natura 2000 richt zich daarom op het behoud en de ontwikkeling van gebieden in heel Europa.
Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: leefgebieden voor vogelsoorten , voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn , en/of natuurlijke habitats en de habitats van soorten , voor zover nodig voor de uitvoering van de Habitatrichtlijn. • • Uit artikel 16. 53 c eerste lid Omgevingswet juncto artikel 10. 24 en 874 , b van het Besluit kwaliteit leefomgeving , volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000- gebieden. Toetsing Beoordeeld is of vanwege de inpassing rekening moet worden gehouden met beschermde natuurwaarden. Daarbij kan worden gedacht aan Natura 2000 , nationale landschappen , beschermende natuurmonumenten , ecologische hoofdstructuur (ehs) (tegenwoordig aangeduid als NNN (Natuur Netwerk Nederland)) en natuurplannen. - 35 -
Met de informatie op atlasleefomgeving is vastgesteld dat de locatie aansluitend is gelegen aan het Natura 2000 gebied “De Wieden” dat voor dit deel als Vogelrichtlijn gebied is aangewezen. Op een afstand van circa 1 kilometer is dit gebied eveneens aangewezen als Habitatrichtlijn gebied. De situatie ter plaatse is op onderstaande kaart getoond. Pad (geanonimiseerd) Gekozen kaarten Kaarten aarlo ge X Alle kaarten dichtklappen £ 7 Alle kaarten aan/uit sd ge) giokzij Natura 2000-gebieden Transparantie: 20% te Legenda: = HR VR —_ VR+HR EI HR groeve Bron: Ministerie van Economische Zaken, 2018 Figuur 6, omliggende Natura 2000 Uit artikel 16.53 c eerste lid Omgevingswet juncto artikel 10.24 en 8,74 b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een project significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000- gebieden. Vanwege het omschakelen van de bedrijfsvoering en het toepassen van de stoppersregeling mag er maximaal nog 15% van de ruimte die voor het bedrijf geldt als stikstofreferentie voor het onderdeel natuur worden toepast bij de voortzetting van haar nieuwe bedrijfsvoering. Voor het onderdeel stikstof is een vergelijk gemaakt van de referentie en de gewenste situatie. Daaruit blijkt dat rekening houdende met de nieuwe bedrijfssituatie voldoet aan de voorwaarden van de stoppersregeling.
De inpassingsbeoordeling voor natuur treft u aan onder bijlage VI. De aanvraag om te komen tot aanpassing van de vergunning voor het onderdeel natuur wordt gelijktijdig met deze aanvraag ingediend. - 36 -
4. 13. 2 Soortenbescherming De omgevingswet richt zich om de bescherming van de volgende soorten: beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn , beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn , beschermingsregime andere soorten. • • • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: 1. opzettelijk vogels te doden of te vangen , 2. opzettelijk vogelnesten , -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen , 3. eieren van vogels te rapen en deze bij zich te hebben , 4. opzettelijk vogels te storen. Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en is dus een overtreding. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest worden verdeeld over vier categorieën vogelsoorten waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: de Habitatrichtlijn onderdeel a , het Verdrag van Bern , het Verdrag van Bonn , • en alle planten uit: de Habitatrichtlijn , onderdeel b , het Verdrag van Bern. • • • • Volgens de omgevingswet is het verboden om , voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1. opzettelijk dieren te doden of te vangen , 2. opzettelijk dieren te verstoren , 3. opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen , 4. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen , 5. opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken , te verzamelen , af te snijden , te ontwortelen of te vernielen. In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort. - 37 -
Beschermingsregime andere soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens de omgevingswet is het verboden om , voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1. opzettelijk dieren te doden of te vangen , 2. voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen , 3. opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken , te verzamelen , af te snijden , te ontwortelen of te vernielen. Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de minister van Economische Zaken of Gedeputeerde Staten , en geven een initiatiefnemer de ruimte om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de minister van Economische Zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is.
Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: - geen andere bevredigende oplossing bestaat , - geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort , - en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen. Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang. Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer , of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen , gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens de omgevingswet vallen buiten de bescherming houtopstanden: houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden , houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden , naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed , uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen , beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden , het dunnen van een houtopstand , uit populieren , wilgen , essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst , • • • • • • - 38 -
o bestaan per hectare per stoven tienduizend minstens uit beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter , o zijn aangelegd na 1 januari 2013. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of wanneer de werkzaamheden en onderhoud voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen. Toetsing Hoewel het plangebied zelf geen formeel beschermd natuurgebied is , zijn de aanwezige natuurwaarden met recente onderzoeken expliciet in beeld gebracht. In 2025 is een quickscan flora- en fauna-activiteit uitgevoerd (Bijlage VII). Op basis hiervan is beoordeeld welke beschermde soorten op en rond het erf (kunnen) voorkomen en welke aandachtspunten dat geeft voor de voorgenomen ontwikkeling. Omdat het erf binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied De Wieden ligt , is vervolgens een voortoets Natura 2000 uitgevoerd (Bijlage VIII).
Hieruit blijkt dat beëindiging van de melkveehouderij leidt tot een afname van stikstofdepositie , dat de nieuwe functies grotendeels binnen het bestaande erf worden gerealiseerd of habitatverlies de voor geen sprake is van verstoring dat en instandhoudingsdoelen van De Wieden. Significante negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten en een aparte vergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan en de voortoets is een aanvullend projectplan flora- en fauna-activiteit opgesteld (Bijlage IX). Hierin zijn de mitigerende en compenserende maatregelen voor onder meer huismus (jaarrond beschermde broedvogel) en rugstreeppad (Habitatrichtlijnsoort) uitgewerkt en is vastgelegd op welke wijze bij sloop- en bouwwerkzaamheden aan de wettelijke verplichtingen wordt voldaan. Voor overige soortgroepen (overige vogels , vleermuizen , grondgebonden zoogdieren , overige amfibieën , vissen en ongewervelden) gelden , met inachtneming van de zorgplicht en enkele uitvoeringsmaatregelen , geen aanvullende verbodsbepalingen. Op basis van de flora- fauna-activiteit en de voor is resultaten omgevingsvergunning ingediend bij de provincie.
een aanvraag Geconcludeerd wordt dat , met uitvoering van de voorgestelde mitigerende en compenserende maatregelen en naleving van de algemene en specifieke zorgplicht , er ecologisch geen belemmeringen zijn voor de beoogde erftransformatie naar akkerbouw , zorg en recreatie en dat de ontwikkeling past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. - 39 -
5. Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties 5.1 Inleiding heeft besloten gebruik te maken van de Landelijke Beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Met deze regeling wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het verminderen van stikstofdepositie op kwetsbare Natura 2000-gebieden door vrijwillige beëindiging van veehouderijactiviteiten. Deze regeling vereist onder andere aanpassingen van het planologisch en vergunningtechnisch kader en brengt aanvullende voorwaarden met zich mee. (geanonimiseerd) In dit hoofdstuk wordt aanvullend inzicht gegeven in de wijze waarop in onderhavig plantraject invulling wordt gegeven aan de voorwaarden die voortvloeien uit deelname aan de Lbv. 5.2 Overzicht verplichtingen Lbv en status 1. Omgevingsrechtelijke melding De ondernemer zal, conform de regeling, via het Omgevingsloket een melding doen bij de gemeente dat geen landbouwhuisdieren meer worden gehouden op de locatie in de zin van bedrijfsmatige veehouderij, melding wijziging milieubelastende activiteit. Deze melding wordt gelijktijdig met de onderhavige aanvraag ingediend. 2. Omgevingsvergunning natuur De bestaande vergunning voor het onderdeel natuur voor het houden van vee zal worden aangepast waarbij nog maximaal 15% zal blijven toebehoren tot de nieuwe bedrijfsvoering.
De overige 85% van de vergunde stikstofrechten wordt ingeleverd en komt direct ten goede aan de natuur. De procedure hiervoor wordt in samenhang met de planologische aanvraag opgestart. 3. Wijzigen planologische kader Conform de Lbv-eisen dient het omgevingsplan zodanig te worden aangepast dat bedrijfsmatige veehouderij op de locatie planologisch niet meer mogelijk is. In dit kader wordt het omgevingsplan gewijzigd, waarmee het bedrijfsmatig houden van vee wordt uitgesloten. Voor de akkerbouwtak en kleinschalig, niet-bedrijfsmatig houden van dieren ten behoeve van de zorg- en recreatietak wordt binnen de vigerende planologische regeling voorzien. 4, Productiecapaciteit en gebouwen Het bedrijf wenst bepaalde gebouwen, waaronder een jongveestal, te behouden en te herbestemmen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en de zorg- en recreatietak. Er wordt géén productiecapaciteit behouden ten behoeve van bedrijfsmatige veehouderij. Voor het behoud van gebouwen wordt binnen de huidige aanvraag voorzien in een herbestemming. In lijn met de Lbv-regeling zal, indien van toepassing, tevens een ontheffing van de sloopverplichting worden aangevraagd bij RVO, onder overlegging van de vereiste gemeentelijke instemming. -40-
5. 3 Nieuwe bedrijfsvoering en stikstofruimte Na beëindiging van de veehouderij zal het bedrijf worden voortgezet als akkerbouwbedrijf , aangevuld met kleinschalige zorg- en recreatieactiviteiten. Conform de Lbv-voorwaarden wordt een nieuwe natuurvergunning aangevraagd. De stikstofemissie van de nieuwe situatie bedraagt maximaal 15% van de stikstofruimte van het voormalige veehouderijbedrijf. Een berekening hiervan is opgenomen in bijlage VI (Inpassingsbeoordeling Natuur/stikstof). 5. 4 Communicatie gemeente en provincie De ondernemer heeft contact gezocht met de gemeente over de gewenste planologische wijziging. De gemeente heeft zich in principe bereid verklaard mee te werken aan de planontwikkeling , waaronder de noodzakelijke beperking van de planologische rechten voor het houden van vee. Het formele verzoek tot wijziging van het omgevingsplan is bij de gemeente ingediend. Na afronding van de planologische procedure zal het definitieve wijzigingsbesluit als bewijsstuk ten behoeve van de Lbv-aanvraag worden overgelegd. De provincie is geïnformeerd over de beoogde intrekking c. q. aanpassing van de relevante vergunningen. Een bevestiging van ontvangst van dit verzoek wordt toegevoegd aan het dossier. 5.
5 Conclusie Met de in deze aanvraag opgenomen maatregelen wordt voldaan aan de eisen en voorwaarden van de Lbv , waaronder: - het beëindigen van bedrijfsmatige veehouderij; - het formeel planologisch uitsluiten van bedrijfsmatige veehouderij; - het herbestemmen van resterende bebouwing conform het nieuwe gebruik; - het aanpassen/intrekken van relevante vergunningen; - het aanvragen bedrijfsvoering; van een natuurvergunning voor de nieuwe - het treffen van alle overige noodzakelijke meldingen. De aanvraag voorziet hiermee integraal in zowel de planologische , milieukundige als juridische aspecten van de bedrijfsbeëindiging en herontwikkeling , conform de kaders van de Lbv. - 41 -
6. Uitvoerbaarheid 6. 1 Algemeen Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. 6. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het voorliggende initiatief heeft initiatiefnemer omwonende actief geïnformeerd en de gelegenheid geboden om hun zienswijze kenbaar te maken. Hiertoe heeft overleg plaatsgevonden met de direct aangrenzende buren. Tijdens dit contact zijn de voorgenomen plannen toegelicht en konden eventuele vragen worden gesteld of aandachtspunten worden benoemd. De reacties vanuit de buren zijn meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Hiermee is invulling gegeven aan de participatievereisten zoals die vanuit het Omgevingsrecht worden gesteld. Een verslag van het overleg treft u aan onder bijlage X. De omgevingsvergunning zal overigens overeenkomstig de reguliere voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage worden gelegd. Tijdens deze termijn kunnen door derden eventueel zienswijzen worden ingediend. 6. 3 Economische uitvoerbaarheid Het project betreft een bedrijfsinitiatief , waarmee de gemeente geen financiële bemoeienis heeft.
De aanvrager draagt de kosten voor de procedure en de uitvoering van het project. Hiervoor zijn de benodigde financiële middelen beschikbaar. Verder zal nadeelcompensatie anterieur geregeld worden. De gemeente loopt geen risico met de beoogde ontwikkeling. Het project wordt economisch uitvoerbaar geacht. - 42 -
7. Samenvatting en conclusie De planontwikkeling ziet op het omzetten van een bestaand agrarisch melkveebedrijf naar een akkerbouwbedrijf , waarbij op kleine schaal enkel nog op hobbymatige wijze landbouwhuisdieren zullen worden gehouden in relatie tot een kleinschalige zorg- en recreatietak. De beoogde zorg- en recreatieactiviteiten passen niet binnen het vigerende planologische kader. Om deze functies planologisch mogelijk te maken én om te borgen dat ter plaatse niet langer bedrijfsmatig vee kan worden gehouden , wordt – op verzoek van de gemeente – een wijziging van het omgevingsplan voorbereid voor het gehele perceel. In deze omgevingsplanwijziging worden de nieuwe functies juridisch-planologisch verankerd en worden de bestaande planologische mogelijkheden voor de bedrijfsmatige veehouderij weggenomen. De noodzakelijke onderzoeken , waaronder bodemonderzoek , ecologisch onderzoek en overige milieu- en ruimtelijke onderzoeken , zijn inmiddels uitgevoerd en als bijlagen bij deze onderbouwing opgenomen. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken , in combinatie met de voorgenomen omgevingsplanwijziging waarbij het houden van vee op bedrijfsmatige schaal planologisch wordt uitgesloten , wordt voldaan aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee is sprake van een ruimtelijk en milieukundig aanvaardbare ontwikkeling.
Bijlagen I Kadastrale kaart II Foto’s plangebied III Beeldkwaliteit / landschappelijke inpassing IV Waterschapadvies V Bodemonderzoek VI Stikstofberekening / AERIUS VII Quickscan natuur VIII Voortoets natuur IX Projectplan natuur X Participatieverslag - 43 -