CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Samen voor Ryan - Evaluatie 1.0

Politieke Markt 25 augustus 2026, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Samen voor Ryan12.910 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

1 Trynke Keuning (Hogeschool KPZ) Shirine Bousaid (Hogeschool KPZ) Marco Algera (Hogeschool Viaa) In sa menwerking met: Liset Bijsterbosch (Tintengroep – Sociaal Werk De Kop) Petra Bleijenburg (Samen voor Ryan) Onderzoek naar interprofessionele samenwerking rondom kinderen en jongeren in Steenwijkerland en de rol van Samen voor Ryan

2 Colofon Titel: Grensoverstijgend samenwerken voor een kansrijke ontwikkeling Onderzoek naar interprofessionele samenwerking rondom kinderen en jongeren in Steenwijker- land en de rol van Samen voor Ryan A uteurs: Trynke Keuning, Shirine Bousaid, Marco Algera In samenwerking met: Liset Bijsterbosch, Petra Bleijenburg V ersie: opgemaakte definitieve versie Datum: oktober 2024 D it onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Samen voor Ryan: de Steenwijkerlandse Academie. D it werk valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie

3 Managementsamenvatting Professionals werken steeds vaker samen over de grenzen van hun eigen vakgebieden heen om de leef- wereld en ontwikkeling van kinderen en jongeren te verbeteren. Deze interprofessionele samenwerking brengt professionals uit verschillende disciplines, ouders en verzorgers samen, waarbij iedereen vanuit zijn eigen expertise bijdraagt aan een gezamenlijke missie: een kansrijke ontwikkeling voor elk kind. In Steenwijkerland is de afgelopen jaren met het initiatief 'Samen voor Ryan' (SvR) gericht ingezet op het ver- sterken van deze interprofessionele samenwerking, met als doel de pedagogische basis van kinderen en jongeren te verstevigen. In deze rapportage presenteren we de resultaten van een onderzoek, uitgevoerd binnen SvR via de Steen- wijkerlandse Academie, dat inzicht biedt in de stand van zaken (2023-2024) van de interprofessionele sa- menwerking tussen professionals in Steenwijkerland en de invloed van SvR -activiteiten daarop.

De vol- gende onderzoeksvragen stonden centraal: • In hoeverre is er contact tussen de verschillende organisaties binnen SvR? • In hoeverre voelen de professionals van de organisaties binnen SvR zich onderling verbonden? • Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor de interprofessionele samenwerking bin- nen SvR? • In hoeverre nemen professionals binnen SvR deel aan de georganiseerde activiteiten? • In hoeverre zijn professionals tevreden over het activiteitenaanbod binnen SvR? • Wat levert de interprofessionele samenwerking binnen SvR op volgens de professionals? Methode H et onderzoek vond plaats in de periode april tot juni 2024. Er zijn verschillende onderzoeksmethoden ingezet om vanuit verschillende perspectieven antwoord te geven op de onderzoeksvragen. Er werden drie focusgroepsessies gehouden: één met leidinggevenden en twee met professionals, waarin onder meer belemmerende en bevorderende factoren van de samenwerking werden besproken. Daarnaast werd een online vragenlijst verspreid onder 155 professionals, waarvan 111 volledige reacties werden ge- analyseerd. De vragenlijst bestond uit onderdelen die de samenwerkingsverbanden en de impact van SvR-activiteiten in kaart brachten, waaronder een vraag over het professionele (sociale) netwerk van de respondenten en vragen over de betrokkenheid gebaseerd op de Index for Interdisciplinary Collaboration (IIC).

Verder zijn enkele individuele interviews afgenomen om dieper in te gaan op specifieke ervaringen en voorbeelden van goede praktijken. Tot slot werd een inventarisatie gemaakt van de deelname aan SvR - activiteiten om inzicht te krijgen in de betrokkenheid van professionals. Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat er binnen SvR een actief netwerk is van professionals die regelmatig contact onderhouden met diverse organisaties, waaronder scholen, opvang sociaal werk en gemeente. De meeste professionals ervaren een sterke verbondenheid met collega's uit andere disciplines en maken vaak gebruik van elkaars expertise. De gelijkwaardigheid in de samenwerking wordt over het algemeen als positief ervaren. Bevorderende factoren voor de samenwerking zijn onder andere persoonlijke verbindin- gen en korte communicatielijnen, terwijl onduidelijke verantwoordelijkheden en gebrek aan gedeelde doelen als belemmeringen worden genoemd. Ook zijn er uitdagingen door regelgeving en personeelsver- loop. 4 Deelnemers zijn overwegend positief over de SvR-activiteiten, hoewel tijdgebrek soms deelname belem- mert. De inhoud van de activiteiten wordt als nuttig ervaren, maar er is behoefte aan een compacter pro- gramma en betere afstemming met drukke periodes.

Professionals zien dat door SvR de samenwerking met andere professionals verbeterd waardoor zorg en begeleiding van kinderen en jongeren beter kan worden ingericht. Er is echter ruimte voor verdere groei, vooral in de betrokkenheid van ouders en kwetsbare gezinnen. Discussie en aanbevelingen D eze rapportage sluit af met enkele discussiepunten en aanbevelingen, die we hieronder kort samenvat- ten: Gebiedsgerichte samenwerking Hoewel de samenwerking positief wordt beoordeeld, blijken niet alle professionals betrokken. Het is be- langrijk om samenwerking te stimuleren waar dit logisch is, bijvoorbeeld binnen gebieden of rondom spe- cifieke thema’s. Een kern van actieve 'grensgangers' kan bruggen slaan tussen bredere samenwerkingen, zonder dat iedereen overal betrokken hoeft te zijn. Bereik van SvR Hoewel SvR bedoeld is voor alle kinderen, lijkt het in de praktijk vooral gericht op kinderen met extra on- dersteuningsbehoeften, die niet altijd optimaal worden bereikt. Aanbevolen wordt om activiteiten beter af te stemmen op deze doelgroep, zonder de bredere missie uit het oog te verliezen. Aanbod en communicatie Professionals waarderen de activiteiten van SvR, maar ervaren soms een overload. Een compacter pro- gramma en gerichtere communicatie kan helpen.

Ook wordt het aanbevolen om zowel gemeentebrede masterclasses als gebiedsgerichte activiteiten te blijven organiseren, om zowel kennisdeling als lokale samenwerking te bevorderen. Betrekken van toekomstige professionals Om toekomstige professionals beter voor te bereiden op interprofessionele samenwerking, wordt aanbe- volen samen te werken met opleidingsinstituten. Studenten kunnen betrokken worden bij SvR -projecten voor praktijkervaring, wat bijdraagt aan sterkere samenwerking op lange termijn. Vervolgonderzoek Dit onderzoek kan dienen als een nulmeting voor verdere monitoring van samenwerking binnen SvR. Het wordt aanbevolen om de samenwerking en effecten regelmatig te meten en ook kinderen, jongeren en ou- ders bij toekomstig onderzoek te betrekken. Daarnaast is vervolgonderzoek naar de impact van interpro- fessionele samenwerking op de ontwikkeling van kinderen wenselijk. 5 Inhoud Managementsamenvatting ..................................................................................................................... 3 Methode .............................................................................................................................................. 3 Resultaten ...........................................................................................................................................

3 Discussie en aanbevelingen ................................................................................................................. 4 1. Introductie: Samenwerken voor een kansrijke ontwikkeling ......................................................... 6 1.1 Samen voor Ryan ........................................................................................................................... 6 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................ 6 1.3 Werkwijze ...................................................................................................................................... 7 1.4 Respondenten ............................................................................................................................... 8 2. Interprofessionele samenwerking in Steenwijkerland ................................................................. 10 2.1 Netwerkrelaties tussen organisaties ........................................................................................... 10 2.2 Netwerkrelaties tussen sectoren ................................................................................................ 12 2.3 Onderlinge verbondenheid ......................................................................................................... 14 3.

Bevorderende en belemmerende factoren voor interprofessionele samenwerking in S teenwijkerland ................................................................................................................................... 16 3.1 Bevorderende factoren ............................................................................................................... 16 3.2 Belemmerende factoren ............................................................................................................. 17 4. Samen voor Ryan: deelname aan en waardering van activiteiten (2023-2024) ......................... 19 4.1 Inventarisatie deelname activiteiten ........................................................................................... 19 5. Opbrengsten interprofessioneel samenwerken en SvR .................................................................... 24 6. Conclusies, discussie en aanbevelingen ...................................................................................... 28 6.1 Conclusie ..................................................................................................................................... 28 6.2 Discussie ......................................................................................................................................

29 6.3 Aanbevelingen voor Samen voor Ryan........................................................................................ 31 Referenties ........................................................................................................................................... 35 Bijlagen .................................................................................................................................................. 37 Bijlage 1 – Achtergrondkenmerken respondenten op enquête ....................................................... 37 Bijlage 2 – Aantallen contacten met professionals van andere discipline ........................................ 42 6 1. Introductie: Samenwerken voor een ka nsrijke ontwikkeling In Nederland zien we steeds meer dat professionals met verschillende achtergronden samenwerken rondom kinderen en jongeren met als doel hun leefwereld te verbeteren en een kansrijke ontwikkeling te bevorderen (Nederlands Jeugd Instituut, z.d.). Deze interprofessionele samenwerking houdt in dat profes- sionals uit diverse disciplines, ouders, verzorgers en vrijwilligers complementair aan elkaar werken, waar- bij ieder vanuit zijn eigen expertise bijdraagt aan een gezamenlijke missie: de kansrijke ontwikkeling van kinderen en jongeren (Van Dongen & Fanchamps, 2021).

Of het nu gaat om de individuele casus van een kind of jongere, of om bredere maatschappelijke opgaven zoals laaggeletterdheid, (generatie)armoede, onderwijsachterstanden en het welzijn van jongeren: de es- sentie van interprofessionele samenwerking is dat men samen meer kan bereiken dan alleen. Interprofes- sionele samenwerking draagt bijvoorbeeld bij aan betere toegang tot zorg (Gerdes, 2021), sterkere door- gaande lijnen tussen kinderopvang en primair onderwijs (Fukkink et al., 2024) of tussen primair en voort- gezet onderwijs (Bochane et al., 2024). Het idee dat samenwerking over de grenzen van verschillende disciplines heen, zowel bij individuele ca- suïstiek als bij maatschappelijke vraagstukken, kan leiden tot nieuwe en effectievere aanpakken, wordt ondersteund door de boundary crossing theorie (Akkerman & Bakker, 2011). Deze theorie stelt dat profes- sionals elkaar beter leren begrijpen en elkaars perspectieven kunnen integreren door over de grenzen van hun eigen expertise te kijken. Dit proces helpt niet alleen om bestaande werkwijzen beter op elkaar af te stemmen, maar kan ook leiden tot geheel nieuwe, innovatieve oplossingen voor complexe vraagstukken (Dingshof et al., 2023).

Het oversteken van deze grenzen vraagt echter om specifieke vaardigheden, zoals het vermogen om met verschillende perspectieven te werken en de bereidheid om te leren van collega’s uit andere vakgebieden (Post et al., 2023). 1.1 Samen voor Ryan In Steenwijkerland wordt actief gewerkt aan het stimuleren van professionals om deze grenzen over te steken en gezamenlijk te werken aan het vergroten van kansen voor kinderen. Samen voor Ryan (SvR) is een initiatief dat sinds 2019 actief is en zich richt op het bevorderen van kansrijke ontwikkelingen voor kin- deren en jongeren. Het project omvat een samenwerking tussen 25 verschillende organisaties, waaronder kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs, passend onderwijs, jeugdgezondheidszorg, sociaal werk en de gemeente. Ongeveer 1.200 professionals zijn betrokken bij deze gezamenlijke inspanningen (Pouw, 2024). SvR richt zich op het versterken van de pedagogische basis voor kinderen door middel van diverse pro- jecten, activiteiten en bijeenkomsten. In de afgelopen schooljaren zijn er verschillende projecten en ‘ver- kenningsprojecten’ geïmplementeerd, waarbij projectgroepen verantwoordelijk zijn voor het organiseren van activiteiten en acties voor alle betrokken professionals.

In het schooljaar 2023-2024 waren dat deze projecten: - De eerste 2000 dagen - Me ertaligheid (bij anderstalige kinderen) - Steenwijkerlandse academie - Va ardigheden voor het leven - (verkenningsproject) Samenwerken op locatie - (verkenningsproject) Bewegen 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen Dit onderzoek, uitgevoerd in het kader van SvR via de Steenwijkerlandse Academie, biedt inzicht in de hui- dige stand van zaken (2023-2024) van de interprofessionele samenwerking tussen professionals in 7 Steenwijkerland en de impact van SvR-activiteiten hierop. Daarbij identificeren we de werkzame elemen- ten en formuleren we aanbevelingen voor verdere ontwikkeling. De volgende onderzoeksvragen staan centraal: • In hoeverre is er contact tussen de verschillende organisaties binnen Sv R? • In hoeverre voelen de professionals van de organisaties binnen SvR zich onderling verbonden? • Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor de interprofessionele samenwerking bin- nen SvR? • In hoeverre nemen professionals binnen SvR deel aan de georganiseerde activiteiten? • In hoeverre zijn professionals tevreden over het activiteitenaanbod binnen SvR? • Wat levert de interprofessionele samenwerking binnen SvR op volgens de professionals? In het vervolg van dit hoofdstuk (hoofdstuk 1) gaan we dieper in op de werkwijze van het onderzoek en de betrokken respondenten.

Vervolgens richten we ons in hoofdstuk 2 op de interprofessionele samenwer- king in Steenwijkerland: hoe ziet die samenwerking eruit, wie overlegt met wie en hoe is de onderlinge ver- bondenheid? Hoofdstuk 3 bespreekt de bevorderende en belemmerende factoren van deze samenwer- king, terwijl hoofdstuk 4 specifiek ingaat op de activiteiten die door SvR worden geïnitieerd—hoe worden deze bezocht en gewaardeerd? In hoofdstuk 5 kijken we naar de ervaren opbrengsten van de samenwer- king. In hoofdstuk 6 sluiten we af met conclusies en aanbevelingen. 1.3 Werkwijze In de maanden april, mei en juni van 2024 is een 'Monitor interprofessionele samenwerking' uitgevoerd on- der leidinggevenden en professionals die betrokken zijn bij SvR . Met deze monitor werd de mate en de op- brengst van de interprofessionele samenwerking in kaart gebracht. De aandacht ging hierbij uit naar ver- schillende aspecten, zoals de huidige vormgeving van interprofessionele samenwerking, bevorderende en belemmerende factoren, ervaren en gewenste opbrengsten en het verzamelen van voorbeelden van goede samenwerkingsverbanden (good practices). De Monitor bestond uit de volgende onderdelen: 1. Focusgroepsessies: Er zijn drie focusgroepsessies georganiseerd: een met leidinggevenden en twee met professionals.

In deze sessies werd de mate en invulling van interprofessionele samen- werking op verschillende dimensies verkend. Er werd gevraagd naar ervaren belemmerende en be- vorderende factoren en naar de opbrengsten van interprofessioneel samenwerken. De focus- groepsessies zijn opgenomen en samengevat. Deze samenvattingen zijn vervolgens gecodeerd door middel van inductief coderen in Atlas.ti. Hierbij zijn quotes per thema geanalyseerd en voor- zien van passende codes. 2. O nline vragenlijst: Er werd een online vragenlijst opgesteld voor een brede groep betrokkenen. De vragenlijst richtte zich op de ervaren interprofessionele samenwerking en op de ervaring met S vR. De inhoud van de vragenlijst is zorgvuldig samengesteld op basis van meerdere bronnen en me- thodologische benaderingen: a. I nput uit de focusgroepsessies: de genoemde belem merende en bevorderende facto ren en d e opbrengsten die werden genoemd in de focusgroepsessies zijn voorgelegd aan de respondenten in de online vragenlijsten. b. S ociale netwerkanalyse: om de bestaande relaties in kaart te brengen en beeld te krijgen bij het netwerk van professionals van SvR is gebruik gemaakt van sociale netwerk vrag en (Oo ms et al., 2024; Keuning et al., 2016). c.

Index for Interdisciplinair Collaboration (IIC): tot slot is een selectie van vragen gebaseerd de IIC (Bronstein, 2002) - waarmee de onderlinge verbondenheid tussen professionals wordt gemeten. 8 3. Individuele interviews: De resultaten van de vragenlijst werden met betrokken professionals na- besproken in een aantal individuele interviews. Deze interviews richtten zich op het verdiepen va n d e betekenis achter goede (en mogelijk minder goede) praktijken. 4. I nventarisatie deelname professionals per activiteit: Een inventarisatie werd gemaakt van de deelname van professionals aan verschillende activiteiten binnen SvR. 1. 4 Respondenten De focusgroepsessies bestonden uit verschillende groepen professionals: • Eén sessie was met leidinggevenden (n=6), zoals teamcoaches (sociaal werk), directeuren van b asisscholen, middelbare scholen en speciaal onderwijs, en managers van kinderopvangorgani- saties. • Twee sessies waren met professionals (n=3 en n=4), waaronder een beleidsmedewerker, jeugd- verpleegkundige, buurtmaatschappelijk werkers, specialistisch pedagogisch medewerkers, pe- dagogisch medewerkers, leraarondersteuners en vakdocenten lichamelijke opvoeding (LO) De online vragenlijst werd verspreid onder alle professionals die betrokken zijn bij SvR . In totaal begon- nen 155 personen aan de vragenlijst.

Niet iedereen vulde deze volledig in en vragenlijsten waarin alleen de achtergrondkenmerken waren ingevuld, werden niet meegenomen in de analyse. Uiteindelijk zijn 111 vra- genlijsten gebruikt voor de rapportage. Omdat de vragenlijst via contactpersonen is verspreid, die deze konden doorsturen naar anderen, is het niet mogelijk om een responspercentage te berekenen. We weten namelijk niet precies hoeveel mensen de vragenlijst ontvangen hebben. Wel kunnen we iets zeggen over de aard van de respondenten die gerea- geerd hebben. De respondenten kwamen uit diverse sectoren, zoals kindcentra, basisscholen, kinderopvangorganisa- ties, gemeentelijke diensten en het sociaal domein. De meeste deelnemers (39%) werken in Steenwijk, maar er waren ook respondenten uit omliggende plaatsen. Het grootste deel van de groep bestond uit leerkrachten (21%) en leidinggevenden (16%), gevolgd door pedagogisch medewerkers (11%), jeugdcon- sulenten en sociaal werkers (beide 7%). Bijlage 1 bevat alle achtergrondkenmerken van de respondenten. Bekendheid met Samen voor Ryan In Tabel 1.1 wordt weergegeven hoe bekend de respondenten zijn met het project SvR. Uit de resultaten blijkt dat bijna alle respondenten bekend zijn met het project. Iets minder dan de helft (44%) geeft aan zelfs (zeer) actief deel te nemen.

Tabel 1.1 Mate (n en %) van bekendheid met ‘Samen voor Ryan’ (N=111) Ta bel 1.2 laat zien of respondenten actief zijn in een werkgroep en, zo ja, in welke. Drie respondenten za- ten in twee werkgroepen en één persoon gaf geen antwoord op deze vraag. Uit Tabel 1.2 blijkt dat drie- kwart (75%) van de respondenten geen deel uitmaakt van een werkgroep. De werkgroep die zich richt op de eerste 2000 dagen van kinderen is het sterkst vertegenwoordigd.

9 Tabel 1.2 Deelname aan werkgroep (N=110, meerdere antwoorden mogelijk) I ndividuele interviews Aan het einde van de online vragenlijst is gevraagd of we de respondent mochten benaderen voor een indi- vidueel interview. Uiteindelijk zijn er drie interviews afgenomen bij drie verschillende professionals: een leerkracht uit het primair onderwijs, een jeugdarts van de GGD en een adviseur die nauw betrokken was bij SvR. De opbrengsten van deze interviews zijn in deze rapportage toegevoegd als illustrerende citaten.

10 2. Interprofessionele samenwerking in Steenwijkerland 2.1 Netwerkrelaties tussen organisaties In de vragenlijst is aan respondenten gevraagd met welke organisaties ze regelmatig (dagelijks, wekelijks of maandelijks) contact hadden in het afgelopen schooljaar. Ze konden een of meer van de 45 voorge- drukte organisaties aanvinken, plus een optie voor 'anders, namelijk'. De respondenten noemden het vaakst de Gemeente Steenwijkerland (52 keer), GGD IJsselland (49 keer) en Sociaal Werk De Kop (46 keer). Gemiddeld hadden respondenten regelmatig contact met ruim zes organisaties, met een variatie van één tot 23 organisaties in het afgelopen schooljaar. Het meest voorkomend was contact met één, twee of zes organisaties. Met deze informatie is een sociaal netwerk gemaakt dat in Figuur 2.1 wordt weergegeven (scan de QR-code om in te zoomen). Iedere lijn staat voor eenzijdig (zwart) of wederzijds (blauw) 1 contact tussen een of meer professionals. Onderstaande figuur is geografisch geordend , waarbij elke stad of dorp een eigen kleur heeft. Belangrijke kanttekeningen bij het sociale netwerk zijn dat niet iedere organisatie de vragenlijst heeft ingevuld en niet iedereen van een organisatie de vragenlijst heeft ingevuld . De meeste organisaties hebben Steenwijk (groen) als standplaats.

De organisaties uit omliggende dorpen hebben contact met meer organisaties buiten hun eigen dorp dan binnen hun eigen dorp. De GGD (hele- maal onderaan, grijs) is een belangrijke ‘spin in het web’ en heeft veel contacten met verschillende organi- saties in de gemeente Steenwijkerland. Figuur 2.1 Sociaal netwerk organisaties Samen voor Ryan, geordend op standplaats 1 In de sociale netwerktheorie worden wederkerige relaties vaak beschouwd als indicatief voor sterkere en meer betrokken interacties (Moolenaar, et al., 2014). Het ontbreken van wederkerigheid in een netwerkrelatie kan echter verschillende oorzaken hebben. Zo kan de organisatie met inkomende relaties de vragenlijst mogelijk niet hebben ingevuld, of kan er sprake zijn van verschillende percepties over wat als contact wordt gezien. Andere mogelijke verklaringen zijn verschillen in macht en hiërarchie tussen organisaties, waarbij de ene partij het contact als minder significant ervaart, of simpelweg menselijke fouten zoals miscommunicatie of vergeten interacties.

11 Aantal contacten In onderstaande tabellen is te zien welke organisaties d e meeste contacten, de meeste wederzijdse con- tacten en procentueel de meeste wederzijdse contacten hebben. OEC 't Ravelijn (speciaal (basis)onderwijs), GGD IJsselland, Gemeente Steenwijkerland, De Toegang Ge- meente Steenwijkerland en Sociaal Werk De Kop hebben absoluut gezien de meeste relaties (zie Tabel 2.1). Dit houdt in dat bijvoorbeeld 31 professionals van andere organisaties hebben aangegeven contact te heb- ben met OEC ’t Ravelijn. Tabel 2.1 Totaal aantal contacten (hoe vaak gekozen door een andere organisatie)

12 Gemeente Steenwijkerland, GGD IJsselland en Sociaal Werk De Kop hebben absoluut gezien de meeste wederzijdse contacten (zie Tabel 2.2). Tabel 2.2 Totaal aantal wederzijdse contacten Op vallend is dat geen van deze partijen procentueel de meeste wederzijdse contacten heeft (zie Tabel 2.3). In Tabel 2.3 is te zien dat het Samenwerkingsverband VO procentueel de meeste wederzijdse contacten heeft, namelijk 100%. Een kanttekening hierbij is dat deze resultaten mogelijk een vertekend beeld geven. Zoals eerder aangegeven in de voetnoot op pagina 10 kunnen professionals die contact hebben met een andere organisatie de vragenlijst niet hebben ingevuld, waardoor relaties onterecht als eenzijdig worden weergegeven. T abel 2.3 Percentage wederzijdse contacten 2. 2 Netwerkrelaties tussen sectoren Aanvullend is gevraagd met welke type professionals er contact is geweest. Er waren 25 opties, naast de categorie 'anders, namelijk'. Het aantal contacten varieerde van één tot 15 verschillende professionals, met een gemiddelde van ruim zes beroepsbeoefenaren. Het meest voorkomend was contact met vier of vijf professionals. Het contact met de intern begeleider van een basisschool was het meest frequent (62 keer genoemd), ge- volgd door de pedagogisch medewerker (53 keer), de directeur (51 keer) en een leerkracht van een basis- school (50 keer).

Collega’s uit het speciaal of voortgezet onderwijs werden veel minder vaak genoemd, net als professionals uit het zorgdomein. De top-3 van collega's uit het speciaal onderwijs bestond uit contacten met de logopedist (41 keer), de jeugdzorgmedewerker (38 keer) en de orthopedagoog (36 keer). Bijlage 2 bevat een overzicht van het aantal contacten per type professional.

13 In Figuur 2.2 zijn de organisaties op sector ingedeeld (scan de QR -code om in te zoomen) , waarbij blauw onderwijs weergeeft, groen kinderopvang, groen- blauw kindcentra, rood z org- en ondersteuning en geel overige organisaties, bijvoorbeeld de gemeente. De lijnen geven de contacten tussen de organisaties weer. Ook hier geldt dat zwarte lijnen eenzijdige contacten weergeven en blauwe lijnen wederzijdse contacten. In dit netwerk is de hoeveelheid interprofessionele contacten te zien. Tussen de verschillende sectoren lopen veel lijnen en samen vormen ze een dicht interprofessioneel netwerk. Figuur 2.2 Sociaal netwerk Samen voor Ryan, geordend op sector N oot. Blauw = onderwijs, groen = kinderopvang, groen-blauw = kindcentra, rood = zorg/onder- steuning, geel = overig. (Zie QR-code voor uitgebreide legenda)

2.3 Onderlinge verbondenheid In de vragenlijst is ook gevraagd in hoeverre professionals zich verbonden voelen met professionals van andere disciplines. Respondenten kregen verschillende stellingen voorgelegd waarop ze konden antwoor- den van helemaal eens (score 5) tot helemaal oneens (score 1). Op de vijfpuntschaal betekent een score van 3 een neutrale positie. Figuur 2.3 toont de gemiddelde scores op deze stellingen. Negatief geformuleerde stellingen zijn al herco- deerd, zodat een hogere score altijd een gunstig resultaat betekent. Figuur 2.3 Samenwerking met professionals van andere disciplines (N=111) Figuur 2.3 laat zien dat respondenten gemiddeld hoog scoren op de meeste aspecten. Bijna iedereen maakt gebruik van de specialistische kennis van anderen en is het eens met de stelling dat interprofessionele sa- menwerking belangrijk is voor hun werk met kinderen, gezinnen en vrijwilligers. Veel respondenten be- schouwen deze samenwerking als een onderdeel van hun takenpakket en voelen zich verantwoordelijk voor het ondersteunen van andere professionals. Ze erkennen ook dat deze samenwerking leidt tot resul- taten die ze alleen niet zouden kunnen bereiken, hoewel de score op de stelling over creatieve, onver- wachte uitkomsten iets lager is.

In de individuele interviews stelt een leerkracht in het po: “‘Door Samen voor Ryan is de groep professionals op wie een beroep gedaan kan worden groter geworden. Het is heel mooi als je met alle partijen om tafel zit. Ik vind het heel fijn om kennis van andere professionals mee te krijgen. Zo was ik laatst betrokken bij een casus met meer professionals, omdat er zorgen waren over de moeder van het kind. School was in eerste instantie niet betrokken, terwijl ze uiteindelijk wel een waardevolle bijdrage konden leveren. De moe-der wilde de zorg heel graag afschalen, maar dat zagen de instanties nog niet zitten. Nu konden wij laten zien dat deze moeder het eigenlijk heel goed deed". De meesten ervaren dat ze gelijkwaardig behandeld worden door andere professionals. Opvallend is dat respondenten aangeven dat zij zelf redelijk goed kunnen aangeven op welke terreinen hun professionele 14

15 rol zich onderscheidt van die van professionals uit andere disciplines (gemiddelde score van 4,4 op een vijfpuntsschaal). Tegelijkertijd blijkt dat zij het idee hebben dat andere professionals het verschil tussen hun eigen rol en die van de respondent minder goed begrijpen (gemiddelde score van 3,6). Doorverwijzin- gen van kinderen, ouders of vrijwilligers verlopen over het algemeen goed en problemen worden interpro- fessioneel opgelost met regelmatig overleg. Op de stelling dat interprofessionele consultatie vaak voorkomt, scoren respondenten gemiddeld neutraal. Dit is de laagste score van alle stellingen in Figuur 2.3, maar blijft nog steeds positief. Het aantal 'weet niet'- antwoorden is meestal klein; alleen op de vraag over correcte doorverwijzingen blijven 14 respondenten (13%) het antwoord schuldig. A ls geanalyseerd wordt of op één van deze samenwerkings -aspecten verschillen tussen subgroepen res- pondenten zijn, dan kan alleen een significant (boven toeval verheven) verschil aangetoond worden tussen Steenwijk versus omringende kernen. Het gaat hierbij om het door andere disciplines geraadpleegd worden en dat gebeurt bij Steenwijker professionals wezenlijk vaker dan bij hun collega's in het buitengebied. Voor het overige is er geen aantoonbaar verschil al naar gelang het gebied waar de respondent werkzaam is. 16 3.

Bevorderende en belemmerende factoren voor i nterprofessionele samenwerking in Steenwijkerland 3.1 Bevorderende factoren In de focusgroepsessies komen diverse bevorderende factoren naar voren voor interprofessionele samen- werking: • Elkaar kennen en korte lijntjes: Het persoonlijk kennen van elkaar en hebben van ‘korte lijntjes’ maakt de samenwerking makkelijker; • Open communicatie en respectvolle relaties: Eerlijk en open praten in vertrouwen over wat er s peelt; • Gemeenschappelijke doelen: Het hebben van gemeenschappelijke doelen en een visie op hoe je kijkt naar kinderen en hoe je samenwerkt; • Toegang tot informatie en middelen: Beschikken over genoeg informatie, geld en tijd om samen te werken; • F lexibiliteit en aanpassingsvermogen: Goed kunnen omgaan met veranderingen en nieuwe din- gen proberen; • Ondersteuning vanuit de werkgever: Hulp en steun krijgen van de leidinggevenden om samen te werken met andere disciplines; • Aanmoediging en betrokkenheid van de organisatie: De organisatie stimuleert en moedigt sa- menwerking aan; • Duidelijke rollen en taken: Weten wat iedereen moet doen en wie waarvoor verantwoordelijk is; • Training en ontwikkeling: Het bieden van trainingen ondersteuning om professionals te helpenef- fectief samen te werken met andere disciplines.

R esultaten uit vragenlijst professionals De bevorderende factoren genoemd in de focusgroepsessies hebben we aan de respondenten voorgelegd in de vragenlijst. De respondenten moesten steeds drie ‘meest bevorderende factoren’ kiezen uit de lijst of zelf iets invullen bij de optie ‘anders, namelijk’. De resultaten zijn te zien in Figuur 3.1. Figuur 3.1 Bevorderende factoren interprofessionele samenwerking (N=107)

17 Figuur 3.1 laat zien dat de grootste bevorderende factor voor interprofessioneel samenwerken het kennen van elkaar is (91%). Dit zorgt voor persoonlijke verbinding en maakt korte lijntjes mogelijk, wat de samen- werking vergemakkelijkt. Een andere belangrijke factor is open communicatie en respectvolle relaties, wat bijdraagt aan vertrouwen en eerlijkheid in gesprekken over casussen (63%). Iets meer dan de helft van de respondenten (51%) noemt gemeenschappelijke doelen en een gezamenlijke visie op de ontwikkeling van kinderen als succesfactor. Duidelijke rollen en taken, zodat iedereen weet wie wat moet doen, zijn ook belangrijk (29%). Voor ruim een op de vijf respondenten (22%) is training en onder- steuning cruciaal om effectief samen te werken, evenals voldoende informatie, tijd en geld (21%). F lexibiliteit om nieuwe dingen te proberen, ondersteuning van leidinggevenden en stimulans tot samen- werking vanuit de organisatie lijken minder belangrijk te zijn voor een positieve samenwerking met profes- sionals uit andere organisaties. Dit betekent echter niet dat deze respondenten deze factoren niet ook als belemmerend ervaren; de vraagstelling liet hen alleen toe om de drie belangrijkste factoren te benoemen.

3.2 Belemmerende factoren De volgende belemmerende factoren zijn op basis van de focusgroepsessies opgehaald: • Communicatie: Het is lastig om goed met elkaar te communiceren en informatie te delen met verschillende professionals en organisaties; • Gebrek aan vertrouwen: Mensen vertrouwen elkaar niet altijd, waardoor het lastig is om goed sa- men te werken; • Onduidelijke verantwoordelijkheden: Het is niet altijd duidelijk wie wat moet doen en wie waar- voor verantwoordelijk is als we samenwerken; • Geen gemeenschappelijke doel en: Gebrek aan gemeenschappelijke doelen of ideeën over ho e er het beste samengewerkt kan worden; • Niet genoeg middelen: Onvoldoende middelen om goed met elkaar samen te werken, zoals ge- deelde informatie, tijd of geld; • Onvoldoende training en ontwikkeling: Niet iedereen heeft voldoende training of ondersteuning gehad om goed samen te kunnen werken met andere disciplines ; • Belemmerende regels en wetten: Er zijn regels en wetten die het moeilijk maken om samen te werken of informatie te delen; • Verloop: Er is veel verloop, waardoor je steeds met een nieuw persoon te maken hebt en samen- werken lastig is. R esultaten uit vragenlijst professionals De belemmerende factoren die in de focusgroepen zijn genoemd, zijn ook voorgelegd aan de responden- ten in de vragenlijst.

Figuur 3.2 laat duidelijk zien welke belemmeringen er zijn in de interprofessionele sa- menwerking. 18 Figuur 3.2 Belemmerende factoren interprofessionele samenwerking (N=105) Veel van deze belemmeringen zijn het tegenovergestelde van wat in Figuur 3.1 als bevorderend werd ge- noemd. Zo geeft 55% van de respondenten aan dat onduidelijke verantwoordelijkheden een probleem zijn. Ook onvoldoende middelen (49%), moeizame communicatie (31%), het ontbreken van gemeen- schappelijke doelen (21%) en een gebrek aan training en ontwikkeling (16%) worden genoemd. Het is be- langrijk om op te merken dat de negatieve invloed van deze factoren niet altijd even groot is als de posi- tieve invloed wanneer deze aspecten goed zijn geregeld. In de individuele interviews wordt toegelicht: 'Als er zoveel instanties zijn, is het belangrijk dat iemand de leiding neemt. Eigenlijk zouden dat de ouders moeten zijn, maar als zij hier niet toe in staat zijn, is het be- langrijk dat een van de instanties de regie pakt.' Een geïnterviewde professional ziet een mogelijke oplos- sing in het direct aanwijzen van een professional die het overzicht bewaart zodra een kind in beeld komt en meerdere instanties betrokken raken. Een andere belangrijke belemmering is het hoge verloop van personeel (55%). Als je steeds met nieuwe mensen te maken hebt, wordt het moeilijker om elkaar te leren kennen en samen te werken.

In de indivi- duele interviews wordt dit beaamd: “Nieuwe collega’s moeten echt worden ‘opgevoed’ met het gedachte- goed van SvR. Dat lukt vaak niet door de waan van de dag. Je gaat een nieuwe collega eerst inwerken op het primaire proces en dan komt Samen voor Ryan. Vaak als ‘o ja, dat moet je ook nog weten.’ Het is fijn als collega’s op introcursus kunnen, zodat ze weten waar het over gaat, maar dat schiet er nog wel eens bij in." (medewerker jeugdgezondheidszorg.). Daarnaast ziet bijna de helft (45%) belemmeringen door regels en wetten die domein- overstijgend samen- werken moeilijk maken, zoals het delen van informatie. Enkele respondenten noemen ook uiteenlopende werkwijzen en jargon als factoren die de samenwerking kunnen bemoeilijken.

19 4. Samen voor Ryan: deelname aan en waardering van activiteiten (2023-2024) 4.1 Inventarisatie deelname activiteiten In de afgelopen jaren zijn door SvR diverse initiatieven opgezet om de kansrijke ontwikkeling van jongeren te ondersteunen. In Tabel 4.1 is per initiatief weergegeven hoeveel deelnemers elke activiteit heeft gehad en wat hun functie is. De activiteiten in het kader van Vaardigheden voor het leven werden door de meeste deelnemers bezocht, met in totaal 177 deelname-registraties. Dit aantal kan echter meerdere keren dezelfde mensen omvatten die aan verschillende activiteiten hebben deelgenomen. Onder de deelnemers waren leerkrachten het meest vertegenwoordigd, met 108 (61%) die aan deze activiteiten deelnamen. Pedagogisch medewerkers bezochten de activiteiten rondom de eerste 2000 dagen het vaakst, met 122 (71%) deelname- registraties. Tabel 4.1. Deelname activiteiten Samen voor Ryan schooljaar 2023-2024

20 Resultaten uit vragenlijst professionals Uit de vragenlijst blijkt dat 17% van de respondenten het afgelopen jaar niet deelnam aan activiteiten van SvR, zoals masterclasses, cursussen of het festival. De meest genoemde reden hiervoor was tijdgebrek (7 van de 17 respondenten). Slechts een paar professionals gaven aan dat hun werkgever het niet facili- teerde, dat de activiteiten niet relevant waren voor hun werk of dat ze niet op de hoogte waren van het aanbod. Acht personen kozen voor de optie 'Anders, namelijk...' en noemden redenen als het stellen van andere prioriteiten of persoonlijke omstandigheden. Degenen die wel deelnamen, deden dat meestal een of twee keer. Een op de negen respondenten nam deel aan minstens vijf activiteiten in één jaar. Tabel 4 .2 geeft een overzicht van deze cijfers. Tabel 4.2 Deelname aan activiteiten van Samen voor Ryan (N=102) De 85 respondenten die aangaven wel eens te hebben deelgenomen aan activiteiten van SvR kregen nog enkele vervolgvragen. E en van de vragen ging over of ze door hun werkgever verplicht waren om deel te nemen. Tabel 4.3 laat zien dat voor ongeveer drie op de vijf (58%) deelname volledig vrijwillig was. Bijna alle andere respondenten (39%) voelden zich in enige mate verplicht door hun werkgever.

21 Tabel 4.3 Deelname aan activiteiten van Samen voor Ryan wel/niet verplicht (N=84) Uit nadere analysen blijkt dat professionals werkzaam in Steenwijk wezenlijk vaker verplicht werden deel te nemen dan professionals die in de omliggende dorpen hun werkgebied hebben. 4.2 Waardering activiteiten Samen voor Ryan In de focusgroepsessies over SvR kwamen de activiteiten van het programma veel ter sprake. Deze activi- teiten zijn waardevol voor het opbouwen van een netwerk. Een deelnemer verwoordde het als volgt: “Het informele moment is echt heel waardevol. De kracht zit hem in het elkaar ontmoeten, zien en spreken. De mooiste plannen komen uit de kroeg en niet uit de vergaderzaal.” Tegelijkertijd werd benadrukt dat niet iedereen zo gemakkelijk op een onbekende professional afstapt: “Je moet wel op elkaar durven afstappen, dat vraagt ook sociale vaard igheden en intrinsieke motivatie.” Het persoonlijk leren kennen van elkaar is nodig om goed met elkaar samen te werken, wordt ook genoemd in de individuele interviews: “ Als ze een- maal weten wie ik ben en wat ik doe, weten ze me eerder te vinden. ” De deelnemers aan de focusgroepsessies waarderen ook de kwaliteit van de lezingen en workshops. Over de omvang van het aanbod zijn de focusgroepdeelnemers minder tevreden. “Ik vind Samen voor Ryan heel erg leuk, maar drie avonden voor één onderwerp is echt heel veel.

Ik zie bij mijn collega’s dat het met hangen en wurgen gaat. Dan heb je al van alles gedaan en dan moet je ook nog naar een bijeenkomst van Samen voor Ryan.” Vooral voor professionals die in hun vrije tijd naar dergelijke bijeenkomsten gaan, is dit veel: “Dus doorgaan met activiteiten, maar een, maximaal twee avonden. SvR is in eigen tijd, daarvoor krij- gen we niet betaald. Daarom zeggen mensen s neller: ja, ik heb ook nog een gezin thuis.” Een andere pro- fessional voegde toe: “Ik ontvang bijna wekelijks uitnodigingen van Samen voor Ryan, dat is wel veel.” Som- mige instellingen verdelen de activiteiten om het behapbaar te maken: “Iedereen wordt gekoppeld aan een werkgroep, maar daardoor weet ik niet wat er in de andere werkgroepen gebeurt.” Professionals adviseren om het aanbod te compacten of een selectie te maken, en dit op te nemen in de jaarplanningen: “Zorg ervoor dat dit heel erg op tijd gebeurt.” Tijdens de focusgroepsessies werd ook gesproken over de rol van kartrekkers of ‘verbinders’. Enerzijds wordt dit gezien als een noodzaak; je hebt enkele kartrekkers nodig in je organisatie om betrokken te blijven bij SvR. Tegelijkertijd is dit een uitdaging: “Ik heb een collega die heel actief is in SvR.

Zij heeft veel informa- tie, maar als zij afwezig is, gaat er veel kennis verloren.” In de individuele gesprekken wordt ook aangegeven dat niet alle professionals bekend zijn met SvR: “Iedereen die zich actief inzet voor het samenwerkingsver- band ziet echt de meerwaarde ervan. De rest van de professionals, die niet actief betrokken zijn bij Samen voor Ryan, is er niet echt mee bezig.”. Resultaten uit vragenlijst professionals Figuur 4.1 laat de gemiddelde scores zien op aspecten van de vraag hoe tevreden de respondenten zijn over verschillende aspecten van het aanbod binnen SvR . Hiervoor werd een vijfpuntsschaal gebruikt, variërend van 'heel erg ontevreden' (score 1) tot 'heel erg tevreden' (score 5).

22 Figuur 4.1 Tevredenheid met aspecten van aanbod van Samen voor Ryan (N=78-81) Uit Figuur 4.1 blijkt dat alle tien aspecten vrij positief beoordeeld worden, met gemiddelden rond de 4. Res- pondenten zijn vooral tevreden over de mogelijkheden om nieuwe contacten te leggen, gevolgd door de ondersteuning van werkgevers in tijd en geld voor deelname aan activiteiten. Ook de meerwaarde voor hen- zelf en voor de kinderen wordt hoog gewaardeerd, net als de vorm, inhoud, frequentie en tijdsbesteding van de bijeenkomsten. Als open antwoord op de vraag naar de tevredenheid met de activiteiten noemden respondenten vooral diverse lezingen (van Hanneke Poot en Anna Verwaal), bijeenkomsten over onderwerpen zoals interpro- fessioneel samenwerken, De Eerste 2000 Dagen, ouderbetrokkenheid en meertaligheid, de cursus ‘Waar- devolle relaties en basisvertrouwen’, en het Festival. Netwerkmogelijkheden en ontmoetingen spelen hierbij een grote rol. Respondenten geven aan dat deze activiteiten hen concrete handvatten bieden voor interprofessionele sa- menwerking, mogelijkheden bieden om te netwerken en helpen bij het leren kennen van de regionale soci- ale kaart. De spin -off, in contacten die uit deze activiteiten voortvloeien en weer nieuwe initiatieven ople- veren, wordt ook als waardevol gezien.

De informatieve waarde en de mogelijkheid om te oefenen met ca- suïstiek worden ook zeer gewaardeerd, evenals de verrijking van hun eigen werk die deze activiteiten bie- den. De laatste vraag betrof welk type activiteit de voorkeur van de respondent heeft. Tabel 4 .4 toont de details van de antwoorden op deze vraag. Tabel 4.4 Voorkeursactiviteit Samen voor Ryan (N=84) [meerdere antwoorden mogelijk] Uit Tabel 4.4 blijkt dat een bijeenkomst het type activiteit van SvR is dat de meeste voorkeur geniet, gevolgd door trainingen, masterclasses en cursussen. Hoewel intervisie en markten relatief minder vaak als voor- keursactiviteit werden genoemd, moet hierbij worden opgemerkt dat intervisie slechts aan een beperkt aantal respondenten is aangeboden. Het is daarom mogelijk dat intervisie, verhoudingsgewijs, favoriet is

23 bij degenen die eraan hebben deelgenomen. Degenen die de optie ‘Anders, namelijk…’ kozen, gaven meestal een toelichting op hun gemaakte keuze in plaats van een geheel nieuwe activiteit voor te stellen. Bij de waardering van de activiteiten van SvR is gekeken naar verschillende subgroepen. Ten aanzien van de vergelijking tussen zorgprofessionals en onderwijsprofessionals zijn er geen significante verschillen ge- vonden. Bij de vergelijking tussen professionals werkzaam in Steenwijk versus professionals werkzaam bui- ten Steenwijk werden een aantal (kleine) significante verschillen te vinden: professionals in Steenwijk vin- den SvR minder van meerwaarde voor henzelf (p=.0 41); ze zijn meer tevreden over de mogelijkheden om nieuwe contacten te leggen (p=.046) én te onderhouden (p=.010), en zijn meer tevreden over de facilitering (tijd/geld) door werkgever om deel te nemen aan activiteiten (p=.038). Aanbevelingen vanuit respondenten In de ruimte voor vragen of opmerkingen uiten respondenten overwegend dankbaarheid, positieve ver- wachtingen en aanmoedigingen om door te gaan op de ingeslagen weg. Soms wordt echter ook kritiek geuit, zoals dat het project SvR overlap vertoont met andere initiatieven. Dit wordt als inefficiënt gezien.

Respon- denten geven ook concrete suggesties, zoals het opzetten van een digitale sociale kaart of beter plannen van activiteiten om drukke periodes en dure avonduren te vermijden. Ook wordt voorgesteld om eerstelijns zorg meer te betrekken en een casemanager in te zetten bij complexe casussen met meerdere disciplines. Het belang van financiering voor overlegmomenten (declarabiliteit) wordt benadrukt. Tot slot pleit een res- pondent voor blijvende betrokkenheid van scholen of kindcentra nadat een casus is aangemeld door pro- fessionals aldaar. 24 5. Opbrengsten interprofessioneel samenwerken en SvR De deelnemers van de foc usgroepsessie benadrukten dat de samenwerking tussen professionals betrok- ken bij SvR op verschillende vlakken verbeterd is en dit zowel professionals als de doelgroep ten goede komt. Een belangrijk thema dat naar voren kwam, is de versterkte samenwerking en netwerken tussen verschil- lende professionals door de activiteiten van SvR. De informele ontmoetingen en netwerkmomenten blij- ken essentieel voor het bevorderen van de samenwerking en het opbouwen van sterke professionele rela- ties. Door regelmatig contact en persoonlijke interacties wordt het makkelijker om snel en effectief sa- men te werken. Daarnaast werd in de focusgroepsessie benadrukt dat de kennis en vaardigheden van professionals zijn verdiept door SvR.

Door trainingen en scholingen hebben zij meer kennis opgedaan, wat de kwaliteit van de zorg en begeleiding ten goede komt. Een voorbeeld hiervan is: "Ik denk echt wel dat we al best veel ver- dieping en verrijking hebben gegeven wat betreft kennis over het jonge kind, de baby's. Ook bij het onder- wijs. Twintig jaar geleden werden we gezien als ‘oppasjuffie’, maar nu denken ze van nee, die rekenprik- kels beginnen al bij de opvang met voorzetsels als voor, na, achter. Juist een taalrijke omgeving en een leuke spelomgeving zijn belangrijk. Het onderwijs kan wel degelijk een verschil merken als een kind drie dagen per week in de opvang is geweest of nog nooit ergens is geweest ." Een ander belangrijk aspect is de directe impact van SvR op kinderen en ouders. Door de verbeterde sa- menwerking kunnen problemen sneller en adequater worden aangepakt. Dit werd onderstreept door een focusgroepdeelnemer: "Voor het kind levert het op dat we snel kunnen handelen en de best mogelijke zorg kunnen leveren. Voor ouders/verzorgers: positieve hulp, handvatten, dat je iemand kunt vinden die je kunt gebruiken op verschillende momenten." Tegelijkertijd vraagt men zich hardop af of de juiste kinderen en gezinnen worden bereikt. Deelnemers uit de focusgroepen benadrukten de noodzaak om ook kwetsbare gezinnen beter te betrekken en te onder- steunen. Een aandachtspunt is de samenwerking met ouders.

Enerzijds is er behoefte om ouders meer te betrekken bij de activiteiten van SvR: "Ik mis de ouders echt. Zij zijn cruciaal om verandering te bewerk- stelligen." Anderzijds is er een uitdaging in het delen van kennis met ouders, zoals blijkt uit de opmerking: "Bij professionals merken we dat de kennis is verstevigd, maar bij ouders blijft de kennisoverdracht via nieuwsbrieven en ouderavonden nog te beperkt." Het verkenningsproject ‘samenwerken op locatie’ wordt als inspirerend voorbeeld genoemd om de sa- menwerking met ouders te bevorderen: "Het integreren van onderwijs en zorg op één locatie, zoals een basisschool, waar jeugdverpleegkundigen, schoolmaatschappel ijk werkers en jeugdconsulenten samen- werken om direct hulpvragen aan te pakken. Daar komen hulpvragen binnen en degene die er het meest van weet gaat daarmee aan de slag. Ook wie heeft op dat moment de beste band met ouders. Beetje los- gaan van hekjes en bekostiging en echt kijkt naar hoe kunnen we dit samen doen. " Resultaten uit vragenlijst professionals In de online vragenlijst is geïnventariseerd in hoeverre de genoemde aspecten in de focusgroepsessie vol- gens de respondenten het afgelopen jaar zijn verbeterd, verslechterd of hetzelfde zijn gebleven en of dat al dan niet aan het SvR project toegeschreven kan worden.

Figuur 5.1 laat zien hoe de respondenten hierover denken, waarbij het percentage ‘weet ik niet’ niet is meegenomen. 25 Figuur 5.1 Aspecten die al dan niet veranderd zijn t.g.v. Samen voor Ryan (N=37-81) Uit Figuur 5.1 blijkt dat de initiatieven van SvR over het algemeen als positief zijn ervaren door de respon- denten. Opmerkelijk is dat niemand heeft aangegeven dat er iets is afgenomen door SvR. Bijna de helft van de deelnemers (56%) geeft aan dat de samenwerking met andere disciplines is toegenomen door SvR. Bovendien is er een aanzienlijke vooruitgang geboekt—volgens respondenten toe te schrijven aan SvR— op het gebied van preventieve zorg (53%) en kansen voor talentontwikkeling buiten school (54%) . Ook de kennis en kunde binnen het eigen vakgebied is volgens de respondenten toegenomen door de initiatieven van SvR (60%), wat wijst op een positieve impact van de scholingsinitiatieven door SvR. Hoewel de sa- menwerking met ouders en de soepele overgang van opvang naar onderwijs minder sterke verbeteringen vertonen (met respectievelijk 10% en 20% die een toename door SvR rapporteren), blijft de algehele trend positief. De gelijk gebleven categorieën, zoals de toegankelijkheid van hulpverlening (65%) en de tempo besluitvorming over juiste ondersteuning (53%), suggereren dat er nog ruimte is voor verdere verbetering in op deze aspecten.

Wanneer we subgroepen met elkaar vergelijken (zoals zorgprofessionals met onderwijsprofessionals of professionals die werken in Steenwijk versus die in omliggende gebieden), blijkt dat er nauwelijks ver- schillen zijn tussen deze subgroepen. Het enige significante verschil dat gevonden is, is dat zorgmedewer- kers vaker invloed van SvR ervaren op de snelheid van besluitvorming dan professionals in het onderwijs. Deze bevinding moet wel met enige voorzichtigheid beschouwd worden, aangezien het aantal responden- ten per antwoordcategorie net niet voldoende was. 0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 Kennis en kunde binnen eigen vakgebied Kansen voor talent-ontwikkeling buiten school Preventieve zorg Samenwerken met ouders Soepele overgang van basis- naar voortgezet onderwijs Soepele overgang van opvang naar onderwijs Tempo besluitvorming over juiste ondersteuning Toegankelijkheid van hulpverlening Samenwerking met andere disciplines Aspecten die al dan niet veranderd zijn tgv Samen voor Ryan Afgenomen door SvR Afgenomen, maar niet door SvR Gelijk gebleven Toegenomen, maar niet door SvR Toegenomen door SvR 26 In gesprek met de Jongeren Actie Raad over hun ervaringen met samenwerking tussen pro- fessionals Ik ga in gesprek met Maud (17 jaar), Chelsea (17 jaar), Thom (22) en Aimee (21) – zij vormen geza- menlijk de Jongeren Actie Raad (JAR) van Steenwijk.

De actieve groep jongeren komt wekelijks bij elkaar en zet zich in voor de belangen van jongeren in de regio. Ze organiseren diverse activi- teiten en werken samen aan het creëren van een omgeving waarin jongeren zich gehoord voelen en daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen. Met hen ga ik in gesprek over hun ervaringen met interprofessionele samenwerking tussen professionals in de gemeente Steenwijkerland. Samenwerking tussen professionals: nog veel te winnen We beginnen met het opschrijven van de professionals die ze kennen die een rol spelen rondom kinderen en jongeren. De leden van de JAR hebben in hun persoonlijke leven al met verschil- lende professionals te maken gehad en al snel verschijnt er een lijst van wel van twintig verschil- lende professionals van de verloskundige tot pedagogisch medewerker, psychiater tot jongeren- werker. Op de vraag in hoeverre zij denken dat deze professionals samenwerken is de eerste reactie: “teleurstellend weinig”. Toch benoemen de jongeren ook een aantal professionals die volgens hen lijntjes met elkaar hebben; “jongerenwerk, sociaal werk, jeugdagent, wijkagent, jeugdcon- sulent en ambulante zorgverleners” werken vaak samen. “De jeugdagenten delen wat ze mer- ken van de jongeren op straat met de jongerenwerkers.

Het jongerenwerk kan het weer bespre- ken met de anderen: hulpverleners, zorgverleners.” Dit laat zien dat er wel degelijk lijntjes zijn, maar er zijn ook obstakels. Thom wijst op de onbekendheid met de organisatie Sociaal Werk: “Een redelijke groep van de professionals die we nu hebben opgeschreven, kun je allemaal te- genkomen bij Sociaal Werk, maar het is best moeilijk om bij Sociaal Werk te komen.” Voor jon- geren is deze organisatie vaak onbekend, wat het gevoel van hulpeloosheid kan versterken. “Ik had niet het gevoel dat die organisatie kon helpen,” voegt een ander JAR-lid toe. Deze onbekendheid met professionals komt regelmatig terug in ons gesprek: het is voor jonge- ren vaak onduidelijk wat ze precies kunnen verwachten van hulpverleners. Dit geldt niet alleen voor jongeren, maar ook voor professionals die veel met jongeren werken zoals docenten of trai- ners bij sportverenigingen. Dit gebrek aan kennis leidt vaak tot gemiste kansen voor de onder- steuning van jongeren. Een school kan bijvoorbeeld vaak niet de juiste hulp inschakelen omdat docenten niet goed weten wat sociaal werk precies inhoudt. De ideale (interprofessionele) samenwerking volgens jongeren In de meest ideale situatie zien jongeren een samenwerking voor zich waarin ze toegang hebben tot een benaderbaar en centraal punt binnen de school.

Dit punt moet eenvoudig bereikbaar zijn, waar ze snel en effectief in contact kunnen komen met de juiste personen. Volgens de jon- geren is het essentieel dat niet alleen zij, maar ook hun docenten en coaches, goed geïnfor- meerd zijn over waar ze terecht kunnen voor hulp. "Een heel benaderbaar centraal punt," zegt een JAR-lid, "waar je contact met iemand op kan nemen, die je dan doorverwijst en de juiste in- formatie heeft." Het ontbreekt nu vaak aan duidelijkheid en toegankelijkheid, wat leidt tot ver- warring en een gevoel van verlorenheid in het systeem. "Ik zou niet weten met wie ik contact moet opnemen," zegt een ander. "Geen idee." 27 Jongeren benadrukken het belang van meerdere professionals binnen de school. Naast leraren en mentoren willen ze ook toegang hebben tot externe specialisten zoals jeugdpsychologen, maatschappelijk werkers of jongerenwerkers. "De kans is groot dat je je docenten niet altijd prettig vindt," merkt een van de jongeren op. "En je krijgt een mentor toegeschreven en daar doe je het maar mee, of je die nou mag of niet." Het idee is dat deze diversiteit hen meer opties biedt om naar iemand toe te stappen met wie ze een klik voelen en vertrouwen hebben. Dit verlaagt de drempel om hulp te zoeken en voorkomt dat ze afhankelijk worden van een docent of mentor die ze misschien minder prettig vinden.

Privacy is een ander belangrijk aspect voor de jongeren. In de ideale situatie zouden zij de regie hebben over welke informatie gedeeld wordt en met wie. Jongeren willen zelf bepalen of en wan- neer hun problemen bekend worden bij anderen, en ze vinden dat scholen dit beter moeten res- pecteren. "Er ging een mailtje rond en binnen een dag wisten alle docenten dat mijn moeder ziek was, terwijl ik dat niet wilde," deelt een van de jongeren. Ze benadrukken dat er zorgvuldiger moet worden omgegaan met persoonlijke informatie. Ook in crisissituaties moet er een duidelijk plan van aanpak zijn. Een deelnemer vertelt: "Er zou een procedure moeten zijn. De docenten zouden gewoon een lijst met goede contactpersonen moeten hebben die je gelijk inzet in dit soort situaties." Deze structuur geeft de jongeren het ge- voel dat ze in veilige handen zijn en dat er direct actie ondernomen kan worden als dat nodig is. Luisteren naar jongeren: hun stem doet ertoe De meest belangrijke boodschap die uit het gesprek met de JAR naar voren komt, is het belang van écht luisteren. Jongeren geven aan dat ze vaak het gevoel hebben dat hun stem niet gehoord wordt, terwijl zij zelf vaak het beste weten wat ze nodig hebben. Dit gebrek aan gehoor leidt tot frustratie en het gevoel niet serieus genomen te worden door de professionals die hen zouden moeten ondersteunen.

Alle leden van de JAR kunnen wel een situatie opnoemen waarin er niet (genoeg) naar hen werd geluisterd, of het nu gaat om de huisarts, jeugdhulp, docenten op school of een psycholoog. Zo- als een jongere aangeeft: "Het voelt vaak alsof iedereen voor mij probeert te beslissen, zonder dat ze echt vragen wat ík wil. Maar ik weet het zelf toch wel het beste?" Toch betekent dit niet dat jongeren volledig zelf willen bepalen wat ze nodig hebben. Ze erken- nen dat zij niet alle mogelijkheden kennen en dat begeleiding daarin essentieel is. "Ik kan niet altijd alles zelf kiezen, want ik weet ook niet precies wat er allemaal mogelijk is," zegt een van de jongeren. Er is dus wel behoefte is aan richting en advies van professionals, maar binnen een kader waarin de stem van de jongere centraal blijft staan. De balans ligt in het samen zoeken naar oplossingen: jongeren willen gehoord worden in hun be- hoeften, maar vragen daarnaast om inzicht en begeleiding vanuit de kennis en ervaring van de volwassenen om hen heen. Zoals een jongere het treffend verwoordt: "Ik wil zelf inspraak heb- ben, maar ik heb ook iemand nodig die me helpt de juiste richting te vinden." Tekst: Trynke Keuning 28 6.

Conclusies, discussie en aanbevelingen In de afgelopen jaren is er met SvR op verschillende manieren ingezet op het samen creëren van een om- geving waarin elk kind kansen krijgt, passend bij zijn eigen tempo en persoon. Met dit onderzoek waarin we professionals uit verschillende organisaties en lagen van de organisatie hebben bevraagd door middel van groepsinterviews, vragenlijsten en individuele interviews, maken we de balans op: hoe ziet dit ‘samen’ eruit in Steenwijkerland, wat levert het op, wat zijn belemmerende en bevorderende factoren en wat is de invloed geweest van de activiteiten die door SvR zijn geïnitieerd? Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat inter- professioneel samenwerken geen doel op zich is, maar een middel om vanuit verschillende perspectieven en expertises gezamenlijk te werken aan de kansrijke ontwikkeling van kinderen en jongeren. 6.1 Conclusie De eerste onderzoeksvraag was: “In hoeverre is er contact tussen de verschillende organisaties binnen SvR?” Uit de sociale netwerk vragenlijst blijkt dat er binnen SvR een actief netwerk bestaat tussen betrok- ken organisaties. Respondenten geven aan regelmatig contact te hebben met een breed scala aan organi- saties, waarbij de Gemeente Steenwijkerland, GGD IJsselland en Sociaal Werk De Kop vaak worden ge- noemd als belangrijke partners.

Gemiddeld onderhou den de respondenten contacten met meer dan zes verschillende organisaties, variërend van lokale scholen tot zorginstellingen en gemeentelijke diensten. De tweede onderzoeksvraag betrof de onderlinge verbondenheid van professionals betrokken bij SvR. Uit de resultaten blijkt dat professionals over het algemeen een sterke mate van verbondenheid ervaren met collega's uit andere disciplines. De meerderheid van de respondenten maakt regelmatig gebruik van de specialistische kennis van andere professionals en beschouwt deze samenwerking als essentieel voor hun werk met kinderen, gezinnen en vrijwilligers. Ze voelen zich verantwoordelijk voor het ondersteunen van andere professionals en erkennen dat gezamenlijke inspanningen leiden tot resultaten die individu eel niet bereikt zouden kunnen worden. Een opvallend positieve bevinding is de ervaren gelijkwaardigheid in de samenwerking, terwijl ander onderzoek (bijv. Verhijen-Tiemstra et al., 2023) vaak ongelijkwaardigheid tussen verschillende opleidingsniveaus, zoals mbo en hbo, als een belemmering voor samenwerking aan- wijst. In dit onderzoek is deze ongelijkwaardigheid niet naar voren gekomen als belemmerend, mogelijk doordat een groot deel van de respondenten een hbo -opleiding of hoger heeft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/eb6d5bff-1fa9-4ba0-a00f-3b381d6d45cd?agendaItemId=2858db77-f57e-4b76-ae14-88a7f6aa8b64