CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 15 december 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke zonnepark Willemsoord71.818 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 8 van 9

Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Als gevolg van voorgenomen ontwikkeling hoeven geen bomen te worden gekapt. Van een melding aan bevoegd gezag is dan ook geen sprake. 3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.

Gevolgen plangebied Het plangebied ligt niet in NNN begrensd gebied. Van negatieve effecten op NNN begrensd gebied is dan ook geen sprake. Een nadere toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de wezenlijke waarden en kernmerken van het NNN wordt niet noodzakelijk geacht. Figuur 4. Ligging aangewezen NNN-gebied ten opzichte van het plangebied (Bron: Atlas van Overijssel, 2018).

4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek. 4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie. Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. 4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Ninja Blok uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 20 juni 2018 bij 23ºC, half bewolkt en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd.

Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: - op HBO - dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of - op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied;

en/of - zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming. 5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 5.1 Planten e n mossen Voorkomen en functie Het grondgebruik in het plangebied kan geschetst worden als zeer intensief. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat op de percelen, geen ruimte is voor eenjarige of andere kruidachtige planten. Langs de randen van akkers staat kamgras, kropaar, ruw beemdgras en rolklaver. Beschermde flora kan op basis van de bestaande standplaatsfactoren worden uitgesloten in het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien het landgebruik lag dit ook niet in de verwachting. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in natuurgebieden. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plant- en mossoorten aangetroffen. Deze zijn op basis van de aangetroffen standplaatscondities en bekende verspreiding ook niet te verwachten in het plangebied.

Negatieve effecten op beschermde flora worden niet verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk. 5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen : gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en laatvlieger. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: - kraamverblijfplaats; - zomerverblijfplaats; - p aar- en/of baltsverblijfplaats; - winterverblijfplaats. In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig die potentieel geschikt zijn als verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze zijn wel aanwezig aan de rand van het plangebied. In de vele aanwezige zomer- en Amerikaanse eiken, zijn boomholtes en spleten aangetroffen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor de ruige dwergvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en de rosse vleermuis.

Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is in de huidige staat naar verwachting marginaal geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Vanwege het zeer intensieve grondgebruik is er in de huidige situatie weinig geschikt leefgebied voor insecten welke de prooidieren voor vleermuizen vormen. Het agrarisch erf te midden van het plangebied heeft wel een insect aantrekkende werking waar gefoerageerd kan worden. Rondom het terrein zijn veelal huis- en boerenzwaluw aanwezig die de aanwezigheid van insecten indiceert. Dit valt echter buiten de contouren van het plangebied. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals de eikenlaan en de bosrand , welke binnen het plangebied als vliegroute kan dienen. De bomenrij achter het agrarisch erf wordt halverwege onderbroken, waardoor hij niet als vliegroute kan worden gebruikt. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering.

Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebb en aan een opening van 1 -2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn . Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dien en te allen tijde gegarandeerd te blijven. Met betrekking tot de verblijfplaatsen en de vliegroutes van de vleermuizen zal de herinrichting, geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig.

Randvoorwaarden om het gebied tijdens en na de inrichting beter te laten functioneren als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen zijn: - Handhaven van bomen; - Aanplant van enkele eiken om bomenrij achter het agrarisch erf in volledige lijn te krijgen. Hierdoor ontstaat een vliegroute van het erf naar de omliggende bosranden; - Werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november); - Geen (extra) verlichting aanbrengen; - Aanbrengen van bloemrijk grassenmengsel om insectrekkende werking te vergroten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. 5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, vos, haas, konijn, mol, kleine marters, egel en diverse algemene muizen. Deze soorten gebruiken het plangebied als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast zullen een aantal het plangebied gebruiken als migratieroute. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime ‘andere soorten’.

In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Mogelijk maakt het plangebied eveneens deel uit van het leefgebied van de nationaal beschermde steenmarter en de das. Van deze soorten zijn diverse waarnemingen bekend in de directe omgeving. Het plangebied is geschikt als biotoop voor de steenmarter en de das, omdat er ruim aanbod aanwezig is van voedsel op de akkers. De steenmarter eet vooral kleine zoogdieren en insecten. Deze zijn aanwezig in het plangebied. De das is een alleseter, maar voedt zich voornamelijk met regenwormen. Mais en koren eet hij ook graag. Het plangebied is voor de das een onderdeel van zijn leefgebied, maar zeker geen essentieel leefgebied in verband met vooral de aanwezigheid van aardappelakkers. Voor overige beschermde soorten ontbreekt geschikt biotoop in het plangebied. Effecten en ontheffing Verwacht wordt dat de ingreep een positief effect heeft op het leefgebied van grondgebonden zoogdieren. Met de functieverandering zal de structuurvariatie en de voedselmogelijkheden voor kleine knaagdieren, insecteneters, das en marters toenemen. Met de toename van insecten en kleine zoogdieren neemt het voedselaanbod toe voor de steenmarter.

Voor de das neemt de beschutting toe en het voedselaanbod in de vorm van insecten, kleine knaagdieren en regenwormen door Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk. 5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de W et natuurbescherming. Onderscheid ka n gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten . Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het plangebied; ekster, houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, winterkoning, boerenzwaluw, huiszwaluw, grote bonte specht. Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden op basis van de aanwezige terreintypen ook niet verwacht .

Mogelijk dat enkele soorten jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals huismus en buizerd. De huismus heeft verblijfplaatsen op het agrarisch erf. Hij zal het plangebied gebruiken om zaden en insecten te verzamelen. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast.

Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Nesten van huismus en buizerd worden niet vernietigd. Voor roofvogels wordt het plangebied na realisatie van het zonnepark kwalitatief beter doordat het voedselaanbod toeneemt. Door het realiseren van een kruidenrijk grasland onder en rondom de panelen, zijn meer schuilmogelijkheden voor kleine zoogdieren. Hierdoor hebben roofvogels ook meer voedsel tot hun beschikking. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. 5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing Beschermde reptielen worden niet verwacht in het plangebied. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime andere soorten. In de provincie Overijssel is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Andere beschermde amfibieën worden niet verwacht in het plangebied vanwege het aanwezige ongeschikte habitat voor deze soorten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied. Effecten en ontheffing De voorgenomen ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een verbetering voor zowel het land- als voortplantingsbiotoop voor algemene soorten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. 5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk. 5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel, nauwe korfslak en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. Alleen algemene soorten worden verwacht zoals de keizerlibel, klein witje en citroentje. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk. 6 6 CONCLUSIE Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken. 6.1 Conclusie bescherming soorten Het plangebied biedt een potentieel habitat voor een aantal beschermde soorten.

Hoewel er geen gerichte en uitgebreide veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en eenmalig veldbezoek vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele soorten zonder deze vrijstelling. Het plangebied is (onderdeel) van het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, steenmarter, das, vleermuizen en broedvogels. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel en is ook na de ontwikkeling nog steeds voorhanden als leefgebied. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn echter niet te verwachten door het ongeschikte aanwezige biotoop, zoals voor boommarter en waterspitsmuis. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet aanwezig. Dit is echter niet van toepassing op broedvogels . Voor deze soorten geldt het onderstaande.  Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

6.2 Conclusie bescherming gebieden In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 6.3 Conclusie bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk. 6.4 Conclusie Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN en vanuit de Wet natuurbescherming, onderdelen houtopstanden, gebiedenbescherming en soortenbescherming is het plan uitvoerbaar. In het plangebied zijn geen beschermde natuurwaarden aangetroffen.

Verwacht wordt dat de met voorgenomen ontwikkeling juist geschikter biotoop ontstaat voor grondgebonden zoogdieren, landbiotoop voor amfibieën en foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar. 6.6 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegd e gezagen hanter en de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Voor onderzoeken waar alleen algemeen voorkomende soorten, de overige beschermde soorten van de W et natuurbescherming aan de orde zijn, mag worden volstaan met een geldigheid van 5 jaar. Waarbij ook geldt dat er in die periode weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen optreden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. LITERATUURLIJST - Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, C. van, & Wynhoff, I. (2006).

De dagvlinders van Nederland, - Nederlandse fauna 7. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland. - Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12 . Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. - Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. - Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. - Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag - Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. - Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. - Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. (2002). De Nederlandse libellen (odonata), - Nederlandse fauna 4. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. - SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002).

Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. - TB Noord Advies BV, 31 mei 2018 . Verkennend locatieonderzoek ten behoeve van een zonnepark in Willemsoord, gemeente Steenwijkerland. - Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen. - Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN. Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.sovon.nl - www.nederlandsesoorten.nl - www.eurobats.org - http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1, bezocht op 28 juni 2018 BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1. 3. Beschermingsregime andere soorten Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1 ). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en):  Een vrijstelling geldt;  Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing);  Een ontheffing is verkregen.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern Figuur 1 . Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016). Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld.

Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort ( artikel 3.1, lid 4 en lid 5 ). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat

van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen.

In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregim e. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10).

Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepaling en van de Habitatrichtlijn. Niet -opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”. 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel.

Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling. Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Kader - Staat van instandhouding  Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.  Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.  Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”. Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora en fauna;  voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;  om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;  in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;  voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of  om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;  in het algemeen belang van de betreffende soort.

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes. omgevingsvergunning zonnepark Willemsoord Bijlage 11 oplegnotitie ecologisch onderzoek 188 bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing (vastgest eld) Aanvulling natuurtoets Zonnepark Willemsoort projectnummer: 245.47.50.00.00.00 Onderwerp: Aanvulling natuurtoets Zonnepark Willemsoord Datum: 05-03-2020 Inleiding De initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied een zonnepark te realiseren, gelegen ten oo s- ten van het dorp Willemsoord in de gemeente Steenwijkerland.

Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 20 ha. In verband met deze voorgenomen ontwikkeli ng is in januari 2018 een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid uitgevoerd door Eelerwoude. De gemeente Steenwijkerland heeft naar aanleiding van de ingediende omgevingsvergunning d.d. 16 januari 2020 aanvullende vragen gestel d. Zij merkten op dat de toets niet ingaat op de gronden waar landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Daarnaast staat in paragraaf 5.2.1 van de natuurtoets onder ‘Effecten en ontheffing’ het ‘Handhaven van bomen’ als randvoorwaarde benoemd. Echter was het onduidelijk of er ten behoeve van het zonnepark bomen worden gekapt. Als er bomen gekapt worden dienen de effecten nader te worden toegelicht en verantwoord. Daarnaast heeft de provincie Overijssel eind 2019 de beleidsregels Natuur gewijzigd. Hierin is de provin- ciale vrijstellingslijst voor beschermde soorten aangepast. Egel, hermelijn, bunzing en wezel zijn van deze lijst afgehaald. Ook heeft de provincie Overijssel een aangepaste lijst m et jaarrond beschermde vogel- soorten vastgesteld. Het voornemen dient daarom alsnog te worden getoetst aan deze aanpassingen. In onderliggende notitie worden bovengenoemde opmerkingen behandeld. Landschappelijke inpassing De zonnepanelen worden landschappelijk ingepast en de verschillende landschapselement en worden versterkt.

Hiertoe worden aan de noordzijde enkele akkerpercelen omgevormd naar bloemrijk grasland, waarbij de omringende singels en de omringende bosschages behouden blijven. Deze akkerpercelen zijn vermoedelijk niet bezocht door de ecoloog van Eelerwoude, maar zijn vergelijkbaar met de lan dbouw- gronden van de percelen waarop de zonnepanelen zijn voorzien. De bosschage wordt door Eelerwoude wel genoemd in de beschrijving van de huidige situatie, als ‘eikenbosje’. Gezien de vergelijkbare situatie datum 05-03-2020 projectnummer 245.47.50.00.00.00 2 kunnen de landbouwgronden rondom dit eikenbosje vergeleken worden met de beschrijving van de percelen waarop de zonnepanelen gepland zijn. De plannen, het omvormen van de landbouwpercelen tot bloemrijk grasland hebben geen negatieve effecten op beschermde soorten. Dit geldt ook voor het herstellen van bomenrijen. Bomenkap De natuurtoets ging uit van het handhaven van de bomen. Dit is nog steeds zo , er worden geen bomen gekapt. De natuurtoets beschrijft diverse voor vleermuisverblijfplaatsen geschikte bomen aan de rand van het plangebied. Omdat er geen bomen gekapt gaan worden is n ader onderzoek naar vleer muizen niet nodig. Soorten in het kader van beleidsregel Natuur Overijssel 2019 Egel en kleine marterachtigen De natuurtoets beschrijft dat egel en kleine marterachtigen te zijn verwachten in het plangebied.

Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef - en foerageergebied. Daa rnaast kunnen exemplaren van deze soorten het plangebied gebruiken als route tussen verblijfplaatsen en foe- rageer gebied. In de bosschages en op het erf kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen of egel aanwezig zijn. Deze blijven behouden. De akkers zijn hooguit onderdeel van het foerageerg ebied. Door landschappelijke inpassing van het zonnepark, met bloemrijk gras land of kruidenrijk grasland zal naar alle waarschijnlijkheid het foerageerbied kwalitatief hoger worden. De conclusie die Eelerwoude in paragraaf 5.2.2 stelt; ‘Verwacht wordt dat de ingreep een positief effect heeft op het leefgebied van grondgebonden zoogdieren. Met de functieverandering zal de structuurvariatie en de voedselmogelijkheden voor kleine knaagdieren, insecte n- eters, das en marters toenemen. Met de toename van insecten en kleine zoogdieren neemt het voedselaanbod toe voor de steenmarter. Voor de das neemt de beschutting toe en het voedselaanbod in de vorm van insecten, kleine knaagdieren en regenwormen door [sic]’ geldt dan ook nog steeds, ook nu egel en kleine marterachtigen nie t meer vrijgesteld zijn in Overijssel. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor deze soorten is dan ook niet nodig.

Jaarrond beschermde vogelsoorten De natuurtoets benoemt in paragraaf 5.3 diverse vogelsoorten, die gebruik kunnen maken van het plan- gebied. Dit zijn: ekster, houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, winterkoning, boerenzwaluw, huiszwaluw, grote bonte specht. Daarnaast zijn nestplaatsen van de huismus te verwachten op het erf. datum 05-03-2020 projectnummer 245.47.50.00.00.00 3 Aan de randen van de percelen staan bomen rijen met oude eiken, ook langs oprijlaan van de boerderij staan diverse eiken. In deze bomen kunnen nesten van grote bonte specht voorkomen. Huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw en grote bonte specht zijn soorten die door de provincie Overijs sel sinds eind 2019 gecategoriseerd worden als respectievelijk categorie 2, 3, 2 en 5 jaarrond beschermde soorten1 . Hiervan zijn de huismus ,boerenzwaluw en huiszwaluw voor hun nesten gebonden aan het agrarisch erf, wat behouden blijft. De grote bonte specht is een categorie 5 soort, die voldoende flexibel is om als een broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Ook bij het kappen van enkele bomen, wat op basis van de plannen niet gebeurt, blijft de broedgelegenheid voor grote bonte specht gewaarbor gd, mede gelet op de ruime beschikbaarheid van bomen in de directe omgeving .

Nader onderzoek naar of het aanvragen van een ontheffing van de Wnb voor vogels met jaarrond beschermde nesten is dan ook niet nodig. C o n c l u s i e Het in de toetsing meenemen van d e wijzigingen in het beleid van de provincie Overijssel en de land- schappelijke inpassing leiden niet tot wijzigingen ten opzichte van de conclusies van Eelerwoude (para- graaf 6.1). Nader onderzoek naar beschermde soorten of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. 1 Cat. 1: Nesten die gedurende het broedseizoen in gebruik zijn als nest en buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats Cat. 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en lim i- tatief beschikbaar Cat. 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar Cat. 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen Cat.

5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben g ebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen omgevingsvergunning zonnepark Willemsoord Bijlage 12 onderzoek stikstofdepositie 192 bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing (vastgest eld) Berekening stikstofdepositie Zonnepark Willemsoord te Willemsoo rd D E F I N I T I E F Berekening stikstofdepositie Zonnepark Willemsoord te Willemsoord D E F I N I T I E F Inhoud Toelichting + bijlagen 9 december 2020 Projectnummer 245.47.50.00.00 9 december 2020 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Wettelijk kader 4 3 Ligging projectgebied 5 4 Invoergegevens AERIUS 6 4.1 Emissie aanleg zonnepark (berekening 1) 6 4.1.1 Emissie mobiele werktuigen (bron 1) 6 4.1.2 Emissie verkeer (bron 2) 7 4.2 Emissie verwijderen zonnepark (berekening 2) 8 4.2.1 Emissie mobiele werktuigen (bron 1) 8 4.2.2 Emissie verkeer 8 4.3 Totale emissie 8 5 Model 9 6 Rekenresultaten en conclusie 10 9 december 2020 3 1 Inleiding In het kader van de ontwikkeling van een zonnepark rondom de Helenahoeve is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het verwijderen van het zonneveld in Willemsoord in de gemeen- te Steenwijkerland berekend. Het project maakt de bouw van een zonneakker van ca.

12 hecta re mogelijk op een locatie van 19 hectare in het landelijk gebied. Naast deze 12 hectare wordt tevens een fietspad van circa 3.000 m 2 en circa 4 hectare aan struweel en overig groen aangelegd. De omvang van het project is op de o n- derstaande afbeelding weer gegeven. De depositie van stikstof in Natura 2000 -gebieden ten gevolge van de emissie van NO x en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de loc a- tie is berekend met het programmapakket AERIUS (9 december 2020). Deze notitie vormt een toelich- ting op de berekeningen. Afbeelding 1 – Omvang projectgebied (bron: Google Earth Pro d.d. 09-12-2020) Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming bij vergunningaanvragen of best emmingsplanprocedures. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000 -gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken. 9 december 2020 4 2 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000 -gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000 -gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming.

Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergu n- ningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000 -gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoe- lige habitats of leefgebieden van soorten voor . Dit betekent dat een ver dere toename van stikstofde- positie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000 -gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is , maar ook voor een bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan is het namelijk noodzakelijk om de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand aan te tonen. Hiernaast geldt op grond van artikel 2.7 Wnb in samenha ng met artikel 2.8 Wnb een onderzoeksplicht voor bestemmingsplannen. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor het bestemmingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden vastgesteld.

Saldering Om een ruimtelijke ontwikkeling of bestemmingsplan waarbij sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van intern - of extern salderen. Door middel van salderen zorgt de initiatiefnemer er voor dat de netto stikstofe- missie niet toe neemt. Dit kan door middel van het staken van stikstof emitterende activiteiten op de locatie zelf (intern salderen) of het staken van stikstof emitterende activiteiten op een locatie buiten het plangebied van de ruimtelijke ontwikkeling of het bestemmingsplan (extern salderen). Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één locatie. Intern salde ren kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen gaat het om verschillende pr o- jecten of plannen. Extern salderen wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatr e- gel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling. Stikstofregistratiesysteem Naast saldering bestaat er de mogelijkheid om voor woningbouwprojecten waarbij er sprake is van meer stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied mogelijk te maken via het stikstof- registratiesysteem.

In dit stikstofregistratiesysteem wordt alle stikstofruimte van stikstof reducerende maatregelen, waaronder de verlaging van de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 100 km/uur, opgeslagen. De door deze maatregel en beschikbaar gekomen ruimte kan voor maximaal 70 % wo r- den besteed aan economische ontwikkelingen. 9 december 2020 5 3 Ligging projectgebied Zoals in de inleiding is aangegeven is het projectgebied gelegen rondom de Helenahoeve te Willems- oord. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden weergegeven. Afbeelding 2 – Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn: - Weerribben, gelegen op een afstand van circa 5 km; - De Wieden, gelegen op een afstand van circa 7 km; - Drents-Friese Wold & Leggelderveld, gelegen op een afstand van circa 9 km; - Rottige Meenthe & Brandemeer, gelegen op een afstand van circa 9 km.

9 december 2020 6 4 Invoergegevens AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie -kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NO x en NH3 worden bepaald. Naast de bronnen van de gebouwen en mobiele werk tuigen dienen ook de verkeersbewegingen op en van en naar het terrein in de berekeningen meegenomen te worden. Conform de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie b e- schouwd te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. In de berekeningen is de kruising Koningin Wilhelmin a- laan / Steenwijkerweg aangehouden als moment dat het verkeer is opgenomen in het heersende beeld. De volgende invoergegevens zijn in Aerius gebruikt. Daarbij is ondersche id gemaakt tussen emissie ten gevolge van de verkeergeneratie van het plan en de functies in het plan zelf. 4.1 Emissie aanleg zonnepark (berekening 1) Aan de hand van een literatuurstudie zijn de volgende machines en gebruiksduur aangehouden voor het realiseren van een zon nepark. Voor het realiseren van een zonnepark zijn een bulldozer, een hijskraan, een vorkheftruck en een ramming machine noodzakelijk.

Aangezien de verhouding tussen een ramming machine en een bulldozer niet duidelijk is, en een bulldozer meer NOx emitteert dan een ramming machine, is in de berekening alleen uitgegaan van een bulldozer. Op deze manier is de berekening worst-case. Hiernaast is het aantal uren een ruime inschatting, omdat aannemelijk is dat de machines tijdens de werktijd niet continu in bedrijf zijn. In de navolgende tabel zijn de invoergege- vens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. De totale emissie voor het realiseren van het zonnepark met fietspad en de aanleg van struweel met overig groen bedraagt ongeveer 152,41 kg NOx. 4.1.1 Emissie mobiele werktuigen (bron 1) Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie Aantal Werktuig kW Belasting1 Emissie factor Eenheid Draai- uren Stage klasse Emissie NOx Aanleg 12 ha bulldozer 100 55% 5,2 30 u/ ha 360 uur IIIb 102,96 kg zonnepark 12 ha mob. kraan 100 61% 4,8 15 u/ ha 180 uur IIIb 52,70 kg 12 ha vorkheftruck 45 84% 4,8 15 u/ ha 180 uur IIIb 32,66 kg Aanleg 1.500 m3 graafmachine 100 69% 4,4 1 m3/ 2 min.

50 uur IIIb 15,18 kg verharding 3.000 m2 trilplaat 10 40% 1,1 20 m2/ 1 uur 150 uur II 0,66 kg Aanleg 4 ha graafmachine 100 69% 4,4 15 u/ ha 60 uur IIIb 18,22 kg struweel 4 ha hijskraan 100 69% 5,5 8 u/ ha 32 uur IIIb 12,14 kg totale emissie NOx mobiele werktuigen 234,52 kg 1 De belasting is het vermogen van het mobiele werktuig wat gemiddeld gebruikt wordt. 9 december 2020 7 4.1.2 Emissie verkeer (bron 2) Ook het verkeer van en naar de bouwlocaties emi tteert NOX. Hierbij moet gedacht worden aan ve r- keer van de werknemers en de aanvoer van de zonnepanelen, de verharding en de struwelen en het overig groen. Voor de aanleg van het zonnepark is uitgegaan van de volgende aantallen ritten: - 600 ritten met licht verkeer per jaar; - 240 ritten met middelzwaar verkeer per jaar; - 24 ritten met zwaar vrachtverkeer per jaar. Voor de aanleg van de verharding is uitgegaan van de volgende aantallen ritten: - 40 ritten met licht verkeer per jaar; - 40 ritten met middelzwaar verkeer per jaar; - 20 ritten met zwaar vrachtverkeer per jaar. Voor de aanleg van het struweel en het overig groen is uitgegaan van de volgende aantallen ritten: - 200 ritten met licht verkeer per jaar; - 80 ritten met middelzwaar verkeer per jaar; - 8 ritten met zwaar vrachtverkeer per jaar.

In totaal zijn de volgende verkeersgegeven in de berekening opgenomen: - 840 ritten met licht verkeer per jaar; - 360 ritten met middelzwaar verkeer per jaar; - 52 ritten met zwaar vrachtverkeer per jaar. De totale emissie van het verkeer bedraagt ongeveer 2,47 kg NOX. 9 december 2020 8 4.2 Emissie verwijderen zonnepark (berekening 2) Omdat het in de planning ligt dat het zonnepark 25 jaar na realisatie wee r zal worden verwijderd, is er een tweede berekening gemaakt voor de dan benodigde werkzaamheden en verkeersbewegingen. Hiervoor is uitgegaan van de onderstaande uitgangspunten. Omdat het Aerius rekenprogramma geen rekenjaar kan hanteren welke 25 jaar in de toekomst ligt, is 2030 als rekenjaar aangehouden. 4.2.1 Emissie mobiele werktuigen (bron 1) Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie Aantal Werktuig kW Belasting2 Emissie factor Eenheid Draai- uren Stage klasse Emissie NOx Verwijderen 12 ha bulldozer 100 55% 5,2 30 u/ ha 360 uur IIIb 102,96 kg zonnepark 12 ha mob. kraan 100 61% 4,8 15 u/ ha 180 uur IIIb 52,70 kg 12 ha vorkheftruck 45 84% 4,8 15 u/ ha 180 uur IIIb 32,66 kg totale emissie NOx mobiele werktuigen 188,32 kg 4.2.2 Emissie verkeer Voor het verwijderen van het zonnepark is uitgegaan van de volgende aantallen ritten: - 600 ritten met licht verkeer per jaar; - 240 ritten met middelzwaar verkeer per jaar; - 24 ritten met zwaar vrachtverkeer per jaar.

De totale emissie van het verkeer bedraagt ongeveer 0,87 kg NOX. 4.3 Totale emissie  De totale emissie van het project in de aanlegfase bedraagt ongeveer 237,00 kg NOx/jr.  De totale emissie van verwijderen van het zonnepark bedraagt ongeveer 189,19 kg NOx/jr. 2 De belasting is het vermogen van het mobiele werktuig wat gemiddeld gebruikt wordt. 9 december 2020 9 5 Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (9 december 2020). In de berekening is uitgeg aan van het rekenjaar 2021. Indien het project later zal worden ui t- gevoerd, kan deze berekening als worst-case worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissi e- factor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen. Afbeelding 3 - AERIUS model berekening 1 Afbeelding 4 - AERIUS model berekening 2

9 december 2020 10 6 Rekenresultaten en conclusie De berekening en met AERIUS g enereren een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000 -gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Deze pdf bestanden zijn als bijlage opgenomen en seperaat toegevoegd. Afbeelding 5 - Rekenresultaat berekening 1 Afbeelding 6- Rekenresultaat berekening 2 Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbesche r- ming (Wnb) beschermde Natura 2000 -gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

9 december 2020 11 Colofon Rapport BügelHajema Adviseurs BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Vaart nz 48-50 9401GN Assen T 0592 316 206 F 0592 314 035 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl. Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens RgiCShM6sNGK (09 december 2020) pagina 1/6 Contact Rechtspersoon Inrichtingslocatie Pottendijk Wind b.v.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/50796d6e-27b5-4bdb-811a-e1f5852cd0ed?agendaItemId=bc05d0c5-552b-41da-9184-18640a9832e4