Ruimtelijk afwegingskader windbeleid - verbeterde kwaliteit.pdf
Tekst van het document
Beleidskader Windenergie uit Steenwijkerland
2 Ruimtelijk beleidskader voor windenergie op (Steenwijker)land Dit ruimtelijk beleidskader maakt onderdeel uit van het beleidskader windenergie dat is opgesteld om helder te krijgen WAAR en HOE windmolens op land binnen de gemeente Steenwijkerland mogelijk zijn en richt zich op de WAAR. Waar hebben we het over? Er zijn verschillende type windmolens, van kleine en middelgrote tot zeer grote windturbines. Uiteraard spelen hierbij kosten versus energieopbrengsten een belangrijke rol. Het spreekt voor zich dat grote windturbines een grotere impact hebben dan de kleinere varianten. Daarom maken we hierin ook onderscheid in ons beleidskader. De gemeente maakt het mogelijk een kleine windmolen (met een tiphoogte tot 25 meter) te plaatsen op erven in het buitengebied (binnen bestaand bouwblok), op bedrijventerreinen en bij dorpskernen (de zogenaamde dorpsmolen). In combinatie met zonnepanelen op daken kunnen (agrarische) bedrijven en dorpsgemeenschappen hiermee zelfvoorzienend zijn in hun energiebehoefte. Voorliggend afwegingskader richt zich op de grootschalige opwek van energie en gaat uit van grote windmolens1 met een: - ashoogte van 75 tot 160 meter - rotordiameter van 90 tot 141 meter - tiphoogte van 124 tot 230 meter. Anders dan zonnepanelen hebben windmolens een grote(re) ruimtelijke impact op het landschap.
Los van zicht zijn er bij windturbines andere bijkomende fysieke aspecten, namelijk geluid en (slag)schaduw. Door hun hoogte voegen grote windturbines zich niet tot een samenhangend geheel met landschappelijke elementen zoals bomenrijen of bosjes. Ze vormen een eigen, autonome toevoeging aan het landschap. Daarom moet goed worden afgewogen waar die toevoeging wel of niet past en vraagt de precieze opstelling van turbines altijd om een zorgvuldig ontwerp. Welke gebieden? Het ruimtelijk beleidskader geeft aan binnen welke gebieden de plaatsing van windmolens niet is toegestaan, de zogenaamde uitsluitingsgebieden, en waar onder voorwaarden wel. Stap 1: Uitsluitingsgebieden De uitsluitingsgebieden komen voort uit landelijke normen vanuit wet- en regelgeving, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Uitsluitingsgebieden zijn: De laag van bestaande bebouwing/kernen; in verband met de afstand tot gevoelige objecten i.v.m. geluid/slagschaduw van 400 tot 500 meter (wet- en regelgeving); naast een groot aantal kernen kent de gemeente veel verspreide bebouwing in het buitengebied, ook dit is belemmerend voor de aanleg van een windmolenpark; Beschermd stads- of dorpsgezicht (gemeentelijk beleid); NNN/Natura 20002 (provinciaal beleid); Vrijwaringszone laagvliegroute3 (rijksbeleid) voor grote windmolens. 1 Op basis van het windaanbod, het energetische en economische rendement.
Kleinere turbines zijn geschikt voor eigen gebruik 2 Hoewel er wel veel discussie over gevoerd wordt, is het in het huidige beleid niet toegestaan 3 Ter plaatse wordt de militaire laagvliegroute jacht- en transportvliegtuigen beschermd. Er mogen geen bouwwerken worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van meer dan 40,00 meter vanaf het maaiveld; dit betekent dat kleine windmolens hier dus wel mogelijk zijn 3 Weidevogelgebieden zijn in het provinciale beleid op voorhand niet uitgesloten. Over de impact van windturbines op vogels bestaat veel discussie. Aangetoond moet worden dat de windmolen s geen negatief effect hebben. Figuur 1: Uitsluitingsgebieden Stap 2: logische plekken vanuit functie De eerste gedachtevorming en ook besproken in het kader van de RES is het plaatsen van grote windturbines langs grote infrastructurele lijnen als snelwegen, spoorlijnen en kanalen en/of in de nabijheid van stedelijke of industriële knooppunten. Hier is de vraag naar energie en hier is al drukte/dynamiek, waardoor de ruimtelijke impact kleiner is. Het aantal grote infrastructurele lijnen binnen de gemeente Steenwijkerland is echter beperkt en ligt vaak in uitsluitingsgebied of doorkruist landschappelijk kwetsbare gebieden (zie stap 3).
4 Figuur 2: Belangrijkste N-wegen, kanalen, snelweg en spoor Stap 3: mogelijkheden vanuit landschap/ruimtelijke kwaliteit De gemeente kent een grote diversiteit in landschappen met waardevolle overgangen tussen de verschillende landschapstypen. Windmolens zijn door hun hoogte een autonome toevoeging aan het landschap. Het gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt een belangrijk kader. In het LOP wordt onderscheid gemaakt in landschapsontwikkelingsgebieden en landschapsbeschermingsgebieden (zogenaamde parels). In de beschermingsgebieden dienen nieuwe ontwikkelingen te passen binnen de landschapsstructuur of deze te versterken. In de ontwikkelingsgebieden kunnen nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan herkenbaarheid. Het LOP laat zich ten aanzien van windbeleid vertalen naar kansrijke gebieden (ontwikkeling) en kwetsbare gebieden (bescherming). Beiden vormen geen uitsluitingsgebied, maar geven wel aan in welke gebieden alleen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid windmolens kunnen worden ingepast.
5 Figuur 3: landschappen gericht op bescherming of ontwikkeling Het is van belang goed te kijken naar wat, welk landschap kan dragen en welke opstelling passend is. De gemeentelijke gebiedsindeling zoals in het Omgevingsplan Buitengebied is vastgesteld biedt hiervoor aanknopingspunten. De provincie heeft recent onderzoek 4 laten uitvoeren naar ruimtelijke concepten binnen de verschillende landschappen van de provincie. Ook dit biedt aanknopingspunten bij de uitwerking van concrete plannen. 4 Energieopwekking in de landschappen van Overijssel, ruimtelijke concepten voor zonnevelden en windturbines, H+N+S, 2019
6 Figuur 4: Landschapstypen Stap 4: kansrijke gebieden Kansrijke gebieden voor de plaatsing van een windmolenpark liggen binnen de landschapsontwikkelingsgebieden of in buitendijks gebied (‘nieuw land’), op locaties nabij infrastructurele lijnen, knooppunten en een goede bereikbaarheid en aansluitingsmogelijkheid op het net. Daarnaast zijn kansrijke gebieden, gebieden waar weinig verspreide bebouwing voorkomt en geen straalpaden, hoogspanningsleidingen of andere fysieke belemmeringen liggen . In figuur 5 is het ruimtelijke potentieel weergegeven. Duidelijk wordt dat wanneer alle wettelijke en fysieke belemmeringen worden meegenomen er feitelijk maar zeer beperkt ruimte is voor de plaatsing van windmolens. Hierin is nog niet meegenomen: de mogelijke belemmeringen ten aanzien van fauna, omdat migratieroutes in de lucht en de hoogtes hiervan niet in beeld zijn. Een initiatief moet altijd getoetst worden op de effecten op o.a. vogels en vleermuizen (natuurtoets). Locaties die zich tussen of tegen natuurgebieden aan bevinden (ook over de gemeentegrens!) kennen daarom mogelijk alsnog een fysieke belemmering.
7 Figuur 5: gebieden zonder fysieke beperkingen voor windmolens (zwart omkaderde gebiedjes) De voorkeur is de ambitie/opgave t.a.v. wind te concentreren op één locatie en niet over meerdere kleine locaties verspreid over de gemeente. Dit betekent dat er, gezien de opgave van 500 TJ (ruimte voor 10-15 windturbines) op de locatie dan ook sprake moet zijn van enige omvang (dit ook met het oog op economische uitvoerbaarheid). Er worden drie potentiele ontwikkellocaties gezien (zie figuur 6): A. Deze locatie ligt aan de aan de rand van (het bedrijventerrein van) Steenwijk en heeft de potentie zich te ontwikkelen tot groene (energie)hub van Steenwijk; windenergie kan tevens hier een bijdrage leveren aan het verbeteren en vergroenen van de stadsrandzone en het versterken van het uitloopgebied voor de kern Steenwijk. B. Dit gebied in het westen van de gemeente kan zich ontwikkelen tot groene (energie) poort van Steenwijkerland; bovendien kan windenergie hier, door afdracht van lusten, een bijdrage leveren aan het vergroten van de leefbaarheid in de nabij gelegen kern . C. Dit gebied in het noordwesten van de gemeente kan zich ontwikkelen tot de energiepolder van Steenwijkerland, met grootschalige opwek door een combinatie van windturbines en zonnevelden.
Windenergie kan hier, door afdracht van lusten, een bijdrage leveren aan het vergroten van de leefbaarheid in de nabij gelegen dorpskernen.
8 Figuur 6 Kaart Ruimtelijke beleidskader Windenergie