Raadsvragen re-integratie.docx
Tekst van het document
Geachte raad, Tijdens de politieke markt van 30 januari zijn er diverse vragen gesteld met betrekking tot de verordeningen participatiewet. Een gedeelte daarvan zijn mondeling behandeld door wethouder Akkerman, het andere gedeelte van de antwoorden komt u toe met deze brief. Voordat de antwoorden op de vragen worden beantwoord is het belangrijk om een aantal punten aan te stippen. Als gemeente hebben we een belangrijke rol als bemiddelaar tussen de vraag van de werkgever en het aanbod en de ontwikkeling van onze inwoners die werk zoeken. Het gaat er dus om in welke mate de uitvoering in staat is om de werkgever te ontzorgen en de inwoners te ontwikkelen, begeleiden en plaatsen. De verordeningen die voorliggen bieden daartoe een aanbod aan instrumenten dat ingezet kan worden in specifieke situaties. Met de voorliggende verordeningen is de ‘gereedschapskist’ goed gevuld. Belangrijk daarbij is wel om te beseffen dat de voorzieningen ingezet moeten worden vanuit de behoefte die een inwoner heeft. De verordening is dus niet leidend maar ondersteunend. Aanvullend hierop is het goed de volgende punten in acht te nemen: De verordeningen re-integratie en loonkostensubsidie zijn in regionaal verband opgesteld en afgestemd.
Om concurrentie tussen gemeenten te voorkomen en om in de regio eenduidige regelgeving naar werkgevers te hanteren zijn we dan ook groot voorstander van het in stand houden van deze verordening en hier niet lokaal van af te wijken. Tegelijkertijd is wel bij de uitvoering/IGSD nagegaan in hoeverre zij met de voorliggende verordeningen voldoende instrumenten hebben voor werkgevers en inwoners om goed werk te kunnen leveren. Zij geven aan dat met de voorgestelde verordeningen dat het geval is. Tot slot is het goed om te vermelden dat de voorgestelde wijzigingen beperkt zijn ten aanzien van de huidige verordening. Hoewel dit niets af doet aan het belang van het juiste instrumentarium zegt dit wel dat een wijziging van de verordening voor de uitvoering beperkte directe gevolgen heeft. Een verbetering van de makelaarsfunctie die de gemeente op dit terrein vervult dient meer gezocht te worden in bijvoorbeeld de regionale samenwerking in de werkgeversdienstverlening (Werkgevers Servicepunt Regio Zwolle), het toepassen van de omgekeerde toets en de doorontwikkeling van de integrale toegang. Tijdens de politieke markt van 30 januari zijn de volgende vragen onbeantwoord gebleven: 1. In hoeverre zijn de omgekeerde toets en de verordening wel of niet in strijd met elkaar? De omgekeerde toets en de voorliggende verordeningen zijn niet in strijd met elkaar.
Voor alle wetten en verordeningen die van toepassing zijn op het Sociaal Domein geldt in principe hetzelfde, namelijk dat primair naar de vraag van de inwoner gekeken wordt en vervolgens naar een daarbij passend aanbod in de voorzieningen, waarbij maatwerk het uitgangspunt is. Wanneer de individuele situatie daarom vraagt zal er binnen het totaal aanbod binnen het sociaal domein gehandeld worden naar de geest van de wetten/verordeningen i.p.v. sec naar de letter van de afzonderlijke wetten/verordeningen. 2. Hoe flexibel zijn we in het toewijzen en ondersteunen van mensen die terug moeten naar de arbeidsmarkt? Is de verordening niet te rigide? Zie antwoord op vraag 1. 3. Wat is de werkwijze rondom de loonkostensubsidie? Wanneer wordt deze ingezet, etc. Bij het toepassen van de loonkostensubsidie wordt door de IGSD gekeken of een cliënt aan de volgende criteria voldoet: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet; b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Om te kunnen bepalen wat de loonwaarde is, wordt er gebruik gemaakt van Dariuz loonwaardenmeting.
De IGSD zet de loonkostensubsidie in als hierdoor een cliënt aan het werk kan bij een werkgever. 4. Hoe gaat de gemeente Steenwijkerland om met de verplichting beschut werk? Als gemeente hebben wij de voorziening beschut werk reeds sinds 2015 in onze verordening staan. Vanwege achterblijvende realisatie van plekken in gemeenten heeft het ministerie de voorziening verplicht gesteld voor gemeenten per 1-1-17. In Steenwijkerland hebben wij voor een proactieve aanpak gekozen. Dit betekent dat de IGSD niet wacht op inwoners die met een indicatie van het UWV bij de gemeente voor een beschutte werkplek komen, maar dat de IGSD zelf actief bekijkt wie hier voor in aanmerking komen. Zo is de voormalige wachtlijst Wsw gescreend en wordt er gekeken naar de PRO/VSO doelgroep. Tevens is er geen maximum gesteld aan het aantal beschutte werkplekken maar wordt ingezet wat nodig is. Over deze aanpak bent u eerder per brief geïnformeerd in augustus 2017. 5. Met betrekking tot artikel 5 uit de verordening re-integratie: hier staat dat scholing moet leiden tot duurzaam werk. Hoe bepaald de IGSD of dit het geval is? Wat is de definitie van duurzaam? Hoe kunnen de consulenten dit bepalen? Wij spreken van duurzaam werk als een cliënt minimaal een arbeidsovereenkomst van 6 maanden ontvangt oftewel minimaal 6 maanden uit de uitkering is.
In de praktijk komt het vaak voor dat op het CV nog wat ontbreekt om daadwerkelijk aan het werk te gaan bij een werkgever. Bijvoorbeeld een VCA certificaat of een heftruck certificaat. Ook zet de IGSD scholingstrajecten in die van langere duur zijn. Op dit moment is er een aantal cliënten bezig met een opleiding in de bouw. Een traject van drie maanden. Na deze opleiding komen ze op contract bij een werkgever. Consulenten kunnen dit bepalen door hun kennis en ervaring in het werk. 6. Met betrekking tot artikel 4 uit de verordening re-integratie: als er geen uitzicht bestaat op algemeen geaccepteerde arbeid, kan de voorziening sociale activering dan niet worden ingezet? Hoe gaat de IGSD hier mee om? Wat is het alternatief? Het doel van vrijwel alle vormen van begeleiding is om (op termijn) uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren. Vrijwel elk traject kan dan ook leiden tot de inzet van sociale activering. Deze inzet zorgt ervoor dat de persoon een niet nog grotere achterstand op de arbeidsmarkt krijgt. De werkconsulenten werken met de methodiek Werkstap en zullen naar aanleiding van gesprekken met cliënten stappen in gang zetten om een cliënt vervolgens dichter bij de arbeidsmarkt te krijgen. Wel kan gedurende een traject blijken dat uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid op termijn waarschijnlijk niet haalbaar is.
In dat geval wordt bekeken wat dan weer de meest passende voorziening is. 7. Met betrekking tot artikel 6 uit de verordening re-integratie: moeten we een maximum stellen aan de duur van een werkervaringsplek en een proefplaatsing? Samen met de IGSD zijn wij van mening dat je zeker een maximum aan een werkervaringsplek en/of een proefplaatsing moet stellen. Deze trajecten worden door de IGSD ingezet om enerzijds de cliënt werkervaring op te laten doen in een bepaald vakgebied. Door de methode Werkstap te gebruiken krijgen de cliënten opdrachten mee om binnen de afgesproken en bepaalde periode voldoende ervaring op te doen in het werk. Anderzijds geldt voor de proefplaatsing dat een werkgever en cliënt een periode kunnen kijken of de cliënt bevalt bij de werkgever en de cliënt kan kijken of het werk hem of haar bevalt. De vastgestelde periodes zijn voldoende om bovenstaande te kunnen bereiken. De genoemde perioden hanteerde de IGSD eerder ook al. Ook willen we daarmee verdringing van arbeid voorkomen en de concurrentieverhoudingen niet verstoren. Dit is niet de bedoeling van werkervaringsplaatsen en/of proefplaatsingen. 8.
Met betrekking tot artikel 10 uit de verordening re-integratie: waarom is de ondersteuning leerwerk trajecten gemaximaliseerd op 27 jaar? Moet deze leeftijdsgrens niet naar boven worden bijgesteld? De maximering is een wettelijke bepaling volgend uit artikel 10f van de Participatiewet. Voor inwoners die geen onderdeel zijn van deze doelgroep biedt de verordening voldoende andere instrumenten. 9. Met betrekking tot artikel 10a maatregelenverordening: als iemand niet voldoet aan de wet taaleis, zijn er dan voorzieningen zodat iemand kan gaan voldoen aan de taaleis? De gemeenten hebben vrijwel geen budget gekregen om cursussen of scholing aan te bieden in het kader van de Wet taaleis. Voor 2017 ontving de gemeente Steenwijkerland €11.217,00 op jaarbasis voor de Wet taaleis. Alleen al een taaltoets, met daarin alle onderdelen van belang voor de Wet taaleis, kost € 550,00 per persoon 1. Personen die de Nederlandse taal niet beheersen op het niveau van de Wet taaleis en niet onder de Wet inburgering vallen, kunnen net als (verplichte) inburgeraars als vrijwillige inburgeraar geld lenen bij DUO en op deze wijze hun vrijwillige inburgeringscursus bekostigen. Voorwaarde is dan wel dat zij korter dan drie jaar rechtmatig in Nederland verblijven.
Daarnaast bestaat voor hen de mogelijkheid tot het volgen van een taalcursus of opleiding in het kader van de Wet educatie en beroepsonderwijs (artikel 7.3.1 Wet educatie en beroepsonderwijs)2. 1 Taaltoetsing versie 7 oktober 2016 welke is opgesteld door de ROC’s Deltion College, Drenthe College en Landstede in samenwerking met Stichting Lezen en Schrijven voor de arbeidsmarktregio Zwolle. 2 Verplichte inburgeraars kunnen en mogen daar geen gebruik van maken gelet op artikel 7.3.1 lid 4 Wet educatie en beroepsonderwijs. 10. Met betrekking tot artikel 12 uit de verordening re-integratie. In hoeverre is 300 euro vergoeding voor verwervingskosten voldoende? Deze voorziening beoogt de indiensttreding voor de potentiële werknemer te vereenvoudigen. Soms is de afwezigheid van een fiets of iets dergelijks een blokkade voor indiensttreding. Deze voorziening biedt daarvoor een oplossing. Het gaat in de praktijk om kleine bedragen. Tot slot nog een opmerking over het advies van de adviesraad sociaal domein. Dit advies is ruim voorafgaand aan de politieke markt gedeeld met de griffie, maar per abuis niet bij de stukken gevoegd. Inmiddels zit dit advies wel bij de stukken. 2 Verplichte inburgeraars kunnen en mogen daar geen gebruik van maken gelet op artikel 7.3.1 lid 4 Wet educatie en beroepsonderwijs.