CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan natuurwaardenonderzoek Steenwijkerweg 235.pdf

Politieke Markt 14 april 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling locatie Steenwijkerweg 235 te Witte Paarden7.132 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuurwaardenonderzoek Steenwijkerweg 235 Witte Paarden In het kader van de Wet natuurbescherming 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Steenwijkerweg 235 Witte Paarden In het kader van de Wet natuurbescherming Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Opdrachtgever: BJZ.NU Contactpersoon: W. Bekke Twentepoort-Oost 16a 7609 RG Almelo Projectnummer en versie: 1955 versie 1.0 Status: definitief Veldmedewerker(s): P.Leemreise Auteur: P.Leemreise Rapportdatum: 17-7-2019 Ligging projectgebied: Hammerweg 64 Ommen Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700 2 Samenvatting Er zijn plannen voor herontwikkeling van een perceel aan de Steenwijkerweg 235 in Witte Paarden. Het voornemen is om vijf woningen t e bouwen op het perceel. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken, dienen de aanwezige woningen gesloopt te worden. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In v oorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.

Naast een beschrij ving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek , worden de wettelijke consequentie s van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 2 juli 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust - en voortplantings plaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied ligt buiten de begrenzing van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederla nd of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel -, amfibieën -, vleermuis- en grondgebonden zoog diersoorten.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er zijn aanwijzingen gevonden dat vogels in het dakvlak nestelen en dat sommige grondgebonden zoogdiersoorten er mogelijk een rust - en/of voortplantingsplaats bezetten. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Vleermuizen of amfibieën bezetten er geen (winter)rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust - en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. 3 Samenvattende conclusie: Het plangebied bestaat uit bebouwing en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer (incl. staat van onderhoud van de bebouwing) maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied voor sommige algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten.

Mits bezette vogelnesten beschermd worden en er geen beschermde diersoorten verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het gebi ed voorkomende beschermde soorten, wordt niet aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden . Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde diersoorten verwond of gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. 4 Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 2 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................

6 2.1 Ligging van het plangebied ....................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten ............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................

9 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................... 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................... 17 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................

19 5.7 Volledigheid van het onderzoek ............................................................................................................. 19 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 20 5 1 Inleiding Er zijn plannen voor herontwikkeling van een perceel aan de Steenwijkerweg 235 in Witte Paarden. Het voornemen is om vijf woningen te bouwen op het perceel. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken, dienen de aanwezige woningen gesloopt te worden. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brenge n. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek , worden de wettelijke consequentie s van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.

Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek , worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soort en en Natura2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Natuurnetwerk Nederland, geconsolideerd 27-2-2019). 6 2 Het plangebied 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gesitueerd aan Steenwijkerweg 235 in Witte Paarden. de Hammerweg 64 te Ommen. Het plangebied ligt in de buurtschap Witte Paarden, circa 1 kilometer ten oosten van de kern Steenwijkerwold. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron kaart: PDOK). 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een voormalig horecapand, omgeven door parkeerplaatsen met erfverharding.

Het gebouw is gebouwd van bakstenen en is gedekt met gebakken dakpannen. De buitengevels beschikken over een (holle) spouw en zijn wit geschilderd. De staat van onderhoud is matig. Op verschillende plekken in het dakvlak ontbreken dakpannen. Op onderstaande luchtfoto word t de ligging van het plangebied op een weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage. Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok).

7 3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Er zijn concrete plannen om de bestaande bebouwing te slopen en vijf grondgebonden woningen in het plangebied te bouwen. Aan de oostzijde van het erf wordt een houtsingel aangelegd. Op onderstaande verbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven. Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: de erfontwikkelaar). De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming:  Slopen bebouwing;  Verwijderen erfverharding;  Bouwrijp maken bouwplaatsen;  Bouwen woningen;  Aanplant erfbeplanting; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied.

We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden:  Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden:  Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust - of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten;  Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;  Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invl oedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.

8 In deze studie wordt alleen gekeken naar de uit voering van de fysieke werkzaamheden , zoals het slopen van bebouwing en het bouwen van de woningen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust - of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijkgesteld aan het plangebied. 9 4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorg enomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang.

Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenl ijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij" -regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uite raard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust.

Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN , saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 425 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. 10 Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid. Gronden die tot de zone Ondernemen met natuur en water buiten de NNN behoren worden aangeduid met de groengestippelde kleur. De begrenzing van het plangebied wordt met de zwarte lijn aangeduid (bron: geo.overijssel.nl) Effectbeoordeling De invloedsfeer v an de voorgenomen activiteiten is lokaal.

De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Een deel van het plangebied behoort tot de zone Ondernemen met natuur en water buiten het NNN. In deze zone is nieuwvestiging en grootschalige uitbreid ing van bestaande functies mogelijk indien hier sociaal -economische- en/of maatschappelijke redenen voor zijn én dat is aangetoond dat het verlies aan ecologsiche en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. 4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden besta at uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,3 kilo meter afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000 -gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. 425 meter tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren 11 Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Natura2000 behoren worden met de okergele en groene kleur aangeduid. (bron: geo.overijssel.nl). Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:  de leefgebieden van vogels;  de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op (art.

2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provinc ies of door de Minister van EZ. Natura 2000 -gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangew ezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zi jn in en nabij die gebieden. Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Uitvoering van de voorgenomen fysieke activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000.

Wettelijke consequenties De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. 4.4 Slotconclusie Het plangebied ligt op enige afstand van beschermd (natuur)gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied en leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. 4,3 kilometer tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren 12 5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uit bebou wing en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer (incl. staat van onderhoud van de bebouwing) maken h et plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied voor sommige algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten , maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten.

Het is het niet uitgesloten dat het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen behoort:  vogels;  vleermuizen;  grondgebonden zoogdieren;  amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren), haften (oevera as) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen en voor planten. 5.2 Methode In het kader van het natuu rwaardenonderzoek is het plangebied op 2 juli 2019 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora - en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditie f onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x 50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt.

De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:  veldbezoek door ervaren ecoloog;1  aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a.  Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland;  Atlas van de zoogdieren van Nederland;  Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Half bewolkt, droog, temperatuur 19⁰C, wind 2 Bft. 1 Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEM- VT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 13 Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels.

De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Sommige vogels bezetten nog een territorium in deze tijd van het jaar en vertonen nog territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) of hebben nog een bezet nest, sommige andere vogelsoorten hebben reeds een uitgevlogen nest, vertonen geen of weinig territorium-indicerend gedrag of hebben de broedplaats reeds verlaten. In het plangebied is gekeken naar vo gels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappe lijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is v isueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Verschillende grondgebonden zoogdieren kunnen zogende jongen he bben in deze tijd van het jaar of de jongen hebben de nestplaats al weer verlaten.

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen (incl. bezette kraamkolonies). Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust - verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. De gebouwen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen. Ook is gezocht naar aanwijzingen, zoals uitwerpselen onder de hangplek of nabij de invli egopening, die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen duiden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute . De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën.

Sommige amfibieën bezetten de voortplantingswateren in deze tijd van het jaar, terwijl sommige andere amfibieënsoorten de voortplantingswateren alweer ingeruild hebben voor landbiotoop. Overdag hebben amfibieën op het land zich verscholen voor zonlicht; ze kunnen een verblijfplaats bezetten in holen in de grond, in strooisel, onder stenen, groen(afval), houtstapels en opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede insch atting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 14 5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in h et onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied v an verschillende vogelso orten. Vogels benutten de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied en er nestelen vermoedelijk ieder voortplantingsseizoen vogels onder de dakpannen.

Er is tijdens het veldbezoek een witte kwikstaart waargenomen die zich ‘broedverdacht’ op hield op het dak. Deze soort kan nestelen onder de dakpannen van het gebouw. Het dakvlak vormt een ongeschikte nestplaats voor andere vogelsoorten, zoals gierzwaluw, steen- of kerkuil. Door het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield . Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door u itvoering van de voorgenomen activiteiten blijft de functie van het plangebied als foerageergebied voor de meeste vogelsoorten behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene - en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als egel, bruine rat, huisspitsmuis, huismuis, bosmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten huismuis en huisspitsmuis er ook een rust- en/of voorplantingsplaats.

Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en in de bebouwing. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter een rust- en/of voortplantingsplaats bezet in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; - Bouwrijp maken bouwplaats; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaa ts bezetten in het plangebied. De bebouwing in het plangebied beschikt over een (holle) spouw, maar uitgezonderd één ventilatie -opening, zijn er in de buitenmuur geen invliegopeningen waargenomen, zoals open stootvoegen of gaten/kieren in de gevel, die vle ermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw. Omdat de zolder afgetimmerd is, vormt deze geen potentiële verblijfplaats voor soorten die open ruimtes benutten als verblijfplaats (zoals de gewone grootoorvleermuis).

Aan de bebouwing zi jn geen potentiële verblijfplaatsen zoals een holle ruimte achter een boeiboord, vensterluik, windveer, gevelbetimmering of loodslab waargenomen. Het dakvlak wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. 15 Door het uitvoeren van de v oorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Mogelijk foerageren sommige algemene vleermuissoorten als laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis incidenteel en kortstondig rond de bebouwing en vliegen ze over het plangebied terwijl ze foerageren rond de randen en kronen van bomen en st ruiken die net buiten het plangebied staan. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is beperkt; het plangebied wordt niet als essentieel foerageergebied beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plang ebied als foerageergebied niet aangetast.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort de buitenruimte van het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker.

Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte uitsluitend als foerageergebied tijdens de donkere uren van de nacht . Een geschikte (winter)rustplaats of voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied beschouwd. Mogelijk duiken er jaarlijks slechts één of enkele dieren op in het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; 16 Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 5.4 Toetsingskader Sinds 1 janu ari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming g enoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonde n en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de init iatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport. 17 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette voge lnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verst oren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode (indien er bezette vogelnesten aanwezig zijn); Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderz oek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van d e verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op mogelijke (essentiële) vliegroutes2 van vleermuizen in het plangebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen 2 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 18 Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten , worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield.

Voor de in het plangebied aanwezige beschermde grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernie len van een rust - en voortplantingsplaats’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft ge en nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen amfibieën verwond of gedood en wordt geen (winter)rust- of voortplantings plaats beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora - of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. 19 In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep Functie Beschermde soorten planlocatie Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming) Aandachtspunt Grondgebonden zoogdieren Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing, functie is niet beschermd Geen Grondgebonden zoogdieren Vaste rust- en voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Grondgebonden zoogdieren Doden en verwonden van dieren Diverse soorten Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Geen Vogels Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing, functie is niet beschermd Geen Vogels Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Witte kwikstaart Art.

3.1 lid 2 Bebouwing buiten de voortplantingsperiode Vogels Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vogels Doden en verwonden van dieren Mogelijk diverse soorten Art. 3.1 lid 1 Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode Vleermuizen Verblijfplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Vleermuizen Vliegroute Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Doden en verwonden van dieren Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Foerageergebied Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing, functie is niet beschermd Geen Amfibieën (winter)rustplaatsen Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Voortplantingsbiotoop Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Doden en verwonden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Overige soorten Dieren en overige functies Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Samenvatting van de wettelijke consequenties. 5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. 20 6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten3 geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel -, amfibieën -, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er zijn aanwijzingen gevo nden dat vogels in het dakvlak nestelen en dat sommige grondgebonden zoogdiersoorten er mogelijk een rust - en/of voortplantingsplaats bezetten. Vleermuizen en amfibieën bezetten er een (winter)rust- of voortplantingsplaats. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gel et op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Vleermuizen of amfibieën bezetten er geen (winter)rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust - en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen niet aangetast. Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer va n de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Conclusie (algemeen): Mits bezette vogelnesten beschermd worden en er geen beschermde diersoorten verwond of gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.

Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het gebi ed voorkomende beschermde soorten, wordt niet aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden . Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde diersoorten verwond of gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten. 3 Zie bijlage 2 van dit rapport 21 Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

22 Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: - Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. - Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod e en in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. - Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend.

Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel - of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tege n het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun dir ecte leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.

Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffi ng nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant - en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde ca tegorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde so orten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. 23 Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora - en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora - en faunawet nog niet waren . Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora - en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring.

Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volg ens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

24 Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.1 0, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: - de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

25 Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019.

26 Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

27

28 Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/67d16cc8-28fd-4276-ab4c-17a8df014fce?agendaItemId=66bc0aa7-8f34-488d-be1e-86c00d5b4e64