Ontwerpbestemmingsplan Kallenkote, Gruttoweg 1.pdf
Tekst van het document
Dit sluit aan bij het omgevingstype 'rustig buitengebied.' De dichtstbijzijnde woning van derden ligt direct naast de maatschappelijke functie aan de Gruttoweg 1. De afstand tot deze woning is circa 20 meter tot de erfgrens van de nieuwe ontwikkeling. De nieuwe maatschappelijke woon-zorg functie wordt niet specifiek benoemd in de richtafstanden tabel van de VNG uitgave bedrijven en milieuzonering (2009). Hiervoor kan redelijkerwijs worden aangesloten bij de in de VNG-brochure vermelde activiteiten: ‘Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’ (SBI-2008 8621, 8622 en 8623, met richtafstanden voor geur van 0 meter, stof van 0 meter, geluid van 10 meter en gevaar van 0 meter) en ‘Verpleeghuizen’ (SBI-2008 871, met richtafstanden voor geur van 0 meter, stof van 0 meter, geluid van 30 meter en gevaar van 0 meter). De meest nabijgelegen woning van derden (Gruttoweg 1) is gelegen op een afstand van 20. Daarmee wordt, gelet op de range van 10 – 30 meter voor de richttafstand voor geluid, niet voldaan aan deze richtafstand voor het aspect geluid. Om dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek komt aan bod in paragraaf 4.5. Uit het onderzoek volgt dat er geen hinder ontstaat vanuit het aspect geluid en dat er sprake is van een geschikt woon- en leefklimaat voor woningen in de omgeving.
Bedrijven i n d e o mgeving T oelichting 39 B ij de voorgenomen ontwikkeling wordt ten opzichte van de huidige planologische situatie geen andere milieugevoeligere functie mogelijk gemaakt die de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving zou kunnen belemmeren. Voor de volledigheid wordt is nog wel beoordeeld wat de afstand tot bedrijvingheid in de omgeving is. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gesitueerd aan de Westeinde 226 op een afstand van 850 meter. De afstand t.o.v. agrarische en andere bedrijven in de omgeving voldoet ruimschoots aan de richtafstand voor alle vormen van (agrarische) bedrijvigheid. Een nadere toetsing van het effect van het project op de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven kan daarom achterwege blijven. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het project niet in de weg. 4.3 Bodem Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
De onderzoeksplicht is van toepassing bij bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Uit de toelichting op de Woningwet blijkt dat met bovenstaande omschrijving wordt bedoeld 'enige tijd' oftewel een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk) dag. Het gaat daarbij niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan een dag) verblijven van dezelfde mensen in een gebouw. Toetsing De toekomstige functie maakt permanente bewoning van het terrein mogelijk. In dit kader is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie: Bijlage 2). Uit dit onderzoek volgt dat er bij één boring een verhoogd asbestgehalte is aangetroffen naast een bestaande stal. 40 Kallenkote, Gruttoweg 1 O p deze plek zal een sanering uitgevoerd moeten worden en een BUS melding worden gedaan. Op het overige deel van het terrein zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Conclusie Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.
De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Toetsing Vaste afstanden Op grond van de Wgv geldt voor veehouderijen met dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor een vaste afstand tussen de geuremissiepunten van de betreffende dierstallen en de woningen van het plangebied. Vanwege de ligging van de nieuwe woningen buiten de bebouwde kom Wgv, bedraagt de aan te houden afstand in eerste instantie 50 meter. Op grond van de gemeentelijke geurverordening geldt echter een afwijkende minimale afstand van 25 meter.
Het meest nabijgelegen bedrijf waar bedrijfsmatig landbouwhuisdieren worden gehouden, betreft waarschijnlijk (het bedrijf is gelegen binnen de provincie Drenthe en van dergelijke bedrijven hebben wij geen toegang tot gegevens van het veebestand) het grondgebonden bedrijf aan het Westeinde 185 Wapserveen, waarvan het bedrijfsperceel op circa 700 meter van het plangebied is gelegen. Toelichting 41 D aarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste vaste afstand. Geurnormen Gelet op het geringe geurbelastingpotentieel door nabijgelegen veehouderijen en de afstand tussen het plangebied en deze veehouderijen, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat aan de (individuele) geurnorm van 8 ouE/m3 wordt voldaan. Daarnaast zal naar verwachting ook door cumulatieve geurbelasting door veehouderijen sprake zijn van een geschikt goed woon- en leefklimaat voor het plangebied. Huidige bestemming In de huidige planologische situatie is er al sprake van een woonbestemming voor het gehele plangebied. De gedeeltelijke omschakeling naar een maatschappelijke bestemming leidt er niet toe dat er qua geur gevoeligheid een andere ontstaat. Conclusie Het aspect geur staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. 4.5 Geluid Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig.
Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat indien in het projectgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (railen weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Toets In verband met de ligging van een (geluid) gevoelige woonfunctie op korte afstand van de nieuwe maatschappelijke functie (woon - zorg) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Sain milieuadvies (zie Bijlage 4). Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L ar,LT Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie aan de normstelling die volgt uit stap 2 van het stappenplan uit de VNG-publicatie. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar. 42 Kallenkote, Gruttoweg 1 M aximaal geluidsniveau L Amax Het maximale geluidsniveau voldoet, na het treffen van maatregelen, aan de normstelling die volgt uit de vervolgstap 3 van het stappenplan uit de VNG-publicatie. Deze normstelling is in overeenstemming met de bij vergunningverlening gebruikelijke normstelling. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar.
Indirecte hinder De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de voorkeursgrenswaarde volgens de Circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.' van 29 februari 1996. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar. Conclusie Het aspect geluid geeft geen beperkingen voor de uitvoering van het project. 4.6 Luchtkwaliteit De eisen waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen zijn opgenomen in titel 5.2 (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer. Hierin is opgenomen dat een project doorgang kan vinden indien aan minimaal één van de volgende eisen wordt voldaan: H et project resulteert niet in een overschrijding van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer; H et project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Saldering moet plaatsvinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plangebied. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren; H et project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is sinds 1 augustus 2009 in werking.
In het NSL is het begrip NIBM gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ zijn de uitvoeringsregels Toelichting 43 v astgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM; De onder het eerste punt genoemde grenswaarden in de Wet milieubeheer geven een niveau van de buitenluchtkwaliteit dat op een aangegeven tijdstip moet zijn bereikt. Toets Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van woon - zorg complex. De ontwikkeling zal toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie tot gevolg hebben. Hierbij wordt uitgegaan van gemiddeld 20 extra vervoersbewegingen per dag, met 10% vrachtverkeer. Uit de 'Niet in betekenende mate-tool' van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven. T abel 4.1: uitkomst Nibm tool Van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN - GDN) is af te leiden dat er ter plaatse van het plangebied een jaargemiddelde concentratie fijnstof van 13 µg/m 3 (PM10) aanwezig is. De concentratie fijn stof voldoet daarmee ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m 3.
In de directe omgeving zijn geen relevante bronnen voor luchtverontreiniging aanwezig waardoor een andere (hogere) waarden voor fijnstof concentratie hier uitgesloten zijn. 44 Kallenkote, Gruttoweg 1 C onclusie Het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet aan de weg. 4.7 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ('Indeling Leidraad maatramp') zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang.
Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot: i nrichtingen; v ervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; v ervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. B ij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient te worden onderzocht: Of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico. Of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico. Toets Hoe moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Zie hiervoor de onderstaande opsomming. B esluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen; Toelichting 45 B esluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen; B esluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes; B esluit risico’s zware ongevallen; V uurwerkbesluit; C irculaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; B esluit ruimte; A ctiviteitenbesluit. Toets Er zijn op de risicokaart van de provincie Overijssel geen locaties in de nabijheid van het perceel aangetroffen die een belemmeringen zoude kunnen opleveren voor de gewenste bestemmingswijziging.
Het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats op geruime afstand van het plangebied, namelijk via de spoorlijn en de rijksweg. In zuidwestelijke richting is de rijksweg A32/N32 Meppel - Heerenveen – Leeuwarden gelegen, op een afstand van ca. 2,5 km van het plangebied. De spoorlijn intercity Zwolle-Leeuwarden ligt op een afstand van 3,7 km van het plangebied, eveneens in zuidwestelijke richting. A fbeelding 4.2: uitsnede risicokaart Conclusie 46 Kallenkote, Gruttoweg 1 H et aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op grond van de Erfgoedwet moet in ruimtelijke plannen rekening gehouden worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt daarom rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. Toets Binnen het plangebied is geen sprake van archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in de vorm van dubbelbestemmingen of aanduidingen. Nader archeologisch onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Wat cultuurhistorische waarden zijn is beschreven in de Memorie van Toelichting bij het Bro. Artikel 3.1.6 zegt het volgende: "Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken". Toets Toelichting 47 T er plaatse van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden in de vorm van de dubbelbestemming en/of aanduidingen.
Tevens is geen sprake van de afbreuk aan waarden van de omgeving, omdat er sprake is van een ontwikkeling binnen de contouren van een bestaand erf. De ligging in het laagveenontginningsgebied is beschreven in 3.2. Met de gekozen landschappelijke inpassing wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het laagveenontginningsgebied. Conclusie Het plangebied bevat geen archeologische indicatoren die bescherming vereisen. Verder heeft het plan geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan uitvoering van het plan niet in de weg. 4.9 Ecologie De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreffen. Gebiedsbescherming Bij de gebiedsbescherming spelen de volgende aspecten: N atura 2000-gebieden (vogel- en habitatrichtlijngebieden): de Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000.
Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden; N atuurnetwerk Nederland (NNN): Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. De NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur; O p basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze 48 Kallenkote, Gruttoweg 1 g ebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Toets Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom heeft Natuurbank Overijssel de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld gebracht. Het complete rapport is als Bijlage 5 aan deze onderbouwing toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen van het onderzoek samengevat. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk N ederland H et plangebied ligt op minimaal 2,86 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. A fbeelding 4.3: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene, blauwe en gele kleur op de kaart aangeduid. Met de groengestippelde kleur worden gronden aangeduid die tot de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ (bron: geo.overijssel.nl). Omdat het plangebied ruim buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland omdat de bescherming van het NNN geen externe Toelichting 49 w erking kent. Natura 2 000 H et plangebied ligt op minimaal 2,72 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Holtingerveld. Er ligt nog een ander Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied maar deze ligt op grotere afstand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. A fbeelding 4.4: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangeduid.
Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl) Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) In het plangebied zullen in de gewenste situatie alleen de bestaande bedrijfswoning in de vorm van een cv installatie en het verkeer zorgen voor relevante stikstofemissies (Nox). Er is een AERIUS berekening (zie Bijlage 6) gemaakt van de beoogde situatie (worst case) om aan te tonen dat er geen toename van depositie ontstaat. De beoogde situatie gaat uit van 20 extra verkeersbewegingen per dag 50 Kallenkote, Gruttoweg 1 w aarvan 10% middelzwaar vrachtverkeer en een cv ketel in de bestaande woning. Uit de AERIUS berekening van de beoogde situatie volgt dat er geen (toename van) depositie plaatsvindt op de (bijna) stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden in de omgeving.
Beoordeling stikstof (sloop- en aanlegfase) Op 2 november 2022 is door de Raad van State deeluitspraak gedaan inzake de bouwvrijstelling die volgde uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. In deze uitspraak oordeelde de Raad van State dat de sloop- en aanlegfase van een project apart beoordeeld dient te worden. De beoordeling van de sloop- en aanlegfase is berekend met AERIUS (zie Bijlage 7). Uit deze berekening volgt dat er in de sloop- en aanlegfase geen significant negatieve effecten plaatsvinden op de betreffende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt en beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden Toelichting 51 z oogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende soorten niet af. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: W erkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; G een beschermde zoogdieren en amfibieën doden. Conclusie De planning is om werkzaamheden af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Tevens zal bij aanvang van graafwerkzaamheden eventueel aanwezige grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën worden opgepakt of verjaagd naar omringend terrein. Rekening houdend met het voorgaande is het project uitvoerbaar voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. 4.10 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is de waarborg dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Watertoets O p 1 juli 2022 is de watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 8).
Op basis van de uitgevoerde watertoets blijkt dat het plangebied in het beheersgebied van het Waterschap 52 Kallenkote, Gruttoweg 1 D rents Overijsselse Delta ligt. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure moet worden doorlopen. De maatregelen die moeten worden getroffen ten aanzien van de watertoets staan hieronder weergegeven. Deze uitgangspunten zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van dit plan. Effect op waterhuishouding A fbeelding 4.5: Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied Het planvoornemen heeft geen direct effect op de bestaande waterhuishouding in de omgeving. In de basis wordt een afname van erfverharding doorgevoerd. Vanuit de landschappelijke inpassing worden enkele elementen toegevoegd zoals een wadi/poel en nieuwe sloot die een positief effect hebben op de waterhuishouding. Conclusie Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Toelichting 53 4 .11 Kabels en leidingen Door het plangebied lopen boven- of ondergronds geen hoofdleidingen. Straalpaden en laagvliegroutes voor straaljagers zijn ook niet aanwezig. 54 Kallenkote, Gruttoweg 1 H oofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn.
Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. 5.2 Juridische vormgeving In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet.
De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op de 'Beheersverordening Buitengebied 2014' van de gemeente Steenwijkerland. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht. 5.2.1 Inleidende regels Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten. Toelichting 55 5 .2.2 Bestemmingsregels In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht. Artikel 3 Maatschappelijk Binnen het deel van het plangebied met de bestemming maatschappelijk kunnen de gronden worden gebruikt ten behoeve van de zorginstelling. Hiervoor is ook de aanduiding zorginstelling opgenomen voor deze bestemming. De gebouwen kunnen alleen binnen het daarvoor opgenomen bouwvlak worden gerealiseerd. Zo is de maximale oppervlakte en situering van het woon-zorg gebouw en bijgebouw vastgelegd conform de landschappelijke inpassing. De uitvoering en instandhouding van deze lanschappelijke inpassing is tevens vastgelegd in de regels met een voorwaardelijke verplichting.
Artikel 4 Tuin Het deel van het plangebied waar de bestemming 'Tuin' van toepassing is wordt vrijgehouden van gebouwen. Zo wordt de openheid voor de woning gegarandeerd. Artikel 5 Wonen De bestaande (voormalige) bedrijfswoning, thans in gebruik als woning, en het bijbehorende erf behoudt de woonbestemming. De woning is gesitueerd in het bouwvlak. Bijgebouwen mogen gerealiseerd worden conform de regels. De woonbestemming van het erf is afgestemd op de nieuwe perceelsindeling waar beide bestemmingen (wonen en maatschappelijk) van elkaar worden gescheiden. 5.2.3 Algemene regels Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels. 5.2.4 Overgangsrecht en slotregels In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. 56 Kallenkote, Gruttoweg 1 H oofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van de documenten ten behoeve van de omgevingsvergunning zijn voor de initiatiefnemer. Ook zal er een beperkt deel van het erf gesaneerd moeten worden in verband met de aangetroffen asbest verontreiniging. Gelet op de verwachte kleinschalige omvang van deze sanering kan initiatiefnemer zorg dragen voor de financiële afwikkeling hiervan. Initiatiefnemer het plan kan zelf financieren en is daarom economisch uitvoerbaar. Met de initiatiefnemer zal een planschade overeenkomst gesloten worden waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3 Procedure Het plan wordt naar een aantal instanties verzonden in het kader van het vooroverleg. De resultaten van dit overleg zullen worden opgenomen in een bijlage. Daarbij zal worden aangegeven of het overleg heeft geleid tot aanpassing van het plan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarna gedurende zes weken ter inzage gelegd op grond van artikel 3.1 Wro.
Gedurende deze termijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Ontvangen zienswijzen Toelichting 57 z ullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan. Vervolgens wordt het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door de gemeenteraad en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State. 6.4 Informeren omgeving De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het plan voor het bouwen van het woon-zorg gebouw. Dit is vastgelegd in een participatieverslag dat is bijgevoegd als Bijlage 9. 58 Kallenkote, Gruttoweg 1 B ijlagen Bijlagen 59 B ijlage 1 Landschappelijke inpassing en beplantingsplan 60 Kallenkote, Gruttoweg 1 nieuwe perceelsgrensPP nieuwe bebouwing : erfverharding nieuw aan te planten bomen 1. groepszorgwoning 2. schuur / berging 3.
bijgebouw bestaande woning (indicatief) bestaande houtopstanden / bomen bestaande perceelsgrensPP bestaand woonhuis bestaande haag contour te slopen bebouwing nieuw aan te fruitbomen en besdragende struiken nieuw aan te planten houtwal / houtsingel nieuw aan te leggen geschoren haag - laag nieuw aan te leggen geschoren haag - hoog grondig snoeien bestaande houtwal + inboeten wandelpad nieuw aan te planten knotbomen aan streekeigen (inheemse) bomen, stuiken en kruiden de nieuwe aanplant zal bestaan uit een rijke variatiealgemeen: PPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPPP P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P P 1 tuin weide weide 1a P P P P P P P P P P P P P P P P P P PPPPPPPPP nieuwe sloot voedselbosje voedselbosje walnoot walnoot tamme kastanje tamme kastanje p p p p p p p p terras entree terras kruidenrijk gras kruidenrijk gras boomgaard boomgaard Gruttoweg tuin bijgebouw 100 m2 achtererfgebied 2.530 m2 poel 125 m2 onderdeel bladnummer intake schaal papierformaat datum Jufferenwal 30, Zwolle Postbus 432 8000 AK Zwolle
info@rombou.nle www.rombou.nli opdrachtgever 08 8236 8236t Maargies hoeve, Gruttoweg 1 te Kallenkote erfinrichting- en beplantingsplan EB-01 1200004636 1:500 A2 30-11-2022 N 0 5m 25m 50m 3 1 2 1 Beplantingsplan Gruttoweg 1 te Kallenkote 2 Inhoudsopgave 1 BEPLANTING 4 2 PLANTMATERIAAL 6 3 BEHEER 7 3 A. B. C. D. E. F. G. G.
4 1 Beplanting A. Nieuw aan te planten knotbomen. naam wetenschappelijke naam aantal Schietwilg Salix alba 19 st. Plantverband en plantafstand Zie erfinrichtings- en beplantingsplan voor posities. Onderlinge afstand knotbomen 5 m1. B. Nieuw aan te planten hoogstam fruitbomen. Hiervoor nader te bepalen streekeigen soorten gebruikt. (appel, peer, pruim, kers) Plantverband en plantafstand Zie erfinrichtings- en beplantingsplan voor posities. Onderlinge afstand t.p.v. ‘boom- gaard’ ca. 6 m1. Onderlinge afstand t.p.v. ‘voedselbosje’ variabel. C. Nieuw aan te planten houtwal/houtsingel. Hiervoor streekeigen soorten gebruiken. Te weten; Boomvormers naam wetenschappelijke naam percentage Zomereik Quercus robur 10% Zachte berk Betula pubescens 5% Zwarte els Alnus glutinosa 5% Lijsterbes Sorbus aucuparia 5% Ratelpopulier Populus tremula 5% Ruwe berk Betula pendula 5% Struikvormers naam wetenschappelijke naam percentage Sporkehout/vuilboom Rhamnus frangula 15% Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna 15% Hazelaar Corylus avellana 15% Gelderse roos Viburnum opulus 10% Hulst Ilex aquifolium 5% Vogelkers (inheems) Prunus padus 5% Menging, plantverband en plantafstand Beplantingsstrook breed 3 m1. Aanplant in 3 rijen met een tussenruimte van 1 m1. Individuele menging in een verspringend plantverband van 1 x 1 m1. Boomvormers planten in de middelste rij. 5 D.
De bestaande houtwal grondig snoeien en inboeten. Hiervoor streekeigen soorten gebruiken. Te weten; Boomvormers naam wetenschappelijke naam percentage Zomereik Quercus robur 10% Zachte berk Betula pubescens 5% Zwarte els Alnus glutinosa 5% Lijsterbes Sorbus aucuparia 5% Ratelpopulier Populus tremula 5% Ruwe berk Betula pendula 5% Struikvormers naam wetenschappelijke naam percentage Sporkehout/vuilboom Rhamnus frangula 15% Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna 15% Hazelaar Corylus avellana 15% Gelderse roos Viburnum opulus 10% Hulst Ilex aquifolium 5% Vogelkers (inheems) Prunus padus 5% Menging, plantverband en plantafstand Beplantingsstrook breed 3 m1. Aanplant in 3 rijen met een tussenruimte van 1 m1. Individuele menging in een verspringend plantverband van 1 x 1 m1. Boomvormers planten in de middelste rij. E. Nieuw aan te leggen geschoren haag – laag. naam wetenschappelijke naam Gewone beuk Fagus sylvatica Plantverband en plantafstand Enkele rij met een plantafstand van 0,25 m1. F. Nieuw aan te leggen geschoren haag – hoog. naam wetenschappelijke naam Gewone beuk Fagus sylvatica Plantverband en plantafstand Dubbele rij in een verspringend plantverband van 0,25 x 0,25 m1. G. Solitaire bomen. naam wetenschappelijke naam aantal Gewone walnoot Juglans regia 2 st. Tamme kastanje Castanea sativa 2 st. Zie erfinrichtings- en beplantingsplan voor posities.
6 2 Plantmateriaal Voor het te gebruiken plantmateriaal wordt uitgegaan van bosplantsoen met onderstaande minimale afmetingen. Solitaire bomen naam wetenschappelijke naam lengte in cm Gewone walnoot Juglans regia 125/150 Tamme kastanje Castanea sativa 60/100 Overige boomvormers naam wetenschappelijke naam lengte in cm Zomereik Quercus robur 125/150 Zachte berk Betula pubescens 120/150 Zwarte els Alnus glutinosa 120/150 Lijsterbes Sorbus aucuparia 100/150 Ratelpopulier Populus tremula 80/120 Ruwe berk Betula pendula 120-150 Schietwilg Salix alba 120/150 Struikvormers naam wetenschappelijke naam lengte in cm Sporkehout/vuilboom Rhamnus frangula 60/100 Eenstijlige meidoorn Crataegus monogyna 60/100 Hazelaar Corylus avellana 60/100 Gelderse roos Viburnum opulus 60/100 Hulst Ilex aquifolium 30/40 Vogelkers (inheems) Prunus padus 80/100 Hagen naam wetenschappelijke naam lengte in cm Gewone beuk Fagus sylvatica 40-60 7 3 Beheer Nieuwe aanplant alleen planten in de daarvoor geschikte periode. Bij voorkeur het najaar of anders vroeg in het voorjaar, vóór de bladvorming. In principe hoeft er geen extra water gegeven te worden. In het jaar na aanplant dient de beplanting te worden gecontroleerd op uitval, waarna eventuele gaten in de beplanting aangevuld dienen te worden met nieuw plantgoed. Houtwal/houtsingel Middelhout beheer (hakhout met overstaanders).
De eerste jaren (6 tot 8 jaar) hoeft hier niets aan te gebeuren. Als de beplanting gesloten raakt en hol dreigt te worden, dient er te worden verjongd. De boomvormers dienen hierbij te worden ontzien. Verjonging gebeurt door struiken af te zetten, bij voorkeur niet alles in één keer maar gefaseerd in ruimte en tijd. Bijvoorbeeld over een tijdsbestek van 2 jaar elk jaar 50%. Dit kan het beste, in het najaar plaatsvinden. Na verjonging hoeft zo’n 8 jaar niets gedaan te worden. Afzetten van de struiken gebeurt niet te laag (zo’n 20 cm boven de grond). Takken die over- last geven kunnen eventueel jaarlijks worden gesnoeid. Het streefbeeld is een gesloten be- planting. Hakhoutbeheer vindt plaats tussen 1 november en 15 maart. Knip en scheerhaag Lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. De aanplant dient direct na het planten te worden terug gesnoeid tot op de helft of twee derde van de lengte. Dan ontwikkelt zich eerder een brede en vertakte heg. Geef de jonge aanplant, indien mogelijk, met name de eerste twee jaar na aanplant voldoende water in droge perioden en houd het element onkruid vrij. (Knot-)Bomen Bomen aanplanten met boompaal. Gebruik hiervoor milieuvriendelijke palen van Europees hardhout (eik, robinia en kastanje).
B ijlage 2 Bodemonderzoek Bijlagen 69 Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV S ingel 60, 9001 XP GROU Telefoon: +31 (0) 566-653130 Internet: www.bodemvisie.nl Rabobank, rekeningnummer NL38 RABO 0118.7529.79 KvK-nummer 58074201, BTW-nummer NL852861825B01 VERKENNEND BODEMONDERZOEK (inclusief asbest) G ruttoweg 1 te Kallenkote Opdrachtgever D e Maargies Hoeve Kallenkote 19 8345 HB KALLENKOTE Projectnummer Autorisatie 2 20159 Redactie: p araaf datum status De heer W.J. Slouwerhof 1 4-07-2022 Definitief Eindredactie/kwaliteitscontrole: paraaf D atum status De heer D.J. Westra 1 4-07-2022 Definitief
Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 2 van 19 INHOUD 1 INLEIDING 3 1.1 Voorwaarden en uitgangspunten 3 1.2 Indeling rapportage 3 2 VOORONDERZOEK 4 2.1 Algemeen 4 2.2 Bekende gegevens 4 2.3 Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese 4 3 UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN 6 3.1 Algemeen 6 3.2 Veldwerkzaamheden 6 3.3 Chemisch-analytisch onderzoek 7 3.4 Toetsingskader 7 4 RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK 9 4.1 Zintuiglijke waarnemingen 9 4.2 Analyseresultaten boven- en ondergrond 1 1 4.2 Analyseresultaten grondwater 1 3 4.4 Interpretatie onderzoeksresultaten 1 4 4.5 Toetsing hypothese 1 4 5 RESULTATEN VERKENNEND ASBESTONDERZOEK 1 5 5.1 Zintuiglijke waarnemingen 1 5 5.2 Analyseresultaten 1 5 5.3 Interpretatie onderzoeksresultaten 1 6 6 CONCLUSIES EN ADVIES 1 8 B IJLAGEN: 1. Topografische ligging 2. Situatietekening met monsternamelocaties 3. Profielbeschrijvingen 4. Analysecertificaten 5. Toetsing analyseresultaten 6. Verklaring omtrent veldwerk 7.
Omgevingsrapportage Overijssel Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 3 van 19 1 INLEIDING I n opdracht van De Maargies Hoeve is door Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd ter plaatse van de Gruttoweg 1 te Kallenkote. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van het perceel en de bouw van zorgappartementen. Doel van het bodemonderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) teneinde een uitspraak te kunnen doen of deze al dan niet een belemmering vormt voor de beoogde bestemmingswijziging/nieuwbouw. 1.1 Voorwaarden en uitgangspunten Bij een verkennend bodemonderzoek dienen de volgende normen te worden gevolgd.
- Voorafgaand aan het bodemonderzoek dient een vooronderzoek conform de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5725: “Bodem, leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek” te worden verricht; - Het verkennend bodemonderzoek dient te voldoen aan de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5740: “Bodem, onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek”; - Voor het verkennend bodemonderzoek asbest is de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5707+C2: Bodem -Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond’ gehanteerd; - Het verkennend onderzoek asbest dient te voldoen aan de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN)5897+C2: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat”. Volledigheidshalve merken wij op dat Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV een onafhankelijk opererend adviesbureau is, welke op generlei wijze verbonden is met de opdrachtgever voor het onderzoek of de eigenaar van de onderzoekslocatie. 1.2 Indeling rapportage In het onderhavige rapport wordt eerst ingegaan op de locatiegegevens en het vooronderzoek. Ve rvolgens komen de veldwerkgegevens, het laboratoriumonderzoek en de analyseresultaten aan bod. De rapportage wordt afgesloten met een bespreking van de analyseresultaten en de bijbehorende conclusies.
Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 4 van 19 2 VOORONDERZOEK 2.1 Algemeen Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN 5725. In het kader van het vooronderzoek is informatie i ngewonnen uit de volgende bronnen: - informatie van de opdrachtgever; - informatie van de provincie Overijssel; - interpreteren van topografische en geohydrologische kaarten; - interpretatie van tekeningen van de huidige situatie; - een locatie-inspectie. 2.2 Bekende gegevens De locatie is gelegen aan de Gruttoweg 1 te Kallenkote en is kadastraal bekend als: gemeente St eenwijk, sectie H, nummers 610 en 611. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 11.500 m². Op de locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd geweest. De bestaande agrarische bedrijfspanden zullen worden gesloopt. Het buitenterrein is deels verhard met klinkers. Inpandig is mogelijk een betonvloer aanwezig. De opdrachtgever is voornemens op de locatie 12-16 zorgappartementen te realiseren. Langs de westzijde van het perceel zal een nieuwe sloot worden gegraven. Op basis van het bodeminformatiesysteem van de gemeente Overijssel blijkt, dat op de locatie een bovengrondse petroleumtank aanwezig is geweest (periode 1970-1980).
Op de locatie zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken en een bodemsanering uitgevoerd, te weten: - Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Gruttoweg 1 te Kallenkote, Ecoreest BV, opdrachtnummer 070651, d.d. 13 juli 2007 (rapportage is niet digitaal beschikbaar); - Nader onderzoek ter plaatse van Gruttoweg 1 te Kallenkote, Ecoreest BV, opdrachtnummer 070735, d.d. 31 augustus 2007; - BUS-melding Gruttoweg 1 te Kallenkote, Ecoreest BV, d.d. 11 januari 2008; - Evaluatieverslag sanering ter plaatse van Gruttoweg 1 te Kallenkote, Ecoreest BV, opdrachtnummer 080346, d.d. 31 oktober 2008. Uit de bevindingen van de twee bodemonderzoeken blijkt dat ter plaatse van de voormalige petroleumtank een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond is aangetoond. In het grondwater zijn sterke verontreinigingen met minerale olie en BTEX aangetoond. Uit het evaluatieverslag van de uitgevoerde bodemsanering blijkt dat, onder de bebouwing, een restverontreiniging met minerale olie is achtergebleven. Het overige deel van de sanering voldoet aan de terugsaneerwaarde (< streefwaarde). In het grondwater is een lichte verontreiniging met minerale olie achtergebleven. De locatie van de uitgevoerde sanering en de restverontreiniging valt buiten het te kopen deel van de locatie.
2.3 Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese Het onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren v an verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie gehanteerd voor een verdachte niet- lijnvormige locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld op schaal van monsterneming (VED- HE-NL). Bij de verdeling van de boringen is rekening gehouden met de nieuw te graven sloot. Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 5 van 19 Voor het verkennend bodemonderzoek asbest, ter plaatse van de opstallen met asbestverdachte d akbeplating (zonder dakgoot), wordt aangesloten bij de “NEN 5707+C2:2017 ‘Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”. Hierbij wordt de onderzoeksstrategie gehanteerd, voor een verdachte toplaag, plaatselijke bodembelasting, duidelijke kern (§ 6.4.4). Tijdens het onderzoek zijn handmatig gaten gegraven van 0,3 x 0,3 x 0,5 m. Tijdens de veldwerkzaamheden is, op een deel van de locatie, een laag menggranulaat aangetroffen. Het voorkomen van puin in de bodem dient als indicator te worden beschouwd voor de mogelijke aanwezigheid van asbest.
Derhalve is het onderzoek aangevuld met een verkennend asbestonderzoek. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5897+C2 ‘Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat’. Hierbij is de onderzoeksstrategie gehanteerd, voor een open halfverharding (§ 6.5.2). N B: Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5740), welke is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden te worden met een zeker restrisico. Tevens wordt erop gewezen, dat onderhavig onderzoek een momentopname is. Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 6 van 19 3 UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN 3.1 Algemeen De werkzaamheden zijn uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000 protocol 2001: ‘Plaatsen van h andboringen en peilbuizen en nemen van grondmonsters etc’., protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’ en protocol 2018: ‘Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in grond’ (versie 6.0, d.d. 01-02-2018). Voor deze protocollen is Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV in het bezit van een procescertificaat (certificaatnummer: NC-SIK-20350), welke is afgegeven door Normec Certification BV.
De chemische analyses zijn uitgevoerd door het, door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde, laboratorium van SGS Environmental services B.V. te Rotterdam. Het onderzoeksprogramma is in tabel 3.1 opgesomd. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma Locatie Verricht onderzoek Meetpuntnummer Analysepakket Gruttoweg 1 te Kallenkote (ca. 11.500 m²) 19 x boring tot 0,5 à 1,0 m-mv 4 x boring tot 2,0 m-mv 2 x boring met peilbuis 14 x inspectiegat 30*30 cm 01 t/m 25 G01 t/m G14 7 x standaardpakket grond 2 x standaardpakket grondwater 5 x asbest in grond (NEN5898) 1 x asbest in puin (NEN5898) 1 x plaatmateriaal (NEN5896) Toelichting op tabel: m -mv: meter minus maaiveld; Standaardpakket grond: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK (VROM 10), minerale olie, PCB’s; Standaardpakket grondwater: metalen, vluchtige aromaten (BTEXN en styreen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (18 verbindingen), minerale olie; 3.2 Veldwerkzaamheden Het veldwerk is uitgevoerd op 1 en 2 juni 2022 (plaatsen boringen en peilbuizen) door de heer E. Rijpstra e n op 1 juli 2022 (graven inspectiegaten en bemonstering grondwater) door de heer T. van der Meulen. De locaties van de boringen, peilbuizen en inspectiegaten staan weergegeven op de situatietekening (bijlage 2). Het opgeboorde materiaal is beoordeeld op textuur, kleur en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen.
De gegevens van de monsterpunten zijn verwerkt tot boorprofielen, welke zijn opgenomen als bijlage 3. De globale bodemopbouw en de relevante zintuiglijke waarnemingen zijn beschreven in paragraaf 4.1. Voor het vaststellen van een eventueel aanwezige olieverontreiniging is gebruik gemaakt van de olie-op- water-test. De grootte en de kleurschakering van de oliefilm op het werkwater geven een indicatie van de mate van verontreiniging. Voor het laboratoriumonderzoek zijn van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) uit iedere boring grondmonsters genomen. Uit de boringen tot 2,0 m-mv is per iedere halve meter een grondmonster genomen. Bodemlagen met afwijkende kenmerken (textuur, kleur, aanwezigheid bodemvreemd materiaal, etc) zijn apart bemonsterd. Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 7 van 19 3.3 Chemisch-analytisch onderzoek De samenstelling van de analysepakketten is als volgt: St andaardpakket grond: - zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink; - Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK); - PCB’s (Polychloorbifenyl); - minerale olie (GC).
Standaardpakket grondwater: - zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink; - vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN); - vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen; - minerale olie (GC). 3.4 Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Wet Bodembescherming. Het t oetsingskader bestaat uit achtergrond- (voor grond) en streefwaarden (voor grondwater) alsmede interventiewaarden. Het gemiddelde van achtergrondwaarde (voor grond) of streefwaarde (voor grondwater) en de interventiewaarde wordt als tussenwaarde aangeduid. Een beschrijving van de waarden is hieronder weergegeven: Achtergrondwaarden (AW) (alleen voor grond) De achtergrondwaarden geven de milieuhygiënische kwaliteit voor bodem, waarop geen locatie- specifieke bodembelasting is opgetreden. De achtergrondwaarden geven derhalve de gemiddelde gehalten van de parameters in gebieden, waarin geen antropogene beïnvloeding van de bodem heeft plaatsgevonden. Streefwaarden (S) (alleen voor grondwater) De streefwaarden geven het uiteindelijk te bereiken kwaliteitsniveau voor de bodem aan. De streefwaarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondconcentraties, of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. Ook is er een risicobenadering in de streefwaarden geïntegreerd.
Tussenwaarden (T) De tussenwaarde ofwel het criterium voor nader onderzoek (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde) is vastgesteld om aan te geven dat een nader onderzoek nodig is. Voor stoffen waarvoor geen achtergrondwaarde is vastgesteld, dient ½ (interventiewaarde) gehanteerd te worden. Interventiewaarden (I) De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Indien de interventiewaarde voor grond een bodemvolume van 25 m³ of voor grondwater een bodemvolume van 100 m³ overschrijdt, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor asbest geldt dit omvangscriterium niet en is er al sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, als de interventiewaarde in enig bodemvolume wordt overschreden. In bijzondere situaties kan ook bij concentraties beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem. Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 8 van 19 De achtergrond- en interventiewaarden in de grond zijn gerelateerd aan het gehalte aan lutum en o rganische stof (humus) van de bodem.
Wanneer een gehalte tussen de achtergrondwaarde/ streefwaarde en de tussenwaarde ligt, wordt dit in de tekst aangeduid als een licht verhoogd gehalte. Een gehalte tussen de tussenwaarde en de interventiewaarde wordt aangeduid als een matig verhoogd gehalte. Een gehalte boven de interventiewaarde wordt aangeduid als een sterk verhoogd gehalte. Het toetsingskader bevat een aantal voorschriften voor toetsing in het geval het gehalte/ de concentratie van één parameter of de gehalten/ concentraties van één of meer stoffen behorend bij een somparameter beneden de detectiegrens liggen. In dit geval dient de detectiegrens met een factor 0,7 vermenigvuldigd te worden en vervolgens getoetst. In de onderhavige rapportage zijn overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden, die uitsluitend het gevolg van dergelijke statistische bewerkingen, genegeerd. Dergelijke toetsingsresultaten hebben ons inziens geen toegevoegde waarde. Uitsluitend, wanneer sprake is van significante overschrijding van de toetsingswaarden door de detectiegrenzen, worden waarden beneden detectiegrenzen behandeld.
Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 9 van 19 4 RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK 4.1 Zintuiglijke waarnemingen In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per te onderscheiden bodemlaag omschreven. In tabel 4 .1 is de globale bodemopbouw weergegeven, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden is aangetroffen. In tabel 4.3 zijn de resultaten van metingen tijdens de bemonstering van het grondwater weergegeven. Tabel 4.1: globaal overzicht bodemopbouw Diepte (m-mv.) Samenstelling 0,0 - 0,5 Zand, matig fijn tot matig grof, zwak tot matig siltig, niet tot matig humeus 0,5 - 3,15* Leem, zwak tot sterk zandig / zand, matig fijn, matig tot sterk siltig, niet tot zwak humeus *: maximale boordiepte I n tabel 4.2 is een overzicht opgenomen van de zintuiglijke waarnemingen, die tijdens de veldwerkzaamheden zijn gedaan. Tabel 4.2: zintuiglijke waarnemingen Boring bodemtraject (m-mv) waarneming 03 0,20-0,40 Uiterst slakkenhoudend 17 0,00-0,15 Menggranulaat op worteldoek 11 0,00-0,25 Menggranulaat op worteldoek 23 0,00-0,45 Menggranulaat G01 0,00-0,30 Menggranulaat G02 0,00-0,15 Menggranulaat G11 0,00-0,15 Asbestverdacht materiaal (10 stukjes) Tijdens de veldwerkzaamheden is op het achterterrein en in het toegangspad een laag menggranulaat aangetroffen.
Menggranulaat is in principe asbestverdacht, tenzij het onder certifcaat is aangebracht. Het toegangspad is recent aangebracht en derhalve waarschijnlijk onder certificaat aangebracht. Ter plaatse van het menggranulaat op het achterterrein is een verkennend onderzoek asbest conform de NEN5897 uitgevoerd. Op de opstallen zijn asbestverdachte golfplaten aanwezig. De opstallen zijn niet voorzien van een dakgoot. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek asbest conform de NEN5707 uitgevoerd. Op het maaiveld, ter plaatse van graafgat G12, zijn grote stukken asbestverdacht materiaal waargenomen en in de opgeboorde grond is, in graafgat G11, asbestverdacht materiaal aangetroffen (circa 10 stukjes). In de overige graafgaten is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Voor de resultaten van het verkennend bodemonderzoek asbest wordt verwezen naar hoofdstuk 5. In tabel 4.3 zijn de resultaten van metingen tijdens de bemonstering van het grondwater weergegeven. T abel 4.3: resultaten van metingen aan het grondwater Peilbuis nr.
Filterdiepte (m-mv) Grondwaterstand (m-mv) pH-waarde ( -/-) Troebelheid (NTU) EC (µS/cm) 04 2,15-3,15 1,32 6,0 34,5 535 12 2,0-3,0 1,42 5,8 85 492 Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 10 van 19 De gemeten waarden in het grondwater wijken, met uitzondering van een verhoogde NTU (>10), niet af v an de waarden, welke onder de natuurlijke omstandigheden verwacht kunnen worden. Aanvullend onderzoek naar een verhoogde troebelheid (NTU>10) wordt echter niet noodzakelijk geacht. Project : Verkennend bodemonderzoek Gruttoweg 1 te Kallenkote Projectnummer : 220159 © Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, Singel 60, 9001 XP GROU 11 van 19 4.2 Analyseresultaten boven- en ondergrond De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. In de tabellen in bijlage 5 zijn de analyseresultaten g etoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. De resultaten van de toetsing zijn in tabel 4.4 opgesomd.
Tabel 4.4: Analyseresultaten grond (as3000) monsters (gehalten in mg/kgds, tenzij anders aangegeven) Monstercode MM01bg1 MM02bg2 MM03bg3 MM04bg4 Bodemtypebt) 1 2 3 4 or br or br or br or br monster voorbehandeling() Ja -- Ja -- Ja -- Ja -- droge stof(gew.-%) 87.8 -- -- 82.4 -- -- 91.4 -- -- 81.1 -- -- gewicht artefacten(g) <1 -- -- <1 -- -- <1 -- -- <1 -- -- aard van de artefacten(-) Geen -- Geen -- Geen -- Geen -- organische stof (gloeiverlies)(% vd DS) 2.1 -- -- 8.2 -- -- 0.8 -- -- 8.6 -- -- KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem)(% vd DS) 3.2 -- -- 3.0 -- -- 2.2 -- -- 2.2 -- -- METALEN barium+ <20 47.2 21 72.3 <20 52.9 <20 52.9 cadmium <0.2 0.236 <0.2 0.185 <0.2 0.24 <0.2 0.184 kobalt 2.0 6.22 <1.5 3.33 <1.5 3.61 <1.5 3.61 koper 5.6 11.1 5.5 9.12 <5 7.19 <5 5.87 kwik° <0.05 0.0493 <0.05 0.0472 <0.05 0.0501 <0.05 0.0476 lood <10 10.8 <10 9.72 <10 11 <10 9.79 molybdeen <0.5 0.35 <0.5 0.35 <0.5 0.35 <0.5 0.35 nikkel 4.5 11.9 4.3 11.6 <3 6.02 3.2 9.18 zink <20 31.2 21 41.2 <20 32.9 <20 28.2 POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen <0.01 -- -- <0.01 -- -- <0.01 -- -- <0.01 -- -- pak-totaal (10 van VROM) (0.7 factor) 0.264 0.264 0.161 0.161 0.07 0.07 0.254 0.254 POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) som PCB (7) (0.7 factor)(µg/kgds) 4.9 23.3 a 4.9 5.98 4.9 24.5 a 4.9 5.7 MINERALE OLIE totaal olie C10 - C40 <20 66.7 <20 17.1 <20 70 30 34.9 Monstercode en monstertraject 1 13682605-001