CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

OMG - BOPA Steenwijk, Oostermeentherand 4.pdf (geanonimiseerd) (1)

Raadsvergadering 1 oktober 2024, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Omgevingsvergunning, bouw van een zonne-carport, Oostermeentherand 4, Steenwijk14.297 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. 4. 1. 6 Conclusie Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect geluid wordt verder behandeld in het onderdeel milieuzonering in paragraaf 4. 5. 4. 2 Bodemkwaliteit 4. 2. 1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

• • De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • Op grond van artikel 5. 89i en artikel 5. 89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5. 89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5. 89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5. 89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. • • • Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4. 2. 2 Situatie projectgebied Het voornemen voorziet in het plaatsen van een zonnecarport, wat in feite een overkapping is.

Naast een aantal palen die in het midden van deze overkappingen zullen worden geplaatst, wordt de grond verder niet geroerd. Er is tevens geen sprake van het toevoegen van een milieugevoelige functie. Een verkennend bodemonderzoek wordt voor voorliggende ontwikkeling niet nodig geacht. 4. 2. 2 Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 22 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept 4. 3 Luchtkwaliteit 4. 3. 1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO) 2 en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; • • Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate 3 bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.

Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 2. 4. 3. 2 Situatie projectgebied Gelet op de aard en omvang van dit voornemen, in verhouding tot de standaard gevallen NIBM (artikel 5. 54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend voornemen 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 4. 3. 3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 4 Omgevingsveiligheid 4. 4. 1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.

1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 23 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. • • Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4. 2. 14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl) • • • 4. 4. 2 Situatie in en bij het projectgebied BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 24 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept Afbeelding 4. 1 Uitsnede risicokaart (Bron: ev-signaleringskaart. nl) In afbeelding 4. 1 is een uitsnede van de EV Signaleringskaart opgenomen. Het projectgebied wordt met een rode ster aangeduid.

In de nabijheid van het projectgebied zijn meerdere risicovolle objecten of inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden aanwezig. Normaliter moet het plaatsgebonden risico en het groepsrisico hiervoor worden verantwoord. Een verantwoording op het groepsrisico kan in dit geval echter achterwege worden gelaten. De huidige functie van het projectgebied is een parkeerterrein voor het naastgelegen bedrijf Delaval. Dit zal ongewijzigd blijven en deze parkeerplaatsen zullen enkel worden voorzien van zonnecarports. Het aspect externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Verder zijn er in en direct rondom het projectgebied geen risicobronnen. Er is geen opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4 Bkl). Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). In de nabijheid van het projectgebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). Ten slot ligt het projectgebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het project. 4. 4.

3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 25 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept 4. 5 Milieuzonering 4. 5. 1 Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het projectgebied de oude systematiek. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.

4. 5. 2 Situatie projectgebied Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied maakt onderdeel uit van een bedrijventerrein, gelegen aan een snelweg. De omgeving kan daarom worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1. 000 m 1.

500 m Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0 m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1. 000 m 1 2 3. 1 3. 2 4. 1 4. 2 5. 1 5. 2 5. 3 6 Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 26 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept 1. 2. past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Een zonnecarport betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling hinder ondervindt van de bestaande functies in de omgeving.

Met het voornemen wordt een bestaande parkeerplaats voorzien van een zonnecarport. Omliggende bedrijven worden hiermee niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Ter plaatse van het projectgebied zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 4. 5. 3 Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 6 Ecologie 4. 6. 1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4. 6.

2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000- gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000- gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. BJZ.

nu Ruimtelijke plannen en advies 27 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 3. In afdeling 8. 6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het (NNN) is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4. 6.

3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. • In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4. 6. 4 Situatie projectgebied Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘De Wieden’, gelegen op 3,6 kilometer afstand van het projectgebied.

Gezien de aard en de omvang van het projectvoornemen, in combinatie met de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied kan worden geconcludeerd dat er geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5. 1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt niet in of nabij het NNN. Aangezien het NNN geen externe werking kent, wordt geconcludeerd dat voorliggend projectvoornemen geen negatief effect heeft op het NNN. Een verdere toetsing aan het NNN is niet aan de orde. Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Voorgenomen ontwikkeling voorziet een bestaande parkeerplaats van een zonnecarport. Het projectgebied is in de huidige BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 28 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept situatie al volledig verhard en van het aantasten van ecologische waarden is dan ook geen sprake. Er wordt geen bebouwing gesloopt en/of beplanting gerooid. Een quickscan flora en fauna is daarmee niet noodzakelijk. 4. 6.

5 Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 7 Archeologie & cultuurhistorie 4. 7. 1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1. 2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt.

Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5. 129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5. 130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. • • • • • Hierna wordt nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. 4. 7. 2 Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.

Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4. 7. 3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 29 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. 4. 7. 4 Situatie projectgebied Archeologie In het omgevingsplan van rechtswege (het bestemmingsplan Steenwijk en Tuk) is een archeologische dubbelbestemming opgenomen ter plaatse van het projectgebied, te weten ‘Waarde – Archeologie 2’. onderhavig plan voorziet echter niet in een bodemverstorende activiteit, gezien er nauwelijks bouw- of sloopwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Er zullen enkel een aantal palen worden geplaatst om de overkappingen te ondersteunen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie Het projectgebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoed kaart van Atlas Leefomgeving, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Verder zullen er geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Hiermee is enige aantasting van cultuurhistorische waarde bij voorbaat uitgesloten. 4. 7. 5 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 8 Welstand 4. 8. 1 Algemeen Artikel 22. 29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De gemeente Steenwijkerland heeft in 2022 het ‘Welstandsniveau Groen, Oranje en Rood – Regels voor bebouwing’ opgesteld. Voorgenomen ontwikkeling valt onder het niveau ‘Groen’. 4. 8. 2 Criteria Een vrijstaand bijgebouw of overkapping bij een hoofdgebouw voldoet altijd aan redelijke eisen van welstand, als bij het bouwen van dit gebouw wordt voldaan aan de welstandsregels voor kleur- en materiaalgebruik.

In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die de positie en de afmetingen van een vrijstaand bijgebouw of overkapping bepalen. Kleur- en materiaalgebruik • het materiaalgebruik van een vrijstaand bijgebouw of overkapping bestaat niet uit glimmende of spiegelende materialen, met uitzondering van glas in kozijnen, ramen en deuren, en/of materialen die specifiek bedoeld zijn voor industriële bebouwing, zoals bijvoorbeeld damwandprofielplaat; het kleurgebruik van een vrijstaand bijgebouw of overkapping kent geen felle of fluorescerende kleuren. • 4. 8. 2 Situatie projectgebied Met voorgenomen ontwikkeling is rekening gehouden met de welstandseisen van gemeente Steenwijkerland. Zonnepanelen zijn in principe glimmend en/of spiegelend. Echter zijn deze naar boven gericht waardoor dit niet vanaf het straatzicht zichtbaar is en tot hinder kan leiden. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 30 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept 4. 8. 3 Conclusie Voorliggend initiatief voldoet aan de eisen die worden gesteld aan welstand. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 9 Trillingshinder 4. 9. 1 Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4. 2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden.

Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In paragraaf 22. 3. 5 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor.

Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4. 9. 2 Situatie projectgebied Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2. 3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22. 41 van de bruidsschat. Het projectgebied bevindt zich op circa 0,8 km van de dichtstbijzijnde spoorverbinding. Voorgenomen ontwikkeling voorziet bovendien enkel in het realiseren van een zonnecarport die als overkapping van een bestaand parkeerterrein fungeert. Het uitvoeren van een onderzoek naar trillingshinder wordt voor voorliggende ontwikkeling niet noodzakelijk geacht. 4. 9. 3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 10 Gezondheid 4. 10. 1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid.

Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). • BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 31 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.

Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent voorliggende ontwikkeling is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 4. 10. 2 Situatie projectgebied Voor voorliggend initiatief is in deze onderbouwing zo goed mogelijk afgewogen op welke manieren de ontwikkeling invloed zal hebben en beïnvloed wordt door omliggende activiteiten zonder dat de gezondheid van de omliggende bewoners negatief wordt beïnvloed. In deze onderbouwing is dit bereikt door te onderbouwen dat bij alle relevante milieuparagrafen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt. Vanuit dit wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit niet verslechtert. 4. 10. 3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. 4. 11 Geur 4. 11. 1 Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting.

Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5. 91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8. 20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met de geurnormen in het omgevingsplan.

De gemeente stelt een geurnorm vast in het omgevingsplan, waarbij: • Een waarde moet worden opgenomen voor de toelaatbare geur op een gebouw. Het Rijk geeft daar een standaardwaarde bij aan die een gemeente zonder nadere motivering kan overnemen in het omgevingsplan. De opgenomen waarde in het omgevingsplan wordt ook wel de ‘geurnorm’ genoemd. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 32 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept • De gemeente kan in haar omgevingsplan een afwijkende waarde opnemen die hoger of lager is dan de standaardwaarde, zolang deze niet hoger is dan de grenswaarde. In artikel 5. 109 Bkl staat naast de standaardwaarde ook de grenswaarde aangegeven. De afwijkende waarde is dan de geldende geurnorm. Het omgevingsplan moet de zogenaamde 50%-regeling bevatten. Ook moeten in het omgevingsplan minimale afstanden opgenomen worden, waar een stal bij bouw aan moet voldoen. • • Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden • • • 4. 11. 2 Situatie projectgebied Zonnecarports worden niet aangemerkt als milieugevoelig.

Er is dan ook geen sprake van (onaanvaardbare) geurhinder in het projectgebied. 4. 11. 3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4. 12 Waterhuishouding 4. 12. 1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Zoals in paragraaf 3. 3 uiteen is e gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4. 12.

2 Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure' van de watertoets van toepassing is. Het waterschap geeft hiermee aan geen bezwaren te hebben tegen voorgenomen ontwikkeling, mits de 'standaard waterparagraaf' wordt toegepast. Het watertoets resultaat en de standaard waterparagraaf zijn bijgevoegd in Bijlage 1. Momenteel wordt binnen het projectgebied het regenwater op de aanwezige verharding afgevoerd via het bestaande rioleringssysteem. In de nieuwe situatie wordt het water dat op de overkappingen van de zonnecarports valt binnen achtergelegen groenstrook door de achtergelegen groenstrook opgenomen. Omdat BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 33 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept voorliggende ontwikkeling verder niet voorziet in een verandering aan de inrichting van het terrein die van invloed is op de waterhuishouding wordt van een verdere onderbouwing van het onderwerp afgezien. 4. 12. 4 Conclusie Vanuit het aspect waterhuishouding is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. 4. 13 M. e. r. -beoordeling 4. 13.

1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een BOPA volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16. 4. 2 van de Omgevingswet en afdeling 11. 2 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit, staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer- beoordelingsplicht is geldt. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e. d. ). • • • Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m. e. r. - beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Het aparte m. e. r. -beoordelingsbesluit is komen te vervallen onder de Omgevingswet. 4. 13.

2 Project-mer-beoordeling • Artikel Omgevingswet: 16. 43 en 16. 88 (eerste lid, onder h). Artikel Omgevingsbesluit: 11. 11. Nadere regels project--mer-beoordeling. • Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16. 43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11. 11, lid 2 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing (art. 11. 11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11. 10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. a. b. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11. 10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16. 45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.

het project, met in ieder geval een beschrijving van: de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en a. b. 2. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 34 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. a. b. 4. 13. 3 Situatie projectgebied In voorliggend geval wordt er enkel voorzien in de aanleg van een zonnecarport en blijft de functie van het projectgebied verder ongewijzigd. Dit is een dermate kleinschalige ontwikkeling waarvoor geen m. e. r. beoordelingsplicht geldt. De activiteit komt niet voor als milieubelastende activiteit in bijlage V van het Omgevingsbesluit. 4. 13. 4 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 35 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept HOOFDSTUK 5 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 5. 1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Voorgenomen ontwikkeling voorziet enkel in de aanleg van een zonnecarport. De functie die ter plaatse geldt, zal tevens ongewijzigd blijven. Bij moderne zonnepanelen is er nauwelijks sprake van reflectie, omdat licht dat gereflecteerd wordt niet effectief is voor het opwekken van elektriciteit. Het percentage reflecties gaat om 3 à 5% bij een normale lichtinval. De reflecties (voor zover nog aanwezig) hangen daarbij af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hoek van de invallende lichtstraal bepaalt de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder. De zonnepanelen van de zonnecarport worden gerealiseerd in een hellingshoek van 15 graden.

Ook zijn er bomen aanwezig tussen het perceel en het dijk van het kanaal die het zicht op de zonnecarport verkleinen. Gelet op vorenstaande wordt er geen hinder verwacht voor omliggende percelen. Gezien de (duurzame) aard, de omvang van het projectvoornemen, en de locatie van de ontwikkeling worden hier geen negatieve reacties op verwacht. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 36 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept HOOFDSTUK 6 FINANCIËLE HAALBAARHEID 6. 1 Algemeen De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Dat is minder verstrekkend. De Omgevingswet maakt het mogelijk dat dit onderzoek gefaseerd kan worden. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Dit heeft als voordeel dat de onderzoekslasten omlaag kunnen. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Bij een BOPA die voldoende concreet is, moet dus de uitvoerbaarheid wel worden aangetoond.

Ten eerste zal worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. Deze nieuwe onuitvoerbaarheidstoets leidt tot minder mogelijkheden voor het gemeentebestuur om een bestemming te weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn. 6. 2 Kostenverhaal Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt voor een BOPA niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13. 18 Ow). Ook wel de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld genoemd. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8. 13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8. 14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8. 15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13. 12 Ow).

Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8. 13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. 6. 3 Situatie projectgebied In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd. BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 37 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept BIJLAGE BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1 Watertoets BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 38 BOPA Oostermeentherand 4, Steenwijk Concept BJZ. nu Ruimtelijke plannen en advies 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/dee81cc1-01b2-405a-8d2c-30a0c3b61186?agendaItemId=742810b1-81e2-4850-84e0-19c66757bf16