CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

OMG.BOPA-Bijlage-2-Natuurwaardenonderzoek.pdf-(Geanonimiseerd)

Politieke Markt 2 september 2025, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Aanvraag omgevingsvergunning voor het realiseren van een overdekt zwembad met bijbehoren, Paasloërweg 12 Paasloo11.992 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte , kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage , natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Slaapmuizen Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in Zuid- Limburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in overgangsvegetaties , lintvormige landschapselementen , opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes.

En ook in aanliggende , braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties , zoals boomgaarden , kan de soort worden aangetroffen. In gebouwen komt hij zelden voor. Het is dan ook niet aannemelijk dat de veldspitsmuis aanwezig is op de planlocatie. Bij het raadplegen van NDFF en dergelijke databases kwamen geen waarnemingen op en nabij de planlocatie naar voren. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Omgevingswet. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. 30 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Noord-Brabant. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Een nader onderzoek molmuis wordt niet noodzakelijk geacht. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. In de diverse databases zijn verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

Het plangebied vertoont geen essentiële functie voor de eekhoorn , wegens het ontbreken van potentiële voortplantings- en/of rustplaatsen en het ongeschikte habitat (intensief beheerd gazon). Een nader onderzoek naar eekhoorn wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Haasachtigen , egel en vos Sporen zijn van deze soorten zijn niet aangetroffen. In de diverse databases zijn verspreidingsgegevens bekend van egel , haasachtigen en vos nabij het plangebied. Haasachtigen en de vos zijn door de provincie Overijssel voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Omliggende groenelementen zoals de houtstruwelen en het kleine bosgebied zijn wel uitermate geschikt voor de egel. Deze groenelementen blijven behouden. Marterachtigen Op het perceel zijn geen sporen van marterachtigen aangetroffen in de vorm van prooiresten of verblijfplaatsen. Potentiële holen waar de kleine marters gebruik van zou kunnen maken zijn niet waargenomen. De planlocatie kent geen rommelhoekjes / schuilhoeken. Gesteld kan worden dat marterachtigen op de planlocatie naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen voorkomen. De drie V’s (verblijfplaats , veiligheid/dekking en voedsel) zijn niet aanwezig. De werkzaamheden betreffen het bestaande gazon , hetgeen ongeschikt is voor deze soorten. Het omliggende geschikte habitat voor (kleine) marterachtigen blijft intact.

Een nader onderzoek marterachtigen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Noord-Brabantse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen overige zoogdieren voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Advies / Conclusie Ten aanzien van zoogdieren worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. 31 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK 5. 2. 5 Overige soorten Amfibieën In Nederland komen een aantal algemeen voorkomende amfibieënsoorten voor. Dit zijn de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) , gewone pad (Bufo bufo) , bruine kikker (Rana temporaria) , bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Deze eerder genoemde soorten zijn door de provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet.

Naast deze algemene vrijgestelde soorten komen ook een aantal zeldzame beschermde amfibieënsoorten verspreid door Nederland voor , namelijk de poelkikker (Pelophylax lessonae) , heikikker (Rana arvalis) , knoflookpad fuscus) , (Pelobatus calamita) , (Epidalea rugstreeppad arborea) , (Hyla boomkikker vroedmeesterpad (Alytes obstetricans) , geelbuikvuurpad (Bombina variegata) , kamsalamander (Triturus cristatus) , alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) , vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) en vuursalamander (Salamandra salamandra). Het natuurlijk verspreidingsgebied van de vuursalamander , geelbuikvuurpad en vroedmeesterpad in Nederland beperkt zich enkel tot specifieke leefgebieden in Zuid-Limburg. , zoals open groeven en hellingbossen met bronbeken. Wegens de ligging van het plangebied buiten het natuurlijk verspreidingsgebied en het ontbreken van potentieel geschikt habitat zijn deze soorten uitgesloten van de planlocatie. De vinpootsalamander is tevens een soort die voorkomt in het heuvellandschap van Zuid-Limburg. Daarnaast wordt deze soort enkel op heidegebieden in de rest van Limburg en delen van Noord-Brabant aangetroffen. Voortplantingswater van deze soort bestaat in heidegebieden uit vennen , plassen en bospoelen. In het heuvellandschap maakt de vinpootsalamander gebruik van onder andere drinkpoelen , zwakstromende beekjes en bronpoeltjes.

Aangezien het plangebied buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van de vinpootsalamander ligt en geschikt habitat ontbreekt kan deze soort worden uitgesloten van de planlocatie. Typische soorten waarvan het zwaartepunt van de verspreiding in het oosten en zuiden van het land ligt zijn de boomkikker en knoflookpad. De knoflookpad is een zeer zeldzaam amfibie met enkele vindplaatsen in Nederland die gebonden is aan stroomdalen van beken en rivieren , het is dan ook niet aannemelijk dat deze soort in het plangebied voorkomt wegens het ontbreken van geschikt habitat. De boomkikker is een in toenemende mate algemenere soort die een voorkeur heeft voor bos en struweel en met name op het land voorkomt in zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties. Deze vegetaties worden getypeerd door meerjarige kruiden en braamstruwelen. Het voortplantingswater bestaat uit ondiepe en stilstaande zonbeschenen plassen in kleinschalig landschap. Wegens het ontbreken van deze vegetatie , waterlichamen en de ligging van het plangebied wordt deze soort uitgesloten van de planlocatie. De kamsalamander wordt met name aangetroffen in bosrijk gebied dat getypeerd wordt door kleinschalige landschapselementen , zoals houtwallen , struwelen en diverse visvrije wateren. Voorbeelden daarvan zijn buitenwaarden van rivieren , beekdalen en landgoederen.

Wegens het atypische habitat waardoor het plangebied wordt gekenmerkt in combinatie met het ontbreken van geschikt voortplantingswater wordt de kamsalamander uitgesloten van het plangebied. Zowel de poelkikker als de heikikker komen verspreid over de noordelijke , oostelijke en zuidelijke provincies voor en bevolken dezelfde habitats , namelijk heide , hoog- en laagveen en half natuurlijk grasland. Echter , de poelkikker komt tevens voor op ruderale terreinen , akkerland en intensiever beheerde gebieden. Wegens het ontbreken van waterlichamen en het bebouwde karakter van het plangebied kunnen deze soorten worden uitgesloten van de planlocatie. 32 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK De alpenwatersalamander is een soort met voorkeur voor zandige leemgronden , waar hij voorkomt in bosgebieden en kleinschalige landschappen in het zuiden en oosten van het land. Deze soort stelt weinig eisen aan het voortplantingswater en komt ook voor in stedelijk gebied. Wegens het ontbreken van waterlichamen in combinatie met struwelen en heggen of bosrijk gebied is het niet aannemelijk dat deze soort voorkomt in het plangebied. De soort waarvan het zwaartepunt van haar verspreiding in het westen van het land ligt is de rugstreeppad.

Het is een pionierssoort die afhankelijk is van , al dan niet door de mens veroorzaakte , hoog dynamische plaatsen en laat zich het best omschrijven als laagbegroeide zonbeschenen terreinen met losgrondige zandige bodems. Daarnaast komt het dier voor in stabielere habitats , zoals heidegebieden en nabij sloten in akker- en graslandgebieden. Als voortplantingswater wordt met name tijdelijk water , bijvoorbeeld regenplassen gebruikt. Wegens het intensief beheerd gazon en het ontbreken van geschikt voortplantingswater is het niet aannemelijk dat deze soort voorkomt in het plangebied. Reptielen Van nature voorkomende reptielen in Nederland zijn de adder (Vipera berus) , gladde slang (Coronella austriaca) , ringslang (Natrix helvetica) , hazelworm (Anguis fragilis) , levendbarende hagedis (Zootoca vivpara) , muurhagedis (Podarcis muralis) en zandhagedis (Lacerta agilis). Met name de adder en gladde slang komen enkel in (vochtige) heide , veen- en open bosgebieden binnen natuurgebieden voor. De zandhagedis is gebonden aan zandige , droge open terreinen in heiden en duinen. Het natuurlijk verspreidingsgebied van de muurhagedis beperkt zich enkel tot Maastricht. Het is dan ook uitgesloten dat deze soorten zich bevinden op de planlocatie. Met name de ringslang , levendbarende hagedis en hazelworm worden regelmatig aangetroffen buiten natuurgebieden.

De levendbarende hagedis komt voor in open bossen en ruige graslanden. Tevens wordt deze soorten aangetroffen in bermen en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort en zoekt in het terrein dan ook de vochtige gebieden op , bijvoorbeeld de oevers van plassen in vochtig heidegebied. De hazelworm leeft in enigszins vochtige bosachtige gebieden met een dichte vegetatie en rijke strooisel laag. Voorbeelden van geschikt habitat is open bos , bosranden , heide , ruderale terreinen en tuinen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Wegens het intensief beheerde karakter van het plangebied en het ontbreken van potentieel geschikte habitats voor bovengenoemde soorten kunnen reptielen van de planlocatie worden uitgesloten. Vissen De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus) , beekprik (Lampetra planeri) , elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Noord-Brabant. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe.

De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. De grote modderkruiper is een soort van verlandende wateren en heeft een voorkeur voor ondiepe wateren met een dikke modderlaag en rijke waterplantenvegetatie. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied niet voor. 33 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Vlinders en libellen Beschermde dag- en nachtvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeer specifieke habitats en/of zeldzame waardplanten die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Beschermde libellen en waterjuffers zijn gebonden aan zeer specifieke wateren waar de larven ontwikkelen tot imago. Deze wateren zijn bijvoorbeeld voedselarme vennen in heide of hoogveen. Doorgaans bevinden deze soorten zich in beschermde natuurgebieden. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van beschermde vlindersoorten of aanwijzingen dat deze waardplanten aanwezig zijn op de planlocatie aangetroffen. Daarnaast zijn geen wateren aangetroffen die kunnen dienen als voortplantingswater voor beschermde libellen en waterjuffers.

Het is daarom uitgesloten dat er binnen de planlocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlinder- of libellensoort. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda) , de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Conclusie / Advies Ten aanzien van overige soorten worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht. 34 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK 5. 3 Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Overtreding op dit onderdeel Omgevingswet is niet aan de orde. De omgevingswet regelt de bescherming van houtopstanden.

Een bij wet beschermde houtopstand betreft zelfstandige de buiten griend of hakhout struiken , boomvormers , bomen , van eenheid een bebouwingscontouren , die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer , of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat , gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld- en herplantplicht. Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens van de bebouwingscontouren in de Omgevingswet vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt , soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant , zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond. Deze regel geldt niet voor: 1. Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwingscontouren; 2. Houtopstanden op erven of in tuinen; 3. Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; 4. Naaldbomen , kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen , indien niet ouder dan twintig jaar; 5. Kweekgoed; 6. Uit populieren of wilgen bestaande: a.

Wegbeplantingen; b. Beplantingen langs waterwegen , en c. Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; 7. Het dunnen van een houtopstand; 8. Uit populieren , wilgen , essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa , indien zij: a. Ten minste eens per tien jaar worden geoogst; b. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid , zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter , en zijn aangelegd na 1 januari 2013. 35 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 Verantwoording Literatuur / bronnen © _ Omgevingswet © _ Omgevingsverordening e _ Fauna nvertrisstc AN © _ 150416 Rapport. Effectafstanden_Natura_2000.pdf Materiaal e Camera e Zaklamp e _ Thermometer e _ Windmeter e Verrekijker e _ Endoscoop e Ladder (5 meter) e _UV-lamp Internet e _wwwrvonl e _wwwbijtenl e _wwww.verspreidingsatlas.nl e _ www zoogdiervereniging.nl e _www.ndff.nl e __www.synbiosysalterra.nl/natura2000 e _ https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten e _www.natura2000.nl (geanonimiseerd) © _www.planviewer.nl 36 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Verklarende woordenlijst Verblijfplaats Een object (gebouw , boom , bunker , grot , kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters , met enige regelmaat).

Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door dieren die niet in winterslaap zijn , waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep vrouwelijke dieren (bijv. vleermuizen) met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan , waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen , is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor. ) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere dieren in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij vleermuissoorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. dwergvleermuis gewone als soorten bij zijn Er winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. massawinterverblijfplaatsen en Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een dier of een groep dieren foerageert.

37 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Bijlagen 38 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK 39 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK 40 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Vrijgestelde soorten per provincie 41 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 11.27 , Bal). De specifieke zorgplicht schrijft voor dat bij flora- en fauna-activiteiten extra maatregelen dienen te worden genomen indien er aanwijzingen zijn voor het alle in het wild voorkomende flora en fauna. Dit geldt voor zowel beschermde soorten (vogelrichtlijnsoorten , habitatrichtlijnsoorten , nationaal beschermde soorten) , maar ook voor trekvogelsoorten (art. 4. 2 van de vogelrichtlijn) en Rode Lijst-soorten , ongeacht vrijstellingen , gedragscode of vergunning. De specifieke zorgplicht is ook van kracht voor de leefgebieden of natuurlijke habitats van bovengenoemde soorten. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert , moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen , beperken of ongedaan maken (in deze volgorde).

Als er door de flora- en fauna-activiteit nadelige gevolgen optreden voor deze soorten , dienen preventief passende maatregelen te worden getroffen. Als de activiteit al is aangevangen en er blijken onvoorziene nadelige gevolgen voor één of meerdere soorten , moet de activiteit gestaakt worden. Als stoppen niet mogelijk is , dienen herstelmaatregelen getroffen te worden. Of de getroffen maatregelen ook het beoogde effect hebben , dient tijdens en na uitvoer van de activiteit te worden nagegaan. Juridisch kader stikstofdepositie Vooralsnog blijft de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden grotendeels hetzelfde als onder de Wnb. Onder de Ow wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering voortgezet. Ook de beleidsregels met betrekking tot intern en extern salderen blijft voorlopig onveranderd , al is er wel een internetconsultatie afgerond voor het vergunning plichtig stellen van intern salderen. In de Ow is de mogelijkheid opgenomen voor vergunningverlening voor Natura 2000- activiteiten met een stikstofdepositie op basis van stikstofdepositieruimte volgens een register (huidig stikstofregistratiesysteem (SSRS)). Vanwege de noodzaak , zijn de regels voor het vrijgeven van stikstofdepositieruimte tijdelijk opgenomen in de Or in plaats van het Bkl totdat Bkl is gewijzigd.

De beoordelingsregel voor Natura 2000-activiteiten met stikstofdepositie betreft vergunningverlening aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS Register (art. 17a. 2 Or , tijdelijk i. p. v. art. 8. 74e Bkl). AERIUS Register registreert per stikstofgevoelig N2000-gebied wat de stikstofreductie is door stikstofmaatregelen en aan het register zijn gekoppeld. Hierbij is te denken aan onder andere sluitingen varkenshouderijen (art. 17a.3 , lid 1 Or). De stikstofdepositieruimte wordt alleen toebedeeld aan bouw van aardgasvrije woningen , bepaalde snelwegen of gemelde PAS-activiteiten (art. 17a.2 , leden 4 en 5 Or). Let op! voor vergunningverlening moet er wel eerst stikstofdepositieruimte zijn! Voor de bouwsector is het van belang dat door inwerkingtreding van de Ow ook het tweede deel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het bijbehorende Besluit in werking treedt , dat onder meer toeziet op een emissiereductieplicht. Deze plicht is uitgewerkt in artikel 7. 19a van het Bbl en houdt in dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden , adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken.

Volgens de toelichting van het hiervoor aangegeven besluit moeten initiatiefnemers informatie aanleveren over de maatregelen die bij een concreet project getroffen worden bij het indienen van een sloopmelding aan het bevoegd gezag. Indien er voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd , moet deze informatie bij deze aanvraag gevoegd worden. Voor de invulling van de emissiereductieplicht en het treffen van adequate maatregelen is er een programma Schoon en Emissie loos Bouwen (SEB) opgesteld. Op de website www. opwegnaarseb. nl staat meer informatie. 42 NATUURWAARDENONDERZOEK 52765 – PAASLOËRWEG 12 PAASLOO HARDERWIJK Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag , met uitzondering van de opdrachtgever , worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning , druk , internet , kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V. , noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B. V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade , alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B. V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is , kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna , noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2024 Ecofect B. V. ; Nunspeet 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/3f40f69e-ce9c-45ee-8e31-8c97b092d402?agendaItemId=e34bee34-724c-4df6-a8d0-8df1ff045a28