OMG.BOPA,-20-2-2025.pdf-(Geanonimiseerd) (2)
Tekst van het document
Ook het verkeer (bestaand) op het park is meegenomen in het onderzoek. Het aantal verkeersbewegingen zal overigens niet toenemen. Uit het rapport blijkt dat er sprake is van een rustig buitengebied. Dat houdt ook meteen in dat er met de strengste normen is gerekend. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan , zodat een goed (aanvaardbaar) woon en leefklimaat wordt gewaarborgd. Daartoe zijn de activiteiten (glijbaan /installaties) gemodelleerd en de geluidbelasting op de omgeving berekend en getoetst aan de richtwaarde van 45 dB(A) voor rustige buitengebieden (piekniveaus 20 dB(A) hoger). De geluidbelasting op de omgeving is bepaald met een rekenmodel. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM , 1999 , methode II.2 , II.3 , II. 7 en II. 8). Resultaten Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LArLT t. g. v. de bezoekers op de glijbaan en het nieuwe , buitenzwembad en de installaties bedraagt in de immissiepunten 1 - 5 bij de woningen hooguit 43 dB(A) overdag , 40 dB(A) in de avond en 23 dB(A) in de nacht. Daarbij is uitgegaan van de worst case situatie. Daarmee worden de richtwaarden in geen enkel punt overschreden. De maximale geluidniveaus LAmax t. g. v.
de kinderen op de glijbaan bedragen in de immissiepunten bij de woningen hooguit 54 dB(A) overdag , 56 dB(A) in de avond en 51 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden in geen enkel overschreden. 30 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 4. 5. 3 Conclusie De richtwaarden voor de langtijdgemiddeld en maximale geluidniveaus worden bij de woningen niet overschreden. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in de omgeving. Het aspect geluid is voor de realisatie van de plannen geen belemmering. 4. 6 Luchtkwaliteit 4. 6. 1 Algemeen Wettelijk kader In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO) 2 en fijnstof (PM) 10 opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 12 , ug/m.
3 Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren , woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie , maar niet binnen de gestelde grenzen , dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden , eventueel aangevuld met detailberekeningen. In artikel 5. 51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO) 2 en/of fijnstof (PM). 10 De gemeente Steenwijkerland is niet aangewezen als concentratiegebied. 4. 6. 2 Onderzoek Dit initiatief is qua grootte omvang zodanig klein dat de 3% grens bij lange na niet wordt overschreden. 4. 6. 3 Conclusie De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. 4. 7 Milieubelastende activiteiten 4. 7.
1 Algemeen Wettelijk kader Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs)activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 31 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009” , uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten , geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur , stof , geluid en gevaar.
Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en rustig buitengebied’; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd , bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. Relatie tussen milieucategorie , richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m 3. 1 50 m 30 m 3. 2 100 m 50 m 4. 1 200 m 100 m 4. 2 300 m 200 m 5. 1 500 m 300 m 5. 2 700 m 500 m 5. 3 1. 000 m 700 m 6 1. 500 m 1. 000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4. 7. 2 Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels , horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen , behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. 32 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 4. 7. 3 Onderzoek De aanleg van een extra buitenzwembad , een glijbaan en een nieuw binnenzwembad heeft geen gevolgen voor de woningen in de directe omgeving. Ook zijn er geen bedrijven die door de realisatie van de zwembaden in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. Bij zwembaden en waterglijbanen in met name het aspect geluid van belang. Er is sprake van rustig buitengebied. Voor een openluchtzwembad geldt een richtafstand van 200 meter. Binnen deze afstand liggen 5 woningen.
Aangezien niet aan de richtafstanden wordt voldaan is in april 2024 door adviesburo van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie 4. 5. 2). Hieruit blijkt dat ter plaatse van de woningen kan worden voldaan aan de geluidnormen. 4. 7. 4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4. 8 Water 4. 8. 1 Algemeen Wettelijk kader Artikel 5. 37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan , worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem , de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5. 38 t/m 5. 49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang.
Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5. 165 Bkl en paragraaf 22. 3. 8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5. 165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Waterbeleid De de van bescherming de voor richtinggevend is Water Kaderrichtlijn Europese oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied werden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 bereikt moesten worden. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
33 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland) , Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022-2027. Het bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem , de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen. Ook zijn de maatschappelijke doelen voor duurzaamheid , circulaire bedrijfsvoering , klimaatadaptatie , educatie en voorlichting uitgewerkt. Gemeentelijk Rioleringsplan 2022 tot en met 2026 Het beheer van het riool is één van de kerntaken van de gemeente. Het beleid voor rioleringszorg in Zwartewaterland staat in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP).
De visie van de gemeente is: Met een goed functionerende afvalwaterketen beschermd de gemeente de volksgezondheid , bevorderd de gemeente een goede leefomgeving en wordt schade aan het milieu voorkomen. De gemeente deeld de verantwoordelijkheid voor het goed laten functioneren van de afvalwaterketen met het waterschap en vele andere partners waaronder de inwoners. Zwartewaterland is als gemeente aan zet als het gaat om de voorzieningen voor vuilwater , hemelwater en grondwater op gemeentelijk grondgebied. De gemeente zamelt afvalwater in en transporteert en verwerkt dit op een duurzame manier. De gemeente voorkomt verontreiniging van schoon water , door afvalwaterstromen (huishoudelijk en bedrijfsafvalwater , hemelwater en grondwater) zoveel mogelijk te scheiden. Schoon water wordt lokaal teruggebracht in het milieu , vervuild water wordt getransporteerd naar de zuivering. De gemeente past de leefomgeving aan op extreme weersomstandigheden en bestrijdt wateroverlast door maatregelen in de openbare ruimte te nemen , waardoor water naar plekken geleid wordt waar het zo min mogelijk overlast geeft. Bij het uitvoeren van maatregelen wordt rekening gehouden met de gevolgen van klimaatverandering. De gemeente stimuleert haar inwoners ook om op particulier terrein passende maatregelen te nemen. Grondwater is een natuurlijk verschijnsel.
Het grondwatersysteem moet op een zo natuurlijk mogelijke manier functioneren. De gemeente pakt bestaande problemen aan en voorkomt nieuwe problemen. Overstromingsrisicoparagraaf Onder overstroombaar gebied worden de gebieden die normaal niet onder water staan verstaan , maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). 34 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Afbeelding 4. 3: Uitsnede overstromingskaart (plangebied rode stip) Zoals uit figuur blijkt is niet te verwachten dat er reële kans op een overstroming is. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater , daar waar mogelijk , te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is , is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid.
Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag , ongeacht de toegepaste methode , niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet , wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame , veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets , die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). 35 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 4. 8. 2 Onderzoek In december 2023 is door EDOK-RO de watertoets ingevuld (zie Bijlage 5 Watertoets). Op basis van de uitgevoerde watertoets geldt dat de normale procedure van toepassing is en enkele gebieds- en planspecifieke aspecten aan de orde zijn.
Op basis van de uitgevoerde watertoets is op 5 augustus 2024 de uitgangspuntennotitie ontvangen vanuit het Waterschap Drents Overijsselse Delta . Het gehele watertoetsdocument is als Bijlage 6 Uitgangpuntennotitie waterschap bij dit plan opgenomen. Hierna volgen nog de gebied specifieke adviezen vanuit het waterschap en daar waar mogelijk de manier waarop in de planvorming rekening is gehouden met de adviezen van het waterschap. Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Boezem Nw. Voor het plan is het van belang of er rond het plangebied oppervlaktewaterlichamen , ook wel watergangen genoemd , en/of een bergingsgebied aanwezig zijn. Bij watergangen wordt er onderscheidt gemaakt in A- en B-oppervlaktewaterlichamen. Binnen het plangebied liggen A- of -B-oppervlaktewaterlichamen die WDODelta beheert. Het peilgebied bevat één peilvak(ken) en heeft een maximumpeil van NAP -073 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil , afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Afbeelding 4. 4: Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied. De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +35 , m. De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit kalkloze zandgronden. Voor een analyse van diepere grondlagen kan gebruik worden gemaakt van Dinoloket.
De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 60 tot 80 cm onder het maaiveld. Watersysteem Aan- en afvoer van voldoende water en waarborgen van de kwaliteit en ruimte voor water. Watergangen Binnen het plangebied ligt een beperkingengebied van een A-watergang (met een beschermingszone) en/of B-watergang van WDODelta , zoals weergegeven in afbeelding 4. 5. Het beperkingengebied bij een A-watergang bestaat uit de watergang (van insteek tot insteek) en de 36 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo beschermingszone , zoals aangegeven in onderstaande afbeelding. Bij een B-watergang bevat het beperkingen gebied alleen de B-watergang. Afbeelding 4. 5: A-watergang (met een beschermingszone) Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd. Binnen beperkingsgebieden gelden regels om de functie van deze watergangen te borgen. De regels zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. Criteria oppervlaktewaterlichamen: A-oppervlaktewaterlichamen (25 > l/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): Dit zijn watergangen waar wij verantwoordelijk zijn voor de inrichting en het beheer en onderhoud.
B-oppervlaktewaterlichamen (10 > l/s afvoer en < 25 l/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): Wij zijn verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer , maar de aanliggende eigenaar van de watergang is verantwoordelijk voor het onderhoud (we noemen dat onderhoudsplichtig ). Op de B-watergangen wordt door het waterschap toezicht gehouden (dit noemen wij schouw). Overige oppervlaktewaterlichamen , ook wel C-watergangen genoemd (10 < l/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): De aanliggende eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud. Er geldt geen onderhoudsverplichting en wij houden geen toezicht of het onderhoud goed wordt uitgevoerd , behalve als de C-watergang in beheer is van WDODelta en met de omgeving onderhoudsafspraken zijn gemaakt. Er worden geen activiteiten uitgevoerd binnen de beschermingszone van een watergang. Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag u hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt , afvoeren , zonder dat dit leidt tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien , verblijft water voor korte tijd op het maaiveld , zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel wij als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast.
U houdt rekening met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: Vasthouden-bergen-afvoeren. Benutten , lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte. Gescheiden houden van hemelwater en rioolwater. Capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater. Eisen die aan woningen , andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Achterliggende gedachte hierbij is dat hemelwater niet meer afgevoerd mag worden op het riool en uitgangspunt moet zijn het watersysteem te ontlasten en gebiedseigen water daar vast te houden waar het valt. 37 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Compensatie nieuwbouw kleine plannen en uitbreidingslocaties (Stedelijk gebied & landelijk gebied < 500 m) 2 Voor kleine(re) plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. In het plan wordt 2 een verhard oppervlak van ongeveer 2. 000 m gerealiseerd. 2 Uitgaande van 2. 000 m afvoerend verhard oppervlak en een bergingsopgave van 80 mm betekent 3 dat er 160 m berging gerealiseerd moet worden. Aangezien er nabij het plangebied onvoldoende ruimte is voor wadi's worden in het aangrenzende grasveld voldoende infiltratiekratten aangebracht.
Het hemelwater van verharde oppervlakken (bebouwing en bestrating) wordt opgevangen in deze infiltratiekoffer , waardoor een snelle afvoer wordt voorkomen. Verontreinigingen Bij verontreinigd afvalwater , bijvoorbeeld verontreinigd hemelwater , geldt voorkeursvolgorde voor het lozen van afvalwater: de volgende 1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; 2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; 3. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden , tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; 4. huishoudelijk afvalwater en , voor zover doelmatig en kostenefficiënt , afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt worden ingezameld en naar een zuiveringtechnisch werk getransporteerd; 5. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 zo nodig na retentie of zuivering bij de bron , opnieuw wordt gebruikt; 6. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 lokaal , zo nodig na retentie of zuivering bij de bron , in het milieu wordt gebracht en 7. ander afvalwater dan bedoeld onder 4 naar een zuiveringtechnisch werk wordt getransporteerd. De gemeente of provincie gaan over lozingen in het openbaar rioolstelstel en het waterschap over lozing in het oppervlaktewater .
Afhankelijk van het soort afvalwater , gelden er regels uit de Waterschapsverordening of het Besluit activiteiten leefomgeving. Er kan een meldplicht of een vergunningplicht gelden , hiervoor wordt voor meer informatie contact opgenomen met het waterschap , of zo nodig met de gemeente Steenwijkerland of provincie. In het algemeen adviseert het waterschap: Het gebruik van de volgende toepassingen te beperken: Uitloogbare materialen (zoals bijvoorbeeld koper , lood of zink) die een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen veroorzaken. Chemische onkruidbestrijdingsmiddelen. Verduurzaamd hout als oeverbeschoeiing. Stoffen , bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen (ook milieuvriendelijke) , niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater te lozen. Bij de nieuwbouw worden geen uitlogende materialen gebruikt. Initiatief geeft aan te werken met milieuvriendelijke schoonmaakmiddelen. Grondwateroverlast en kwel Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden , adviseren wij de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimteloos bouwen of het (2) ophogen van het plangebied. Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem adviseren wij om in overleg met ons zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied.
Indien noodzakelijk kan de initiatiefnemer nieuwe peilbuizen plaatsen. Mogelijk hebben wij ook peilbuizen op de locatie 38 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo staan. Aanleghoogte van bebouwing: Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) adviseren wij een aanleghoogte van de vloer van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kunt u volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen , adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager (beneden het maaiveld_ gelegen ruimtes (kelders , parkeergarages) is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan het voorkomen van wateroverlast. De aanleghoogte van de bebouwing zal nader worden bepaald op basis van de hoogte van de daadwerkelijke omgeving. De genoemde waarden kunnen daarbij leidend zijn voor de daadwerkelijke aanleghoogtes. De initiatiefnemer zal hierover nader in gesprek gaan met de gemeente en het waterschap om zodoende een optimale aanleghoogte te hebben zonder dat het plangebied dermate hoeft te worden opgehoogd dat omringende percelen last krijgen van afstromend hemelwater.
Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. Dit wil het waterschap bereiken door aandacht te hebben voor de volgende onderwerpen. Beleid en regelgeving Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat bij nieuwe ontwikkelingen het afstromend hemelwater niet naar de rioolwaterzuivering gaat , maar ter plaatse in het milieu komt. Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen: Wij adviseren om , daar waar mogelijk , het hemelwater bovengronds af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is , is ondergrondse infiltratie met bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is , kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Het is noodzakelijk dat de ontwikkelaar de keuze van waterafvoer aan het waterschap voorlegt.
Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich ontdoet) op oppervlaktewater vanuit een woning of een inrichting gelden de diverse wetten , besluiten en regels waaronder: 1. Voor lozingen van huishoudelijk afvalwater vanuit woningen geldt het “Besluit lozing afvalwater huishoudens” (Blah). Uitgangspunt is dat u het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel loost. Indien dit niet mogelijk is , is het nodig om een voorziening te treffen , die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt. 2. Voor lozingen van afvalwater vanuit een inrichting geldt onder andere de Waterwet en het “Activiteitenbesluit. 3. Voor lozingen vanuit niet-inrichtingen geldt het “Besluit lozen buiten inrichtingen” (Blbi). Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater , afvalwater en grondwater. In het plan houdt u rekening met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater biedt u op de perceelgrens gescheiden aan. Eventueel geldt er een bergingseis (zie wateroverlast). Bekijk hiervoor altijd het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en rioolverordening van de desbetreffende gemeente. Hemelwaterafvoer van daken zal rechtstreeks worden afgevoerd op het plaatselijk milieu door berging in oppervlaktewater (sloot).
Verder wordt voorzien in het gebruiken van infiltratiekratten en wadi’s. Op deze wijze wordt een te snelle afvoer van hemelwater voorkomen. Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening met de capaciteit van het bestaande stelsel en de 39 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bij een verandering of aanleg van het rioolsysteem wordt het waterschap in de initiatief fase betrokken. Bij de nadere uitwerking van het plan zal de initiatiefnemer in samenwerking met de gemeente bij het Waterschap advies aanvragen over de waterhuishoudkundige maatregelen die getroffen moeten worden om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. 4. 8. 3 Conclusie Het aspect water is geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4. 9 Trilling 4. 9. 1 Inleiding Wettelijk kader Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen.
De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a BS. 4. 9. 2 Onderzoek Het RIVM(Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft hinder van trillingen gemeten bij mensen die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen. De spoorlijn Zwolle - Leeuwarden bevindt zich op een afstand van circa 45 , km. Het is niet aannemelijk dat het voorgenomen plan hinder zal ondervinden van trillingen door het spoor. 4. 9. 3 Conclusie Het aspect trillingen zal geen belemmering zijn voor de realisatie van het plan. 4. 10 Duurzaamheid 4. 10. 1 Inleiding Wettelijk kader In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om " een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. " Artikel 1. 3 en 2. 1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1. 3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: " Deze wet is , met het oog op duurzame ontwikkeling , de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu , gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit , en b.
doelmatig beheren , gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. " Artikel 2. 1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet , tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1. 3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1. 6 Ow , namelijk dat men " voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving. " Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante 40 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo belangen , waaronder: ruimte , water , natuur , gezondheid en wonen. 4. 10. 2 Onderzoek Het betreft hier de realisatie van een binnen- en buitenzwembad , techinische units t. b. v. de aanwezige glijbanen en een extra glijbaan. Bij de bouw , wordt daar waar mogelijk rekening gehouden met circulair materiaalgebruik. Tevens wordt zorg gedragen voor een goede ventilatie en verantwoord watergebruik. 4. 10. 3 Conclusie Duurzaamheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4. 11 Gezondheid 4. 11.
1 Inleiding Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 , sub a , Omgevingswet). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid , geur , trillingen , luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd , echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet , waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 4. 11. 2 Onderzoek Het project betreft de realisatie van een binnen- en buitenzwembad , technische units t. b. v. de bestaande glijbanen en een extra glijbaan. In de vorige paragrafen is het plan getoetst aan de aspecten luchtkwaliteit , bodem , trillingen en geluid. In deze paragrafen is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: Wat betreft geluid zijn er geen overschrijdingen van de standaardwaarde. Het besluitgebied ligt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven met betrekking tot geluid. In het besluitgebied is hierdoor geen geluidhinder van milieubelastende activiteiten te verwachten. In het plangebied is geen trillinghinder van de nabij gelegen spoorlijn te verwachten. In het plangebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht , waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit;. In het plangebied is de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor toekomstig gebruik van de locatie. In de omgeving van het plangebied liggen geen geurproducerende functies , er is derhalve geen geurhinder te verwachten ter plaatse van het plangebied.
Door de ontwikkeling van een binnen- en buitenzwembad en een extra glijbaan worden de activiteiten uitgebreid voor de aanwezige vakantiegangers op het park. Kinderen en volwassenen kunnen naar hartenlust zwemmen , spelen enz. , wat de gezondheid ten goede komt. 4. 11. 3 Conclusie Het aspect gezondheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan. 41 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 4. 12 Verkeer en parkeren 4. 12. 1 Algemeen Bij het opstellen van plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Wat betreft verkeer kan een vergelijking gemaakt worden tussen de huidige en toekomstige situatie en voor het onderdeel parkeren gelden parkeernormen waar bij de parkeernota van de gemeente aan gehouden moet worden. 4. 12. 2 Onderzoek 4. 12. 2. 1 Parkeren Bij het opstellen van plannen moet rekening gehouden worden met de parkeerbehoefte die ontstaat bij de nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de Nota parkeernormen 2015 van de gemeente Steenwijkerland. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur , verkeer , vervoer en openbare ruimte.
In het ASVV2012 en de CROW-publicatie 317 zijn actuele parkeerkencijfers opgenomen en richtlijnen voor de maatvoering van de verschillende parkeervakken vastgelegd. De realisatie van de zwembaden zal niet leiden tot een toename van de parkeerdruk , aangezien de bezoekers van de zwembaden al op het park aanwezig zijn. 4. 12. 2. 2 Verkeer De realisatie van de zwembaden zal niet leiden tot een verhoging van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen , aangezien de bezoekers van de zwembaden al aanwezig zijn op het recreatiepark. 4. 12. 3 Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4. 13 Kabels en leidingen 4. 13. 1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4. 13. 2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen Er is met de plaatsbepaling voor de zwembaden rekening gehouden met de aanwezige rioolwatertransportleiding.
De breedte van de dubbelbestemming bedraagt 20 meter , de afstand van het zwembad tot het hart van de leiding bedraagt circa 30 meter. 42 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4. 13. 3 Conclusie Er zijn geen leidingen en/of verbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de realisatie van de zwembaden. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. 4. 14 (Vormvrije) MER-beoordeling 4. 14.
1 Algemeen Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m. e. r. ) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m. e. r. -plichtig of m. e. r. -beoordelingsplichtig is , kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit , in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m. e. r. -verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of er voor het besluit een m. e. r. -plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt , volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom , geldt een m. e. r. -plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht , tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan. 43 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 4. 14. 2 Onderzoek 4. 11. 2. 1 Artikel 2. 8 van de Wet natuurbescherming Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt , dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval gaat het om de ontwikkeling van twee zwembaden , welke geen extra verkeersbewegingen met zich meebrengen.
Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden , dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Tevens zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'De Weerribben' op circa 175 , kilometer afstand. In december 2023 is daarom nagegaan of er sprake is van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden (zie Bijlage 3 Stikstofonderzoek). Uit de AERIUS-berekeningen voor het beschouwde plan komt naar voren dat , in de aanlegfase en de gebruiksfase , géén sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (000 mol/ha/jr). < , 4. 14. 2. 1 Drempelwaarden Besluit m. e. r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m. e. r. -plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. , namelijk: 'de aanleg , wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m. e. r-procedure. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer , een aaneengesloten gebied en 2.
000 of meer woningen omvat , of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200. 000 m 2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit plan geen sprake is van een m. e. r. -procedure. Echter , zoals ook in het voorgaande aangegeven , dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven , het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. , de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten) , de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor , indien van toepassing , uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m. e. r. -toets. 4. 11. 3 Conclusie Dit plan is niet m. e. r. -plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen (zie paragrafen Hoofdstuk 4 Milieu- en overige aspecten) te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan. 44 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.
1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen. Deze paragraaf bevat een beschrijving van het participatieproces en de wijze waarop er invulling is gegeven aan het toepassen van participatie (conform art. 10. 2 Omgevingsbesluit). Aangegeven wordt hoe de omgeving bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Overleg buurt De initiatiefnemer heeft op 25 en 26 juli 2024 overleg gehad met de directe omgeving. Hiervan is een verslag gemaakt welke als Bijlage 7 Participatieverslag is toegevoegd aan dit plan. De reacties waren positief van aard. Er is met de initiatiefnemer afgesproken dat qua geluid , ingeval van overlast (waar nu geen sprake van is) hij met de betreffende bewoners(s) in gesprek gaat , om tot een goede oplossing te komen. Het overleg met de buren heeft inmiddels plaatsgevonden en dit heeft geen zwaarwegende bezwaren opgeleverd tegen de realisatie van de besproken plannen. Procedure Het plan wordt na goedkeuring van de gemeente gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijzen kenbaar te maken (artikel 16.23 , eerste lid , van de Ow). 5.
2 Economische uitvoerbaarheid In deze motivering is onderbouwd dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan , in het verlengde daarvan , aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13. 11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal , indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8. 13 Omgevingsbesluit , (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan , tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst , co-financiering , subsidies , gemeentelijk krediet , de kosten die het vanwege artikel 8. 15 Omgevingsbesluit maakt , anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8. 14 Omgevingsbesluit (Ob). De ontwikkeling betreft een particulier initiatief , waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft.
De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Nadeelcompensatie In artikel 8. 15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4. 5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen , inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Steenwijkerland is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie Steenwijkerland 2023. 45 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 46 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Hoofdstuk 6 Afweging en conclusies In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1. 3 Omgevingswet.
Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit , ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; het doelmatig beheren , gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is de realisatie van het plan aan de Paasloërweg 12 te Paasloo , getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk , provinciaal , regionaal en gemeentelijk beleid. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. De nieuwe functie zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een recreatieve behoefte. De geplande nieuwbouw heeft geen enkel effect op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende gronden.
47 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 48 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Bijlagen 49 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 50 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Verkennend bodemonderzoek Bijlage 1 51 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 52 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Natuurwaardenonderzoek Bijlage 2 53 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 54 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Stikstofonderzoek Bijlage 3 55 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 56 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Akoestisch onderzoek Bijlage 4 57 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 58 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Bijlage 5 Watertoets 59 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 60 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Uitgangpuntennotitie waterschap Bijlage 6 61 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 62 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo Participatieverslag Bijlage 7 63 BOPA Paasloërweg 12 , Paasloo 64