Notitie omgevingsscan zonnepark Steenwijk.pdf
Tekst van het document
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 1/10 Notitie / Memo HaskoningDHV Nederland B.V. Water Aan: Ria van Leeuwen (Provincie Overijssel) Van: Royal HaskoningDHV Datum: 21 april 2020 Kopie: GroenLeven Ons kenmerk: BG1754WATNT2002050842 Classificatie: Projectgerelateerd Onderwerp: Effectbeoordeling Weidevogels Zonnepark 1 Inleiding Ten noorden van de stad Steenwijk, in de gemeente Steenwijkerland, liggen aan de Eesveenseweg enkele agrarische percelen. GroenLeven is voornemens om op deze agrarische percelen een zonnepark aan te leggen. Het oorspronkelijke plan was om een zonnepark aan te leggen van circa 39 hectare. Dit plan is getoetst aan de Wet natuurbescherming (Royal HaskoningDHV, kenmerk: BG1754WATRP1903201505, d.d. 10 oktober 2019). Hieruit bleek dat het zonnepark wordt gerealiseerd op agrarische gronden waar mogelijk (in de nab ije omgeving ) leefgebied aanwezig is van de grutto, veldleeuwerik en wulp. Het voorkomen van deze weidevogels is op voorhand niet geheel uit te sluiten. Deze soorten zijn opgenomen in de ‘Lijst vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied Ove rijssel’. Volgens de beleidsregel Natuur moet voor deze weidevogels een omgevingsscan worden uitgevoerd. Deze omgevingsscan moet duidelijkheid geven over de feitelijke ecologische omstandigheden van de betreffende vogelsoorten ter plaatse.
Het gaat dan om de ecologische factoren die bepalend zijn voor de geschiktheid van het gebied en de ruime omgeving als leefgebied voor de betreffende soort. Momenteel is het plan teruggebracht naar een zonnepark van circa 24 hectare (zie Figuur 1-1). Voor dit plan is een omgeving sscan met betrekking tot weidevogels uitgevoerd. De conclusies uit de eerder opgestelde natuurtoets zijn eveneens beoordeeld en blijven gehandhaafd (met inachtneming van de inrichting zoals beschreven in Figuur 1-1). Figuur 1-1 Inrichting toekomstig zonnepark: A: panelenveld algemeen, B: voormalig erf, inpassing bestaande ecologische waarden, C: bestaande wilgenstruweel met enkele boomvormers, D: opgaande beplanting (nieuw) op oude veendijk E: grondlichaam met natuuroever, F: natuurstrook bloemrijk gras en plukfruit, G: zicht- en infopunt, H: opgaande beplanting (bestaand), I: weidevogelgebied, J: wonen, K: opgaande beplanting (bestaand) langs erfontsluiting en L: nieuwe brede sloot.
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 2/10 2 Beschrijving plangebied Het projectgebied bestaat uit enkele intensief beheerde agrarische graslanden en voor een klein deel uit maisland nabij Steenwijk. Aan de westzijde bevindt zich de provinciale weg N855 (Eesveenseweg) en aan de noordoostelijke zijde de (rustige) weg De Wulpen. De omgeving van het projectgebied bestaat uit intensief beheerde agrarische percelen, lintbebouwing aan de Eesveenseweg en de gekanaliseerde beek, Steenwijker Aa. Even verderop ligt in noordelijke richting, op anderhalve kilometer, de provinciale grens met Drenthe en in tegengestelde richting bevindt zich de stad Steenwijk. De onderstaande afbeelding geeft de ligging van het projectgebied weer. Figuur 2-1. Begrenzing van de projectlocatie (rood omlijnd). Figuur 2-2: Globaal overzicht plangebied. Bron: RHDHV, 2020
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 3/10 3 Bepalende ecologische factoren weidevogels In de onderstaande paragrafen wordt een omschrijving gegeven over de weidevogelsoorten en de bepalende ecologische factoren. 3.1 Wulp Wulpen broeden in vaak open, soms ook meer besloten graslanden op zandige of venige gronden in het oosten en zuiden van het land. Lokaal nestelt de soort ook op kleigrond, bijvoorbeeld in delen van het rivierengebied. Wulpen zijn vrijwel verdwenen in vrijwel alle heide-, hoogveen- en duingebieden. Tot circa 1980 huisde de meerderheid van de populatie juist in deze natuurgebieden. De verdwijning in deze natuurgebieden staat waarschijnlijk in verband met langdurig slechte broedresultaten door voedseltekort en predatie. De landelijke trend van de wulp is afnemend. Deze afname wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van intensieve landbouw en een verhoogde predatorenstand in het cultuurland1. Voor wulpen is een open landschap met voldoende vochti ge biotopen van belang. De jonge kuikens hebben (bovengrondse) insecten nodig en zijn daardoor afhankelijk de meer insectenrijke, grazige of kruidenrijke plekken in het landschap. Extensief beheerde akkers of graslanden met aangepast maaibeheer zijn optimaal leefgebied voor de soort. Wulpen staan bekend om hun verstoringsgevoeligheid.
De dieren vliegen vaak reeds op als ze benaderd worden tot op enkele honderden meters2. 3.2 Grutto De grutto broedt in open graslanden in het lage deel van het land. Een grutto broedt niet in de nabijheid van bomen of opgaande elementen. De hoogste dichtheden komen voor op vochtige tot natte klei - en veengronden, met concentraties in Friesland, de Kop van Overijssel, Noord -Holland benoorden het Noordzeekanaal en het Groene Hart. Op de hoge gronden is de soort schaars, langs de Grote Rivieren alleen plaatselijk vrij talrijk. Rond 1975 waren er nog 120.000 broedparen, ondanks enige afname. Deze heeft doorgezet, waarbij Hoog-Nederland nagenoeg ontruimd werd en de soort in grote delen van Laag- Nederland alleen in gebieden met een beheersovereenkomst floreert. Hoewel ook andere factoren meespelen, blijken ontwikkelingen in de agrarische sector funest voor Grutto's, met ontwatering en vroeg maaien als belangrijke factoren3. Een open landschap is een vereiste. Volwassen grutto's hebben vooral regenwormen en wat later in het seizoen emelten nodig. Tijdens de broedperiode mag het gras niet te kort of te lang zijn en rust is een voorwaarde. De kuikens eten insecten. Optimaal leefgebied bestaat uit een mozaiëklandschap, bestaande uit rijkere graslanden met wormen en schralere structuurrijke graslanden met veel insecten.
Wormen zijn pas beschikbaar als de bodems vochtig zijn (anders zitten ze te diep) en als de graslanden niet tevee l gedraineerd worden4. 3.3 Veldleeuwerik De veldleeuwerik was rond 1975 een algemene broedvogel van het boerenland. Het was een van de talrijkste en meest verspreide broedvogels van Nederland. Veldleeuweriken zijn sinds de jaren zeventig enorm in aantal achte ruitgegaan waardoor nu nog circa 5% van de oorspronkelijke aantallen aanwezig zijn5. De afname trof vooral graslandgebieden en in mindere mate akkerland. De Veldleeuwerik bleek hier niet opgewassen tegen de moderne, zeer intensieve landbouw6. 1 https://www.sovon.nl/nl/wulp 2 https://www.ecopedia.be/dieren/wulp 3 https://www.sovon.nl/nl/grutto 4 https://www.ecopedia.be/dieren/grutto 5 Teunissen, W.A., Ottens, H.J., Roodbergen, M. & Koks, B., 2009. Veldleeuweriken in intensief en extensief gebruikt agrarisch gebied.. SOVON-onderzoeksrapport 2009/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. WGK-rapport 2, Stichting Werkgroep Grauwe Kiekendief, Scheemda 6 https://www.sovon.nl/nl/soort/9760 21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 4/10 De veldleeuwerik broedt enkel in zeer open vegetaties van 10 -40 cm hoog, zonder bomen of struiken in de buurt. Gemiddeld moet deze soort jaarlijks 2,5 nesten succesvol grootbrengen.
Dat kan enkel in schrale graslanden die pas in augustus worden gemaaid, in hooiweiden met een lange maaifrequentie (45 dagen) of akkers met gewassen die gedurende de broedtijd de ideale gewashoogte hebben, zoals luzerne of wintertarwe. Akkerranden worden door deze soort vooral gebruikt om insecten te zoeken voor de nestjongen. Akkerranden, bomenrijen en houtkanten worden niet of nauwelijks bezocht7. 3.4 Verstoringsafstanden weidevogels Er is veel onderzoek gedaan naar de verstoringsafstanden van weidevogels. In de rapportage “Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fry slân” 8 worden een groot aantal onderzoeken over verstoringsafstanden van verstoringsbronnen met elkaar vergeleken. Deze vergelijking resulteert in een range aan minimale, gemiddelde en maximale verstoringsafstand van een verstoringsbron. Onder de minimale verstoringsafstand wordt verstaan: de kleinste afstand waarbij (vrijwel) alle individuen van een soort of soortgroep verstoord raken. Op de minimale afstand zal slechts incidenteel een vogel niet verstoord raken. Onder de maximale verstoringsafsta nd wordt verstaan : de grootste afstand waarbij op individuen van een soort of soortgroep nog een effect merkbaar is van de verstoring. Op de maximale verstoringsafstand zal incidenteel nog een vogel verstoord raken.
Tussen de minimale en de maximale verstoringsafstand bevindt zich een gemiddelde verstoringafstand. De gemiddelde verstoringsafstand is die afstand waarbij ruwweg de helft van de individuen van een soort of soortgroep zijn verstoord. Figuur 3-1 Verstoringsbronnen met minimale, gemiddelde en maximale verstoringsafstanden 9. 7 https://www.ecopedia.be/dieren/veldleeuwerik 8 L.W. Bruinzeel, A.G.M. Schotman 2011. Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân, A&W rapport 1624/Alterra rapport 2184 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden/Alterra Wageningen. 9 L.W. Bruinzeel, A.G.M. Schotman 2011. Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân, A&W rapport 1624/Alterra rapport 2184 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden/Alterra Wageningen.
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 5/10 Specifiek voor zonnepanelen zijn geen verstoringsafstanden bepaald. Het zonnepark wordt aan de noord, oost en zuidzijde begrenst door opgaande begroeiing (landschapsbeplanting), waardoor het zonnepark uit het zicht blijft. Ten westen van het zonnepark is op minder dan 400 meter afstand een drukke weg aanwezig (N855) die in de huidige situatie al verstorend is. De maximale verstoringsafstand van het nieuwe zonnepark is daardoor vastgesteld op 400 meter , op basis van de nieuwe opgaande begroeiing tussen het zonnepark en de agrarische percelen in het verlengde van de weg De Wulpen. 21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 6/10 4 Omgevingsscan weidevogels De omgevingsscan van weidevogels (grutto, wulp en veldleeuwerik) heeft bestaan uit drie stappen. Als eerste stap is gekeken naar waarnemingen en geschikt leefgebied van weidevogels in het plangebied zelf. Vervolgens is in een straal van 400 meter gekeken naar waarnemingen en geschikt lee fgebied voor weidevogels. De straal van 400 meter is de maximale verstoringsafstand voor weidevogels voor landschapsbeplanting. Als laatste stap is ook naar de ruimere omgeving gekeken. Hiervoor is een straal van 2 kilometer genomen rondom het plangebied, om te beoordelen of er potentiele uitwijkmogelijkheden zijn voor weidevogels.
Voor deze omgevingsscan is op 27 januari een veldbezoek uitgevoerd door ecologen van Royal HaskoningDHV en zijn verspreidingsgegevens opgevraagd van weidevogels over de afgelopen 10 jaar uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). 4.1 Beoordeling belang weidevogelleefgebied in plangebied In de NDFF is in de afgelopen 10 jaar geen enkele waarneming bekend van grutto, wulp of veldleeuwerik in het plangebied. Uit het veldbezoek blijkt dat het plangebied zelf nauwelijks geschikt is voor leefgebied van de bovengenoemde weidevogels. Het plangebied bestaat uit intensief beheerd agrarisch grasland (met Engels raaigras) met nauwelijks kruiden en structuur. Daarnaast liggen twee (mais)akk ers in het plangebied. De drooglegging varieert tussen de circa 100 cm en plaatselijk 40 cm. De gemiddelde drooglegging wordt geschat op circa 60 -70 cm. Voor ‘Vochtig Weidevogelgrasland’ is een grondwaterstand van minder dan 45 cm gewenst 10. Het plangebie d grenst aan het oosten aan een verstorende houtwal . De westelijke grens van het plangebied ligt op circa 400 meter van de houtwal vandaan. Dit is de maximale verstoringsafstand voor weidevogels. Daarnaast ligt het gehele plangebied binnen de maximale verstoringsrange van 800 meter voor provinciale wegen (N855).
Het plangebied is niet van belang als leefgebied voor grutto, wulp en veldleeuwerik om de volgende redenen: - ontbreken van waarnemingen van weidevogels in het plangebied; - ontbreken van kruidenrijke vegetatie; - grotendeels onvoldoende hoge grondwaterstand; - aanwezigheid van verstorende elementen binnen de maximale verstoringafstand. Figuur 4-1 Links: Plangebied vanaf noordoosthoek. Rechts: Plangebied vanaf zuidwesten (RHDHV 2020). 10 https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n13-vogelgraslanden/n13-01- vochtig-weidevogelgrasland/
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 7/10 4.2 Beoordeling belang weidevogelleefgebied 400 meter rondom plangebied In de NDFF is in de afgelopen 10 jaar geen enkele waarneming bekend van grutto of veldleeuwerik. Wel zijn er twee territoria vastgesteld van wulp op circa 200 meter ten zuiden van het plangebied uit 2013. Deze territoria zijn vastgesteld ter plaatse van de Landgoedallee en Buitensingel, waar momenteel een (villa) wijk wordt ontwikkeld. Deze locatie is momenteel niet meer geschikt als broedgebied voor wulp. De situatie binnen een straal van 400 meter rondom het plangebied is gelijkwaardig aan het plangebied zelf. Er is grotendeels sprake van intensief beheerd grasland en plaatselijk (mais)akker. De drooglegginssituatie is gelijkwaardig aan de situatie in het plangebied. Vrijwel het gehele plangebied ligt binnen de maximale verstoringsafstand van verstorende elementen zoals de houtwal, de N855 en bebouwing. Het plangebied is niet van belang als leefgebied voor grutto, wulp en veldleeuwerik om de volgende redenen: - ontbreken van (recente) waarnemingen van weidevogels in het plangebied; - ontbreken van kruidenrijke vegetatie; - grotendeels onvoldoende hoge grondwaterstand; - aanwezigheid van verstorende elementen binnen de maximale verstoringafstand. Figuur 4-2 Territoria wulp in 2013 (NDFF).
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 8/10 Figuur 4-3 Links: Perceel ten oosten van het plangebied met op de achtergrond de bomenwal die grenst aan het plangebied. Rechts: Percelen ten noordoosten van het plangebied, gezien vanaf de noordoosthoek van het plangebied (RHDHV 2020). 4.3 Beoordeling belang weidevogelleefgebied 2 km rondom het plangebied In totaal zijn 35 waarnemingen van wulp bekend in een straal tussen 400 meter en 2 kilometer rondom het plangebied. Het gaat hierbij om 8 waarnemingen van baltsende/roepende wulpen en 9 vastgestelde territoria (zwaartepunt ligt op percelen ten oosten van de Steenwijker Aa). De overige waarnemingen betreffen pleister/slaapplaatsen (rondom de plas), overvliegende en foeragerende exemplaren. Daarnaast zijn 13 waarnemingen aangeduid als ‘ter plaatse’. Hiervan is het exacte gedrag niet bekend. Van grutto zijn 19 waarnemingen bekend. Het gaat hierbij om 13 vastgestelde territoria en 2 baltsende exemplaren (vrijwel allen ten oosten van de Steenwijker Aa). Daarnaast is een waarneming bekend van een overvliegende en alarmerende grutto. Twee waarnemingen waren aangeduid als ‘ter plaatse’. In totaal zijn 28 waarnemingen van veldleeuwerik, waarvan 12 vastgestelde territoria en 7 baltsende exemplaren, allen te oosten van de Steenwijker Aa. De rest van de waarnemingen zijn overvliegende exemplaren of aangeduid als ‘ter plaatse’.
Opvallend is het hoge aantal baltsende en vastgestelde territoria van weidevogels langs de oostzijde van Steenwijker Aa. Tijdens het veldbezoek waren de graslandpercelen over het algemeen structuurrijker en kruidenrijker dan in de rest van de omgeving waar de graslanden voornamelijk uit Engels raaigras bestaat. Daarnaast leken de percelen vochtiger. De drooglegging lag globaal tussen de 70 cm en 40 cm en op een aantal percelen stonden plassen water. Verder heeft het gebied een zeer open karakter en is rustig gelegen tussen een fietspad en een landweg (Gruttoweg), met nauwelijks verkeer.
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 9/10 Figuur 4-4 Links: Percelen met veel waarnemingen van weidevogels ten oosten van de Steenwijker Aa. Rechts. Steenwijker Aa in noordelijke richting met fietspad. Figuur 4-5 Waarnemingen weidevogels uit de NDFF (2010-2020). Linksboven: Wulp. Rechtsboven: Grutto. Linksonder: Veldleeuwerik.
21 april 2020 BG1754WATNT2002050842 10/10 5 Conclusie Op basis van deze omgevingsscan kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen geschikt leefgebied voor grutto, wulp en veldleeuwerik is. Daarnaast is binnen een straal van 400 meter (maximale verstoringsafstand van dit zonnepark) nauwelijks geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig. Het voornemen heeft daarom geen enkele invloed op de staat van instandhouding van deze soorten. Uit de omgevingsscan blijkt daarnaast dat er geschikter leefgebied aanwezig is, ver buiten de max imale verstoringsafstand van het zonnepark voor weidevogels. Indien er gewerkt wordt buiten het broedseizoen van vogels zijn geen aanvullende maatregelen nodig (zoals compensatie), omdat het zonnepark geen enkele invloed heeft op de staat van instandhouding van de bovengenoemde vogelsoorten.