M13.1 Motie D66 - (Bijlage bermbeheer) Bermbeheerplan Gemeente Steenwijkerland
Tekst van het document
Bermbeheerplan Buitengebied gemeente Steenwijkerland Opdrachtgever: Gemeente Steenwijkerland Dhr. H. Mulder Vendelweg 1 8331 XE Steenwijk Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl Projectgegevens: Projectnummer: 202548 Datum: 02-08-2023 Projectleider: N. Otten Opgesteld: N. Otten & T. Asbreuk Gecontroleerd: T. Asbreuk & R. Kroeskop Status: Definitief Versie: 3 © 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 3 Inhoudsopgave 1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.1 Subsidie Provincie Overijssel .................................................................................................................. 4 1.2 Gebiedsbeschrijving ................................................................................................................................ 5 1.3 Huidige bermbeheer ............................................................................................................................... 6 2 Methode ....................................................................................................................................................
9 2.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 9 2.2 Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 9 3 Resulaten onderzoek ............................................................................................................................... 23 3.1 Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 23 3.2 Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 23 4 Bermbeheer ............................................................................................................................................. 27 4.1 Materieel .............................................................................................................................................. 27 4.2 Maaimethode ....................................................................................................................................... 29 4.3 Bijzondere flora en fauna in Steenwijkerland in relatie tot bermbeheer .............................................
31 5 Conclusie en aanbevelingen .................................................................................................................... 38 6 Literatuur ................................................................................................................................................. 42 Bijlage 1 Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................ 43 Bijlage 2 Hoogtekaart ............................................................................................................................................ 44 Bijlage 3 Bodemtypenkaart ................................................................................................................................... 45 Bijlage 4 Aandachtsoorten provincie Overijssel .................................................................................................... 47 Bijlage 5 Karteerlijsten geïnventariseerde wegbermen (Tansley) ........................................................................ 49 Bijlage 6 Tansleybermen .......................................................................................................................................
68 Bijlage 7 Exoten ..................................................................................................................................................... 69 Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 4 1 Inleiding De gemeente Steenwijkerland wil graag de ecologische waarde van haar wegbermen verhogen. De gemeente is verantwoordelijk voor het maaibeheer in het buitengebied. Het wil hierbij graag de ecologische waarde (biodiversiteit) in deze bermen verhogen door het beheer af te stemmen op de eisen die dieren en planten stellen aan hun leefomgeving. Het gaat om bijzondere soorten die in potentie in bermen aanwezig kunnen zijn of daar reeds voorkomen. Bijkomend voordeel is dat verschralingsbeheer en een hoge soortenrijkdom zorgen voor een stevige zode, lagere vegetatie en een lagere biomassaproductie. Deze lagere productie zorgt voor verminderde afvoerkosten van het maaisel en op termijn voor een lagere beheerinspanning. Eelerwoude heeft in het voorjaar en de zomer van 2022 inventarisaties uitgevoerd naar alle bermen in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland (afbeelding 1). De gemeente Steenwijkerland heeft behoefte aan een praktisch plan dat enerzijds invulling geeft aan het versterken van biodiversiteit en anderzijds praktisch uitvoerbaar is. Momenteel is ecologisch bermbeheer alleen van toepassing op een aantal bermen binnen de gemeente.
De gemeente Steenwijkerland is voornemens dit in de gehele gemeente toe te passen en ook de al ecologisch beheerde bermen verder te verfijnen. Deze rapportage beschrijft de afbakening vanuit de provincie Overijssel met betrekking tot subsidiemogelijkheden, uitgevoerde methode en adviezen met betrekking tot ecologisch bermbeheer. 1.1 Subsidie Provincie Overijssel De provincie Overijssel stelt subsidie beschikbaar voor gemeenten om een bermbeheerplan op te laten stellen en wegbermen ecologisch te beheren. Hiervoor dient de gemeente Steenwijkerland te voldoen aan een aantal randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden gelden niet alleen voor de uitwerking van het plan, maar ook op de manier waarop de huidige wegbermen in kaart gebracht moet worden. De belangrijkste eis vanuit de subsidieregeling betekent dat de gemeente uiteindelijk minimaal 75% van de buiten de bebouwde kom liggende bermen ecologisch moet gaan beheren. Eisen inhoud bermbeheerplan Voor het opstellen van een bermbeheerplan kan subsidie worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. De provincie stelt dat hierin ten minste de volgende onderdelen worden opgenomen welke onderdeel zijn van dit bermbeheerplan (Provincie Overijssel, 2022): a. een gebiedsbeschrijving; de natuurkwaliteit van de bermen, bermsloten en bermgreppels voordat de eerste werkzaamheden starten en een beschrijving van de huidige bermtypen.
Deze moeten op voldoende gedetailleerd niveau beschreven worden, bijvoorbeeld een beschrijving per 500 strekkende meters berm; b. de historie van het beheer; c. e verspreiding en voorkomen van beschermde en andere prioritaire soorten zoals de rode lijst soorten en de provinciale aandachtsoorten, met exacte locaties aangeduid; d. verspreiding en aanwezigheid van invasieve exoten, met exacte locaties aangeduid; e. lokaal geldende beheerdoelstellingen en de gewenste natuurkwaliteit. Deze moet op voldoende gedetailleerd niveau beschreven worden, bijvoorbeeld een beschrijving per 500 strekkende meters berm; f. de te gebruiken beheermethode en materiaal; g. het percentage kale grond ten behoeve van insecten; h. de benodigde kennis om werkzaamheden uit te voeren (opleiding); i. het tijdstip van uitvoering (maand, week), met marges voor flexibiliteit; j. de afspraken met de belanghebbenden die van invloed zijn op het beheer en de kwaliteit van de berm; k. een planning; l. de mate van toegestane insporing; m. de maximaal toegestane oppervlakte waar sprake mag zijn van bodembeschadiging; Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 5 n. de minimale hoogte van de vegetatie voordat het maaien kan starten, in overleg met de opdrachtgever; o.
het inzaaien van bermen, de locatie waarop dit eventueel toegepast wordt binnen de contractperiode en de samenstelling van de gebruikte inheemse mengsels; p. afspraken over talud- en bermherstel na schade q. monitoring, eventueel met inzet van vrijwilligers; r. communicatie: de manier waarop de samenleving wordt betrokken bij ecologisch bermbeheer om draagvlak te verkrijgen. Ecologisch bermbeheer Voor het aanvragen van subsidie voor het uitvoeren van ecologisch bermbeheer in de gemeente zijn ook diverse eisen opgesteld welke hieronder staan weergegeven (Provincie Overijssel, 2022): a. De activiteiten worden uitgevoerd in Overijssel. b. Als het beheer wordt gedaan door een andere partij dan de aanvrager, dan vindt er binnen twee jaar na subsidieverstrekking een nieuwe aanbesteding plaats. c. Minimaal 75% van de totale lengte bermen buiten de bebouwde kom in de gemeente is, of wordt, binnen drie jaar na de subsidieverlening ecologisch ingericht en beheerd. d.
Voor de totstandkoming van ecologisch bermbeheer geldt: o er is al een goed plan voor ecologisch bermbeheer dat voldoet aan de voorwaarden (Zie H 2.1 Opstellen bermbeheerplan); o er worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt; o er vindt geen actieve bemesting plaats; o bagger moet worden afgevoerd; o inzaaien is alleen mogelijk in soortenarme bermen met inheemse en regionale soorten en mag niet ten koste gaan van eigen bermflora. 1.2 Gebiedsbeschrijving De gemeente Steenwijkerland ligt in de kop van de provincie Overijssel, gelegen tussen Flevoland (westen), Friesland (noorden) en Drenthe (oosten). Vrijwel de gehele kop van Overijssel ligt binnen de gemeente Steenwijkerland met een oppervlakte van 332 vierkante kilometer. De grootste woonkernen binnen de gemeente betreffen Steenwijk, Vollenhove, Sint Jansklooster, Belt-Schutsloot, Giethoorn, Oldemarkt, Steenwijkerwold, Ossenzijl en Blokzijl. Bodem Het grootste deel van de gemeente bestaat uit ontgonnen veengronden die langs de flanken overgaan in vochtige/natte zandgronden (veldpodzolen en beekeerdgronden) in het oosten en noordoosten. In het westen van de gemeente ligt een smalle strook waar in het verleden klei en kalkrijk zand is afgezet door de voormalige Zuiderzee. Deze afwisseling in bodemtypen zorgt in potentie ook voor een grote verscheidenheid aan vegetaties.
Natuur en landschap Het meest opvallende is de ligging van maar liefst vier Natura 2000-gebieden binnen de gemeente Steenwijkerland. Met name De Wieden en de Weerribben zijn verantwoordelijk voor een groot oppervlakte aan waterrijke natuur binnen de gemeente. Aan de zuidkant zijn ook nog de waterrijke gebieden Zwarte Meer en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht aanwezig. Deze waterrijke gebieden bestaan naast open water uit uitgestrekte laagveenmoerassen, vochtige hooilanden, rietlanden, moerasbossen, trekgaten en trilvenen. In bijlage 1 wordt de ligging van de gemeente ten opzichte van deze Natura 2000-gebieden weergegeven. Rondom deze natuurgebieden bevinden zich voornamelijk intensief beheerde agrarische gronden in een open landschap, op de laaggelegen delen binnen de gemeente. Op de hoger gelegen zandrug in het noordoosten wordt het landschap kleinschaliger en minder open door de aanwezigheid van heggen, houtwallen en singels. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 6 Hier is ook een bosgebied aanwezig binnen buurtschap Eese wat bestaat uit droge heide en bosgebieden. Zie voor de hoogte kaart van de gemeente Steenwijkerland bijlage 2. 1.3 Huidige bermbeheer Momenteel hanteert de gemeente Steenwijkerland twee typen bermbeheer binnen haar gemeente (afbeelding 1): • Verschralingsbeheer. • Ecologisch beheer. • Verkeersveiligheid.
Verschralingsbeheer Het verschralingsbeheer wordt toegepast op de bermen waar volgens de gemeente de minste kwaliteit aanwezig is. Deze bermen werden tot voor 2022 nog geklepeld en worden dit jaar gemaaid middels een maai- zuig combinatie. Hierbij wordt de eerste maaigang eind mei/begin juni uitgevoerd en de tweede maaigang in augustus/september. Het beheer is erop gericht om biomassa af te voeren om deze bermen te verschralen. Ecologisch beheer Het overige gedeelte van het huidige beheer bestaat uit ecologisch beheer. Dit houdt in dat er slechts één echte maaigang wordt uitgevoerd op augustus/september. Dit beheer heeft als doel om de huidige ecologische kwaliteit te behouden en in mindere mate ook te verschralen. Het maaien gebeurt door middel van een cyclomaaier welke het maaisel in eerste instantie laat liggen. Omdat pas laat wordt gemaaid zijn de zaden hier al grotendeels uit verdwenen en wordt het hooi dezelfde dag of een dag later opgehaald en afgevoerd. Verkeersveiligheid Bermen vormen de afscheiding tussen de weg of waterweg en de omgeving. Een deel van de berm is ook een onderdeel van de wegconstructie. De verkeerskundige functie van de berm betreft de strook grond direct naast de verharding over een breedte van minimaal 1 meter. Deze strook geeft steun aan het weglichaam en dient als reserveruimte.
Voor deze strook geldt dat de veiligheid van de weggebruiker gegarandeerd moet kunnen worden. Deze strook biedt ook plaats voor allerhande infrastructuur zoals bebording, reflectorpaaltjes, verlichting en kabels en leidingen. Samen met belangrijke zichthoeken bij kruispunten en rotondes wordt hier in het kader van de verkeersveiligheid vaker gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 7 Afbeelding 1. De bermen in het buitengebied in beheer van de gemeente Steenwijkerland.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 8 Afbeelding 2. Een pas gemaaide berm welke gedeeltelijk open is geschaafd doordat de maaikop te laag was ingesteld. Hierdoor ontstaat een vergelijkbaar effect als het klepelen van bermen.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 9 2 Methode In hoofdstuk twee wordt de gebruikte methode uitgelegd van het uitgevoerde veldwerk in het voorjaar en de zomer van 2022. Het onderzoek is opgedeeld in twee acties; het bureauonderzoek en het veldonderzoek. De aanwezige natuurwaarden in de wegbermen buiten de bebouwde kom zijn in beeld gebracht op basis van een analyse van bestaande inventarisatiegegevens en diverse inventarisaties in het veld. 2.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • De NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) is daarnaast geraadpleegd. De NDFF heeft meer dan honderd miljoen gevalideerde waarnemingen door heel Nederland. Deze database bevat de locaties van plant- en diersoorten in Nederland. Voor dit plangebied is een breder gebied getrokken dan het huidige plangebied en zijn er gevalideerde waarnemingen uit het gebied opgeroepen tot 10 jaar terug (NDFF, 2022). • De database van Eelerwoude is geraadpleegd, Eelerwoude heeft in de loop der tijd diverse projecten uitgevoerd in De Wieden en de Weerribben in opdracht van terreinbeheerders. Hiernaast zijn ook kleinschalige projecten binnen de gemeente uitgevoerd zoals begeleiding bij de aanleg van kabeltracé ’s en erfontwikkelingen.
Data die hierbij is verzameld is aanwezig in de online database van Eelerwoude. 2.2 Veldonderzoek Het veldonderzoek is uitgevoerd in het voorjaar en de zomer van 2022. Het veldonderzoek heeft zich gericht op het vlakdekkend inventariseren van bermenfases en de aanwezigheid van invasieve exoten. Hiernaast zijn een aantal bermen met een relatief hoge ecologische kwaliteit nader bekeken door middel van de Tansley- methode. 2.2.1 Algemene inventarisatie bermen Tabel 1. Datum, onderzoeker(s), onderzoeksinspanning en de weersomstandigheden per veldbezoek. Datum Onderzoeker(s) Weersomstandigheden 25-05-2022 N. Otten, R. Kroeskop 18 °C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 2 Bft. 31-05-2022 N. Otten, R. Kroeskop 17 °C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 1 Bft. 01-06-2022 N. Otten, R. Kroeskop 16 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft. 07-06-2022 N. Otten, T. Asbreuk 18 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft. 15-06-2022 R. Kroeskop, T. Asbreuk 17 °C, droog, onbewolkt, windkracht 1 Bft. 05-07-2022 R. Kroeskop, N. Otten 25 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 10 De basis voor het bermbeheerplan is de algemene inventarisatie van alle bermen in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Alle bermen zijn de bermen ingeschaald in zes klassen tussen 0-5 op basis van de methode van (W. Schippers; I, Bax, 2014) (tabel 1).
Deze inventarisaties vonden overdag plaats waarbij verdeeld over diverse dagen en diverse veldmedewerkers. Hierbij is het totale beheergebied van de gemeente Steenwijkerland via deze methode in kaart gebracht, het gaat hierbij om circa 500 kilometer aan strekkende lengte. Deze bermfases zijn vervolgens ingevoerd in het online ArcGisOnline portaal van Eelerwoude. Hierbij is naast de bermfase (tabel 1) ook het percentage kale grond, typologie (nat/droog) en eventuele belangwekkende soorten ingevoerd. Hierbij worden de bermfases automatisch gekoppeld aan de benodigde maaigangen (tabel 1). Waar nodig is de vegetatie of zijn bepaalde plantensoorten beter bekeken. Hierbij is ook rekening gehouden met de lijst aandachtsoorten welke is opgesteld door de provincie Overijssel, indien aanwezig zijn deze soorten afzonderlijk ingevoerd in de online omgeving van Eelerwoude, zie voor de lijst aandacht soorten bijlage 4. Afbeelding 3. Digitale invoeromgeving in de ArcGisOnline app van Eelerwoude. Het onderzoek heeft zich gericht op de huidige en bestaande ontwikkelfases van de wegbermen, een zogeheten eerste 0-meting (beoordeling) van de huidige situatie van de wegbermen. Deze fases zijn bepaald aan de hand van de veldgids “ontwikkelen van kruidenrijk grasland” (W. Schippers; I, Bax, 2014). Deze fasering is onderverdeeld in 6 zogeheten botanische fases: 1. Raaigrasweide 2. Grassenmix 3.
Dominant stadium 4. Gras- kruidenmix 5. Bloemrijk grasland 6. Schraalland
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 11 Fase 0 - Raaigrasweide Zeer uniform grasland met vrijwel uitsluitend sterk glanzend Engels of Italiaans raaigras met incidenteel vogelmuur, straatgras of ruw beemdgras. Kruiden komen in dergelijk grasland vrijwel niet voor, in bermen is dit type vrijwel nooit aanwezig omdat dit vooral voorkomt in zeer sterk bemeste, intensief beheerde agrarische graslanden.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 12 Fase 1 - Grassenmix De begroeiing van fase 1 “Grassenmix” bestaat uit een groenbonte lappendeken met overwegend gras. Hier staan soorten die ook in het intensief agrarisch grasland aanwezig zijn, zoals Engels raaigras en ruw beemdgras. Kruiden komen niet of nauwelijks voor. Kruiden die wel aanwezig zijn binnen deze fase groeien voornamelijk zogeheten haarden dit betekent dat kruiden vooral in vlakken aanwezig zijn, waarbij gras qua bedekking van de wegberm het meest domineert (W. Schippers; I, Bax, 2014).
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 13 Fase 2 - Dominant stadium De fase “Dominant” is wat kruidenrijker dan grassenmix, maar domineren grassen duidelijk. Meer dan de helft van de wegberm is bedekt met gras dat geen sterk glanzende bladonderzijde heeft in tegenstelling tot de grassenmix in fase 1, waarbij met name Engels raaigras domineert. Afhankelijk van de bodemsoort bestaat de wegberm (grasmat) voor meer dan de helft uit soorten als gestreepte witbol, grote vossenstaart of glanshaver (W. Schippers; I, Bax, 2014). Afbeelding 4. Dominantie van gestreepte witbol en glanshaver, een klassiek voorbeeld van een fase 2 berm welke veelvuldig aanwezig is binnen de gemeente.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 14 Afbeelding 5. Eén van de meest voorkomende bermtypen binnen de gemeente Steenwijkerland. Een soortenarm fase 2 berm, vrijwel uitsluitend bestaande uit glanshaver.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 15 Fase 3 - Gras- kruidenmix Bij de fase “Gras- kruidenmix” is sprake van een fijn mozaïekpatroon van verschillende grassen maar ook kruiden. De kruiden zijn veelal homogeen verdeeld over de wegberm en komen niet of nauwelijks voor in haarden van één enkele soort. Aanwezige grassen die nu naast de grassen van de eerdere fases op de voorgrond treden, zijn van een minder weelderig formaat en bevatten de volgende soorten: gewoon reukgras, rood zwenkgras en gewoon struisgras. De kruidenmix in deze wegbermen bestaat voornamelijk uit soorten zoals veldzuring, scherpe boterbloem, gewone hoornbloem, smalle weegbree, kleine klaver en gewoon biggenkruid (W. Schippers; I, Bax, 2014). Afbeelding 6. Tussen een dominantie van glanshaver en gestreepte witbol zijn haarden aanwezig van veldzuring, scherpe boterbloem, rode klaver en smalle weegbree. De foto is gemaakt aan het Kanaal Beukers-Steenwijk.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 16 Fase 4 - Bloemrijk grasland Fase “Bloemrijk grasland” heeft overeenkomsten met fase 3 Gras- kruidenmix. Ook bij deze fase is een fijn mozaïekpatroon aanwezig met verschillende grassen en kruiden. In tegenstelling tot de Gras- kruidenmix is deze fase bloemrijk met een kleurige indruk. Kenmerkende soorten in het bloemrijk grasland betreffen afhankelijk van de exacte bodemeigenschappen soorten als knoopkruid, gewone margriet, moerasrolklaver, brunel en vertakte leeuwentand. Afbeelding 7. Mooi voorbeeld van een fase 4 berm met veelvuldig scherpe boterbloem en rode klaver welke in grote dichtheden aanwezig zijn zonder een dominantie van grassen. In dergelijke vegetatie kunnen ook soorten als rietorchis en grote ratelaar aanwezig zijn, deze foto is genomen aan het Kanaal Steenwijk-Ossenzijl.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 17 Afbeelding 8. Een mooie vochtige fase 4 berm waar grote aantallen aan grote ratelaar aanwezig zijn in de berm langs De Bramen ten oosten van Giethoorn.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 18 Fase 5 - Schraalland In de fase “Schraalland“ is tevens een fijn mozaïekpatroon aanwezig. Deze wegbermen verkeren in zeer extreme droge en schrale omstandigheden. Dit zijn wegbermen met voornamelijk schrale soorten zoals muizenoor, diverse soorten havikskruiden, struikheide en zandblauwtje. De wegbermen die geclassificeerd zijn betreffen veelal heischrale wegbermen (W. Schippers; I, Bax, 2014). Afbeelding 9. Schrale berm langs de rotonde aan de Meppelerweg begroeid met zilverhaver, fijn schapengras, muizenoor en gewoon reukgras. Soorten als struikhei en havikskruid zouden goed kunnen gedijen in dergelijke bermen.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 19 Afbeelding 10. Een goed voorbeeld van een bloemrijker schraalland met zandblauwtje, schapenzuring en zilverhaver aan de Oosterdallaan ten oosten van Oldemarkt.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 20 Afbeelding 11. Een groeiplaats van grasklokje en struikhei langs de parallelweg ten zuiden van de Meppelerweg langs het spoor.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 21 Inventarisatie invasieve exoten Naast de inventarisatie van voorkomende plantensoorten is ook gekeken naar plantensoorten die niet gewenst zijn, de zogeheten invasieve exoten. Het gaat onder andere om de invasieve soort Japanse duizendknoop. Ook andere exoten zoals reuzenbalsemien en reuzenberenklauw zijn meegenomen tijdens deze inventarisatie. Omdat genoemde exoten qua groei en omvang behoorlijk opvallen, zijn verreweg de meeste buiten de bebouwde kom liggende groeiplaatsen van exoten geïnventariseerd zonder dat hier veel groeiplaatsen zullen zijn gemist. De aantallen zijn geschat op basis van aantalsklasses (afbeelding 12). De groeiplaatsen van de exoten zijn door middel van GIS op kaart gezet zodat de gemeente deze groeiplaatsen exact in beeld heeft. Afbeelding 12. Digitale invoeromgeving in de ArcGisOnline app van Eelerwoude, gericht op diverse soorten invasieve exoten en aantalsklassen. 2.2.2 Nadere inventarisatie bermen Tabel 2. Notering datum, onderzoeker(s), onderzoeksinspanning en de weersomstandigheden per veldbezoek. De wegbermen die in aanmerking kwamen voor een nadere inventarisatie zijn middels de Tansleymethode (zie kader Tansley) gekarteerd. De Tansley inventarisatietechniek is relatief snel uit te voeren en geeft een goed Datum Onderzoeker(s) Weersomstandigheden 05-07-2022 R. Kroeskop, N.
Otten 26 °C, droog, geheel bewolkt, windkracht 2 Bft. 14-07-2022 N. Otten, R. Kroeskop 20 °C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 2 Bft. 03-08-2022 C. Oldenburger, N. Otten 28 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 22 beeld van de floristische samenstelling van de wegberm. De methode is ook goed bruikbaar voor percelen die niet homogeen zijn, zoals grote stukken berm. Zie voor de geïnventariseerde stukken bijlage 6. Hierbij zijn de bermen middels deze methode geïnventariseerd die als fase 4 of 5 werden ingeschat via de methode zoals beschreven in H4.2.1. 2.2.3 GIS- dataverwerking onderzoek Bermenbestand van de gemeente Steenwijkerland Voor de digitale dataverwerking van de betreffende wegbermen is het databestand van de gemeente Steenwijkerland gebruikt. Deze database is dusdanig compleet, dat het opschonen van de data (bijvoorbeeld het verwijderen van de bermen binnen de bebouwde kom) niet meer nodig was. Koppelen van de data Na het inladen van de dataset van de gemeente Steenwijkerland is overgegaan tot het koppelen van de velddata die met behulp van de mobiele telefoon (ArcGIS Field Maps) welke buiten in het veld is ingevoerd. Met diverse GIS- tools (o.a. select by location) zijn alle ruwe data (in dit geval lijnbestanden) gekoppeld aan het vlakkenbestand van de gemeente Steenwijkerland.
Controle Na het koppelen van de ruwe velddata met het hoofdbestand zijn de data gecontroleerd op eventuele onjuistheden. Het eindproduct bevat een vlakkenbestand met wegbermen inclusief de data die tijdens de inventarisatie naar de verschillende bermfases is verzameld. Kader – Tansley Symbool Abundantie en frequentie Numerieke notatie S Sporadic, sparse, de soort is zeer zeldzaam, slechts enkele exemplaren aanwezig 1 R Rare, de soort is zeldzaam 2 O Occasional, de soort wordt zo nu en dan aangetroffen en is verspreid aanwezig 3 IF Locally frequent, plaatselijk frequent 4 F Frequent, de soort wordt frequent aangetroffen en is vrij talrijk 5 LA Locally abundant, plaatselijk talrijk 6 A Abundant, de soort is talrijk, veel aanwezig maar nooit (co-)dominant 7 LD Locally dominant, plaatselijk overheersend 8 C(OD)D Codominant, de soort is overheersend samen met andere soorten dominant, de soort is overheersend 9 Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 23 3 Resulaten onderzoek In dit hoofdstuk worden de resultaten van het bureauonderzoek en het veldonderzoek behandeld wat in het voorjaar en de zomer van 2022 is uitgevoerd. 3.1 Bureauonderzoek Beschermde soorten In bermen binnen de gemeente Steenwijkerland zijn geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten.
Deze werden op voorhand ook niet verwacht doordat de huidige beschermde plantensoorten allen zeer zeldzaam zijn met zeer specifieke biotopen. Het gaat hierbij om trilvenen, extensief beheerde akkers, kalkgraslanden, eeuwenoude muren, voedselarme en gebufferde poelen en actieve hoogvenen. Van een dergelijk biotoop is binnen de bermen geen sprake. De waargenomen beschermde plantensoorten binnen de gemeente betreffen allen soorten in terreinen natuurorganisaties, buiten de bermen. Het gaat hierbij voornamelijk om waarnemingen van groenknolorchis en enkele groeiplaatsen van knolspirea, korensla en wolfskers. Rode Lijstsoorten Van de Rode Lijstsoorten zijn er binnen de begrenzing van de gemeente Steenwijkerland maar liefst 84 soorten bekend. De meeste Rode Lijstsoorten bevinden zich in natuurgebieden. Het gaat hierbij om soorten als blauwe knoop, moeraslathyrus, veenmosorchis, draadzegge en veel meer soorten van zeer natte terreinen als blauwgraslanden, vochtige hooilanden en trilvenen. Hiernaast zijn er ook soorten van drogere gebieden aanwezig als klein warkruid, gewone agrimonie, grondster en jeneverbes. Hiernaast zijn er ook een aantal soorten niet van nature aanwezig als beemdkroon, blauw walstro, bolderik, korensla, korenbloem, Franse silene en zacht vetkruid. In de bermen in het beheer van de gemeente Steenwijkerland zijn geen waarnemingen bekend van rode lijstsoorten.
Exoten Van de verspreiding en aantallen van het aantal exoten in de gemeente zijn weinig gegevens bekend. Tijdens het veldbezoek zijn op meerdere plekken groeiplaatsen van exoten waargenomen als reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop. Veel van deze groeiplaatsen zijn ook aangetroffen tijdens het veldonderzoek in 2022. De overige plekken bevonden zich niet in wegbermen maar in De Wieden of tuinen van bewoners en zijn derhalve niet meegenomen in het onderzoek. 3.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden de resultaten van het veldonderzoek in 2022 getoond. Kaartbeelden van het veldonderzoek worden in afbeelding 13 weergegeven. In bijlage 5 worden de digitale veldformulieren van de nadere inventarisatie middels de Tansley methode weergegeven. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 24 3.2.1 Onderzoeksresultaten 2022 Bermfases Uit de inventarisatie van 2022 bleek dat ongeveer 60% van het bermoppervlak van de gemeente Steenwijkerland bestaat uit de fase dominant. De grassenmix bedekt 18,1% en de gras-kruidenmix 18,6 bedekt van het oppervlak. Ongeveer 3,5% van het oppervlak bestond uit de ecologisch waardevolle typen bloemrijkgrasland en schraalland. De oppervlaktes zijn weergegeven in tabel 3. Voor de ligging van deze bermen en de bijbehorende bermfase wordt verwezen naar bijlage 3 en de meegestuurde GIS-bestanden. Tabel 3: De aangetroffen bermfases in oppervlak.
Fase Nr. Oppervlak (ha) Percentage Raaigrasweiden 0 25,3 4% Grassenmix 1 110,2 17% Dominant stadium 2 362,6 57% Graskruidenmix 3 113,6 18% Bloemrijk grasland 4 20,4 3% Schraalland 5 0,4 <1% Totaal - 632,5 Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 25 Afbeelding 13. Verdeling van verschillende geïnventariseerde bermtypen binnen de gemeente Steenwijkerland. Bermen welke aan weerszijden van de weg in andere fases zitten zijn slecht tot niet zichtbaar op de kaart.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 26 Exoten Uit de inventarisatie van 2022 bleek dat op 180 plaatsen reuzenbalsemien, Japanse duizendknoop of reuzenberenklauw aanwezig was (tabel 4). In bijlage 7 van deze rapportage worden deze exoten op kaart weergegeven. Hiervan is de reuzenberenklauw de meest voorkomende, met op een aantal plaatsen een bedekking van meer dan 100 exemplaren. Tabel 4: De aangetroffen exoten, het aantal groeiplaatsen en het totale geschatte oppervlak van deze groeiplaatsen. Nederlandse naam Aantal groeiplaatsen Reuzenbalsemien 45 Japanse duizendknoop 21 Reuzenberenklauw 99 Totaal 165 3.2.2 Onderzoeksresultaten Tansley opnames 2022 In totaal zijn in het buitengebied 18 locaties wegbermen nader onderzocht (zie kaartbeeld in de bijlage 6, inclusief nummering). Uit de inventarisaties van 2022 is het voorkomen van enkele zeldzame/karakteristieke plantensoorten naar voren gekomen. In droge bermen betroffen dit onder andere het driekleurig viooltje, zandblauwtje, struikhei, grasklokje, knoopkruid, muizenoor, echte guldenroede en vlasbekje. De vindplaats van echte guldenroede, een rode lijstsoort aan de Parallelweg langs het spoor in Onna betreft een nieuwe, nog niet bekende groeiplaats. Deze locatie is inmiddels ingevoerd in de NDFF. Rondom deze guldenroede stonden meer interessante soorten als struikhei, grasklokje en zandblauwtje.
Soorten welke niet algemeen zijn in wegbermen. In de natte berm aan De Bramen was een heel ander spectrum aan interessante soorten aanwezig. Hier staan onder andere grote dichtheden aan tweerijige en scherpe zegge. Hiertussen staan groeiplaatsen met onder andere grote ratelaar, poelruit en ruw walstro. In bijlage 6 worden de inventarisatielijsten van de wegbermen met nummering weergegeven. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 27 4 Bermbeheer Bij ecologisch beheer zijn twee zaken van wezenlijk belang. De eerste is het behoud van de momenteel aanwezige natuurwaarden, de tweede is de ontwikkeling van andere nog niet aanwezige of uitbreiding van spaarzaam aanwezige natuurwaarden. Hoe het beheer wordt uitgevoerd is hierin van groot belang. In dit hoofdstuk worden enkele principes uitgelegd die altijd van toepassing zijn bij ecologisch maaibeheer. 4.1 Materieel 4.1.1 Type maaimachine Voor het uitvoeren van ecologisch maaibeheer is het van belang dat planten en dieren zo min mogelijk lijden onder het gevoerde beheer. Het is dan ook belangrijk een machine te vinden die hier zo goed mogelijk bij aansluit. Daarnaast is het van belang dat het maaisel wordt afgevoerd (zie sub paragraaf 3.3.2 verschralingsbeheer). Klepelmaaier Klepelmaaiers slaan met klepels de vegetatie kapot en laten het maaisel vervolgens achter.
Het maaisel wordt hierbij niet afgevoerd, waardoor geen verschraling optreedt. Daarnaast blijft een dik pak kapotgeslagen biomassa achter. Dit verstikt de bodem waardoor zaden van gewenste plantensoorten niet meer kiemen en alleen sterke grassen en planten als brandnetels, ridderzuring en fluitenkruid vanuit hun wortelreserves weer opschieten. Daarnaast worden door de grove maaivorm veel dieren (denk aan insecten en hun larven/eitjes, amfibieën en kleine zoogdieren) gedood. Zo blijkt uit onderzoek dat slechts 6-8% van de rupsen van dagvlinders een maaibeurt met de klepelmaaier overleefd (Vlinderstichting, 2017). Bij klepel-zuigcombinaties geldt dat het maaisel wel wordt afgevoerd en verschraling optreedt. Echter worden bij deze maaivorm ook insecten, eitjes en plantenzaden opgezogen. Het maaien met een klepelmaaier of klepel-zuigcombinatie is om bovenstaande redenen dan ook niet ecologisch verantwoord. Cyclomaaier of vingerbalk Bij het maaien met een cyclomaaier wordt de vegetatie boven de grond afgesneden/geknipt. Uit onderzoek blijkt dat zo’n 40% van de rupsen van dagvlinders een maaibeurt met een cyclomaaier overleefd (Vlinderstichting, 2017). Waarschijnlijk is dit percentage bij een vingerbalk hetzelfde of zelfs hoger. Daarbij geldt dat insecten de kans krijgen te ontsnappen en zaden de kans krijgen om na te rijpen en uit te vallen, voordat het maaisel wordt afgevoerd.
Maaien met een cyclomaaier (trommelmaaier) of vingerbalk is dan ook de meest ecologische vorm van machinaal maaibeheer. 4.1.2 Maaihoogte Maaimachines kunnen het best worden afgesteld op een hoogte van 8-10 cm boven maaiveld. Wanneer hoger wordt gemaaid worden de grassen onvoldoende teruggezet. Lager maaien zorgt juist voor schade aan kruiden met rozetten die ecologisch gezien van grote waarde zijn. 4.1.3 Insporing, bodemverdichting en bodemverstoring Insporing, verstoring en verdichting van de bodem ontstaat wanneer machines door de berm rijden, apparatuur verkeerd is afgesteld of bij graafwerkzaamheden in de berm. Dit dient zoveel mogelijk te worden Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 28 voorkomen. Bodemverstoring en verdichting leiden namelijk tot groeiomstandigheden waar alleen algemene plantensoorten van profiteren zoals straatgras, varkensgras en grote weegbree (verdichting) of akkerdistel, melganzevoet en perzikkruid (bodemverstoring). Bijzondere plantensoorten verliezen hiermee terrein door concurrentie. Ook kunnen insporing, bodemverdichting en bodemverstoring leiden tot het doden van dieren in de berm of het ongeschikt maken van delen voor bodemfauna. 4.1.4 Schaven en aanvullen van bermen Bermen schaven is noodzakelijk voor een goede waterafvoer. Ecologisch gezien is het schaven van bermen echter rampzalig.
Vegetaties worden volledig vernietigd en vaak treedt ook nevenschade op aan boomwortels, mycorrhiza-verbanden (schimmels) en worden in/op de bodem levende insecten gedood. Ook voor bijvoorbeeld mierennesten, die tevens van belang zijn voor de verspreiding van veel zaden van plantensoorten is het schaven van bermen af te raden. Echter wanneer het maaisel wordt afgevoerd, zoals bij ecologisch bermbeheer gangbaar is, hopen bermen zich minder snel op en is schaven niet of minder vaak noodzakelijk. Daarnaast wordt geadviseerd bij erg waardevolle delen te zoeken naar alternatieven. Gedacht kan worden aan een het creëren van een smalle strook (slenk) met afwateringen naar de naastgelegen sloot. Naast het schaven van bermen kan ook het tegenovergestelde het probleem zijn. Het gaat hierbij om een hoogteverschil tussen het wegdek en de naast gelegen berm. Hiervoor hanteert de gemeente Steenwijkerland drie verschillen de kwaliteiten vanuit het CROW: - Categorie B: beperkt hoogteverschil (<50mm); - Categorie C: redelijk veel hoogteverschil (<70mm); - Categorie D: veel hoogteverschil (>70mm). Wanneer het hoogteverschil dusdanig groot wordt dat het nemen van maatregelen aan de orde is wordt geadviseerd om dit met voedselarme grond aan te voeren. Hierdoor wordt verrijking van de bermen tegengegaan.
Geschikte methodes hiervoor is het gebruiken van een gesloten grondbalans in de gemeente waarbij bij voorkeur niet-landbouw afkomstige grond wordt gebruikt. De toe te passen grond heeft bij voorkeur een humus gehalte van minder dan 15% d.s. De eerste strook (1 meter) langs de weg dient daarnaast stabiel en waterdoorlatend te zijn. Een nog betere methode is bijvoorbeeld het graven van natuurvriendelijke oevers langs sloten en deze, naastgelegen grond gebruiken voor het ophogen van de bermen. Hierdoor is de grondbalans helemaal gesloten en kan zich lokaal ook oevervegetatie beter ontwikkelen. Dit vraagt altijd wel om maatwerk, bijvoorbeeld in combinatie met de gemeentelijk ecoloog. Op deze manier wordt voorkomen dat vegetatief interessante stukken bijvoorbeeld worden ontgraven. 4.1.5 Bermverharding Afhankelijk van de verkeersintensiteit en de wegbreedte is er plaatselijk bermverharding aanwezig. Bermverharding wordt aansluitend naast de bestaande weg aangebracht. De bermverharding verbreed het gebruikersprofiel van de weg. Bermverharding behoort echter niet tot het wegprofiel (dit beperkt zich tot rand asfalt/klinkers – rand asfalt/klinkers). De bermverharding behoort dus tot de berm en is aanwezig in de eerste (verkeerskundige) meter van de berm naast de weg.
Er wordt voor bermverharding gekozen indien de huidige wegbreedte niet in verhouding staat tot de verkeersintensiteit (CROW-norm). Er ontstaan gaten en kuilen in de berm doordat weggebruikers uitwijken om elkaar te passeren. Dit is zowel vanuit ecologisch als verkeerskundig oogpunt niet wenselijk. Bermverharding stabiliseert de berm direct naast de weg en voorkomt gaten en verzakkingen. Het aanbrengen van bermverharding is maatwerk. Het type en de materiaalkeuze moet worden afgestemd op de verkeersintensiteit, de huidige weginrichting en de omgeving. Zo hebben grasbetonblokken een groener karakter dan bermbeton, echter produceren ze ook meer geluid. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 29 4.2 Maaimethode 4.2.1 Verschralingsbeheer Nederland was vroeger veel schraler dan nu het geval is, de meeste plantensoorten komen in ons land voor in schrale tot matig voedselrijke systemen. Veel plantensoorten zijn dan ook aangepast aan een concurrentie om voedingsstoffen. Wanneer voedingsstoffen geen beperking meer vormen wordt de concurrentie om licht uiteindelijk bepalend. Op dat moment winnen de grote, snelgroeiende plantensoorten de concurrentie. De plantensoorten hebben daarnaast de eigenschap zich goed te verspreiden en koloniseren dus snel een nieuw leefgebied als geschikte omstandigheden ontstaan.
Veel bermen zijn door beheer in het verleden (maaien en het maaisel laten liggen) in combinatie met de stikstofdepositie en indirecte bemesting door bijvoorbeeld afspoelende modder vrijkomend uit bandenprofiel voedselrijker geworden. Het verschralen van de wegbermen door maaien en het afvoeren van de vegetatie met daarin de voedingsstoffen, is dan ook zeer bevorderlijk voor het verhogen van de soortenrijkdom in de wegberm. Voor het verschralen van wegbermen wordt geadviseerd het oude hooilandbeheer aan te houden, ook wel klassiek hooibeheer genoemd. Dit houdt in dat wordt gemaaid, het maaisel 2-3 dagen blijft liggen (zodat zaden kunnen uitvallen en insecten kunnen wegkruipen) en het maaisel dan met een opraapwagen of bandhooimachine wordt afgevoerd. Blijft het maaisel te lang liggen, dan bestaat de kans dat het maaisel verteerd en de voedingsstoffen weer vrijkomen op en in de bodem van de berm. Om bermen sneller te verschralen kunnen bermen 2 of zelfs 3 keer per jaar worden gemaaid (zie 3.2.3). Bij schrale kruidenrijke bermen wordt juist maar één keer gemaaid, dit zodat de berm langer een aaneengesloten leefgebied kan vormen voor insecten, andere dieren en alle planten de gelegenheid krijgen zaden te vormen. 4.2.2 Fasering en herbloei Het nadeel van het maaien van de vegetatie is dat onvoldoende leefgebied overblijft voor insecten.
Voor de planten geldt dat deze niet de kans krijgen om uit te bloeien en zaad te vormen. Gefaseerd maaibeheer lost dit probleem deels op door niet alles in één keer te maaien. Afhankelijk van de huidige vegetatie, de potentie, eventueel aanwezige bijzondere flora en fauna en de ligging van de berm in het landschap adviseren wij 25%, 33% of 50% te laten staan. Wanneer geen opmerkingen bij de berm in de GIS-viewer staan adviseren wij het desbetreffende percentage van de vegetatie met de meeste bloeiende planten te laten staan. In uitzonderlijke gevallen staan specifieke opmerkingen omtrent bijzonder flora en fauna (zie sub paragraaf 3.2.5). 4.2.3 Behoud en creëren van variatie Variatie in de samenstelling van de vegetatie is voor veel diersoorten van belang. Hierbij valt zowel te denken aan variatie aan plantensoorten, variatie in hoogte (lage en hoge kruiden, struiken en bomen) maar ook variatie in het landschap waar de wegbermen onderdeel van uitmaken. Door tijdens het maaien bepaalde delen te laten staan wordt extra variatie gecreëerd/behouden. 4.2.4 Moment van maaien Door het moment van maaien worden soorten benadeeld en andere bevoordeeld. Ook heeft het moment van maaien effect op de hoeveelheid voedingsstoffen die wordt afgevoerd. Zo worden doorgaans de meeste voedingsstoffen afgevoerd, zodra de dominante grassoorten in bloei staan.
Het moment van maaien in het najaar is tevens erg bepalend. Te vroeg maaien betekend dat grassen zich in de nazomer herstellen en daarmee een voorsprong hebben op de kruiden in het voorjaar. Te laat maaien betekent dat minder voedingsstoffen Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 30 worden afgevoerd. Voor elke graslandfase is het aantal maaibeurten en het moment van maaien weergegeven in tabel 5. Tabel 5. Aantal maaigangen per ontwikkelfase en het percentage dat blijft staan als leefgebied voor de insecten. 4.2.5 Maaien op landschapsschaal Veel insecten kunnen slechts een beperkte afstand afleggen. Zo zijn meerdere soorten wilde bijen afhankelijk van de eerste 50 meter rondom hun nest. Dit betekent dat, wanneer door een maaiactie de geschikte voedselplanten voor zo’n bij in een zone van 50 meter rondom het nest worden weggehaald, deze soort (lokaal) uitsterft. Door op landschapsschaal te variëren worden deze risico’s beperkt. Er wordt dan ook geadviseerd om bermen aan weerszijden van zo te faseren dat altijd een blok ongemaaide vegetatie aanwezig is binnen 50 meter en tegengestelde bermen zoveel mogelijk gespreid te maaien voor zover de planning dit toelaat. Hierdoor kunnen planten tot herbloei komen voordat de tegenliggende berm wordt gemaaid. 4.2.6 Taluds en sloten Een sloot, talud of watergang langs de wegberm dient voornamelijk de afvoer van hemelwater.
Een aantal sloten zijn watervoerend en andere dienen alleen als zaksloot (alleen watervoerend bij regen). In watervoerende sloten vindt onderhoud plaats. Dit bestaat voornamelijk uit het korven of baggeren van de gehele watergang. Hierbij wordt o.a. waterplanten, kantbegroeiing, takken en afval. Het schonen van sloten is vanuit zowel de instandhouding van de waterfunctie als de ecologische functie van belang. Het streven bij ecologisch bermbeheer is verschraling en het zoveel mogelijk afvoeren van voedingsstoffen. Het deponeren van slootbagger en slootvuil zit het doel van verschraling en ecologisch bermbeheer behoorlijk in de weg. Als voedselrijke bagger op een schrale berm wordt gedeponeerd, dan spoelen voedingsstoffen uit in de bodem en kan het ecologisch bermbeheer van de afgelopen jaar naar 1 baggeractie teniet doen. Het uitgangspunt zal moeten zijn dat bagger niet op de kant wordt verwerkt, maar direct wordt afgevoerd. In overleg met de gemeente, waterschap en provincie kan gekeken worden hoe men met bagger om moet gaan. Vooralsnog is het beste om voedselrijke bagger niet op taluds of wegbermen te deponeren (Provincie Zuid-Holland, 2019). Daarnaast is het ook bij taluds en sloten van belang dat gefaseerd wordt gewerkt geadviseerd wordt dan ook om tussen de 25% en 50% van de vegetatie te laten staan als leefgebied voor de aanwezige diersoorten in de sloot en op de oever.
Bermfase Eerste maaigang Tweede maaigang Derde maaigang Fase 0 Raaigrasweiden 2e helft mei (25%) Half juli tot en met half augustus (25%) oktober (25%) Fase 1 Grassenmix 2e helft mei (25%) Half juli tot en met half augustus (25%) oktober (25%) Fase 2 Dominant stadium 1e helft juni (25%) 1e helft oktober (25%) N.v.t Fase 3 Gras- kruidenmix 2e helft juni (25%) 1e helft oktober (25%) N.v.t Fase 4 Bloemrijk grasland 1e helft juni (33%) 1e helft oktober (33%) N.v.t Fase 5 Schraalland Begin 1e helft oktober (50%) N.v.t N.v.t Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 31 4.3 Bijzondere flora en fauna in Steenwijkerland in relatie tot bermbeheer In de gemeente Steenwijkerland zijn meerdere bijzondere planten en dieren aanwezig die (mogelijk) gebruik maken van de wegbermen als leefgebied, voortplantingsplek of om voedsel te zoeken. De belangrijkste soorten/soortgroepen die gebruik maken van wegbermen zijn: reptielen, vlinders, sprinkhanen, wilde bijen en andere insecten. 4.3.1 Planten Echt zeer zeldzame plantensoorten zijn niet binnen de bermen van de gemeente Steenwijkerland aangetroffen. Dit heeft grotendeels te maken met het hoger liggen van de wegen en dan ook de bermen. Ook door vegetatief zeer interessante stukken in zowel De Wieden als de Weerribben waren plantensoorten als moeraskartelblad, moeraslathyrus, veenreukgras, moerasviooltje etc. niet aanwezig.
De meeste bermen zijn door de hoge ligging simpelweg te droog om hiervoor in aanmerking te komen. De berm aan De Bramen is echter wel vrij nat en loopt dwars door een gedeelte van De Wieden. Hier bestond de berm vegetatie uit grote dichtheden aan tweerijige en scherpe zegge. Hiernaast waren hier ook plekken aanwezig met grote ratelaar, poelruit en ruw walstro (afbeelding 14). Een aantal droge bermen waren vegetatief wel interessant door de aanwezigheid van muizenoor, struikhei, havikskruid en zandblauwtje (afbeelding 15). Deze bevonden zich vrijwel allemaal op de stuwwal rondom Steenwijk in het noordoosten van de gemeente Steenwijkerland. De meest zeldzame soort die hier is gevonden is de echte guldenroede in een schrale berm aan de Parallelweg (afbeelding 16) tussen grasklokjes en struikhei. Deze soort is sinds 1950 met meer dan 50% achteruitgegaan en komt voornamelijk voor in (hei)schrale graslanden en zomen. Belangrijk voor echte guldenroede is dat deze niet te vroeg wordt gemaaid waardoor zaadzetting en verjonging kan plaatsvinden. Afbeelding 14. Een kleine groeiplaats van ruw walstro is aanwezig in de natte berm aan De Bramen ten oosten van Giethoorn.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 32 Afbeelding 15. Een grote groeiplaats van zandblauwtje in de droge berm aan de Oosterdallaan ten oosten van Oldemarkt.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 33 Afbeelding 16. Een groeiplaats van echte guldenroede aan de parallelweg ten zuiden van de n33 langs het spoor. 4.3.2 Vogels Vogels maken gebruik van wegbermen als foerageergebied en mogelijk ook als broedlocatie. Dit laatste is met name het geval wanneer sprake is van opgaande vegetatie als bomen, struiken of riet in bermen. Ook kunnen grondbroeders in bermen of slootkanten broeden. Ecologisch bermbeheer draagt in zijn algemeenheid bij aan de insectenrijkdom en daarmee ook aan het foerageergebied van diverse soorten vogels. Het wordt geadviseerd bij het beheer aan bomen of rietkragen extra waakzaam te zijn op eventueel aanwezige vogelnesten.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 34 Afbeelding 17. Twee juveniele kieviten, te hoogte van het fietspad langs de IJsselhammerweg welke foerageerden in de hier aanwezige bermen. 4.3.3 Vleermuizen Vleermuizen maken gebruik van wegbermen als vliegroute en foerageergebied. Zeker wanneer het wegbermen betreft met bomenrijen of brede sloten kunnen deze door vleermuizen worden gebruikt. Ecologisch bermbeheer draagt in zijn algemeenheid bij aan de insectenrijkdom en daarmee ook aan het foerageergebied van diverse soorten vleermuizen. Van belang is dat lijnvormige elementen als bomenrijen, brede sloten of rietkragen zoveel mogelijk blijven behouden voor vleermuizen. Het verwijderen van een vliegroute kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn. 4.3.4 Kleine zoogdieren Waterspitsmuis In watervoerende sloten langs wegbermen kunnen waterspitsmuizen voorkomen. Deze soort heeft voldoende dekking en voedsel nodig. Waterspitsmuizen lopen graag over de oever en duiken dan het water in opzoek naar voedsel (onder water levende ongewervelden). Gefaseerd beheer van slootkanten zodat ook in de winter voldoende dekking aanwezig is en tevens voedsel aanwezig is onder water is essentieel. Het aantasten van het leefgebied kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn.
Hermelijn, wezel, bunzing De hermelijn, wezel en bunzing maken gebruik van bermen als foerageergebied en gebruiken mogelijk holen of bijvoorbeeld takkenhopen langs rustige wegen. Door jaarrond variatie en met name dekking in wegbermen van rustige wegen te behouden en aan te brengen wordt de leefomgeving van deze soorten verbeterd. Het aantasten van het leefgebied kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 35 Reptielen In Steenwijkerland komen de levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang (mogelijk) in bermen voor. Deze soorten gebruiken bermen vooral als verbindingszone tussen leefgebieden en mogelijk beperkt als foerageergebied. Brede bermen en bermen nabij natuurgebieden kunnen tevens als (onderdeel van het) leefgebied functioneren. Het behoud van structuurrijke elementen, open zand en de aanleg van broeihopen zorgen voor een verbetering van het leefgebied voor deze soorten. Het aantasten van het leefgebied kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn. 4.3.5 Dagvlinders Vrij algemene grasland- en zoomvlinders In de gemeente Steenwijkerland komen veel dagvlinders voor die afhankelijk zijn van kruidenrijke graslanden. Het gaat dan om de soorten: zwartsprietdikkopje, groot dikkopje, koninginnepage, kleine vuurvlinder, bruin blauwtje, icarusblauwtje, bruin zandoogje, koevinkje, oranje zandoogje, argusvlinder en hooibeestje. Ook komen algemene vlinders van zomen zoals het oranjetipje en landkaartje verspreid door de gemeente voor. Deze soorten stellen allemaal aparte eisen aan hun leefomgeving. Zo zetten zij allemaal hun eitjes af op andere plantensoorten en overwinterd de ene soort als rups in een graspol en de andere als eitje 20 cm hoog op een grasstengel.
Door al deze verschillende levenswijzen is het moeilijk om voor elke soort precies het goede te doen. Beter is dan ook op kleine schaal zoveel mogelijk te variëren zodat voor al deze soorten een geschikte plek aanwezig blijft. Grote vuurvlinder De grote vuurvlinder komt voor op verschillende plaatsten in de Weerribben en wordt daar in wegbermen aangetroffen. De soort vliegt in één generaties in juli-augustus. In deze periode heeft de grote vuurvlinder voldoende nectar nodig. De eitjes worden afgezet op waterzuring. Voor het bermbeheer is het van belang dat in het (potentiële) leefgebied van de grote vuurvlinder voldoende nectarplanten blijven staan en eventuele waterzuring niet wordt aangetast door de werkzaamheden (denk ook aan werkzaamheden in sloten naast de weg etc.). Een netwerk van bloemrijke bermen kan tevens bijdragen aan de verspreiding en uitwisseling van deze zeldzame dagvlinder. Het aantasten van het leefgebied kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn. Zilveren maan De zilveren maan komt voor op verschillende plaatsten in de Wieden en de Weerribben en andere moerasgebieden en wordt daar regelmatig in wegbermen aangetroffen. De soort vliegt in twee generaties in mei-half juni en begin juli-half september. In deze periode heeft de zilveren maan voldoende nectar nodig. De eitjes worden afgezet op moerasviooltje.
Voor het bermbeheer is het van belang dat in het (potentiële) leefgebied van de zilveren maan voldoende nectarplanten blijven staan en eventuele moerasviooltjes niet worden aangetast door de werkzaamheden (denk ook aan het maaien van taluds, insporing etc.). Een netwerk van bloemrijke bermen kan tevens bijdragen aan de verspreiding en uitwisseling van deze zeldzame dagvlinder. Het aantasten van het leefgebied kan een overtreding van de Wet natuurbescherming zijn. Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 36 Afbeelding 18. Zilveren maan op grote kattenstaart in een berm aan De Bramen, iets ten oosten van Giethoorn (foto R. Kroeskop). Bruine vuurvlinder De bruine vuurvlinder komt voor in en rondom Eese, Eesermeer en de Johannes Post Kazerne. De bruine vuurvlinder komt mogelijk zeer beperkt voor in wegbermen in de gemeente en vliegt van mei-eind juni en begin juli-eind augustus. In deze perioden heeft de bruine vuurvlinder voldoende nectar nodig. De soort leeft vooral in zowel droge als vochtige maar altijd schrale gebieden. De bruine vuurvlinder zet de eitjes met name af op schapenzuring en veldzuring. Voor het bermbeheer is het van belang dat in het (potentiële) leefgebied van de bruine vuurvlinder voldoende nectarplanten blijven staan en eventuele veld- en schapenzuring niet worden aangetast door de werkzaamheden (denk ook aan het maaien en insporing etc.).
Een netwerk van bloemrijke bermen kan bijdragen aan de verspreiding en uitwisseling van deze relatief zeldzame dagvlinder. Heideblauwtje Het heideblauwtje wordt momenteel enkel waargenomen in de omgeving van Eesveen en verder buiten de gemeente Steenwijkerland. De soort wordt momenteel niet in wegbermen waargenomen. Het heideblauwtje kan wegbermen gebruiken als onderdeel van het leefgebied en verbindingszone. Een netwerk van bloemrijke bermen kan bijdragen aan de verspreiding en uitwisseling van deze relatief zeldzame dagvlinder. Op termijn is het wellicht mogelijk ook (beschermd) leefgebied in wegbermen te ontwikkelen middels goed beheer. Sleedoorn De sleedoornpage wordt op enkele plekken rondom de kern van Steenwijk waargenomen in wegbermen. Sleedoornpages zijn sterk afhankelijk van sleedoornstruwelen en beschermd. Geadviseerd wordt om sleedoorns (in wegbermen) rondom Steenwijk met oog op sleedoornpage te beheren en dit buiten het reguliere bermbeheer te houden gezien het struweelbeheer betreft. Wel wordt geadviseerd voldoende nectarplanten in de omgeving te sparen.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 37 Groentje Het groentje komt voor op verschillende plaatsten in de Wieden en de Weerribben en wordt daar op enkele plekken in wegbermen aangetroffen. De soort vliegt in één generatie in april-half juli. In deze periode heeft het groentje voldoende nectar nodig. De eitjes worden afgezet op brem, braam, bosbes, sporkehout, gewone dophei en struikhei. Voor het bermbeheer is het van belang dat in het (potentiële) leefgebied van het groentje voldoende nectarplanten blijven staan en eventuele waardplanten niet worden aangetast door de werkzaamheden. Een netwerk van bloemrijke bermen kan tevens bijdragen aan de verspreiding en uitwisseling van deze zeldzame dagvlinder. Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder wordt op veel plekken in de gemeente waargenomen. Grote weerschijnvlinders zijn sterk afhankelijk van breedbladige wilgen boswilg en grauwe wilg, deze kunnen ook in wegbermen groeien. Geadviseerd wordt om breedbladige wilgen te sparen. Breedbladige wilgen die door de grote weerschijnvlinder worden gebruikt. 4.3.6 Libellen en andere watergebonden soorten In de gemeente Steenwijkerland komen meerdere zeldzame en/of beschermde libellensoorten voor. Deze leven mogelijk ook in sloten langs wegen.
Te denken valt aan soorten als groene glazenmaker, sierlijke witsnuitlibel, bruine korenbout, kempense heidelibel en andere soorten. Geadviseerd wordt watervoerende sloten altijd gefaseerd te beheren en altijd tenminste 50% van de water- en oeverplanten te laten staan. Dit is tevens van belang voor vissen, amfibieën en andere mogelijk onder water levende bijzondere en beschermde soorten. 4.3.7 Sprinkhanen In wegbermen komen meerdere soorten sprinkhanen voor. Voor deze soorten is met name het behoud van structuur en kleinschalige variatie zoals open zand van belang. Door het uitvoeren van ecologisch bermbeheer wordt de structuur vergroot in vegetaties. Door bij het maaien oog te hebben voor deze kleinschalige variatie kan het leefgebied van sprinkhanen in wegbermen verder worden verbeterd. 4.3.8 Wilde bijen In de gemeente Steenwijkerland komt een groot aantal soorten wilde bijen voor waaronder een aantal zeer zeldzame soorten. De eisen die verschillende bijensoorten aan hun leefomgeving zijn sterk uiteenlopend. Ook is de verspreiding van wilde bijensoorten onvoldoende in kaart gebracht. Rekening houden met de eisen van individuele soorten is dan ook niet mogelijk. Geadviseerd wordt om in het beheer zo te faseren dat alle plantensoorten tot bloei kunnen komen.
Daarnaast wordt geadviseerd voor bijen belangrijke struiken en bomen als wilgen (alle soorten), braam, eenstijlige meidoorn, sleedoorn en sporkehout te laten uitgroeien zodat ze kunnen bloeien en bij het knotten, snoeien of afzetten ervoor te zorgen dat in de omgeving van deze actie (+/- 50 meter) altijd bloeiende exemplaren aanwezig blijven. Bijvoorbeeld door slechts een deel te snoeien of gefaseerd te werken. 4.3.9 Overige soorten De groep met overige soorten is voor de biodiversiteit een erg belangrijke groep en bestaat uit duizenden soorten insecten en andere ongewervelden, paddenstoelen en (korst)mossen samen maken deze soorten meer dan 50% van de biodiversiteit van Steenwijkerland uit. Voor de soorten uit deze soortgroepen geldt dat zij sterk uiteenlopende habitatvoorkeuren hebben. Om deze soorten allemaal een plekje te geven is het van belang om zoveel mogelijk variatie in het landschap te behouden. Door gefaseerd maaibeheer, verschralingsbeheer en het stimuleren van variatie in en tussen wegbermen kunnen veel van deze soorten in potentie een geschikte plek vinden in de wegbermen van Steenwijkerland.
Buitengebied gemeente Steenwijkerland | Eelerwoude | 38 5 Conclusie en aanbevelingen Graslandfases Uit het uitgevoerde veldonderzoek blijkt dat de bermen in de gemeente Steenwijkerland in verschillende fases verkeren waarvan fase 2, dominant stadium verreweg het meest voorkomt (57%). Dit betreffen voornamelijk grasbermen welke worden gedomineerd door soorten als gestreepte witbol en glanshaver. In deze fase, evenals fase 0 Raaigrasweiden (4%) en fase 1 grassenmix (17%) komen slechts beperkte hoeveelheden aan kruiden tot bloei. Hiernaast betreffen het een relatief klein aantal soorten als klein streepzaad, raapzaad en koolzaad. In fase 3, gras-kruidenmix (18%) komen algemene kruiden veel regelmatiger tot bloei en hebben daardoor een hogere natuurwaarde dan de fase 0-2 grasbermen welke in totaliteit 78% van de totale bedekking uitmaken. Door ecologisch bermbeheer, waardoor bermen verder worden verschraald en het maaibeheer wordt gefaseerd zodat ook insecten een plek hebben om te overwinteren, neemt de natuurwaarde van deze bermen toe. Na enkele jaren komen de eerste bermen zeer waarschijnlijk in de fase van het ecologische veel waardevollere gras-kruidenmix. De verwachting is dat dit het snelst gaat bij de bermen die in een dominant stadium verkeren. Deze bermen zijn minder voedselrijk dan de bermen welke nog in fase 0 en 1 verkeren.