CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Leeuwte 47_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 4 Quickscan natuurwaarden.pdf

Politieke Markt 27 juni 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ''Leeuwte 47"7.165 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuurwaardenonderzoek Leeuwte (ongenummerd) te Sint Jansklooster Effectbeoordeling bouw schuur in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Leeuwte (ongenummerd) te Sint Jansklooster Effectbeoordeling bouw schuur in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700 Opdrachtgever: BJZ.NU Projectnummer en versie: 3217 versie 1.0 Status: definitief Locatie plangebied: Leeuwte (ongenummerd) te Sint Jansklooster Rapportdatum: 22-3-2021

2 Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Het plangebied ......................................................................................................................... 5 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3 Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................ 6 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 6 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 6 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................

6 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 Hoofdstuk 4 Gebiedsbescherming ................................................................................................................ 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.3 Natura 2000 .............................................................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................... 11 Hoofdstuk 5 Soortenbescherming .............................................................................................................. 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode .................................................................................................................................................

12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 13 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 15 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................... 16 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 18 5.7 Volledigheid van het onderzoek ............................................................................................................. 18 Hoofdstuk 6 Conclusies ............................................................................................................................... 19 3 SAMENVATTING Op het adres Leeuwte 47 in Sint Jansklooster is een rietdek kersbedrijf gevestigd. Ten behoe ve van de bedrijfsontwikkeling zijn er concrete plannen vo or de bouw van een schuur, direct ten oosten van het erf Leeuwte 49. Ten behoeve van de bouw van de sch uur, vindt er een planologische procedure plaats om het huidige bouwblok te verplaatsen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden.

Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 23 februari 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust - en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur) gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Op basis van voorliggend onderzoek kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied De Wieden niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te brengen wordt geadviseerd een voortoets op te stellen. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, maar is wel aangewezen als Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Er is sprake van het verschuiven van een bestaand bouwblok, waarbij het oppervlak van het bouw blok wordt verkleind.

Voorgenomen activiteiten lijken niet s trijdig met provin ciaal beleid t. a.v. het Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. In de toelichting van het op te stellen bestemmingsplan , zal nader ingegaan worden op de inhoudelijke motivering. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beh eer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plante n en tot een weinig geschikt leefgebied van beschermde dieren . Mogelijk benutten sommige vogel- en besch ermde grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, er nestelen geen voge ls en beschermde grondgebonden zoogdier en bezetten er geen vaste rust - of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier verstoord, beschadigd of vernield. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties. Kort samengevat Als gevolg van het uitvoer en van voorgenomen activiteiten wordt geen besch ermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier negatief beïnvloed. Een negatief effect van de voorgenomen activiteiten kan op voorhand niet uitgesloten worden.

Om het effect van de voorgenomen activiteiten op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebied vast te kunnen stellen wordt geadviseerd een voortoets uit te voeren. Tevens dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. 4 HOOFDSTUK 1 INLEIDING Op het adres Leeuwte 47 in Sint Jansklooster is een rietdek kersbedrijf gevestigd. Ten behoe ve van de bedrijfsontwikkeling zijn er concrete plannen vo or de bouw van een schuur, direct ten oosten van het erf Leeuwte 49. Ten behoeve van de bouw van de sch uur, vindt er een planologische procedure plaats om het huidige bouwblok te verplaatsen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies.

Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden d e wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming o vertreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering.

Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc. 5 HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd ten oosten van het adres Le euwte 4 9 te Sint Jan sklooster. Het ligt in de buurtschap Leeuwte, circa 1,19 kilometer ten noordoosten van de woonkern Vollenhove. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat volledig uit agrarische cultuurgrond met een (ijle) grazige vegetatie van hoofdzakelijk beemdgras. Het perceel is in gebruik als paardenweide met als gevolg dat de vegetatie kort was tijdens het veldbezoek. Plaatselijk ontbreekt vegetatie. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage. Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).

6 HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een schuur t e bouwen in het plangebied. Rondom de schuur wo rdt erfverharding aangelegd. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijke eindbeeld weergegeven. Plattegrond van het erf na planrealisatie (bron: Boes + Kok BV) De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen schuur; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen ti jdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het o nderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer.

De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. He t effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval wordt het plangebied omgeven door erf en intensief beheerd agrarisch cultuur land. Het is niet aannemelijk dat beschermde waarden buiten het plangebied

7 negatief beïnvloed word en door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dus danige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied. 8 HOOFDSTUK 4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit en op Natura 2000- gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwe rk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met nam e uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd.

Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing b lijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.

Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel . Er is door toepassing van de spe lregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is in de Omgevingsverordening aangeduid als Uit werkingsgebied ontwikkelopgave Nat ura 2000. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 in de omgeving van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 behoren worden met de gele kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

9 Beschermingsregime Gronden die in de Omgevingsverordening als Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Nat ura 2000 aangeduid zijn, kunnen benut worden voor het realiseren van instandhoudingsdoelen in Natura 2000 -gebied. Het i s daarom niet toegestaan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken die deze functie frustreren. Wettelijke consequenties In voorliggend geval gaat het om het verschuiven van een bestaand bouwblok. Als zodanig is er geen sprake van een toename van het bebouwd oppervlak. In de toelichting van het bestemmingsplan zal een motivering opgenomen moeten worden in hoeverre het verschuiven van het bouwblok wenselijk is vanuit een goede ruimtelijke ordening. 4.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten.

De onder beide richtlijnen aangewezen be schermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebiede n bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt binnen het Natura 2000-gebied De Wieden. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van de nieuwe woning binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied De Wieden. Het plangebied wordt met het vlak met de rode lijn aangeduid (bron: www.natura2000.nl). Toelichting Het gebied De Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen met daartussen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ve r in Fryslân uitstrekte. Een groot deel bestaat uit uitgeveende petgaten. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ondiepe kleiafzettingen voor. Door vervening, met bredere petgaten, zijn de grote meren ontstaan. Het Giethoornse- en Duiningermeer zijn natuurlijke meren.

10 Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied De Wieden bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou in theorie kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Het voornemen is een schuur te bouwen in Natura 2000-gebied De Wieden. Dit leidt mogelijk tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied De Wieden. Beoordeling Stikstof Ten behoeve van de ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsm otor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en het vervoer van materieel en personeel. Mogelijk neemt ook het aantal verkeersbewegingen toe tijdens de gebruiksfase.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten , in het bijzonder verkeersbewegingen en de inzet van materieel tijdens de ontwikkelfase en de toe name van verkeer in de ontwikkelfase, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000 -gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten d ie gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden.

Vergunningen worden verleend door provincies of do or de Minister van LNV. Natura 2000 -gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voo rtoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het opschorten van de PAS -systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 200 0-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. 11 Wettelijke consequenties Mogelijk leiden de voorgenomen activiteiten tot een negatief op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebied De Wieden. Om de wettelijke consequenties in beeld te kunnen brengen wordt geadviseerd een voortoets Natura 2000 opgesteld te worden. Deze voortoets vormt een aparte publicatie.

Om vast te kunnen stellen of er sprake is van een toename van s tikstofdepositie in Natura 2000 -gebied, dient een stikstofberekening ui tgevoerd te worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit t e voeren met behulp van Aerius Calculator omdat de uitkomst van dat programma bruikbaar is in een juridische procedure. 4.4 Slotconclusie Op basis van voorliggend onderzoek kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied De Wieden niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te brengen wordt geadviseerd een voortoets op te stellen. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, maar is wel aangewezen als Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Er is sprake van het verschuiven van een bestaand bouwblok, waarbij het oppervlak van het bouw blok wordt verkleind. Voorgenomen activiteiten lijken niet s trijdig met provin ciaal beleid t. a.v. het Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. In de toelichting van het op te stellen bestemmingsplan , zal nader ingegaan worden op de inhoudelijke motivering. 12 HOOFDSTUK 5 SOORTENBESCHERMING 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaus tudie (bronnenonderzoek) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie.

Het plangebied bestaat volledig uit intensief beheerd agrarisch cultuurland met een soortenarme vegetatie van beemdgras. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plant en, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voork omen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag - en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze s oorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 23 februari 2021 tijdens de daglichtperiode ( ochtend) bezocht.

Het on derzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwe zigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora - en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Tijdens het veldwerk lag een dun sneeuwdek in het plangebied. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; • NDFF Verspreidingsatlas; Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels . Sommige vogels vertonen in deze tijd van het jaar territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) , maar slechts enkele vogelsoorten kunnen een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar (o.a. bosuil, nijlgans). Zomergasten houden zich in deze tijd van het jaar nog op in de overwinteringsgebieden. Standvogels, zoals steenuil en huismus bevind en zich meestal nog wel in de directe omgeving van de nestplaats.

13 In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, rui veren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek , maar matig ges chikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Sommige grondgebonden diersoorten bezetten de voortplantingsplaats nog omdat ze nog zogende jongen hebben, maar de meeste grondgebonden zoogdieren hebben al zelfstandige jongen die de voortplantingsplaats verlaten hebben. Veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het o nderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf -, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.

Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust - verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordelin g van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. 14 Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebi ed voor vogels beschouwd. Vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Geschikte nestplaatsen ontbreken in het plangebied. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied door vogels die in het open veld foerageren, zoals merel, kramsvogel, witte kwiksta art, zw arte kraai, kauw en ekster. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied van huismussen of steenuilen. Als gevolg van het bou wen van de schuur en het aanleggen van verharding wordt geen vogel gedood en wordt geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield.

Als gevolg van het bebouwen en verharden van het plangebied, neemt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwen en verharden plangebied; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingsplaats bezetten in het plangebied. G elet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot foerageergebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als haas, ree en vos. Deze soorten bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Als gevolg van het bou wen van de schuur en het aanleggen van verharding wordt geen beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het bebouwen en verharden van het p langebied, neemt d e functie van het plangebied als foerageergebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust - of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten.

Potentiële v aste rust - of voortplantingsplaatsen van vleermuizen ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; 15 • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen ( en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vle ermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen en gelet op d e inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. Het beheer maakt het plangebied tot een ongeschikt foerageergebied en een geschikte vaste rust- en voortplantingsplaats voor amfibieën ontbreekt. Als gevolg van het bouwen van de schuur en het aanleggen van verharding wordt geen beschermd amfibie gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwort elen of te vernielen.

Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden i n het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht1. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet 1 Per 1-12-2019 is een aangepaste vrijstellingslijst van kracht. 16 of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport. 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en wordt geen vogelnest of nestplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, wordt niet de functionaliteit van een jaarrond be schermde nestplaats negatief beïnvloed. Met anders woorden, het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op jaarrond beschermde nesten, zoals de nestplaats van huismussen of steenuilen.

Uitvoering van de voorgenomen acti viteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; 17 • Vliegroute Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute van vleermu izen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt n iet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoef t geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen vaste rust - of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wet telijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd t e worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebie d behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora - of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. 18 In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.

Soortgroep Functie Beschermde soorten planlocatie Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming) Aandachtspunt Grondgebonden zoogdieren Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling vanwege ruimtelijke ontwikkeling Geen Grondgebonden zoogdieren Vaste rust- en voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Grondgebonden zoogdieren Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Vogels Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing Geen Vogels Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Vogels Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vogels Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Vleermuizen Rust- of voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangepast Geen Vleermuizen Vliegroute Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Amfibieën Foerageergebied Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Vaste rustplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Amfibieën Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Overige soorten Dieren en overige functies Niet aanwezig Niet van toepassing

Geen Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep Vaste rust- plaats Voortplan- tingsplaats Vliegroute (vleermuizen) Essentieel foerageer- gebied Wettelijke consequenties Nader onderzoek vereist Ontheffing vereist Grondgebonden zoogdieren nee nee n.v.t. nee nee nee Nee Vogels nee nee n.v.t. nee nee nee nee Vleermuizen nee nee nee nee nee nee nee Amfibieën nee nee n.v.t. nee nee nee nee Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep. 5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. 19 HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worde n uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen.

Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zor gplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Op basis van voorliggend onderzoek kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied De Wieden niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties in beeld te brengen wordt geadviseerd een voortoets op te stellen. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, maar is wel aangewezen als Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Er is sprake van het verschuiven van een bestaand bouwblok, waarbij het oppervlak van het bouw blok wordt verkleind. Voorgenomen activiteiten lijken niet s trijdig met provin ciaal beleid t. a.v. het Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. In de toelichting van het op te stellen bestemmingsplan , zal nader ingegaan worden op de inhoudelijke motivering.

De inrichting en het gevoerde beh eer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plante n en tot een weinig geschikt leefgebied van beschermde dieren . Mogelijk benutten sommige vogel- en besch ermde grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, er nestelen geen voge ls en beschermde grondgebonden zoogdier en bezetten er geen vaste rust - of voortplantingsplaats. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier verstoord, beschadigd of vernield. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt niet tot wettelijke consequenties. 2 De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen vanaf die datum niet meer onder de vrijstellingsregeling van de provincie Overijssel. 20 Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

21 Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit na tionaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: - Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. - Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermi ngsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. - Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend.

Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.

Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van d e verboden voor b eschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van ee n Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. 22 Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora - en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Flora- en faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora - en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring.

Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volg ens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

23 Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatse n van deze soorte n opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: - de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling v an gebieden, daar onder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in he t kader van natuurbeheer. # # # # 24 Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019. Deze soorten zijn per 1-12-2019 van de vrijstellingslijst gehaald. # 25 Bijlage 3. Fotobijlage

26 Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/0414a7df-0a66-444b-a0c0-9c626ff93f3b?agendaItemId=6d8d711a-0286-4ec7-ab45-4d276713e287