Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en verwachtingenkaart, waarin voorwaarden zijn opgenomen ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Op deze kaart zijn de gronden binnen het plangebied aangeduid als 'Waarde - Archeologie 2'. Voor bodemingrepen ter plaatse van deze aanduiding geldt een nadere ondezoeksplicht bij bodemingrepen met een omvang groter dan 2.500 m2. Het onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in bodemingrepen met dergelijke omvang. Voor het voornemen is derhalve geen nader onderzoek noodzakelijk. Ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden van het gebied voor toekomstige bodemingrepen is in dit bestemmingsplan de geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.
Op basis van deze dubbelbestemming dient bij toekomstige bodemingrepen, dieper dan 50 cm beneden maaiveld en een omvang van meer dan 2.500 m2 vooraf een nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd om aantasting van mogelijke archeologische waarden te voorkomen. 4.3.2 Cultuurhistorie Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Naast de in paragraaf 2.1.1 en paragraaf 3.3.4 reeds beschreven historische betekenis van de ruimere regio en het landschap rond deze planlocatie aan de Koningin Wilhelminalaan 55, Willemsoord, kan ook op het niveau van het erf het nodige worden aangeven over het verleden en de historische betekenis van deze plek, c.q. de daar aanwezige woning, +/- 1910 tot 1953 Nieuwbouw door De Maatschappij van Weldadigheid uit Frederiksoord. Door het verloren gaan van de archieven van het gemeentehuis van Steenwijkerwold is het exacte bouwjaar onbekend.
De woning is gebouwd als schoolmeesterswoning, bestemd voor de 2e leraar van het kolonieschooltje aan de Westvierdeparten. 800 Meter verwijderd van de woning staat op de plaats van dat schooltje nu een kapelletje: het Westerkerkje. In 1934 is het schooltje afgebroken. Meester Rusch was de laatste leraar die de schoolmeesterswoning als leraar (wellicht al gepensioneerd) heeft bewoond. 1953 tot jaren 70 In 1953 betrok een nieuwe bewoner met zijn gezin de woning. Hij heeft in de loop van een aantal jaren 3 schuren gebouwd. De eerste twee voor kippen en de derde als mestkalverstal. Later zijn de kippenschuren tot mestkalverstal omgebouwd. Er was plaats voor 410 'kistkalveren'. De bewoonster Toelichting (ontwerp) 31 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord huisvestte op de verdieping 6 studenten van de tuinbouwschool in Frederiksoord. Op de gevel hing een houten bord: Pension Boszicht. Jaren 70 tot 2004 In deze periode is het perceel in gebruik geweest voor de kalvermesterij. Diverse opvolgende bewoners (eigenaar of bedrijfsleider) hebben er gewerkt en gewoond. De laatste zag zich gedwongen de mesterij te beëindigen. Aan de veranderende wetgeving met betrekking tot het houden van mestkalveren kon niet meer worden voldaan. 2004 tot heden Begin 2004 werden de huidige bewoners van het pand de nieuwe eigenaar van nummer 55.
Tegelijkertijd werd het perceel uitgebreid door de aankoop van 3000 m2 weiland. De woning is door de jaren heen volledig gerenoveerd. De familie houdt het uiterlijk van het voorhuis zo goed mogelijk in zijn oorspronkelijke staat. Voor de in verval rakende stallen blijkt asbestsanering, sloop en nieuwbouw de enige optie. Met het voornemen wordt bijgedragen aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand en zal het omliggende erf worden heringericht, met inachtneming van de cultuurhistorische erfinrichtingsprincipes voor Koloniewoningen. In de omgeving bevinden zich geen (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die ‘aangetast’ worden met het voorgenomen initiatief. Het voornemen leidt niet tot aantasting van historische structuren of elementen. Gelet op bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het planvoornemen. 32 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Hoofdstuk 5 Waterparagraaf 5.1 Inleiding Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd.
Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden 5.2 Relevant beleid Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en - kwantiteit) binnen het plangebied. De beleidsdoelen van het waterschap Drents Overijsselse Delta voor de periode 2016-2022 staan beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021 . De belangrijkste doelen in het waterbeheerplan zijn: Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan; Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Daarnaast heeft het waterschap een Watervisie ‘meer dan water’ opgesteld, waarin het algemeen bestuur heeft bepaald hoe het waterschap de komende tien jaren water in goede banen wil leiden.
De rode draad is klimaatverandering en het beperken van de gevolgen daarvan samen met de omgeving. De watervisie is het kompas voor de komende tien jaar en laat zien wat inwoners, bedrijven, organisaties en mede-overheden van het waterschap mogen verwachten. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. In de Keur staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. De genoemde documenten zijn te raadplegen op de site www.wdodelta.nl . Het Verbrede Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP) beschrijft de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Steenwijkerland. In het vGRP worden ook op hoofdlijnen de taken en verplichtingen van een (particuliere) grondeigenaar benoemd. De grondeigenaar is verantwoordelijk voor de staat van zijn woning en perceel. De grondeigenaar is ook zelf verantwoordelijk voor het op eigen perceel treffen van maatregelen voor de inzameling en afwatering. Hieronder vallen ook maatregelen tegen eventuele grondwateroverlast. Het ingezamelde afvalwater dient de grondeigenaar af te voeren naar de erfgrens. Hier gaat de verantwoordelijkheid over naar de gemeente.
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. De afvoer van overtollig hemelwater uit Toelichting (ontwerp) 33 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater, zoals een vijver, of direct in de bodem infiltreren op eigen erf. 5.3 Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg).
Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dienen negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen te worden geneutraliseerd om te voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt, waarbij met name het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het rioleringsstelsel. Aangezien de ontwikkeling weliswaar voorziet in herbouw van een tweetal bedrijfsgebouwen, maar hierbij tevens sloop van alle voormalige bedrijfsgebouwen plaats vindt leidt het voornemen in zijn geheel tot een afname aan bebouwing cq. verharding. Het schoon hemelwater in het plangebied zal worden afgekoppeld en zal vertraagd infiltreren in de bodem. Het plangebied biedt hiervoor ruimschoots de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid wordt geschikt genoeg geacht voor de benodigde infiltratie. Niet aannemelijk is dat er, ook in extreme situaties, overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. In de beoogde situatie wordt het huishoudelijk en bedrijfsafvalwater van de te herbouwen bedrijfsgebouwen via een bestaande aansluiting op het riool afgevoerd .
Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. 5.4 Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). Op basis van de ingevoerde gegevens is geconcludeerd dat de korte procedure van de watertoets kan worden toegepast. De resultaten van de watertoets zijn bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting. De bestemming en de grootte van het plan hebben slechts een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan. 34 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Realisatie van het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding.
Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Toelichting (ontwerp) 35 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Hoofdstuk 6 Milieuparagraaf Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. 6.1 Bodem Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vast gelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem van het perceel is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Momenteel is ter plaatse van het plangebied planologisch nog sprake van agrarisch gebruik, waarbij een wijziging naar een milieugevoeligere functie (wonen) plaatsvindt. Voor het plangebied is dan ook een nader bodemonderzoek noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden. Ten behoeve van de planontwikkeling is door Verhoeven milieutechniek bv een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd gebaseerd op de Nederlandse Normen NEN- 5707, NEN-5740 en NEN-5897. Dit onderzoek is als bijlage 4 Verkennend bodem- en asbestonderzoek toegevoegd aan deze toelichting. Op basis van voorliggende onderzoeken bestaan vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren tegen de voorgenomen sloop van de bebouwing en/of de herontwikkeling van de locatie (o.a. nieuwbouw/uitbreiding van de woning). Op basis van de PFAS resultaten wordt geconcludeerd dat de grond niet zonder meer vrij herbruikbaar is.
Voor wat betreft de eventuele afvoer van de grond naar een erkend verwerker, zijn op basis van PFAS geen belemmeringen voor de acceptatie van grond. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering oplevert voor het planvoornemen. 6.2 Geluidhinder Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde ‘geluidgevoelige objecten’ wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met het initiatief worden geen nieuwe, extra geluidgevoelige functies toegevoegd. De bedrijvigheid aan huis, maximaal milieucategorie 2, zal niet leiden tot industrielawaai dat een belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. 36 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering oplevert voor het planvoornemen.
6.3 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.
Met het voornemen wordt geen extra geurgevoelig object danwel geurveroorzakende activiteit toegevoegd. Het toestaan van burgerbewoning van deze bedrijfswoning leidt niet tot extra belemmeringen voor omliggende bedrijven. Het aantal veehouderijbedrijven in de wijde omgeving van het plangebied is dermate laag, dat gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel achtergrondsniveau voor geur en daarmee een goed woon- en leefklimaat in dit kader. Door de beoogde herontwikkeling worden geen veehouderijbedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 6.4 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en is te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering.
Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Projecten die niet in betekende mate bijdragen mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw Toelichting (ontwerp) 37 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord bijvoorbeeld geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Het voornemen heeft betrekking op de vervangende nieuwbouw (bedrijfsruimte) met een kleinere omvang dan de bestaande bouw. Bovendien worden met het voornemen de planologische agrarische bedrijfsmogelijkheden op deze voormalige veehouderijlocatie definitief beeindigd. Het aantal vervoersbewegingen zal niet toenemen. Gelet op bovenstaande kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.
Uitgaande van de achtergrondconcentraties die gelden binnen de gemeente kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de normen die gesteld zijn in de Wmb. De Wmb staat derhalve de realisering van het voornemen niet in de weg. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 6.5 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of de ontwikkelingen veroorzaker zijn van hinder naar een gevoelige omgeving en anderzijds wordt bekeken of de ontwikkeling kwetsbaar is voor hinder. De voorgenomen woonfunctie betreft een hindergevoelige functie, derhalve is bekeken of de locatie binnen een hindercirkel ligt van een ander bedrijf. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gesitueerd.
Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een melkveehouderij (Koningin Wilhelminalaan 51) op meer dan 400 meter afstand. Voor een melkveehouderij geldt een generieke richtafstand van 100 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De woning wordt derhalve niet blootgesteld aan onaanvaardbare hinder van omliggende bedrijven en omliggende bedrijvigheid wordt niet extra belemmerd met de voorgenomen functieverandering. Ook ondervinden omliggende gevoelige bestemmingen, zoals woningen, geen belemmering. In de nabije omgeving bevinden zich diverse burgerwoningen. De dichtstbijzijnde woning betreft de noordelijk gelegen burgerwoning (Koningin Wilhelminalaan 57). Het woonbestemmingsvlak bevindt zich op 35 meter van de grens het plangebied. De woning zelf bevindt zich op 45 meter. Het planvoornemen voorziet in beëindiging van een milieubelastend bedrijf. Een dergelijke veehouderij wordt veelal beschouwd als een milieu categorie 3.2 activiteit. Met het voornemen wordt 700 m2 aan nieuwe bedrijfsbebouwing gerealiseerd, gericht op montage, demontage en klein reparatiewerk in oldtimers en youngtimers. In de VNG-bedrijvenlijst is hiervoor geen eenduidige omschrijving. Er is derhalve aangesloten bij een naar aard vergelijkbare categorie, te weten 'handel in auto's, reparatie- en servicebedrijven'.
Dergelijke bedrijven worden bebouwd als een categorie 2 activiteit, waarvoor een minimaal te hanteren richtafstand geldt van 30 meter. 38 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Tabeluitsnede VNG-bedrijvenlijst Met het voornemen wordt voldaan aan deze vereiste richtafstand. Aangezien de voorgenomen bedrijfsactiviteit in omvang, gebruiksintensiteit en effect op verkeer nog aanzienlijk geringer zal zijn dan deze reguliere bedrijven zal de kleinschalige bedrijvigheid niet tot overlast leiden. Bovendien zal de bedrijfsruimte met een dichte gevel naar het buurperceel gericht zijn en bevindt zich hier tevens een te handhaven een afschermende groen-/beplantingsstrook. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering oplevert voor het planvoornemen. 6.6 Externe veiligheid 6.6.1 Algemeen De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico).
Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen de kans op grote calamiteiten met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied of een toetsingszone van een risicobron. Bij de ruimtelijke planvorming moeten de risico's voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. Hierbij kunnen de volgende bronnen aan de orde zijn: inrichtingen; transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; vuurwerkopslagplaatsen; opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. De gemeente beschikt daarnaast zelf ook over extern veiligheidsbeleid.
De gemeente streeft naar een beheersbare externe veiligheidssituatie en heeft daarvoor de volgende doelen gesteld: 1. De externe veiligheid risico's binnen de gemeente goed in beeld zijn gebracht en ambtenaren, bestuurders en burgers zich bewust zijn van de aanwezige risico's. 2. Een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen nut en noodzaak van nieuwe ontwikkelingen en hun gevolgen voor externe veiligheid. 3. Door middel van beleidsuitvoering en handhaving wordt gezorgd voor de beheersbaarheid van bestaande en toekomstige EV risico's. 4. Communicatie met de burger plaatsvindt over de aanwezige risico's en de te volgen gedragsrichtlijn in geval van een calamiteit. Toelichting (ontwerp) 39 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord 6.6.2 Planlocatie Om de risico's ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de risicokaart. Onderstaand is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Uitsnede risicokaart externe veiligheid Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vindt in de gemeente plaats over de A32. Deze weg is gelegen op meer dan 1 km afstand van het plangebied. Dit betreft een zodanige afstand dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden.
Gezien deze afstand van de planlocatie tot deze route en het gegeven dat er op locatie geen toename zal zijn van de populatie, behoeft dit aspect niet nader onderzocht te worden. In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die deel uitmaken van het Basisnet weg. Over de wegen in en rond het plangebied kunnen incidenteel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gezien de (zeer) lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico's op. In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen, spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op onderhavig plan. Het plangebied is ook niet gelegen in de nabijheid van een buisleiding en ligt ruim buiten het invloedsgebied, waardoor de leiding geen belemmeringen oplevert. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen overige inrichtingen gelegen waarbinnen gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen. 6.7 Verkeer en parkeren De locatie wordt direct ontsloten op de Koningin Wilhelminalaan. De ontsluiting en bereikbaarheid van de woning en bijbehorend bedrifjsgebouw zijn daarmee gegarandeerd.
De voorgenomen functie wijziging naar een burgerwoning met een kleinschalige bedrijfsactiviteit, waarbij een voormalige veehouderij definitef wordt beëindigd heeft nauwelijks effect op de huidige 40 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord verkeersbewegingen. Met betrekking tot parkeren geldt op basis van de gemeentelijke parkeernota een minimale parkeernorm van 0,8 per 100 m2 BVO (bedrijfs arbeids- en bezoekersintensief, in het buitengebied). Dit betekent dat er fysieke ruimte aanwezig moet zijn op het perceel voor 6 voertuigen. Op het eigen perceel is momenteel aan de straatzijde reeds een parkeervoorziening met een dergelijke omvang aanwezig. Hiermee kan worden voldaan aan de minimale parkeernorm ten behoeve van het toekomstige bedrijf aan huis. Ten behoeve van de burgerwoning zijn op het erf nog eens 2 parkeervoorzieningen noodzakelijk. Hier biedt het perceel ruimschoots voldoende ruimte voor. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 6.8 Kabels en leidingen Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er te worden onderzocht of er leidingen onder het perceel doorlopen, om te voorkomen dat de leiding bij werkzaamheden wordt beschadigd. Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming kennen.
Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het plan. 6.9 M.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.- beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van uitbreiding van een bedrijventerrein of toevoeging van woningen. Derhalve is geen sprake van een project / activiteit waarvoor een m.e.r. beoordeling noodzakelijk is. Het plangebied is niet gelegen in een kwetsbaar of waardevol gebied. In bovenstaande paragraven is de ontwikkeling getoetst aan milieuplanologische randvoorwaarden. Het milieubelang is in voldoende mate is afgewogen, hieruit volgt dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. Toelichting (ontwerp) 41 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Hoofdstuk 7 Financiële paragraaf 7.1 Financiële haalbaarheid Op grond van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is; b.
het bepalen van een tijdvak waarbinnen de exploitatie van de gronden zal plaatsvinden of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen, en zo nodig koppelingen hiertussen niet noodzakelijk is, en c. het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels over respectievelijk: 1. werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, 2. regels omtrent het uitvoeren van de onder a bedoelde werken en werkzaamheden, 3. een uitwerking van de regels omtrent de uitvoerbaarheid voor de woningbouwcategorieën niet noodzakelijk is. Het oprichten van een vervangende nieuwbouw en gedeeltelijke herinrichting van het terrein binnen een bestaand erf betreft een door initiatiefnemers gefinancierd initiatief. De kosten voor de herziening van het bestemmingsplan (leges), alsmede de uitvoering en het beheer zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Aan de gemeente wordt planologische medewerking gevraagd; er zijn voor de gemeente geen verdere kosten verbonden. De wijziging van de bestemming vindt plaats op gronden in eigendom van de aanvrager. De uitvoerbaarheid van het plan is in dat kader gewaarborgd. Het plan voorziet in de realisatie van vervangende bouwmogelijkheden op het terrein.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure ontwikkel- en exploitatieovereenkomst gesloten, waarin eventuele planschadeverzoeken, wederzijdse verplichtingen en kosten worden afgedekt. De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee aangetoond. 7.2 Maatschappelijke haalbaarheid De initiatiefnemer heeft zelf overleg en afstemming gevoerd met de enige belanghebbende partij in deze omgeving, zijnde de directe buren. Daarvan is verslaglegging gedaan die tot de conclusie leidt dat het plan voor de buren aanvaardbaar is. Deze verslaglegging is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Daarop heeft de gemeente geconstateerd dat er geen inspraakprocedure doorlopen wordt en dat de formele bestemmingsplanprocedure wordt ingezet met een ontwerp bestemmingsplan. 42 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Hoofdstuk 8 Juridische toelichting 8.1 Algemeen Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de verbeelding. Vervolgens wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Daarna wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten. 8.2 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro), alsmede het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO Standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. 8.3 Opzet regels In de planregels is aangesloten bij de mogelijkheden in het geldend bestemmingsplan. Daarbij is ook gekeken naar een doelmatige vertaling in deze herziening. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).
De opbouw is als volgt: Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en bepalingen over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregel met daarin de titel van het bestemmingsplan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden opgebouwd (voor zover relevant voor het betreffende artikel): Bestemmingsomschrijving. Bouwregels. Afwijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels. Afwijken van de gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Wijzigingsbevoegdheid. Toelichting (ontwerp) 43 bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord 8.4 Bestemmingsregeling In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: Wonen; Groen; Tuin; Agrarisch met waarden; Waarde – Archeologie 2. Wonen De gronden binnen de bestemming 'Wonen' zijn in hoofdzaak bestemd voor wonen.
Daarnaast is handel en reparatie van auto's en gemotoriseerde voertuigen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – handel en reparatie van auto's en gemotoriseerde voertuigen' alsmede andere bedrijvigheid, mits behorend tot maximaal milieucategorie 2. Bovendien is een zonnepanelenveld toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zonnepanelen'. Woningen Teneinde de toekomstige situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de woning is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak, een aanduiding 'bijgebouwen' en een aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding hoofdgebouw'. In de planregels is bepaald dat per bouwvlak het aantal bestaande, legale woningen is toegestaan. Daarnaast mag het bouwvlak voor maximaal 100% worden bebouwd. Ter borging van het behoud van de bestaande vorm en gevelindeling van het karakteristieke pand is een aanduiding 'karakteristiek' toegevoegd. Eveneens is in de planregels vastgelegd dat de bestaande woning mag worden uitgebreid tot maximaal 750 m3. Uitbreiding van de woning is uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'bouwvlak' en de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding hoofdgebouw'. De goot- en bouwhoogte van de woning mag in beginsel maximaal 7 meter respectievelijk 11 meter bedragen.
Eventuele bijgebouwen bij de woning zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met een gezamenlijke maximale oppervlakte van 100 m2. Voor bijgebouwen is een goothoogte van maximaal 3,50 meter toegestaan met een maximale bouwhoogte van maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Bedrijfsactiviteiten In de planregels is geborgd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – handel en reparatie van auto's en gemotoriseerde voertuigen' een bedrijf is toegestaan dat is gespecialiseerd in de handel en de reparatie van auto's en gemotoriseerde voertuigenalsmede andere bedrijvigheid, mits behorend tot maximaal milieucategorie 2. Ter plekke van deze aanduiding mag bedrijfsbebouwing worden opgericht met een oppervlak van maximaal 700 m2. Zonnepanelen Eveneens is in de planregels geborgd dat ter plaatse van de bestemming 'Wonen' alsmede de bestemming 'Tuin' een zonnepanelenveld aanwezig mag zijn binnen de kaders van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - zonnepanelen'. De bouwhoogte van constructies met zonnepanelen mag maximaal 1,25 meter bedragen. Bovendien bedraagt de bouwhoogte van constructies met zonnepanelen maximaal 1,25 meter.
44 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Koningin Wilhelminalaan 55 Willemsoord Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor structurele beplantingen, een houtwal en hoogopgaande en afschermende beplanting. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor structurele beplantingen, een houtwal en hoogopgaande en afschermende beplanting. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde. Daarnaast is een klein gedeelte tevens bestemd voor realisering van zonnepanelen, zie hiervoor. Agrarisch met waarden Dit betreft de zuidelijk gelegen onbebouwde gronden, die zijn voorzien van de nadere aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke tuin'. Deze bestemming is gericht op inrichting, instandhouding en het gebruik van de onbebouwde gronden als landschapstuin, met een poel, voedselbos en wandelpad in combinatie met het respecteren en ontwikkelen van natuur- en landschapswaarden. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is realisering en instandhouding van het landschapsplan hier geborgd. Op deze gronden mogen ook geen gebouwen worden opgericht, enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Archeologie De hoge archeologische waarde van het plangebied is planologisch beschermd in de vigerende beheersverordening, doordat ter plaatse van onderhavig plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2' van kracht is. Alhoewel het voorgenomen bouwplan de opgenomen grenswaarde van 2.500 m2 niet overschrijdt is voor de locatie de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd. Hiermee is de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden tegen eventuele toekomstige grootschaligere ingrepen geborgd. Toelichting (ontwerp) 45