CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

I7.0 VNG - Ledenbrief Naar een nieuw cultuur- en erfgoedbeleid.pdf

Raadsvergadering 2 mei 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken4.213 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

U201700257 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl Samenvatting In deze ledenbrief maken wij u attent op het proces dat door de minister van OCW is gestart met het oog op de vernieuwing van het cultuurbeleid per 2021 en het erfgoedbeleid per 2019. Ambitiebrief Cultuurbeleid dec. 2017 en Uitgangspuntennotitie Erfgoedbeleid zomer 2017 De voorbereidingen starten nu al, omdat aanpassing van wet- en regelgeving (Wet op het specifiek cultuurbeleid en Erfgoedwet, mogelijk ook Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en Omgevingswet) nodig kan zijn. De eerste wijzigingscontouren verschijnen in een Ambitiebrief Cultuurbeleid december 2017 en een Uitgangspuntennotitie Erfgoedbeleid zomer 2017. Eventuele wijzigingen van de Archiefwet en de Mediawet vallen buiten dit proces. Bouwstenen met consultaties in 2017 met het oog op weloverwogen beleidswijzigingen Met het oog op weloverwogen beleidskeuzes worden diverse zogeheten bouwstenen benut, zie bijlage 1. U kunt de komende periode met de makers in gesprek via (regionale) bijee nkomsten: 1. Raad voor Cultuur, 7 regio-bijeenkomsten Raad in residence t/m oktober 2017 Verkenning naar de positie van de Stedelijke regio’s en Sectoradviezen cultuur, oktober 2017. 2.

Regioplan/Atelier Tordoir, 6 regio-bijeenkomsten 1e helft 2017 Beleidsverkenning ruimte, cultuur en economisch presteren van stedelijke regio’s, juni 2017. 3. Ambtelijke werkgroep OCW, IPO/provincies, VNG/G9, 3 regio-bijeenkomsten t/m juli 2017 Inventarisatie en analyse van problemen, knelpunten, wensen en uitdagingen ten aanzien van het cultuurbeleid bij publiek, sectoren en overheden, september 2017. 4. Fonds Podiumkunsten, 10 lokale pilots 2017-2018 Verbetering relatie in de podiumkunsten tussen rijks- of fondsgesubsidieerde gezelschappen/ festivals en gemeentelijk gesubsidieerde podia, tussenrapport eind 2017, eindrapport eind 2018. 5. Erfgoed Telt, rondetafels en 3 regionale werktafels t/m mei 2017 Gesprekken met het veld, maar ook met partijen in duurzaamheid, energie en creatieve industrie én met monumenteneigenaren en bestuurlijke partners t.b.v. Uitgangspuntennotitie, zomer 2017. Cultuursubsidieperiode 2017-2020 Het Rijk subsidieert thans een beperkt aantal producerende en ondersteunende instellingen plus de zes rijkscultuurfondsen, die vaak ook lokaal van nut zijn. In de brief een kort overzicht. Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad Datum 6 april 2017 Ons kenmerk ECSD/U201700257 Lbr.

17/019 Telefoon (070) 373 8020 Bijlage(n) 1 Onderwerp Naar een nieuw cultuur- en erfgoedbeleid U201700257 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl Geacht college en gemeenteraad, In deze ledenbrief maken wij u attent op het proces dat door de minister van OCW is gestart met het oog op een nieuw cultuur- en erfgoedbeleid. De verandering van het cultuurbeleid staat per 2021 gepland, terwijl de wijziging van het erfgoedbeleid vanaf 2019 is voorzien. De brief begint met een blik op het huidige wettelijke kader en thans geldende bestuurlijke afspraken. Daarna gaan we in op de algemene overwegingen die gelden bij de beoogde vernieuwingen. De bouwstenen die thans van rijkswege gehanteerd worden om te komen tot weloverwogen beleidswijzigingen zullen wij nader belichten. Deze zijn voorzien van een overzicht met de voornamelijk regionale bijeenkomsten in 2017, waarbij gemeenten e.a. geconsulteerd worden. Meer informatie over de bouwstenen in bijlage 1. Aan het eind van deze brief vermelden wij voor de volledigheid de belangrijkste aspecten van het rijksbeleid c.q. de culturele basisinfrastructuur (BIS) gedurende de cultuursubsidieperiode 2017- 2020. Het gaat om een beperkt aantal producerende organisaties en ondersteunende inste llingen van landelijke betekenis plus de zes rijkscultuurfondsen.

Zij zijn immers vaak ook lokaal van nut. Huidig wettelijk kader 1. Wet op het specifiek cultuurbeleid Leidend bij het cultuurbeleid is de Wet op het specifiek cultuurbeleid, die in 2018 25 jaar bestaat. Kern hiervan betreft artikel 2: ‘Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid .’ Er is een Raad voor Cultuur die adviseert over het cultuurbeleid en over algemeen verbindende voorschriften. Eens in de vier jaar verschijnt er een notitie met de hoofdlijnen van het beleid. Aan de leden Datum 6 april 2017 Ons kenmerk ECSD/U201700257 Lbr. 17/019 Telefoon (070) 373 8020 Bijlage(n) 1 Onderwerp Naar een nieuw cultuur- en erfgoedbeleid Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3/9 De minister kan op grond daarvan subsidies en (specifieke) uitkeringen voor cultuuruitingen verstrekken. En de bewindspersoon is gemachtigd tot (mede-)oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die binnen de doelen van de wet subsidies kunnen verstrekken voor een of meer soorten cultuuruitingen: de zogeheten rijkscultuurfondsen. De Wet op het specifiek cultuurbeleid kent geen taakverdeling tussen de overheden en benoemt de rijkstaken niet expliciet.

Er gelden wel enkele belangrijke uitgangspunten. Bij de podiumkunstenoperatie van eind jaren tachtig, die gepaard ging met uitnames uit provincie- en gemeentefonds met uitzondering van de G3, is de volgende verdeling van de verantwoordelijkheden afgesproken: Rijk/grootschalig aanbod/gezelschappen, provincies/ distributie van met name kleinschalig aanbod en gemeenten/afname/podia. Een soortgelijke drieslag gold ook bij de beeldende kunsten. De provincies trekken zich echter vanwege structurele en incidentele kortingen op het provinciefonds steeds meer terug als subsidiënt van de kunsten. Ook is er in de loop der jaren een nieuwe onderverdeling bij gekomen: Rijk/grote instellingen/ basisinfrastructuur (BIS) en rijkscultuurfondsen/middensegment/stimulering/expe rimenten. Bij de activiteiten van deze fondsen fungeren gemeenten vaak als medesubsidiënt. 2. Erfgoedwet en andere wetten Met name de bezuinigingen hebben er in de afgelopen jaren voor gezorgd dat publiek, eigenaren, cultuursectoren en kunstenaars meer wettelijk houvast wilden. Zo is de Monumentenwet per 1 juli 2016 verbreed tot een Erfgoedwet. Het gaat hierbij met name om de aan wijzing en subsidiëring van (archeologische) rijksmonumenten plus om certificeringen en vergunningen voor archeologie - opgravingen.

Gemeentelijke vergunningen voor de wijziging van rijksmonumenten en de aanwijzing van gemeentelijke (archeologische) monumenten/stads- en dorpsgezichten zijn op dit moment onderdeel van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en per 2019 van de Omgevingswet. Stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis worden thans door het Rijk aangewezen op basis van de Erfgoedwet, hetgeen verandert in een instructie op grond van de Omgevingswet. Bij de museumoperatie van eind jaren tachtig is tegelijk met een financiële verevening voor de medeoverheden via het provinciefonds de volgende taakverdeling afgesproken: rijk/rijksmusea, provincies/provinciale musea/ondersteunende museumconsulenten en gemeenten/lokale musea. De Erfgoedwet heeft een einde gemaakt aan deze autonomie van de medeoverheden. Deze wet bevat immers bepalingen over het door hen beschermen en beheren van roerend erfgoed/cultuurgoederen van landelijke betekenis, die zich vaak in musea bevinden. Voor de openbare bibliotheken, kunstzinnige vorming (thans cultuureducatie geheten) en amateuristische kunstbeoefening (thans amateurkunst genoemd) gold enige tij d de Welzijnswet met in essentie de volgende taakverdeling: rijk/indirecte steunfunctie, provincies/directe steunfunctie en gemeenten/uitvoerend werk oftewel lokale activiteiten.

Per 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in werking getreden met een soortgelijke taakverdeling voor het papieren deel en meer rijkstaken voor het digitale deel. Gelet op dat laatste heeft er een uitname uit het gemeentefonds plaatsgevonden. Over een nieuwe wettelijke inbedding van de cultuureducatie loopt nog een politieke discussie. Voor de volledigheid kan opgemerkt worden dat de Archiefwet 1995 en de Mediawet 2008 beide een (financiële) zorgplicht voor gemeenten kennen ten aanzien van respectievelijk de gemeente - archieven en de lokale omroepen. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4/9 Bestuurlijke afspraken Om als gemeenten niet voor onverwachte verrassingen te komen staan is de omgang tussen de overheden door de minister van OCW, IPO en VNG vastgelegd in het ‘Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur’. Dit regelt een zorgvuldige procedure, maar kan bezuinigingen niet voorkomen: zowel Rijk als provincies hebben per 2013 23% gekort op hun cultuurbudget. Elke vier jaar worden door de minister (mede namens de rijkscultuurfondsen) en de betrokken medeoverheden de gezamenlijke beleidshoofdlijnen plus de samen te subsidiëren instellingen en activiteiten opgenomen in grootstedelijke of landsdelige cultuurconvenanten.

De structurele afstemming tussen de zes namens het Rijk subsidiërende cultuurfondsen en de medeoverheden is naar ons oordeel niet afdoende geregeld, omdat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de Code interbestuurlijke verhoudingen hier geen oplossing voor bieden. Wel is er vaak ad hoc overleg. Voorts gaan sommige decentralisatie-uitkeringen voor gemeenten en stimuleringsmaatregelen voor instellingen/activiteiten waarbij Rijk/rijkscultuurfondsen en medeoverheden samen subsidiëren gepaard met meerjarige bestuurlijke afspraken. Cultuurbeleid 2021 en verder 1. Initiatief door Raad voor Cultuur t.b.v. stedelijke regio’s 2015 Wij hebben steeds betoogd dat het Rijk en de rijkscultuurfondsen bij hun subsidiëring niet altijd voldoende rekening houden met de wensen van bewoners en het beleid van gemeenten. Het belang van de onderscheiden cultuursectoren en de nationale kwaliteit van het aanbod gaan vaak boven de voorkeuren van het publiek en de ketens die er in de verschillende cultuursectoren binnen een regio nodig zijn voor de ontwikkeling van zowel amateurs als professionals. Sinds enige tijd is de positie van de stedelijke regio’s ook elders een actueel aandachtspunt. De Raad voor Cultuur heeft deze in 2015 in zijn ‘Agenda cultuur 2017-2020 en verder’ opgepakt en hierover o.a.

het volgende gesteld: ’ De Raad pleit ervoor dat de keuzes van de stedelijke regio’s meer leidend worden in het cultuurbeleid. Wij doen dit pleidooi om twee redenen. In de eerste plaats kan lokaal cultuurbeleid in een stedelijke regio beter aansluiten bij de samenstelling en vraag van de bevolking. Culturele instellingen, kunstenaars en makers spelen in op hun directe omgeving. Zij zijn daar geworteld en verbinden zich aan het publiek door producties en tentoon stellingen te maken die refereren aan de eigenheid, geschiedenis of toekomst van de stedelijke regio. (….) De tweede reden waarom de Raad voor het perspectief van de stedelijke regio pleit, ligt besloten in de oplossing die dit kan bieden voor aan aantal hardnekkige knelpunten in het huidige beleid. Ons cultuurbeleid is nu nog sterk nationaal georiënteerd en het is vooral gericht op individuele instel - lingen. Samenwerking en afstemming tussen overheden en culturele voorzieningen is er onvoldoende. Het lokale cultuurbeleid kent een sterk wisselende invulling. Cultuur is een bovenwettelijke taak, stimulering van initiatieven door de Rijksoverheid kan door decentrale overheden worden aangegrepen om hun verantwoordelijkheid juist te verschuiven naar andere gebieden.

Geldstromen versterken elkaar niet; ze zijn eigenlijk onvoldoende afgestemd en werken een ongelijk speelveld tussen instellingen in verschillende steden in de hand. De huidige convenanten tussen Rijk en decentrale overheden lossen dat niet op: die zijn te vrijblijvend en dekken niet het volledige culturele veld. En dat is jammer, want er lijkt veel meer synergie mogelijk en wenselijk.’ 2. Inzet en planning door minister van OCW 2017 Het huidige cultuurbeleid met de systematiek van een rijksgesubsidieerde basisinfrastructuur en zes subsidiërende rijkscultuurfondsen, komt uit 2005 (Nota ‘Verschil maken’). Ontwikkelingen en veranderende behoeften bij het publiek, de cultuursector en de andere overheden roepen volgens de minister van OCW thans de vraag op of deze systematiek nog toekomstbestendig is. Ze wil de komende tijd benutten om deze vraag nader te onderzoeken met de genoemde gremia. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5/9 Er zijn de volgende fasen in het proces: 1.1. Analyse van de ontwikkelingen in drie domeinen publiek, sector en overheden  april t/m september 2017 Een inventarisatie en analyse van de problemen, knelpunten, wensen en uitdagingen in de domeinen publiek, sector en andere overheden. Deze analyse gaat daarmee volgens het ministerie van OCW veel verder dan alleen de rijksgesubsidieerde basisinfrastructuur en de financiering door de rijkscultuurfondsen.

Het gaat ook over onderwerpen als cultuureducatie en -participatie, arbeidsmarktproblematiek, digitalisering, veranderende publieksvoorkeuren etc. 1.2. Opstellen van de Ambitiebrief Cultuurbeleid door de nieuwe bewindspersoon  oktober t/m december 2017 De volgende elementen spelen bij de beoogde Ambitiebrief Cultuurbeleid een ro l: - De onder 1.1. genoemde analyse wordt in september 2017 aangeboden aan de nieuwe bewinds- persoon. De kracht hiervan moet zijn dat deze breed wordt gedragen en in een zorgvuldig proces tussen de overheden e.a. tot stand is gekomen. Provincies en gemeenten werken derhalve mee aan het in kaart brengen en duiden van de huidige situatie en de ontwikkelingen. Het gaat daarbij o.a. om een landelijke werkgroep en 3 regio-bijeenkomsten. - Daarnaast zal de Raad voor Cultuur in oktober 2017 de Verkenning naar de positie van de stedelijke regio’s en de Sectoradviezen cultuur aan de bewindspersoon aanbieden. Dit gebeurt o.a. aan de hand van de bevindingen uit 7 regionale bijeenkomsten onder de noemer Raad in residence. - Regioplan plus Atelier Tordoir presenteren in juni 2017 de ‘Beleidsverkenning ruimte, cultuur en economisch presteren van stedelijke regio’s’.

De voorlopige bevindingen worden tevoren binnen 6 in het kader van dit onderzoek opvallende regio’s besproken, vooralsnog betreft dit de gebieden rond de gemeenten Amsterdam, Den Haag/Rotterdam, Groningen, Zwolle/Stedendriehoek, Eindhoven en Maastricht. - En eind 2017 verschijnt een tussenrapport van het Fonds Podiumkunsten over 10 pilots ter verbetering van de relatie tussen rijks- of fondsgesubsidieerde gezelschappen/festivals en gemeentelijk gesubsidieerde podia. Er zijn vier pilots in de G4, een in landsdeel noord, een in oost, twee in zuid en een bij verschillende overheden. Eind 2018 komt vervolgens het eindrapport. De bewindspersoon zal op grond van de analyse, het advies van de Raad, onderzoeken zoals van Regioplan/Tordoir en de pilots van het Fonds Podiumkunsten komen tot een Ambitiebrief. Via deze brief informeert hij (of zij) de Kamer over de analyse, zijn accenten hierin en de ambities die hij heeft voor eventuele oplossingsrichtingen. Het regeerakkoord en de kleur van de bewindspersoon zullen hier volgens het ministerie een hoge mate van invloed op hebben. 1.3. Ontwikkelen oplossingsrichtingen en contouren  januari t/m mei 2018 Het is de bedoeling dat de bewindspersoon met de Ambitiebrief duidelijk maakt wat zijn ambitie is en daarmee ook kaders heeft geschapen voor oplossingsrichtingen.

Het ministerie van OCW zal aan hand van de analyse en de Ambitiebrief gaan bouwen aan een nieuw cultuurbeleid. De keuzes die hier worden gemaakt, worden regelmatig teruggelegd bij de partijen in de drie domeinen publiek, sectoren en andere overheden. De contouren van het cultuurbeleid voor de periode 2021 en verder worden in de eerste helft van 2018 zichtbaar. Ook hier is volgens het ministerie een zorgvuldig proces vereist, waarbij door alle partijen in de drie domeinen input kan worden geleverd en waarbij duidelijk is hoe tot bepaalde keuzes worden gekomen. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 6/9 Tevens is er in deze fase aandacht voor ‘prototyping’: welke oplossingen werken juist wel en welke juist niet én kan een oplossing worden aangepast zodat deze nog beter werkt. Hierbij zijn de verschillende experimenteerregio’s en proeftuinen die o.a. in de grootstedelijke en landsdelige cultuurconvenanten 2017-2020 tussen de Rijk, provincies en G36 afgesproken zijn of worden van groot belang: daar is volgend jaar al geëxperimenteerd met verschillende oplossingen. Deze fase resulteert in een gezamenlijke adviesaanvraag van de overheden aan de Raad voor Cultuur. 1.4. Advies Raad voor Cultuur Uitgangspunten Cultuurbeleid vanaf 2021  zomer 2019 In deze fase is de Raad voor Cultuur met name aan zet.

Met de prototyping kan naar het oordeel van het ministerie in deze periode echter worden doorgegaan om zo ervaringen met verschillende oplossingen naast het advies van de Raad te kunnen leggen. 1.5. Uitgangspuntenbrief Cultuurbeleid door nieuwe bewindspersoon inclusief Concept-regeling meerjarige subsidiëring instellingen en fondsen vanaf 2021  najaar 2019 Hierna volgt de Kamerbehandeling en de implementatie. Erfgoed Telt, wijziging vanaf 2019 1. Actuele ontwikkelingen 1.1. Vierjaarlijkse Erfgoedbalans 2017: de staat van het erfgoed In februari jl. heeft de minister van OCW aan de Kamer de Erfgoedbalans 2017 aangeboden en medio maart is deze officieel gepresenteerd. Deze vierjaarlijkse publicatie, die voor een groot deel is gebaseerd op de Erfgoedmonitor van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, biedt inzicht in de staat waarin ons erfgoed verkeert en de effecten van het gevoerde rijksbeleid. Uit de balans blijkt dat het goed gaat met het erfgoed en dat er veel interesse voor is. Er zijn echter volgens de minister vele ontwikkelingen die in de komende jaren een steeds sterkere invloed zullen uitoefenen: van krimp en vergrijzing tot bodemdaling en zeespiegelstijging.

Ook de manier waarop met het erfgoed wordt omgegaan is aan veranderingen onderhevig: van overblijfsel naar inspiratiebron, van object naar omgeving, van betekenis naar beleving, van behoud naar ontwikkeling en van dominantie van deskundigen naar betrokkenheid van burgers. Twee zaken zijn naar de mening van de minister in bijzondere mate van belang voor het gehele erfgoedbeleid: duurzaamheid en bevolkingsdiversiteit. In 2018, het Europees Jaar voor het Cultureel Erfgoed, wordt specifiek aandacht aan dit alles besteed. 1.2. Monitor Erfgoedinspectie 2015-2016: het beleid van gemeenten In november 2016 heeft de Erfgoedinspectie de monitor over het gemeentelijke beleid voor archeologie en monumenten in 2015-2016 laten verschijnen. Enkele resultaten uit de rapportage: - 89% van de gemeenten heeft bij het vaststellen of herzien van alle bestemmingsplannen na 1 januari 2014 rekening gehouden met archeologie. - 36% van de gemeenten heeft actueel beleid vastgesteld (2012 of later) voor archeologie. 44% van de gemeenten heeft archeologiebeleid dat tussen 2006 en 2012 is vastgesteld. - 20% van de gemeenten heeft actueel beleid (2012 of later) voor (rijks)monumenten. 42% van de gemeenten heeft hiervoor geen beleid of heeft beleid dat vóór 2012 is vastgesteld.

- 81% van de gemeenten ziet er (bijna) altijd of meestal op toe dat restauraties of wijzigingen van rijksmonumenten zijn verlopen conform de omgevingsvergunning. Slechts bij 46% van hen beschikt de toezichthouder over deskundigheid op het gebied van bouw- én restauratietechniek.  1.3. Rijksbegroting 2018: wijzigingsplan voor rijksmonumenteneigenaren Eigenaren van rijksmonumenten zonder woonhuisfunctie komen voor onderhoudssubsidie in aanmerking. Bij woonhuizen is er sprake van een fiscale onderhoudsaftrek voor de rijks- Vereniging van Nederlandse Gemeenten 7/9 monumenteneigenaren. In september jl. werd in de rijksbegroting plotseling aangekondigd dat deze aftrek per 2017 zou vervallen en vervangen worden door een soberder subsidieregiem. Na protesten o.a. door de VNG die onderhoudsachterstand binnen gemeenten vreesde is de maatregel uitgesteld tot 2018. Op basis van nadere consultatie van met name de eigenaren komt de minister in 2017 met een Hoofdlijnennotitie voor het nieuwe beleid. 2. Inzet en planning door minister van OCW De Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft naar het oordeel van de minister veel in positieve zin veranderd. Hierbij is het rijksbeleid van louter object- naar meer gebiedsgericht gegaan.

Maar het is van belang te bezien of het (onroerend) erfgoedbeleid met de bijbehorende instrumenten nog steeds voldoet aan de eisen van deze tijd, kan meebewegen met trends en ontwikkelingen, en toekomstbestendig is. De minister wil met partners in het erfgoedveld en daarbuiten, eigenaren van rijksmonumenten en de andere overheden overleggen hoe dit beleid vorm kan krijgen en welke nieuwe verbindingen er te maken zijn ook met sectoren buiten het erfgoedveld. Speciale aandacht is er voor de energietransitie, de Omgevingswet, de grotere betrokkenheid van burgers en de verminderde afstand tussen erfgoedspecialisten en monumenteneigenaren. Met het oog op de actualisering van het beleid is onlangs het proces ‘Erfgoed Telt’ gestart. In dit proces zijn er de onderstaande fasen: 2.1. Rondetafels en werktafels  t/m mei 2017 Er is thans sprake van een consultatieronde. Hierbij worden o.a. op drie verschillende plekken in het land door het ministerie van OCW zogeheten werktafels georganiseerd. Voorlopige planning: 8 mei Amsterdam, 9 mei Eindhoven en 11 mei Zwolle, steeds aan het eind van de middag. De bedoeling is dat er per tafel een panel is van 5 personen onder wie een gemeentelijk e en/of provinciale vertegenwoordiger met een moderator en ongeveer 50 deelnemers in de zaal. Het doel van deze bijeenkomsten is om de opgaven voor ‘Erfgoed Telt’ nog scherper te krijgen.

Hiertoe komen met name de volgende aspecten aan bod: de waarde voor de fysieke leefomgeving; de gebruikswaarde en de bestaanswaarde. 2.2. Uitgangspuntennotitie nieuw Erfgoedbeleid  zomer 2017 Op grond van de consultatie verschijnt er in de zomer van 2017 een Uitgangspuntennotitie oftewel Hoofdlijnennotitie met ambities door de minister van OCW gericht op een nieuw erfgoedbeleid. 2.3. Uitwerking uitgangspunten tot beleid  augustus 2017 t/m januari 2018 Met name de fase van uitwerking wordt door het Rijk samen met het veld vormgegeven. 2.4. Bouwstenen Beleidsbrief  februari t/m april 2018 2.5. Beleidsbrief Erfgoed telt  voorjaar 2018 Hierna volgt de Kamerbehandeling en de implementatie. Vereniging van Nederlandse Gemeenten 8/9 Cultuursubsidieperiode 2017-2020 Het Rijk subsidieert gedurende vier jaar een beperkt aantal producerende organisatie s en ondersteunende instellingen van landelijke betekenis plus de zes rijkscultuurfondsen via de ‘Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2017-2020’, de zogeheten BIS. Hieronder een kort overzicht. 1.

Producerende organisaties De BIS bevat qua podiumkunsten vier grote en vier middelgrote theaterinstellingen, negen jeugdtheatergezelschappen, drie productiehuizen, vier dansgroepen, vijf symfonie -orkesten, twee begeleidingsorkesten respectievelijk voor opera en ballet, een orkest voor pop en jazz, drie opera- voorzieningen en vier podiumkunstenfestivals. Het collectiebeheer bij de 26 rijkgesubsidieerde musea wordt vanaf 1 juli 2016 via de Erfgoedwet bekostigd en op basis van de BIS kunnen deze instellingen rijkssubsidie ontvangen voor hun publieksactiviteiten. In de beeldende kunsten worden zes presentatie-instellingen en vier postacademische instellingen door het Rijk gesubsidieerd. Bij de film gaat het om drie festivals. 2. Ondersteunende instellingen In de podium- en beeldende kunsten subsidieert het Rijk via de BIS sinds 2013 niet langer de ondersteuning. De diverse kunstarchieven zijn sindsdien verspreid opgeslagen. De volgende instellingen worden nog wel voor hun ondersteunende en soms ook museale taak gesubsidieerd. Zij richten zich in wisselende mate op lokale overheden en organisaties: - De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (www.cultureelerfgoed.nl) biedt in beperkte mate ondersteuning als het gaat om al dan niet museale beeldende kunstcollecties en in brede zin voor het onroerend erfgoed.

- Het Lectoraat Art and Public Space/LAPS van de Rietveld Academie (www.dhaps.org) ontvangt ad hoc subsidies voor de ondersteuning van beeldende kunst in de openbare ruimte. - Er is een ondersteunende instelling tevens museum voor de film, de Stichting Eye Film Instituut Nederland (www.eyefilm.nl). - Voor de ondersteunende en museale functie bij de creatieve industrie – architectuur, vormgeving, e-cultuur - is er het Nieuwe Instituut (www.hetnieuweinstituut.nl). - Op het gebied van de letteren zijn er ter ondersteuning de Stichting Lezen (www.lezen.nl) en Stichting School Schrijvers Samenleving (www.sss.nl). - Voor de lokale openbare bibliotheken levert de Koninklijke Bibliotheek (www.kb.nl) de ondersteuning, echter niet meer via de BIS-gelden. - Het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (www.lkca.nl) ondersteunt actoren in de genoemde twee sectoren b.v. lokale centra voor de kunsten en amateurkunstverenigingen. - Daarnaast zijn er nog rijkssubsidies voor intersectorale culturele instituten die vaak samenwerken met lokale partners zoals het Kenniscentrum Boekmanstichting (www.boekman.nl), de Stichting Cultuur-Ondernemen (www.cultuur-ondernemen.nl), Digitaal Erfgoed Nederland (www.den.nl) en het Dutch Center for International Cultural Cooperation (www.dutchculture.nl).

Voor de volledigheid kan voorts opgemerkt worden dat het Nationaal Archief (www.nationaalarchief.nl) het landelijke kennisplatform voor de archieven is, terwijl voor de media kortgeleden de Stichting Nederlandse Publieke Lokale Omroepen (www.stichtingnlpo.nl) in het leven is geroepen. 3. Rijkscultuurfondsen De zes rijkscultuurfondsen hebben subsidietaken ten behoeve van de vernieuwing, stimulering en internationale uitwisseling binnen hun sector. Drie van de zes fondsen richten zich ook op bijzondere activiteiten en festivals van primair gemeentelijk gesubsidieerde instellingen: Fonds voor Cultuurparticipatie (amateurkunst en cultuureducatie); Fonds Podiumkunsten en Mondriaan Fonds (beeldende kunsten en erfgoed). Vereniging van Nederlandse Gemeenten 9/9 - Het Fonds voor Cultuurparticipatie (www.cultuurparticipatie.nl) bekostigt meerjarige festivals en amateurkunstgezelschappen van landelijke betekenis. Het heeft tevens subsidie -mogelijkheden voor vernieuwende projecten en internationale uitwisseling. Er zijn speciale regelingen voor jeugd en ouderen. Zo subsidieert het op grond van de regeling ‘Cultuureducatie met kwaliteit in het primair onderwijs’ samen met de provincies en de G36 diverse culturele instellingen. Ter verdere stimulering van de scholen zijn er bovendien de ‘Muziekimpuls in het primair onderwijs’ plus ‘Cultuureducatie in het VMBO en het praktijkonderwijs’.

Voorts bekostigt het FCP via de ‘Regeling voor subsidiëring van projecten in het kader van het programma Lang Leve Kunst’ culturele instellingen die zich op cultuur en ouderen richten, terwijl van de betrokken gemeenten een flankerend en verduurzamend beleid wordt verwacht. - Het Fonds Podiumkunsten (www.fondspodiumkunsten.nl) subsidieert meerjarige festivals en professionele gezelschappen van landelijke betekenis. Het verstrekt tevens projectsubsidies aan makers en voor internationale uitwisselingen. Daarnaast heeft het een programmeringsregeling. Het gaat daarbij om subsidies voor lokale theater- en concertzalen, kleinschalige en incidentele programmering, poppodia en festivals. - Het Mondriaan Fonds (www.mondriaanfonds.nl) onderscheidt zeven subsidie-categorieën. Drie daarvan zijn met name op kunstenaars of kunstkopers gericht: talentontwikkeling; internationale presentaties; stimuleren markt. Voor vier andere komen ook lokale instellingen plus publieke en private opdrachtgevers in aanmerking: presenteren en programmeren; vitale collectie Nederland; opdrachten; samenwerken in erfgoed/door musea. Bij deze vier regelingen zijn de betrokken gemeenten vaak co-financier, toekenning op basis van de laatstgenoemde regeling kan alleen als er ook een gemeentelijke bijdrage is. De drie andere rijksfondsen zijn met name gericht op individuele makers.

Zij verlenen daartoe aan hen productiesubsidies, stipendia e.d. Het betreft het Nederlands Filmfonds (www.filmfonds.nl) , het Nederlands Letterenfonds (www.letterenfonds.nl) en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie c.q. architectuur, vormgeving en e-cultuur (www.stimuleringsfonds.nl). Daarnaast subsidiëren zij lokale festivals, terwijl het laatstgenoemde fonds ook zogeheten ontwikkelinstellingen zoals Architectuur Lokaal (www.architectuurlokaal.nl) bekostigt. Voor de (openbare) bibliotheken is er geen rijksfonds, innovatiegelden worden van rijkswege ad hoc ter beschikking gesteld. Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (www.svdj.nl) bekostigt vernieuwende media-initiatieven, ook lokaal. Daarnaast is er een Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Met vriendelijke groeten, Vereniging van Nederlandse Gemeenten J. Kriens Algemeen Directeur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/305838ea-0e38-405d-991d-8d6a7bc46adc?agendaItemId=d83f72c3-f7dc-473f-ade9-5f189efc1e02