CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

I42.1 Beleidsplan en Jaarplan APV, bijzondere wetten en openbare orde - bijlage Beleidsplan APV-BW 2016-2018.pdf

Raadsvergadering 21 maart 2017, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Ingekomen stukken6.963 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beleidsplan voor de keten APV - Bijzondere wetten - Openbare orde en veiligheid 2016-2018 Afdeling Inwoners en Ondernemers Januari 2017 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding .................................................................................................................................................. 3 2. Doelstelling ............................................................................................................................................. 3 3. Visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving .................................................................. 4 4. Reguleringsketen .................................................................................................................................... 5 5. Stakeholders ............................................................................................................................................ 5 6. Casemanagement ................................................................................................................................... 6 7. Werkzaamheden in de keten ................................................................................................................ 7 8. Kaders voor vergunningverlening ...................................................................................................... 7 9.

Toezicht en Handhaving ..................................................................................................................... 10 9.1. NALEEFGEDRAG EN PRIOR ITEITEN TOEZICHT EN HANDHAVING ............................................ 10 9.2 VORMEN VAN TOEZICHT ............................................................................................................. 11 9.3 LANDELIJKE HANDHAVING SSTRATEGIE ..................................................................................... 11 9.4 SANCTIES ....................................................................................................................................... 11 9.5 LEGALISATIE ................................................................................................................................. 12 9.6 GEDOGEN ...................................................................................................................................... 12 10. Bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden ............................................................................. 13 10.1 BESTUURLIJKE BOETE EN BESTUURLIJKE STRAFBE SCHIKKI NG .................................................. 13 10.2 SAMENWERKING MET POLI TIE ..................................................................................................... 14 11.

Gedogen ............................................................................................................................................ 14 12. Bevoegdheden COR’s ...................................................................................................................... 15 12.1 GEWELDSMIDDELEN EN -BEVOEGDHEDEN ................................................................................ 16 13. Openbare orde en veiligheid .......................................................................................................... 17 13.1 Integrale Veiligheid ..................................................................................................................... 17 13.2 Rampenbestrijding en crisisbeheersing .................................................................................... 18 BIJLAGE 1 Landelijke handhavingsstrategie ...................................................................................... 19 BIJLAGE 2 Handhavings- en Gedoogstrategie Fysieke Leefomgeving Overijssel ........................ 20 BIJLAGE 3 Beleidsregels voor het verlenen, weigeren, vervallen en intrekken van gedoogbeschikkingen ................................................................................................................................... 21 3 1.

Inleiding Dagelijks worden vergunningen aangevraagd en verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening en de bijzondere wetten. En ook dagelijks wordt er toegezien op naleving van de bepalingen van de APV, op de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunningen en op de bijzondere wetten. Maar waarom doen we dat eigenlijk? Wat willen we ermee bereiken? En welke mogelijkheden hebben we om dat te doen? In dit plan wordt antwoord gegeven op deze vragen. In het VTH-beleidsplan gemeente Steenwijkerland 2014-2018 is hierover ook al één en ander opgenomen. Nieuwe inzichten hebben er toe geleid dat er nu voor gekozen is om APV en bijzondere wetten nader te belichten in een eigen beleidsplan, dat gericht is op de gehele keten. Het beleid, de vergunningverlening, het toezicht en handhaving en de juridische afhandeling van bezwaar- en beroepszaken worden in dit plan beschreven. 2. Doelstelling Met dit plan willen we bereiken 1. dat de verschillende onderdelen van de keten naadloos op elkaar aansluiten 2. dat inwoners en ondernemers weten wat ze van de gemeente mogen verwachten 3. dat vergunningen tijdig worden aangevraagd en verleend 4. dat de naleving van voorschriften verbetert door toezicht en handhaving In dit plan is ook het taakveld openbare orde en veiligheid opgenomen, vanwege de relatie met de APV en bijzondere wetten.

Volledige integratie is niet mogelijk, vanwege het bijzondere karakter van het taakveld. Openbare orde en veiligheid gaat vaak over problemen die niet alleen de (verschillende afdelingen binnen de) gemeente raken, maar ook politie en justitie. 4 3. Visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving De verplichting om voor bepaalde activiteiten een vergunning aan te vragen is voor veel betrokkenen niet prettig. Ook controles en handhaving worden niet altijd gewaardeerd. Toch zijn dergelijke stappen noodzakelijk om veilig, gezond en duurzaam te kunnen wonen, werken en leven. Als activiteiten van een burger of een bedrijf een risico opleveren voor de omgeving, is het de taak van de overheid om te zorgen dat deze risico’s beheersbaar blijven. Omdat tijd en capaciteit het niet toelaten om alle risico’s weg te nemen, moeten er keuzes gemaakt wo rden bij de inzet van de beschikbare middelen. Thema’s en individuele situaties die de grootste risico’s opleveren als naleefgedrag te wensen overlaat, krijgen hierbij voorrang.

Volgens het VTH-beleidsplan 2014-2018 is de kern van het beleid daarom: 'De risico's van niet-naleving van wetgeving en beleid op het vlak van de fysieke leefomgeving tot een minimum te beperken, gegeven de beperkt beschikbare middelen en met een minimale overlast voor de inwoners en bedrijven.' De nadelen van de gekozen werkwijze zijn in het VTH-beleidsplan beschreven en gelden ook voor dit plan:  Niet alles wordt getoetst en/of gecontroleerd. Incidenten zullen zich gaan voordoen, mogelijk juist op de terreinen en onderdelen die minder prioriteit hebben gekregen op basis van het VTH-beleid. We nemen met andere woorden bepaalde risico’s op de koop toe.  Het kan gebeuren dat niet iedereen meer op dezelfde wijze door de gemeente wordt behandeld. Partijen die zich uit zichzelf goed aan de regels houden zullen minder aandacht/last van de gemeente krijgen dan partijen die regelmatig de regels niet (volledig) naleven.  Als we een overtreding constateren, zullen we niet (meer) in alle gevallen naleving juridisch afdwingen. , ook al heeft de gemeente in beginsel een handhavingsplicht. In sommige gevallen zal er het bij een verzoek blijven gedaan worden om vrijwillig de overtreding ongedaan te maken. Het aanvragen van vergunningen is een proces dat met het oog op een optimale dienstverlening aan burger en ondernemer zoveel mogelijk digitaal wordt ingericht.

Steeds meer vergunningen kunnen via internet worden aangevraagd. Dit vergemakkelijkt het aanvragen, en ook wordt voorkomen dat aanvragen onvolledig worden ingediend. Tot slot versnelt het ook de afhandeling van de aanvragen. 5 4. Reguleringsketen Voor APV, bijzondere wetten en openbare orde en veiligheid is de reguleringsketen een belangrijk middel om de gestelde doelen te realiseren. De keten is een cyclus van de volgende stappen: 1. Wet- en regelgeving; 2. Het vertalen van wet- en regelgeving in vergunningen waar voorschriften aan zijn verbonden; 3. Het uitvoeren van wet- en regelgeving; 4. Het handhaven van wet- en regelgeving. Binnen de keten is een goede koppeling tussen regelgeving en beleid, vergunningverlening en toezicht en handhaving essentieel. Het beleid moet zodanig zijn opgesteld dat het voor een aanvrager van een vergunning en voor de vergunningverlener geen vragen oproept over de afhandeling van een aanvraag. Waar handhaving in het verleden het sluitstuk was van de reguleringsketen worden nu de handhavers ook nadrukkelijk betrokken bij het opstellen van beleid en regelgeving. Op deze manier wordt gewaarborgd dat het beleid ook handhaafbaar is. Naast de uitvoering door de toezichthouders is ook de juridische afwikkeling van de handhaving afhankelijk van goed opgesteld beleid.

Bij het opstellen van het beleid bestaat een grote mate van vrijheid, waarbij het wel in overeenstemming moet zijn met wet- en regelgeving. Ook met jurisprudentie moet rekening worden gehouden. 5. Stakeholders Bij het schrijven van dit plan is de vraag gesteld wie de belangrijkste stakeholders zijn als het gaat om het beleid ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In het kort kan gesteld worden dat dit iedereen is die in de gemeente actie f is in de openbare ruimte. Dit varieert van organisatoren van grote evenementen tot mensen die de hond uit laten. Voor sommige activiteiten is een vergunning of ontheffing nodig, voor andere niet. De vergunningplicht vraagt veel voorbereiding van zowel de organisatoren als van de gemeente. Ook zal er moeten worden toegezien op het naleven van de voorschriften van de vergunning. Voor het uitlaten van honden is weliswaar geen vergunning nodig, maar ook dit is aan regels gebonden en ook hier moet op worden toegezien. Twee zeer verschillende activiteiten, die laten zien dat de doelgroep voor dit beleid zeer divers en groot is. Bij het opstellen of actualiseren van beleid wordt in kaart gebracht welke partijen hierbij moeten worden benaderd en betrokken.

Vaak wordt hierbij gedacht aan organisaties van bewoners of ondernemers, maar ook binnen de gemeente kunnen verschillende afdelingen bezig zijn met hetzelfde onderwerp of thema. De organisatoren van terugkerende evenementen vormen een belangrijke doelgroep , met name voor vergunningverlening en handhaving. Hierbij denken we onder meer aan de Stichting 6 Vestingstad, de corso’s en de schaatstochten. Met deze partijen wordt in een vroeg stadium besproken wat de plannen en wensen zijn, zodat de mogelijkheden om d eze te realiseren en de benodigde vergunningen af te geven inzichtelijk kunnen worden gemaakt. 6. Casemanagement Bij binnenkomst van een vergunningaanvraag wordt deze toegewezen aan één van de vergunningverleners, deze treedt op als casemanager van de betreffende vergunning en coördineert de afhandeling binnen de gemeente en waar nodig met externe partners (zoals brandweer, politie) .

In het kort omvatten de werkzaamheden van de casemanager het volgende:  behandelt binnenkomende verzoeken voor het verlenen van vergunningen op grond van APV of bijzondere wetten;  draagt zorg voor de afhandeling en inhoudelijke toetsing van aanvragen;  bewaakt de termijnen  vraagt voor evenementenvergunningen advies aan externe partners als politie en veiligheidsregio als uit de risicoscan blijkt dat dit noodzakelijk is;  draagt zorg voor gemotiveerde toekenning of afwijzing van de vergunningaanvraag;  verstrekt inlichtingen betreffende procedures en voortgang van vergunningen. Het komt voor dat evenementenvergunningen in een laat stadium worden aangevraagd. Hierdoor komen de termijnen onder druk te staan, evenals de mogelijkheid om advies aan te vragen van externe partners als politie en brandweer. Dit betreft niet alleen incidentele evenementen, maar ook jaarlijks terugkerende. Om te voorkomen dat een aanvraag (te laat) wordt ingediend kan een vergunningverlener in zijn rol als casemanager al in een vroeg stadium de bekende organisatoren benaderen voor overleg over de vergunningprocedure. Wanneer een vergunningaanvraag heeft geresulteerd in een vergunning, wordt de zaak administratief afgehandeld en overgedragen aan de toezichthouders, die daarmee het casemanagement overnemen. 7 7.

Werkzaamheden in de keten Een groot deel van deze werkzaamheden binnen de keten APB, bijzondere wetten en openbare orde wordt bepaald door de vraag van inwoners, bedrijven en organisaties. Dit is verklaarbaar omdat vergunningen uitsluitend worden afgegeven op aanvraag. De werkzaamheden van de toezichthouders komen voort uit de afgegeven vergunningen en ontheffingen, uit de Meldingen Openbare Ruimte (MOR-meldingen), die via internet binnenkomen, maar ook op andere manieren komen klachten en verzoeken voor het uitvoeren van toezicht en handhaving binnen. Ook eigen waarneming tijdens surveillance kan tot toezicht en/of handhavingsacties leiden. Voor toezicht wordt jaarlijks een planning gemaakt aan de hand van ervaringen uit voorgaande jaren, signalen uit de samenleving en bestuurlijke prioriteiten. Voor de uitvoering van deze werkzaamheden is het van wezenlijk belang dat de gemeentelijke regelgeving op orde is. In het voorjaar van 2016 is de gewijzigde APV vastgesteld. Deze bevat een groot aantal gebods- en verbodsbepalingen, waarvoor het bevoegde bestuursorgaan ontheffing of vergunning kan verlenen. Ook heeft de gemeenteraad de nodige kaders gesteld voor het college, die vervolgens het beleid verder in kan vullen met nadere regels of bepalingen beleidsregels.

Er is grote behoefte aan geactualiseerde regels, de bestaande regels zijn in een aantal gevall en gedateerd en dringend toe aan herziening. Deze worden besproken in 10 en 11 van dit plan. Ook landelijke wetgeving op het gebied van de bijzondere wetten en openbare orde vra agt regelmatig om nieuw gemeentelijk beleid. 8. Kaders voor vergunningverlening In de Algemene Plaatselijke Verordening kan de gemeente activiteiten in de leefomgeving aan extra regels binden. Het gaat dan om activiteiten die sterk plaatsgebonden zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd, zoals bijvoorbeeld evenementen, en om het voorkomen van overlast. Ook heeft de landelijke wetgever in verschillende wetten ruimte gelaten voor de gemeenten om afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden nadere invulling te geven aan deze wetten. Dit geldt bijvoorbeeld voor regels rondom prostitutie, vuurwerk en horecagelegenheden. Naast de APV is er een categorie wetten die de bijzondere wetten wordt genoemd en waarvoor de burgemeester of het college bevoegd is om vergunningen te verlenen. Deze wetten zien op één specifiek onderwerp zoals de Drank- en Horecawet en de Wet op de kansspelen. Een aantal onderwerpen in de APV is uitgewerkt in nadere regels of beleidsregels, ook hieraan worden vergunningaanvragen of aanvragen om een ontheffing getoetst.

Van beleidsregels kan worden afgeweken als er sprake is van ongewenste gevolgen bij het toepassen van de betreffende beleidsregel. Uitgangspunt is om het beleid zoveel mogelijk toe te passen en er slechts in uitzonderingsgevallen van af te wijken. Hieronder enkele activiteiten, wetten en beleidsregels die bij het verlenen van vergunningen en/of ontheffingen op basis van de APV en de bijzondere wetten in acht genomen worden; 8 Evenementen Binnen de gemeenten worden drie categorieën evenementen onderscheiden, waarmee de werkwijze wordt gevolgd die binnen de Veiligheidsregio IJsselland wordt gehanteerd. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze werkwijze ook in Steenwijkerland wordt gehanteerd. Daarop vooruitlopend wordt deze in dit plan opgenomen. De indeling in categorieën ziet er in grote lijnen als volgt uit: Categorie Omschrijving Voorbeeld Vergunning of melding 0 Kleinschalig Buurtbarbecue Melding Categorie A Regulier evenement, weinig risico, met beperkte impact op de omgeving Braderie Vergunning Categorie B Aandachtsevenement, weinig risico, grote impact op de omgeving Dorpsfeest, vestingfeesten Dicky Woodstock, bloemencorso’s Vergunning Categorie C Risico-evenement, hoog risico voor openbare orde/veiligheid, grote impact op de omgeving Overijsselse Meren Tocht Vergunning Deze indeling gebeurt op basis van de zogeheten risicoscan.

Hierbij wordt gekeken naar factoren als aantallen bezoekers, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de activiteiten die ontplooid worden. Op basis van de indeling worden adviezen gevraagd van hulpdiensten en gemeentelijke afdelingen die worden verwerkt in de vergunning en bijbehorende voorschriften. Voor de grotere B- en C-evenementen geldt dat deze in de evenementenwerkgroep worden besproken, en dat ook de organisator wordt uitgenodigd voor vooroverleg. Inmiddels is ervaring opgedaan met tussentijdse evaluaties van evenementen die meerdere keren per jaar worden gehouden, zoals de vestingfeesten. Op deze manier kunnen onwenselijke situaties snel worden besproken en bij het volgende evenement kan er dan extra aandacht aan worden besteed. Deze evaluaties vergroten het wederzijds begrip en versterken de samenwerking tussen gemeente en organisatie. Drank- en Horeca Wet Een Drank- en Horecavergunning is vereist voor ieder bedrijf dat of andere or ganisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt. Deze vergunning wordt verleend op grond van de Drank- en horecawet, maar ook de APV bevat bepalingen rondom horecagelegenheden en paracommerciële inrichtingen, zoals dorpshuizen en sportkantines. 9 Algemene Plaatselijke Verordening (APV) De APV bevat nog een groot aantal activiteiten waarvoor vergunning of ontheffing moet worden aangevraagd.

Deze worden in alle gevallen getoetst aan de geldende wet - en regelgeving. Wet BIBOB Met de wet BIBOB beschikt de overheid over een instrument om de achtergrond van personen of bedrijven te onderzoeken. Het onderzoek kan uitgevoerd worden in gevallen waarin er sprake is van mogelijk misbruik van een vergunning of subsidie, en behelst onder meer de criminel e antecedenten van de aanvrager, en verdachte geldstromen. Een vergunning of subsidie kan geweigerd worden als er ernstig gevaar dreigt voor misbruik. Het onderzoek wordt deels door de gemeente zelf, en deels onder leiding van het Regionaal Informatie - en Expertise Centrum (RIEC) uitgevoerd. Voor de toepassing van de BIBOB-toets is een beleidskader opgesteld, dat dateert uit 2012 en binnen de looptijd van dit plan zal worden geëvalueerd en waar nodig aangepast. Volgens het beleidskader wordt in de volgende gevallen een BIBOB-toets uitgevoerd: 1. elke aanvraag waarover wij informatie ontvangen of hebben ontvangen van Justitie; 2. elke aanvraag waarover wij een tip van andere overheden of bestuursorganen hebben ontvangen; 3. elke aanvraag die betrekking heeft op het verkrijgen van een exploitatievergunning voor een seksinrichting, speelautomatenhal of een coffeeshop; 4.

alle andere aanvragen waarin handhavinggegevens of indicaties die de vergunningverlener krijgt bij een aanvraag om een vergunning, ontheffing en/of afwijki ng, aanleiding kunnen geven tot het instellen van een nader onderzoek. Toepassing van de Wet BIBOB kan is mogelijk bij vele soorten vergunningen en andere handelingen, en beperkt zich niet tot APV en bijzondere wetten. Mediationbeleid De gemeente heeft een actief mediationbeleid met betrekking tot geschillen die voortkomen uit de vergunningverleningsprocedures. De gemeente benadert partijen die bezwaar willen maken tegen een vergunningbeschikking altijd om te verkennen of er zonder juridische procedure een oplossing kan worden gevonden voor de punten waartegen de bezwaren zich richten. Een pool van medewerkers is speciaal getraind om deze vorm van mediation uit te voeren. Mediation wordt ook aangeboden als er sprake is van burenruzies en partijen zich wende n tot de gemeente voor een oplossing. In dat geval wordt in het algemeen een externe mediator ingeschakeld, om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. 10 9. Toezicht en Handhaving Het college heeft in zijn collegeprogramma opgenomen dat het belang van de burger zwaar weegt en dat de gemeente dicht bij de burger wil staan.

Voor Toezicht betekent dit dat wanneer er veel meldingen of klachten over bepaalde onderwerpen binnenkomen, hier gericht actie op wordt ondernomen. Wat willen we bereiken met toezicht en handhaving? Het belangrijkste doel van toezichthouden is ervoor te zorgen dat regels worden nageleefd. Dit kunnen algemene regels zijn, maar ook vergunning- of ontheffingsvoorschriften. Om dit te bereiken zijn er verschillende instrumenten die kunnen worden ingezet, zoals voorlichting. Wanneer het naleefgedrag te wensen overlaat en er overtredingen worden geconstateerd moet echter slagvaardig worden opgetreden. De maatregelen die daarbij worden genomen moeten bijdragen aan een betere naleving van de regels of vergunningvoorschriften. Het is lastig om resultaten die worden behaald met toezicht en handhaving objectief te meten. Tot op zekere hoogte is het wel mogelijk, bijvoorbeeld bij parkeercontroles. Daarbij kan inzichtelijk gemaakt worden in hoeverre in blauwe zones een parkeerkaart wordt gebruikt. Door middel van gerichte controles kan hiermee ook het naleefgedrag worden beïnvloed. Een andere manier om te meten wat het effect is van toezicht en handhaving is het inwonersonderzoek dat tweejaarlijks wordt gehouden. In dit onderzoek wordt de inwoners onder meer gevraagd naar hun gevoel van veiligheid en de overlast die zij ervaren.

De uitkomsten hiervan worden verwerkt in de te stellen prioriteiten. Datgene dat leeft onder de inwoners, bedrijven en instellingen is in belangrijke mate leidend voor de werkzaamheden van de Toezichthouders. De toezichthouders voor de openbare ruimte worden de Controleurs Openbare Ruimte (COR’s) genoemd. De capaciteit van de COR’s moet ingezet worden voor een groot aantal taken, waardoor er keuzes gemaakt moeten worden. Deze keuzes zijn naast de beleving van de burger ook gebaseerd op een afweging van risico’s, kosten en baten en bestuurlijke prioriteiten. De gemaakte keuzes werken door in alle facetten van de keten van APV, bijzondere wetten en openbare orde en veiligheid. Afstemming tussen beleidsmakers en uitvoerders is noodzakelijk om te kunnen komen tot een uitvoerbaar beleid. Ervaringen uit de praktijk moeten worden vertaald in het beleid. Daarnaast moeten de beleidsmakers, vergunningverleners, handhavingsjuristen het eens zijn over de gestelde prioriteiten. De aard van de werkzaamheden brengt echter met zich mee dat er ook ruimte moet zijn voor onvoorziene omstandigheden. Met name op het gebied van openbare orde kunnen incidenten makkelijk ontstaan en moet er adequaat door alle betrokkenen kunnen worden gereageerd. 9.1.

NALEEFGEDRAG EN PRIORITEITEN TOEZICHT EN HANDHAVI NG In tegenstelling tot hetgeen bij Wabo en milieu gebruikelijk is, is voor APV en bijzondere w etten tot op heden niet vastgesteld wat het wenselijke niveau van naleving is. 100% naleving van (vergunning-)voorschriften is niet haalbaar, er zullen altijd overtredingen en overtreders zijn. Op 11 basis van ervaringen en beschikbare gegevens over het naleefgedrag kan per gedraging een ondergrens worden gesteld, die als streven wordt gehanteerd. Wanneer blijkt dat de naleving boven deze ondergrens scoort, kan de inzet op de betreffende gedraging worden verminderd. De prioriteiten voor toezicht en handhaving variëren van jaar tot jaar. Meer toezicht op bepaalde thema’s zal leiden tot meer naleving van de voorschriften, waarna het toezicht kan worden beperkt en andere activiteiten prioriteit krijgen. Onderwerpen die blijvend aandacht hebben zijn: - Drank- en horecawet - Jongeren - Parkeren - Evenementen Het college werkt de te stellen prioriteiten jaarlijks uit in het Jaarprogramma VTH voor de APV en Bijzondere wetten. Openbare orde en veiligheid kent een eigen jaarprogramma.

9.2 VORMEN VAN TOEZICHT De gemeente hanteert vier verschillende manieren van toezicht om de naleving te bevorderen, te weten: - Toezicht op verleende vergunningen, waarbij wordt gecontroleerd of de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning worden nageleefd; - Thematisch toezicht, dat is gericht op thema’s die zijn aangewezen als speerpunt in het toezichtprogramma; - Surveillancetoezicht, waarbij naleefgedrag wordt beoordeeld als de handhavers toch al ter plaatse zijn voor andere controles en fungeert tevens als preventief toezicht (door zichtbaar te zijn wordt gedrag beïnvloed); - Reactief toezicht, dit is toezicht dat plaatsvindt naar aanleiding van klachten en meldingen (o.a. MOR) of andere signalen die bij de gemeente binnenkomen. 9.3 LANDELIJKE HANDHAVING SSTRATEGIE In april 2014 is de Landelijke handhavingsstrategie vastgesteld. Deze is ontwikkeld vanuit het milieurecht en heeft in eerste instantie betrekking op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), maar is breder toepasbaar en kan ook voor de APV en bijzondere wetten worden gehanteerd. Het toepassen van de strategie voor zowel Wabo als andere regelgeving zorgt voor passende interventies en eenduidig optreden. Dit biedt duidelijkheid voor zowel de handhavende instantie als voor de betrokken burgers of ondernemers.

9.4 SANCTIES In de handhavingsstrategie is een interventiematrix opgenomen waarop de handhaver zijn interventie baseert. Deze interventie is afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding enerzijds, en anderzijds wordt gekeken naar de intentie van de overtreder. Naarmate een overtreding ernstiger is of de gevolgen voor de omgeving ingrijpender zijn zal de opgelegde maatregel zwaarder worden. Het gedrag van de overtreder speelt ook een belangrijke rol: als er sprake is van een onbedoelde overtreding zal deze minder zwaar bestraft worden dan een overtreding die calculerend of bewust en structureel wordt begaan. Er kan dan zelfs sprake zijn van crimineel gedrag. In dergelijke gevallen zal ook de opgelegde sanctie zwaarder zijn. Naast bestuursrechtelijk handhaven kan dan ook gekozen worden voor strafrechtelijk handhaven, en in 12 het uiterste geval wordt uitsluitend strafrecht toegepast. Dit gebeurt bij zware overtredingen die bewust zijn begaan. Wanneer de handhaver constateert dat er verzachtende of verzwarende omstandi gheden zijn wordt de interventie daar op aangepast. In de handhavingsstrategie staat beschreven op welke wijze hier mee om wordt gegaan. 9.5 LEGALISATIE Voordat wordt overgegaan tot handhaving wordt eerst bekeken of er een mogelijkheid is om over te gaan tot legalisatie.

Wanneer dit het geval is, is dat een verzachtende omstandigheid en wordt een minder zware maatregel opgelegd. Het betekent niet dat er niet handhavend opgetreden wordt, aangezien de situatie kan vragen om beëindiging van de overtreding e n de gevolgen ervan te beperken of weg te nemen. 9.6 GEDOGEN Ook als er sprake is van een situatie die voldoet aan de criteria voor het gedogen, wordt er niet handhavend opgetreden. Dit zal zich uitsluitend voordoen als er sprake is van zicht op het verkrijgen van een vergunning of wanneer de strijdige handeling binnen afzienbare tijd ophoudt. Een gedoogsituatie is hiermee geen permanente toestand, maar heeft een tijdelijk karakter. Tegen het opstellen van een zogenaamde gedoogbeschikking staat bezwaar en beroep open. 13 10. Bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden Bij het constateren van een overtreding kan de gemeente op verschillende manieren handhaven, te weten door middel van bestuursrechtelijk of strafrechtelijk optreden. Bestuursrechtelijk optreden is gericht op herstel van de situatie zoals die was voordat de overtreding werd begaan. In dat geval wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang op te leggen. In het VTH beleidsplan gemeente Steenwijkerland 2014-2018 wordt uitdrukkelijk gekozen voor het opleggen van een last onder dwangsom.

De redenen hiervoor zijn praktisch van aard: a. De bestuurslasten bij een dwangsombeschikking zijn lager dan bij bestuursdwang (louter administratief juridisch; geen feitelijk optreden); b. Bij repeterende overtredingen is de dwangsom beduidend effectiever omdat de last blijft bestaan als de overtreding is beëindigd: als de overtreding opnieuw plaatsvindt, wordt de dwangsom alsnog verbeurd; c. Bij onverhoopte vernietiging in beroep kan het besluit eenvoudig worden teruggedraaid; d. Een deel van de bestuurslast kan worden gefinancierd uit de opbrengsten van de verbeurde dwangsommen; e. De aansprakelijkheidsverzekering stelt in veel gevallen lagere eisen aan dwangsombeschikkingen dan aan bestuursdwangbeschikkingen; f. Als een dwangsom is opgelegd zonder het gewenste resultaat, kan als tweede maatregel bestuursdwang worden aangekondigd. In het VTH –beleidsplan is opgenomen dat een last onder bestuursdwang alleen wordt toegepast in spoedeisende situaties met gevaar aspecten, en bij overtredingen waarbij niet het risico mag worden gelopen dat deze, ondanks een last onder dwangsom, wordt voortgezet of kan worden herhaald. Dit houdt in dat de gemeente ingrijpt als er sprake is van gevaar, of als herhaling van een overtreding moet worden voorkomen. De kosten die de gemeente hiervoor maakt kunnen worden verhaald op de overtreder.

Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsommen en de hersteltermijnen hanteert de gemeente de ‘Leidraad handhavingsacties en termijnen’. Strafrechtelijk optreden is gericht op het toebrengen van leed aan de pleger van een overtreding. Het gaat dan om overtredingen die zich naar hun aard niet lenen voor een bestuursrechtelijke sanctie, of wanneer het toepassen van bestuursrechtelijke handhaving niet in verhouding staat met de gepleegde overtreding. 10.1 BESTUURLIJKE BOETE EN BESTUURLIJKE STRAFBE SCHIKKING Naast bovengenoemde maatregelen zijn in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht als bestraffende sancties ook de bestuurlijke boete en de bestuurlijke strafbeschikking opgenomen. Deze kunnen niet naast elkaar gebruikt worden, het bevoegde bestuursorgaan moet een keuze maken. De gemeente heeft in 2009 besloten om de bestuurlijke strafbeschikking te hanteren bij overtredingen. De overtredingen die worden geconstateerd worden aan de hand van het 14 zogeheten feitenboekje door de BOA’s bestraft, waarna het CJIB overgaat tot inning van de boete. Wanneer een overtreder het niet eens is met het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking kan hij daartegen in verzet gaan, waarna een strafrechtelijke procedure volgt, dus volledig los van het bestuursrecht.

In het verleden kreeg de gemeente per opgelegde beschikking een vergoeding, waarmee een deel van de kosten voor de handhaving kon worden betaald. Deze vergoeding wordt inmiddels niet meer verstrekt. 10.2 SAMENWERKING MET POLI TIE Waar bestuursrecht en strafrecht samenkomen is een goede samenwerking met de politie van groot belang. COR’s en politie kunnen elkaar versterken en aanvullen. Dit is het geval in de dagelijkse werkzaamheden, maar kan ook bij specifieke gebeurtenissen als controle van evenementen of tijdens de jaarwisseling bij de oudejaarshuisjes. Om deze samenwerking te verbeteren wordt ingezet op meer contact met de politie door middel van een regelmatige korte briefing, waarbij informatie over de werkzaamheden en speerpunten wordt uitgewisseld. De controles op de ontheffingen van de oudejaarshuisjes werden altijd gedaan door de COR’s, maar de ervaring leert dat ondersteuning van de politie regelmatig noodzakelijk is. In het jaarplan worden de afspraken opgenomen die tussen gemeente en politie worden gemaakt om de samenwerking verder vorm te geven. 11. Gedogen In het VTH-beleidsplan gemeente Steenwijkerland 2014-2018 is ten aanzien van gedogen de volgende passage opgenomen, die ook voor de APV en bijzondere wetten onverkort van kracht is en blijft.

“De gemeente heeft de mogelijkheid om bij een geconstateerde overtreding expliciet te kiezen v oor het gedogen van een illegale situatie. Wanneer dit plaatsvindt, dan ontvangt de overtreder een gedoogbeschikking van de gemeente. Op 9 november 2004 hebben burgemeester en wethouders van Steenwijkerland beleidsregels voor het verlenen, weigeren, vervallen en intrekken van gedoogbeschikkingen vastgesteld met de titel: ‘Beleidsregels Gedoogstrategie gemeente Steenwijkerland’. De gemeente toetst verzoeken tot gedogen aan deze regels. De algemene lijn van deze beleidsregels is dat gedogen een uitzonderlij ke bevoegdheid is, en blijft, die mondjesmaat wordt toegepast. Het gaat dan om overtredingen die naar verwachting maar tijdelijk zijn en op korte termijn kunnen worden gelegaliseerd, bijvoorbeeld door alsnog een vergunningaanvraag in te dienen of door een wijziging van een bestemmingsplan waardoor de situatie niet meer illegaal is. In de praktijk probeert de gemeente te voorkomen dat het expliciet gedogen nodig is. De gemeente gebruikt het vastgestelde kader voor het al dan niet gedogen van geconstateerde illegale situaties wanneer men toch overweegt een dergelijke situatie tijdelijk toe te staan.” 15 12.

Bevoegdheden COR’s De toezichthouders in Steenwijkerland, de Controleurs Openbare Ruimte (COR’s), zijn toezichthouder en zien daarmee toe op naleving van de voorschriften uit de APV en de bijzondere wetten. Wanneer zij constateren dat deze voorschriften worden overtreden zijn er verschillende mogelijkheden om hier tegen op te treden. Handhavend optreden kan door middel van een waarschuwing, een boete, een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang. Welk van deze instrumenten wordt ingezet is afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding. In het hoofdstuk over de handhavingsstrategie wordt hier uitgebreider op ingegaan. De COR’s in Steenwijkerland zijn ook allen BOA (behoudens de toezichthouder op wees- en gevonden fietsen). Volgens de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, Staatscourant 2016, nr 33381, is een boa “een functionaris die uit hoofde van zijn taak, in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag, in overeenstemming met de geldende rechtsregels en met behulp van de hem daartoe beschikbaar gestelde bevoegdheden en middelen, zorgdraagt voor de opsporing van strafbare feiten alsmede met de voorbereiding van de eventuele vervolgi ng van deze feiten.” In deze beleidsregels is ook opgenomen voor welke wettelijke regelingen de BOA’s bevoegd zijn handhavend op te treden.

BOA’s hebben kortom meer bevoegdheden dan alleen toezichthouden, zij zijn ook bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten of te kiezen voor strafrechtelijke vervolging van overtredingen als er sprake is van ernstige of zware overtredingen of als andere omstandigheden dit rechtvaardigen. Deze bevoegdheden worden formeel uitgevoerd onder toezicht van de Korpschef van Politie, of de (hoofd-) Officier van Justitie. Van welke bevoegdheden zij gebruik maken dienen zij zelf te beoordelen, dit is hun zogeheten discretionaire bevoegdheid. Tussen de COR’s en de politie is regelmatig overleg, waarbij over en weer informatie w ordt gedeeld over de uit te voeren werkzaamheden. Waar mogelijk en noodzakelijk worden deze gezamenlijk uitgevoerd, zodat de wederzijdse bevoegdheden optimaal kunnen worden benut. Dit is bijvoorbeeld het geval bij (grote) evenementen. De taken die de Cor’s uitvoeren worden op gemeentelijke niveau bepaald, het college stelt de prioriteiten vast. De Cor’s zijn ook in dienst van de gemeente. Zij hebben echter een bijzondere positie, doordat op de wijze van uitoefening van hun taken toezicht wordt gehouden do or de Hoofdofficier van Justitie en door het BOA-loket van Eenheid Oost van de politie.

Waterplan Een bijzondere samenwerking is het Waterplan, waarin wij samenwerken met Waterschap Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden), Provincie Overijss el, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Politie. Deze samenwerking is vastgelegd in een convenant dat telkens voor de duur van vier jaren wordt vastgesteld. Met het convenant wordt het toezicht op de waterwegen en plassen in de kop van Overijssel uitgevoerd. Jaarlijks wordt een bijdrage geleverd van 600 uur. 16 12.1 GEWELDSMIDDELEN EN -BEVOEGDHEDEN Boa’s kunnen tijdens hun werk in aanraking komen met mensen die zich jegens hen agressief gedragen. Dit kan zijn tijdens controles van bijvoorbeeld de Drank- en horecawet tijdens evenementen, maar ook bij controles in de openbare ruimte waarbij strafbare feiten worden geconstateerd. In dergelijke gevallen kan de politie snel worden gewaarschuwd omdat de Boa’s in rechtstreeks contact staan met de Meldkamer Oost-Nederland. De snelheid waarmee de politie ter plaatse kan zijn wisselt sterk en is afhankelijk van het tijdstip op de dag (’s avond en ’s nachts duurt het langer), en de locatie waar de Boa’s zich bevinden. Bij overtredingen op het water kan het voor de politie problematisch zijn om ter plaatse te komen. De toekenning van geweldsmiddelen (wapenstok, pepperspray en/of vuurwapen) aan Boa’s gebeurt slechts in uitzonderlijke gevallen en is omgeven met waarborgen.

Zo moet de noodzaak worden aangetoond, en ook moet de medewerker zijn bekwaamheid aantonen om met het betreffende wapen om te kunnen gaan. Boa’s van organisaties als het waterschap, Natuurmonumenten en sommige andere gemeenten beschikken over geweldsmiddelen, zij het niet allemaal in dezelfde mate. Dit roept de vraag op in hoeverre het wenselijk is om ook de gemeentelijke Boa’s uit te rusten met geweldsmiddelen. Uitgangspunt is dat de Boa’s werken in koppels, en dat zij overdag en ‘s avonds werken tot 21.30 uur. Hiervan kan in incidentele gevallen worden afgeweken, bijvoorbeeld voor controles in verband met de Drank- en Horecawet. Voorwaarde hiervoor is dan dat er gewaarborgde politieondersteuning is. De gemeente is er als werkgever verantwoordelijk voor dat de Boa’s goed zijn toegerust voor hun taak, en moet aandacht hebben voor hun veiligheid. Door vast te houden aan het eindtijdstip van 21.30 uur wordt voorkomen dat de Boa’s in de risicovollere, nachtelijke, uren werken. Het toekennen van geweldsmiddelen en –bevoegdheden is dan niet noodzakelijk. In 2017 zal onderzocht worden of het wenselijk is om de werktijden van de Boa’s aan te passen, zodat ook meer in de late avond en nacht controles kunnen worden uitgevoerd. In dit onderzoek zullen ook de consequenties voor de benodigde capaciteit en de noodzaak tot het toekennen van geweldsmiddelen worden meegenomen. 17 13.

Openbare orde en veiligheid Openbare orde en veiligheid valt uiteen in twee delen, te weten de Integrale Veiligheid enerzijds en de Rampenbestrijding en Crisisbeheersing anderzijds. In het Integraal Veiligheidsplan 2015 – 2018 zijn verschillende thema’s als speerpunt benoemd en uitgewerkt. Deze zijn: - Veiligheidsbewustzijn en zelfredzaamheid - Woninginbraken - Overlast door personen in de woonomgeving (door individuen, door groepen (jong eren), overlast rondom de jaarwisseling en door hard rijden) - Drugs en georganiseerde criminaliteit (drugshandel en drugsgebruik, georganiseerde criminaliteit en ondermijning) - Alcohol en veilig uitgaan (alcoholgerelateerde overlast, veilig uitgaan) Het benoemen van deze speerpunten betekent niet dat aan andere thema’s geen aandacht wordt besteed. Dergelijke thema’s vergen nu geen extra inspanning maar zijn de zogenaamde ‘going concern-thema’s’. Naast het Integraal veiligheidsplan wordt ook jaarlijks de IV-matrix opgesteld. Deze dient als jaarplan voor integrale vraagstukken en wordt vastgesteld door de driehoek, die bestaat burgemeester, officier van justitie en teamchef van de politie. De matrix bevat dan ook onderwerpen die van al deze drie partijen inspanningen vergen.

13.1 Integrale Veiligheid De integrale veiligheid omvat naast bovengenoemde onderwerpen een groot aantal onderdelen van de APV, te weten de onderwerpen die geregeld zijn in hoofdstuk 2, Overlast, en in mindere mate hoofdstuk 3, Prostitutie. Daarnaast zijn er nog tal van andere onderwerpen die de veiligheid betreffen maar die niet in de APV zijn opgenomen. Voor de integrale veiligheid geldt dat dit taakveld aan veel beleidsterreinen en afdelingen raakt, waardoor het noodzakelijk om met deze afdelingen afspraken te maken die ook zij in hun beleid verwerken om de afgesproken doelstellingen te halen. Ook actuele ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat er regelmatig overleg gevoerd moet worden. Dit vergt de nodige inspanningen van zowel de beleidsmedewerker openbare orde als de betrokken afdelingen c.q. medewerkers. Daarnaast vergt veiligheid ook regelmatig overleg met externe partijen, waarvan politie, justitie en brandweer het bekendst zijn. Ook zorginstellingen, welzijnsorganisaties, won ingcorporaties en vele andere instellingen zijn in meer of mindere mate betrokken bij de problematiek. Dit vereist de nodige afstemming, waarbij de gemeente (in de persoon van de beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid) optreedt als regisseur. De talrijke onderwerpen op het gebied van veiligheid vragen ook regelmatig om nieuw beleid.

Vaak komt dit voort uit wijzigingen van (landelijke) wetgeving en andere (regionale) ontwikkelingen. Zo kan het zijn dat een nieuwe werkwijze bij politie en justitie o ok nieuw beleid voor de gemeente noodzakelijk maakt. Een voorbeeld hiervan is het coffeeshopbeleid. De 18 landelijke richtlijnen voor de vestiging en het gedogen van een coffeeshop zijn veranderd, waardoor ook het gemeentelijke beleid moet worden aangepast. 13.2 Rampenbestrijding en crisisbeheersing De rampenbestrijding en crisisbeheersing werd vanaf 2011 steeds meer regionaal georganiseerd. De aanleiding hiervoor was het rapport van de commissie Bruinooge, waarin werd geconcludeerd dat de afzonderlijke gemeenten niet in staat zijn om hun taken op het gebied van de bevolkingszorg voldoende uit te voeren. Bevolkingszorg gaat over het opvangen en verzorgen van mensen die tijdens een ramp of crisis getroffen worden, de communicatie tijdens een ramp of crisis, de zorg voor het milieu in al zijn aspecten en zo meer. Bij een ramp of crisis worden al snel veel mensen ingezet, ook hier weer vanuit de gehele gemeentelijke organisatie. De voorbereiding op de rampenbestrijding is hierbij essentieel, mensen moeten worden opgeleid, getraind en geoefend zodat zij ten tijde van een incident weten hoe ze moeten handelen.

De regionalisering van het Team Bevolkingszorg had als doel dat er minder mensen zouden worden ingezet, die beter waren voorbereid op hun taak. Het aantal medewerkers dat – regionaal gezien – een taak had, werd hierdoor sterk gereduceerd. Na een evaluatie in 2015 is duidelijk geworden dat aan de gekozen werkwijze ook nadelen kleven, en dat het de voorkeur heeft om een groot deel van de taken van het Team Bevolkingszorg weer terug te leggen bij de afzonderlijke gemeenten. Veelal vinden de werkzaamheden plaats in het verlengde van de reguliere taken, en kan de taak in de rampenbestrijding uitgevoerd worden met een relatief beperkte opleiding en bijbehorende oefening. Een aantal functies zal nog wel regionaal worden ingevuld. Dit zijn functies die regelmatig worden opgeroepen en die zodanig specialistisch van aard zijn dat d aarvoor mensen moeten worden opgeleid. Er is voor gekozen om minder mensen deze functies te laten vervullen, zodat zij zich hierin kunnen specialiseren. Zij zullen dan ook ingezet worden in meerdere gemeenten, niet uitsluitend in de gemeente waar zij werkzaam zijn. Voor deze functies geldt een piketregeling, waarmee gewaarborgd wordt dat zij ook beschikbaar zijn buiten de reguliere werktijden. Voor de gemeente betekent dit, dat er weer meer moet worden geïnvesteerd in de voorbereiding op de rampenbestrijding en crisisbeheersing.

Waar tot voor kort verschillende gemeenten gezamenlijk zorgden voor bezetting tijdens een ramp of crisis, wordt dit nu van de individuele gemeenten verlangd. De aansturing en coördinatie van de zogeheten ‘koude fase’ ligt bij de beleidsmedewerker openbare orde en veiligheid. Wanneer er daadwerkelijk een incident plaatsvi ndt, in de ‘warme fase’, heeft deze medewerker een andere rol. Dan is hij adviseur van de burgemeester. 19 BIJLAGE 1 Landelijke handhavingsstrategie 20 BIJLAGE 2 Handhavings- en Gedoogstrategie Fysieke Leefomgeving Overijssel Stroomschema van de strategie: 21 BIJLAGE 3 Beleidsregels voor het verlenen, weigeren, vervallen en intrekken van gedoogbeschikkingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit besluit wordt verstaan onder: a. het college: het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland; b. de burgemeester: de burgemeester van Steenwijkerland; c. aanvraag: een schriftelijke aanvraag voor het (tijdelijk) gedogen van een vergunningplichtige activiteit in de zin van de Wet Milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet, de Algemene Plaatselijke Verordening en aanverwante regelgeving; d. vergunning, vrijstelling, ontheffing: een vergunning, vrijstelling of ontheffing in de zin van de Wet Milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet of de Algemene Plaatselijke Verordening en aanverwante regelgeving; e.

belanghebbende: degene in wiens belang de gevraagde gedoogbeschikking wordt verleend, alsmede degenen wiens belangen rechtstreeks bij de gevraagde gedoogbeschikking zijn betrokken; f. gedoogbeschikkinghouder: degene aan wie de gedoogbeschikking wordt verleend; g. Awb: Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Algemene bepalingen 1. Het college van burgemeester en wethouders/de burgemeester beslist op een aanvraag om een gedoogbeschikking. 2. Een gedoogbeschikking wordt slechts verleend als daartoe door een belanghebbende schriftelijk is verzocht. 3. Een gedoogbeschikking kan alleen schriftelijk worden verleend. 4. Een gedoogbeschikking wordt voor een zo kort mogelijke periode verleend, doch niet langer dan tot het tijdstip waarop op een aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning, vrijstelling of ontheffing krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet of de Algemene Plaatselijke Verordening moet zijn beschikt. 5. Een gedoogbeschikking geldt slechts voor de aanvrager en is niet overdraagbaar. Artikel 3 Bepalingen met betrekking tot de aanvraag 1. De voorschriften van de afdelingen 3.2, 3.4, 3.6 en 3.7, alsmede de afdelingen 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een gedoogbeschikking. 2.

Het college/de burgemeester kan nadere eisen stellen aan het in behandeling nemen van een aanvraag om een gedoogbeschikking. Artikel 4 Gronden voor verlening/weigering van gedoogbeschikkingen 1. Overtredingen waarvoor rechtens een vergunning, vrijstelling of ontheffing moet worden verleend, indien en voor zover sprake is van een evidente overmacht- en/of overgangssituatie. 2. Overtredingen waarvoor rechtens een vergunning, vrijstelling of ontheffing moet worden verleend, indien en voor zover er sprake is van een achterliggend belang dat een overtreden 22 norm primair tracht te beschermen, in uitzonderingsgevallen die de wetgever niet heeft voorzien, beter gediend is met (tijdelijk) al dan niet onder voorwaarden afzien van handhaving of indien een zwaarder wegend belang gedogen rechtvaardigt. 3. Op een aanvraag wordt afwijzend beschikt indien geen (ontvankelijke) aanvraag om vergunning, vrijstelling of ontheffing is ingediend binnen de gestelde termijn en/of zich geen van bovenstaande gevallen voordoet. Artikel 5 Voorwaarden in gedoogbeschikkingen 1. In de gedoogbeschikking worden voorschriften opgenomen ter bescherming van de voorwaarden en bepalingen die de overtreden wet- en regelgeving (norm) tracht te beschermen. 2.

Een gedoogbeschikking wordt verleend onder de voorwaarde dat de gemeente Steenwijkerland door de houder van de gedoogbeschikking wordt gevrijwaard van alle schade die redelijkerwijs het gevolg kan zijn van de overtreding waarvoor de gedoogbeschikking is verleend. Artikel 6 Intrekken van een gedoogbeschikking Een gedoogbeschikking kan door het college/de burgemeester worden ingetrokken: 1. indien een of meerdere voorwaarden door de houder van de gedoogbeschikking niet wordt nageleefd; 2. indien de ter legalisering ingediende aanvraag om een vergunning, vrijstelling of ontheffing is ingetrokken; 3. op verzoek van de gedoogvergunninghouder. Artikel 7 Vervallen van gedoogbeschikking Een gedoogbeschikking vervalt: 1. Op het moment dat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle, dan wel de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een positieve beslissing heeft genomen op het verzoek van een (derde)belanghebbende om een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht, indien en voor zover die gedoogbeschikking met deze rechterlijke uitspraak in strijd is. 2. Op het moment dat de overtreding door het verlenen van een vergunning is gelegaliseerd, in die zin dat de vergunning voorziet in de situatie waarvoor de gedoogbeschikking is verleend en voor zover de gedoogbeschikking met de vergunning in strijd is. 3.

Op het moment dat de gedoogtermijn, zoals gesteld in de gedoogbeschikking, is verstreken. Artikel 8 Procedurele bepalingen 1. Een afschrift van de verleende gedoogbeschikking wordt gezonden aan het Openbaar Ministerie, Arrondissementsparket Zwolle, de VROM-Inspectie, regio Oost en aan de belanghebbende(n) die tegen de aanvraag tijdig schriftelijke zienswijzen hebben ingediend, onder vermelding van de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar - en beroep. 2. Bekendmaking van de gedoogbeschikking geschiedt op de wijze als voorzien in afdeling 3.6 van de Awb. 23 Artikel 9 Citeertitel, publicatie en inwerkingtreding 1. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Gedoogstrategie Gemeente Steenwijkerland”. 2. Aan het onderhavige besluit wordt op de gebruikelijke wijze bekendheid gegeven. 3. Dit besluit treedt acht dagen na de openbare bekendmaking in werking. 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/b176d9f8-20e1-48e3-8ee0-09497796c225?agendaItemId=2607855b-2c7a-4aaf-8e58-01ca2f098c9a