CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

d Herijking Armoede- en Minimabeleid 2018-2021.pdf

Politieke Markt 3 april 2018, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Herijking Armoede- en minimabeleid 2018-202111.064 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Herijking Armoede- en Minimabeleid gemeente Steenwijkerland 2018-2021 Gewoon doen wat nodig is om mensen in hun kracht te zetten! Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding Hoofdstuk 2. Proces van herijking Hoofdstuk 3. Armoedemonitor 2016 en Inkomenseffectrapportage Hoofdstuk 4. Maatwerk Hoofdstuk 5. Regeling Chronisch Zieken Hoofdstuk 6. Kinderen Hoofdstuk 7. Preventie Hoofdstuk 8. Financiën Bijlagen I. Armoedemonitor 2016 en Inkomenseffectrapportage II. De Omgekeerde Toets verder ingevuld: verslag bijeenkomst Raad en uitvoerders Sociaal Domein d.d. 16 januari 2018 1. Inleiding 2 Ons huidige minimabeleid stamt met het vaststellen van de nota ‘Iedereen aan boord’ uit 2008. Hierbij is toen een forse impuls gegeven aan de uitbreiding van het aantal regelingen voor de minima met als hoofddoel het bieden van een vangnet om sociale uitsluiting te voorkomen. Uitgangspunt hierbij was dat niemand buiten de boot mocht vallen en dat iedereen deel moet kunnen nemen aan de samenleving. Zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid staan hierbij centraal, maar het minimabeleid dient te voorzien in een vangnet voor mensen die ( nog) niet in staat zijn op eigen kracht die verantwoordelijkheid te nemen. Ook toen is als belangrijkste beleidsuitgangspunt al geformuleerd dat werk het beste minimabeleid is voor degenen die kunnen werken.

Werk biedt het beste perspectief op inkomensverbetering en daarmee ( financiële) zelfredzaamheid. Belangrijk aspect hierbij was dat voorkomen moest worden dat de armoedeval als belemmering voor arbeidsre-integratie ging werken. Met een herijking kunnen we richting geven aan het armoede- en minimabeleid 2018- 2021. Een herijkt beleid, dat integraal is, zorgt ervoor dat we bewust keuzes kunnen maken en beter kunnen sturen op de langere termijn. Armoede is volgens de definitie van de Verenigde Naties het niet kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften. Vrij vertaald houdt dat in dat er onvoldoende geld is voor onderdak, kleding, gas, water , licht en voldoende eten. Inmiddels behoren ook computer en telefoon tot de eerste levensbehoeften. Armoede is een breed begrip dat niet in één enkel cijfer is te vatten. De meest gangbare indicator voor armoede is het inkomen dat een huishouden kan besteden ( na aftrek van premies en belastingen). Doorgaans wordt dit inkomen vergeleken met het sociaal minimum. Het voorkomen van armoede gebeurt vooral op landelijk niveau. Daar worden de afspraken gemaakt en regelingen getroffen om iedereen in elk geval het minimumniveau te geven. Met name via ons belastingstelsel en bijstand. Op gemeentelijk niveau zijn aanvullende regelingen mogelijk, maar binnen strenge wettelijk kaders. We mogen als gemeente niet aan inkomenspolitiek doen.

De lokale regelingen zijn enerzijds bedoeld om noodzakelijke uitgaven te financieren van mensen die hiervoor niet kunnen reserveren ( bijzondere bijstand), anderzijds deelname in de samenleving te stimuleren ( bijvoorbeeld deelname aan sociaal en culturele activiteiten of Jeugdsport- en cultuurfonds). Met name dit laatste onderdeel is nauw verbonden met onze opgaven in het brede sociale domein. Wij ondersteunen mensen met een beperking om mee te doen naar vermogen. Ook als het om een financiële beperking gaat. Doelstelling Onze centrale ambitie uit het Beleidsplan Sociaal Domein 2017 -2020, zoals die vorig jaar door de raad is vastgesteld is: Alle inwoners van Steenwijkerland kunnen deelnemen aan het sociale, maatschappelijke en economische verkeer. Uitgangspunt daarbij is dat inwoners in staat zijn hun eigen keuzes te maken. Het vermogen van inwoners om zonder hulp van de overheid deel te nemen aan de samenleving , is voor ons de kern van het begrip ‘zelfredzaamheid’. Aanvullend aan zelfredzaamheid is het begrip ‘samenredzaamheid’: 3 met behulp van het eigen netwerk meedoen in de samenleving, zonder hulp van de overheid. Wanneer de zelfredzaamheid en de samenredzaamheid tekort schiet, zorgt de gemeente voor vangnetvoorzieningen, die inwoners ondersteunen bij hun deelname aan de samenleving.

Deze vangnetvoorzieningen zijn in eerste instantie gericht op het vergroten van de vaardigheden van inwoners, zodat zij weer op eigen kracht, zonder hulp van de overheid mee kunnen doen. In gevallen waarin herstel van de zelfredzaamheid niet aan de orde is kunnen de vangnetvoorzieningen permanent worden ingezet. De herijking volgt het spoor van het Beleidsplan Sociaal Domein 2017-2020 en werkt mee aan de uiteindelijke doelstelling dat alle inwoners van Steenwijkerland kunnen deelnemen aan het sociale, maatschappelijke en economische verkeer. Daarmee raakt het onderwerp minimabeleid veel terreinen binnen het sociaal domein. Nadrukkelijk de verbinding blijven zoeken met deze terreinen en met bijvoorbeeld de aanpak van 1 huishouden, 1 plan is de kern om te zorgen voor een duurzame en effectieve aanpak van armoede. Aansluitend bij de lijnen zoals die voor de transformatie gelden betekent dit ook voor dit beleidsterrein dat de focus komt te liggen op de versterking van preventie, het tot stand brengen van effectieve verbindingen en het realiseren van sterk opdrachtgeverschap. 4 2. Proces van herijking In mei 2015 heeft er een informatiesessie met de raad plaats gevonden over de uitvoering van ons huidige minimabeleid en schuldhulpverlening, gevolgd door een beeldvormende sessie in het najaar 2015 waar ook externe ketenpartners een inbreng hadden.

Hier is op een interactieve manier aan de hand van stellingen informatie uitgewisseld tussen de raad en de ketenpartners over de thema’s schuldhulpverlening, preventie, armoede en ouderen, armoede en gezinnen en evenwicht tussen professionele inzet en vrijwilligers. In mei 2017 heeft er een vervolgsessie plaats gevonden met de raad die in het teken stond van het toepassen van de ‘omgekeerde toets’ op basis van de ingebrachte casuïstiek door de IGSD en het Diaconaal Platform, die het noodfonds uitvoeren. In aansluiting hierop is er in januari 2018 een bijeenkomst geweest van de raad met de uitvoerders van het Sociaal Domein om samen de kaders te bespreken waarbinnen er in Steenwijkerland integraal gewerkt kan worden met deze methodiek. Dit alles heeft erin geresulteerd dat de raad eind mei en begin juli 2017 een aantal moties heeft aangenomen die richting geven aan de herijking van ons armoede- en minimabeleid. Het betreft de moties: 1. Gewoon doen wat nodig is om mensen in hun kracht te zetten 2. Ieder kind kan meedoen 3. Preventie van schulden 4. Budgetservice statushouders 5. Regeling financiële tegemoetkoming 2017 en verder voor Chronisch Zieken Daarnaast heeft onderzoeksbureau KWIZ afgelopen zomer een Armoedemonitor 2016 en een Inkomens Effect Rapportage 2017 voor ons opgesteld.

De Armoedemonitor beschrijft de doelgroep voor het lokale armoedebeleid van onze gemeente en gaat in op het gebruik van de inkomensondersteunende regelingen die de IGSD Steenwijkerland-Westerveld voor ons uitvoert. De Inkomenseffect Rapportage biedt inzicht in de financiële positie van minima en in de mate waarin het huidige ( lokale) beleid een bijdrage daaraan levert. De rapportage brengt de effecten van het lokale en landelijke beleid op de inkomens van de minima in beeld. De uitkomsten van deze onderzoeken worden ook weergegeven in deze nota. Gewoon doen wat nodig is om mensen in hun kracht te zetten Eén van de belangrijkste constateringen uit de laatste workshop met de raad was dat er, ondanks al onze regelingen en vangnetten die we als gemeente hebben, toch mensen zijn die tussen wal en schip vallen en daardoor niet in staat zijn deel te nemen of gaan nemen aan het sociale, maatschappelijke en economische verkeer. Voor een deel wordt dit veroorzaakt door een strikte toepassing van de inkomensgrens van 110%, Voor een deel echter ook door de bureaucratische benadering die de huidige regelgeving in de hand werkt en de ( nog) niet integrale wijze van werken.

Tenslotte is 5 ons huidig beleid zo ingericht dat werken niet altijd loont, omdat mensen als hun inkomen net boven de 110% norm uitstijgt, niet meer in aanmerking komen voor allerlei regelingen en er dus sprake is van een armoedeval. Dit heeft geresulteerd in een motie die het college opdraagt: 1. Alles in het werk te stellen om de centrale ambitie in het sociale domein waar te maken , namelijk inwoners mee te laten doen en daarop in te zetten bij de herijking van het armoede en minimabeleid. 2. Samen met de raad waarden vast te stellen waar we als gemeente voor willen staan, zodat we van daaruit kunnen kijken wat nodig is om mensen te ondersteunen. 3. Bij het nieuwe armoede en minimabeleid in te zetten op een integrale benadering van de wetten binnen het sociaal domein, vanuit de doelstellingen van die wetten, waardoor maximaal ingezet kan worden op maatwerk en dus oplossingen. 4. Te onderzoeken of het mogelijk is om de harde grens van 110% van de bijstand los te laten en andere criteria te gaan gebruiken om te bepalen of mensen in aanmerking komen voor de regelingen uit het armoede- en minimabeleid, zoals op basis van besteedbaar inkomen of op basis van draagkracht of op basis van andere criteria. Op deze manier zouden meer mensen die feitelijk in armoede leven en nu geen rechten hebben op de regelingen, toch ondersteund kunnen worden. 5.

Bij de herijking ernaar te streven de regelingen van het armoede- en minimabeleid zo in te richten dat werken meer dan nu het geval is, loont. Dus voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk beperken van de armoedeval. 6. Dit alles mee te nemen bij de herijking van ons armoede en minimabeleid bij beleid voor chronisch zieken en bij beleid voor kinderen in armoede. Maak hierbij logische keuzes en heb het lef om dit beleidsterrein verantwoord anders aan te vliegen, met als doel gewoon te doen wat nodig en mogelijk is om mensen in hun kracht te zetten. Samenvatting uitkomsten bijeenkomst gemeenteraad en uitvoerders Sociaal Domein van de gemeente Steenwijkerland januari 2018. In januari 2018 heeft er een vervolgbijeenkomst plaats gehad tussen de raad en de uitvoerders van het Sociaal Domein over de verdere invulling van de omgekeerde toets ( zie punt 2 van bovenstaande motie). Samen zijn de kaders en uitgangspunten besproken waarbinnen er gewerkt kan worden volgens deze methodiek. Uit deze discussie is een aantal waarden te benoemen, die ten grondslag ligt aan de uitgangspunten. Dit zijn: a. Vertrouwen De waarde vertrouwen geldt vanuit meerdere invalshoeken. Het gaat met name om vertrouwen in de professionaliteit van uitvoerende medewerkers dat zij het goede doen voor de klant. Dit vertrouwen geldt voor de raad, en voor medewerkers onderling.

Het gaat eveneens om vertrouwen dat een nieuwe werkwijze bijdraagt aan ander samenspel ontwikkelen tussen inwoners, organisaties en de gemeente in Steenwijkerland. b. Durven Nieuwe werkwijzen vragen lef om niet-gebaande wegen in te slaan, zoals nieuwe oplossingen uit te proberen en het benutten van de vrijheid om 6 individuele beslissingen te nemen. Nieuwe wegen inslaan is zelfs noodzakelijk om een nieuw samenspel te bewerkstelligen. Elkaar aanmoedigen kan daarbij helpen. c. Verantwoordelijkheid Bij de waarden vertrouwen en vertrouwen past de waarde verantwoordelijkheid die medewerkers dragen om dat wat ze doen met afwegingen en overwegingen te verantwoorden. Daarmee nemen zij verantwoordelijkheid voor het proces dat ze met een klant ingaan. Een goede samenwerking en collegialiteit dragen bij aan verantwoordelijkheid nemen. d. Ontwikkeling Met de transformatieagenda en het werken met de omgekeerde toets wil de gemeente Steenwijkerland een ander samenspel ontwikkelen tussen inwoners, organisaties en de gemeente. Daarin stelt zij zich op als een lerende organisatie, die met elkaar de nieuwe werkwijze tussentijds bespreekt en ervan leert. Dat betekent dat de raad accepteert dat niet alles meetbaar is en het verhaal achter de cijfers net zo belangrijk is.

Deze waarden zijn terug te vinden in uitgangspunten die behulpzaam zijn bij het vorm geven van de transformatie-agenda en de omgekeerde toets. In bijlage II is een uitgebreide samenvatting van de bijeenkomst van januari 2018 opgenomen, waarin naast de waarden ook de uitgangspunten zijn weergegeven. In te stemmen met de waarden die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten bij het vorm geven van de transformatie-agenda sociaal domein en de omgekeerde toets. Bovenstaande in ogenschouw nemende staan wij een nieuwe aanpak voor die bestaat uit drie elementen:  We bieden maatwerk. We kijken van geval tot geval welke ondersteuning de beste oplossing biedt. Elke klant is uniek en vraagt een eigen benadering. We behandelen gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen naar de mate waarin ze ongelijk zijn.  We hebben extra aandacht voor jeugd. Kinderen uit arme gezinnen moeten net als andere kinderen kunnen meedoen aan sport, cultuur, schoolreisjes en andere activiteiten. We vinden het belangrijk dat onze kinderen veilig en kansrijk opgroeien onder goede omstandigheden. Elk kind moet dezelfde kansen krijgen.  We richten ons op preventie en vroeg signalering van schulden en armoede en doen dit in samenwerking met andere organisaties. Onder het motto van ‘voorkomen’ is beter dan genezen willen we door middel van vroeg signalering schulden en armoede zoveel mogelijk voorkomen.

We kunnen dit niet alleen en hebben hier ook andere (maatschappelijke) organisaties bij nodig. Mobility mentoring Bij de uitvoering van het huidige armoede- en schuldenbeleid ligt het accent vaak op de rechtmatige uitvoering. Daarbij wordt in de eerste plaats gekeken naar wat de regelgeving al dan niet toestaat. In dat proces spreken we de burger aan op eigen 7 verantwoordelijkheid, vaardigheden en motivatie, zaken waarover hij juist vanwege het feit dat hij in armoede leeft of schulden heeft – kortom ‘geldstress’ heeft - niet of in onvoldoende mate beschikt. Voor de professional is dat vaak aanleiding om te denken dat cliënt onvoldoende meewerkt of gemotiveerd is. Uit wetenschappelijk onderzoek komt steeds duidelijker naar voren dat armoede en schulden letterlijk effect hebben op het brein en daarmee op het handelen van mensen. Ze zitten in de overlevingsmodus en hebben vooral oog voor de korte termijn. Geldstress maakt dat alle aandacht uitgaat naar waar men tekort aan heeft. Vaak hebben we te hoge verwachtingen van de financiële zelfredzaamheid van burgers. Het is daarom zaak om in onze dienstverlening meer maatwerk te bieden, waarbij er vormen van ondersteuning worden aangeboden die rekening houden met de onvermijdelijke processen die geldstress veroorzaken.

Omdat met name rondom schulden deze geldstress speelt, willen we onderzoeken of bij schulddienstverlening deze (meer) coachende benadering toegepast kan worden. Er zijn in Nederland nog geen methodieken ontwikkeld waarin deze inzichten vertaald zijn. In de VS zijn ze al wel een stap verder. Daar is bijvoorbeeld de methodiek Mobility Mentoring (MM) ontwikkeld door de uitvoeringsorganisatie Empath in samenwerking met Harvard University. Bij MM wordt in dienstverlening waarin de beperkingen die schaarste en onderontwikkelde functies met zich meebrengen voor ons functioneren, als uitgangspunt genomen. Voorbeelden van belangrijke pijlers onder MM zijn:  De aanpak van schulden vindt plaats in een bredere benadering waarin burgers worden gestimuleerd om uit te werken wat ze minimaal aan inkomen nodig hebben om geen geldstress meer te hebben. De redenering hierbij is dat de enige duurzame oplossing is een situatie waarin er geen geldstress meer is.  Professionals leggen actief aan burgers uit hoe stress ons gedrag negatief beïnvloedt. De redenering hierbij is dat inzicht in de effecten van stress er aan bijdraagt dat burgers het wegnemen van stress als doel op zich gaan beschouwen waar ze zich voor willen inzetten.

 Professionals helpen burgers door actief te voorzien in heldere (en korte) to-do- lijstjes, ze sturen sms-jes, mailtjes en andere herinneringsmiddelen en bieden op een heldere manier inzicht in de stappen die nog gezet moeten gaan worden. De redenering bij deze inzet is dat mensen als gevolg van schaarste en onderontwikkelde functies het overzicht vaak kwijt zijn en dat een eenmalige uitleg door een professional niet genoeg is. Door te voorzien in actieve ondersteuning zijn burgers beter in staat om de doelen die zij willen bereiken ook daadwerkelijk te realiseren.  Burgers krijgen beloningen voor het realiseren van doelen. De redenering hierbij is dat schaarste en onderontwikkelde functies ertoe leiden dat mensen een korte termijn focus hebben. De oplossing van schulden is een lange termijn doel. De mismatch tussen lange en korte termijnfocus verklaart waardoor burgers belangrijke zaken zoals het verzamelen van papieren vaak voor zich uit schuiven (wat door professionals dan soms ten onrechte wordt geïnterpreteerd als niet gemotiveerd). Een beloning levert baten op de korte termijn op. Een burger met een korte termijn focus zal daardoor sneller in actie komen. De redenering is daarbij dat straffen averechts werkt omdat dit juist stress toevoegt.

Deze aanpak is onderbouwd met een robuuste hoeveelheid (onafhankelijk) onderzoek dat laat zien dat MM effectiever en efficiënter is dan de reguliere ondersteuning. Moeilijk bereikbare groepen worden beter bereikt en er worden duurzame resultaten geboekt. De kosten-batenanalyse die is uitgevoerd laat bijvoorbeeld zien dat de kosten van de beloningen opwegen tegen de baten van uitgespaarde middelen (bijvoorbeeld door minder no shows et cetera). In Nederland is er inmiddels op verschillende plekken interesse in deze aanpak en wordt ze inmiddels bij meerdere gemeentes al toegepast. 8 In te stemmen met het onderzoeken of het concept van Mobility Mentoring ( of een vorm daarvan) ingebouwd kan worden in onze schulddienstverlening. 3. Armoedemonitor 2016 en Inkomens effect rapportage Naast het voorbereidend proces van herijking hebben we afgelopen zomer zowel een armoedemonitor als een inkomens effect rapportage laten opstellen. De belangrijkste conclusies uit beide rapportages zijn: - In de gemeente Steenwijkerland hebben 1.395 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wettelijk Sociaal Minimum. Dit is ruim 7 procent van alle 19.166 huishoudens in de gemeente en ligt ver onder het landelijk gemiddelde van 10 procent. - Het aantal kinderen in (minima)huishoudens bedraagt 737 : dat is 8 procent van alle kinderen in de gemeente. Landelijk ligt dit rond de 11 procent.

- De meerderheid van de minimahuishoudens heeft een bijstandsuitkering. - Eenoudergezinnen behoren vaker tot de minimapopulatie dan andere huishoudens. - Niet westerse allochtone huishoudens zijn vaker minima dan autochtone huishoudens. Ook in gezinnen van niet westerse allochtone afkomst is het aandeel kinderen hoger dan gemiddeld: 40% van de kinderen uit een dergelijk gezin groeit op in een minimahuishouden. - 63% van alle minima is drie jaar of langer minima. - Het bereik van de meeste minimaregelingen van de gemeente Steenwijkerland is erg goed. - Het bedrag dat (minima)huishoudens aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen is veel hoger dan het bedrag van de gemeentelijke minimaregelingen. Per huishoudtype verschilt het in welke mate de toeslagen teruglopen indien men een hoger inkomen krijgt. - De armoedeval komt met name naar voren bij meerpersoonshuishoudens met ten laste komende kinderen die gaan werken tegen een loon van 110 tot 130% van het Wettelijk Sociaal Minimum. Dit komt omdat het verwerven van meer inkomen bij hen eerder van invloed is op de hoogte van de huur- en zorgtoeslag en op het ( verliezen van het) recht op gemeentelijke minimaregelingen dan bij andere huishoudens. In bijlage I treft u een verdere toelichting aan van beide rapportages. 9 4.

Maatwerk Eén van de algemene bevindingen van de voorbereidende sessies met de raad, die ook tot uitdrukking komen in bovenstaande motie, is dat er meer maatwerk moet zijn in het minimabeleid. Vanuit ons huidige beleid kijken we naar het inkomen wat iemand verdient of naar de uitkering die iemand ontvangt ( al dan niet met toepassing van een norminkomen van 110%). De ervaringen in het sociaal domein de afgelopen twee jaar leren ons dat het kijken naar het besteedbaar inkomen net zo belangrijk is. In de praktijk blijkt namelijk dat een steeds grotere groep mensen in de schuldhulpverlening, ook al hebben ze een hoger inkomen, over een feitelijk lager besteedbaar inkomen beschikken dan het bijstandsniveau. Op basis van ons huidige beleid komen zij dan veelal niet voor bijzondere bijstand en minimaregelingen in aanmerking komen. Daarom stellen we voor rekening te houden met het besteedbaar inkomen door ook mensen in de schuldhulpverlening toegang te geven tot de bijzondere bijstand en minimaregelingen.

Dit doet zich onder andere voor in geval één of meer van de volgende situaties van toepassing is: - Wet schuldsanering natuurlijke personen - Beslaglegging - Minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Naast het rekening houden met schulden willen we rekening houden met de uitkomsten van de inkomens effect rapportage 2017 die we afgelopen zomer hebben laten uitvoeren en specifiek de armoedeval. Daaruit blijkt dat een hoger inkomen ten koste kan gaan van bijvoorbeeld de hoogte van de huur- en zorgtoeslag. Daarnaast kan een huishouden het recht op gemeentelijke minimaregelingen verliezen. Hierdoor gaat een huishouden er bij een inkomensstijging per saldo er niet of slechts in beperkte mate op vooruit. Dit wordt ook wel armoedeval genoemd. Verder willen zowel binnen de minimaregelingen als de bijzondere bijstand zoveel mogelijk dezelfde inkomensgrenzen en draagkrachtregels toepassen. Binnen de minimaregelingen willen we de armoedeval op de volgende wijze beperken : 1. Draagkrachtregels toepassen volgens onderstaande staffelmethode Door voortaan binnen de minimaregelingen niet iedere euro die mensen meer verdienen dan de inkomensgrens volledig tot de draagkracht te rekenen, beperken we de armoedeval.

Dit willen we doen door op dat deel van het inkomen dat op jaarbasis hoger is dan de van toepassing zijnde inkomensgrens ( ruimte in het inkomen) de volgende draagkrachtregels toe te passen: a. Bij een ruimte in het inkomen tot € 550,00 0% 10 b. Bij een ruimte in het inkomen tussen de € 550,00 en € 2.750,00 25% c. Bij een ruimte in het inkomen boven de € 2.750,00 50% De eerste € 550,00, waarmee de inkomensgrens op jaarbasis wordt overschreden rekenen we niet tot de draagkracht. Op het deel van het inkomen dat de € 550,00 overschrijdt maar met niet meer dan € 2.750,00 rekenen wij 25% tot de draagkracht. Op het deel van het inkomen dat de € 2.750,00 op jaarbasis overschrijdt rekenen wij 50% tot de draagkracht. Op deze manier geven we invulling aan het uitgangspunt dat hoe meer iemand verdient, hoe meer men geleidelijk meer zelf bijdraagt aan de bijzondere kosten. Bij de minimaregelingen wordt alles boven het normbedrag van 110% als 100% draagkracht gerekend, wat betekent dat dit volledig in mindering gebracht wordt op het aangevraagde bedrag. Deze ongelijkheid in de toepassing van systematiek tussen de bijzondere bijstand en de minimaregelingen willen we opheffen en hiervoor in de plaats een uniforme berekeningswijze toepassen.

Hierbij willen we ook rekening houden met de uitkomsten van de inkomens effect rapportage 2017 die we afgelopen zomer hebben laten uitvoeren en specifiek de armoedeval. 2. Hogere inkomensgrens voor gehuwden1 met kinderen Voor gehuwden met ten laste komende kinderen stellen we voor de inkomensgrens voor de minimaregelingen te verhogen naar 130% het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Uit de inkomens effect rapportage komt de armoedeval met name naar voren bij gehuwden met ten laste komende kinderen die gaan werken tegen een loon van 110 tot 130% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Zij gaan er niet evenredig op vooruit vergeleken met andere type huishoudens en vergeleken met gehuwden met kinderen met een inkomen niet hoger dan 110% van het Wsm. Dit komt omdat het verwerven van meer inkomen bij hen eerder van invloed is op de hoogte van de huur- en zorgtoeslag en op het ( verliezen van het ) recht op gemeentelijke minimaregelingen dan bij andere huishoudens In onderstaand grafiek wordt het bedrag weergegeven wat minima maandelijks overhouden voor vrije besteding. Ook is de armoedeval duidelijk zichtbaar. Op basis van bovenstaande stellen wij voor : Inkomensgrens voor de bijzondere bijstand en minimaregelingen gelijk te stellen op 110% van het Wettelijk sociaal minimum, tenzij sprake is van gehuwden met ten laste komende kinderen.

1 De inkomenseffectrapportage spreekt van meerpersoonshuishoudens. Daarmee worden gehuwden bedoeld. Met gehuwden bedoelen we ook mensen die een gezamenlijke huishouding vormen (samenwonen). 11 Bij gehuwden met ten laste komende kinderen de inkomensgrens voor de bijzondere bijstand en minimaregelingen vast te stellen op 130% van het Wettelijk sociaal minimum. Bij een inkomen boven de inkomensgrens bij de bijzondere bijstand en minimaregelingen een draagkrachtberekening toe te passen volgens de hiervoor genoemd staffelmethode. Binnen de bijzondere bijstand en minimaregelingen rekening te houden met het besteedbaar inkomen van mensen in de schuldhulpverlening als hun inkomen hoger is dan het voor hen geldende Wettelijk sociaal minimum. 12 5. Regeling Chronisch Zieken Met ingang van 2017 wordt de Regeling Chronisch Zieken uitgevoerd door de IGSD, waarbij het werkelijk betaalde verplichte eigen risico over 2015 ( max. € 375,--) en 2016 ( max. € 385,--) vergoed wordt voor mensen met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Hiervoor is een bedrag beschikbaar gesteld van € 500.000,-- Deze regeling zou eind 2017 geëvalueerd worden en op basis hiervan zal er een besluit genomen over het vervolg van deze regeling.

Per 31 december 2017 is de stand van zaken: Jaar Aantal huishoudens Bedrag 2015 739 272.263,88 2016 813 302.957,62 Totaal 847 575.221,50 - In totaal is er € 575.221,50 uitbetaald aan deze regeling aan 847 verschillende huishoudens - € 272.263,88 heeft betrekking op het eigen risico van 2015 en € 302.957,62 op dat van 2016 - Van deze 847 huishoudens ontvangen 462 huishoudens een uitkering van de IGSD ( 55%), ontvangen 145 huishoudens een AOW uitkering ( 17%) en behoren 240 huishoudens ( 28%) tot de overige minima. - Er zijn 716 huishoudens die zowel over 2015 als over 2016 een bijdrage ontvingen. Volgens de gegevens uit onze armoedemonitor 2016 ziet de inkomensbron van de minima met een inkomen tot 110% er als volgt uit: Inkomensbro n Aantal Aandeel Aantal Regeling C.Z. Aandeel Participatiewe t 750 54% 462 55% AOW 233 17% 145 17% Ander inkomen 412 29% 240 28% Totaal 1.395 100% 847 100% Op basis hiervan kunnen we concluderen dat het bereik van de Regeling Chronisch Zieken qua aandeel in de verschillende inkomensbronnen vrijwel overeenkomt met de gegevens uit de armoede monitor en daarmee goed is te noemen. 13 Het aantal aanvragen en het daarmee gemoeid gaande bedrag geeft tevens aan dat deze doelgroep met een laag inkomen relatief hoge zorgkosten heeft. Voor 2015 bedraagt de gemiddelde vergoeding € 368,-- per aanvraag en voor 2016 € 373,--.

Daarnaast kan nog vermeld worden dat de uitvoering van deze regeling niet tot extra uitvoeringskosten leidt, omdat ze gelijktijdig met de overige minimaregelingen via hetzelfde aanvraagformulier aangevraagd kan worden. Dit heeft als bijkomend effect – voordeel- dat met name de minima die geen uitkering van de IGSD ontvangen op deze wijze ook geattendeerd worden op de overige minimaregelingen waar ze een beroep kunnen doen. Het mes snijdt in dit opzicht dus aan twee kanten. Voor degenen die vanwege de hoogte van hun inkomen of om andere reden geen beroep konden doen op deze regeling was er nog de mogelijkheid een beroep te doen op het noodfonds van het Diaconaal Platform Steenwijkerland. Hier is in de 2e helft 2016 en 2017 nog veelvuldig gebruik van gemaakt. In te stemmen met het continueren van de Regeling Chronisch Zieken vanaf 2018. Hierbij dezelfde inkomensgrenzen te hanteren zoals weergegeven in hoofdstuk 4 Maatwerk. Concreet betekent dit dat mensen jaarlijks achteraf een aanvraag kunnen indienen voor hun werkelijk betaalde eigen risico. 14 6. Kinderen Van de 9.167 kinderen die in de gemeente Steenwijkerland wonen, groeien er 737 op in een huishouden met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum: dat is 8% van alle kinderen in de gemeente. Landelijk ligt dat rond de 11%.

Van deze 737 kinderen hebben 484 ouders een uitkering van de Participatiewet ( 66%) en 253 een ander inkomen ( 34%). Her Rijk heeft vanaf 2017 € 100 mln. structureel beschikbaar gesteld, waarvan 85 mln. aan gemeenten voor de bestrijding van de gevolgen van armoede onder kinderen. Voor onze gemeente gaat het om een structureel bedrag van € 197.000,--. Inmiddels heeft de raad eind mei 2017 besloten om met deze extra middelen naast het Jeugd Sportfonds, ook deel te gaan nemen aan het Jeugd Cultuurfonds en een Zwemfonds. Daarnaast is de leeftijdsgrens om voor een vergoeding van de computer in aanmerking te komen verlaagd naar groep 7 van de basisschool. Deze extra maatregelen zijn inmiddels geëffectueerd. Tevens is er uitvoering gegeven aan de motie ‘Ieder kind kan meedoen’ door het invoeren van een Maatwerk Kind Budget. Met deze pilot hebben de consulenten in de toegang ( WMO/Jeugd/Participatiewet en Schuldhulpverlening) de mogelijkheid gekregen op basis van hun professionele beoordeling vast te stellen of een kind in aanmerking komt voor een extra bijdrage van maximaal € 500,-- om deel te kunnen nemen aan de samenleving ( bijvoorbeeld een fiets, speelgoed, nieuwe kleren, schoolspullen, een sportabonnement, of een cadeau voor een kinderfeestje). Deze consulenten zitten dicht bij de mensen en weten wat er op alle leefgebieden speelt.

De belangrijkste voorwaarde voor het inzetten van dit budget is vertrouwen. Kernwoorden voor hun handelen zijn: op maat, snel en met lef. De besteding van dit bedrag is een samenspel tussen de consulent van de toegang, ouders en indien mogelijk ook het kind. Uitvoering vindt plaats met een minimum aan regels en een geringe verantwoordingslast. Uitgangspunt is dat de professional de afweging maakt wat nodig is dat een kind maatschappelijk kan participeren, met als doel echt maatwerk te bieden. Naast bovengenoemde fondsen zijn er landelijk nog een drietal fondsen die samen met het Jeugdsportfonds en Jeugdcultuurfonds de zogenaamde ‘Big Five ’genoemd worden. Het betreft: - Stichting Leergeld – Via deze stichting kunnen kinderen deelnemen aan binnen –en buitenschoolse activiteiten op het gebied van onderwijs, sport, 15 cultuur of welzijn. Zoals meedoen aan schoolreisjes, naar muziekles of lid worden van een sport- of scoutingsvereniging; - Fonds Kinderhulp – Kinderhulp helpt kinderen onder andere met het betalen van de contributie voor een sportclub, een opleiding, een dagje uit en zwemlessen. Samen met de ANWB is er een Kinderfietsplan, waarbij kinderen opgeknapte gebruikte fietsen krijgen. - Stichting Jarige Job – Stichting Jarige Job trakteert kinderen op een leuke verjaardag.

De stichting werkt samen met de Voedselbank en geeft geen geld, maar een complete verjaardag box ter waarde van € 35,--. In de komende periode gaan we onderzoeken of we ons ook bij deze fondsen aan willen sluiten en of er een mogelijkheid is om alle kind regelingen gebundeld uit te laten voeren via één centraal punt. De inkomensgrens om in aanmerking te komen voor een vergoeding voor het Jeugdsport – cultuur en zwemfonds ligt nu nog op 110% van de bijstandsnorm. Analoog aan de voorstellen hiervoor wordt voorgesteld deze inkomensgrens voor gezinnen met kinderen voor deze fondsen ook te verhogen naar 130% van de bijstandsnorm. In te stemmen om de komende tijd te onderzoeken of we ons aan willen sluiten bij deze 3 fondsen, waarbij we tevens nagaan of we alle kind regelingen gebundeld uit kunnen laten voeren bij één van deze vijf partijen. Tevens wordt voorgesteld in te stemmen de inkomensgrens voor gezinnen met kinderen om in aanmerking te komen voor een bijdrage van het jeugdsport – cultuur en zwemfonds te verhogen naar 130%. Bijdrage in de kosten van sociaal culturele activiteiten voor jongeren tot 18 jaar Eén van de regelingen die de IGSD uitvoert en ook betrekking heeft op kinderen tot 18 jaar is de bijdrage in de kosten van sociaal-culturele activiteiten. De bijdrage bedraagt € 150,00 per persoon per jaar voor volwassenen en € 111,00 per kind.

Als gevolg van de intensivering van de armoedebestrijding onder kinderen wordt voorgesteld het bedrag voor kinderen gelijk te trekken met het bedrag voor volwassenen. In te stemmen om de bijdrage in de kosten voor sociaal culturele activiteiten voor jongeren tot 18 jaar te verhogen naar hetzelfde niveau als de bijdrage voor volwassenen. Financiële Educatie: Voorstellen vanuit Voortgezet Onderwijs ( RSG Tromp Meesters en Mee) Vanuit RSG Tromp Meesters is een voorstel ingediend voor het terugdringen van armoede en kansenongelijkheid. “Accent op jouw talent” is een speerpunt van de RSG. Dat betekent stimuleren van de talenten van elke leerling en met name de leerling die in een kansarme omgeving opgroeit. Hiervoor heeft de RSG een aantal verschillende maatregelen voorgesteld om de talenten van kinderen te ontdekken, stimuleren en daarmee de kansenongelijkheid te verkleinen: - Het aanbieden van diverse zogenaamde talentbanden om leerlingen hun talenten te stimuleren en ontwikkelen in de eerste 3 leerjaren, waarbij extra aandacht besteed wordt aan kansarme kinderen; 16 - Huiswerkbegeleiding op school door leerlingen van de bovenbouw voor leerlingen die hulp nodig hebben bij het maken en plannen van huiswerk; - Extra begeleiding voor leerlingen brugklas met een disharmonisch profiel; - Aanpak laaggeletterdheid voor leerlingen van ouders uit sociaal zwakkere milieus.

De stichting MEE heeft in samenspraak met Rabobank Foundation het lesprogramma Smart met Geld ontwikkeld voor jongeren op Praktijkscholen en Voortgezet Speciaal Onderwijs. Met dit project leren deze jongeren hoe ze beter met geld kunnen omgaan, waardoor ze meer grip krijgen op hun uitgaven. Door de praktische aanpak wordt de weerbaarheid van deze jongeren vergroot en worden ouders bewust van hun rol met betrekking tot financieel opvoeden. Bedoeling is dat MEE het lesprogramma overdraagt via het train-de-trainer principe. Hierdoor kunnen leerkrachten het programma na de projectperiode zelfstandig geven aan de leerlingen, wat de duurzaamheid borgt. Het project wordt op dit moment al in 125 gemeenten uitgerold. De RSG Tromp Meesters heeft aangegeven belangstelling te hebben voor dit project. We zien deze maatregelen van de RSG en MEE als een preventieve investering aan de voorkant, waarbij het doel is het voorkomen dat jongeren vroegtijdig uitvallen en daardoor later eerder met armoedeproblematiek in aanraking zullen komen. Met deze extra inzet is een bedrag gemoeid van € 40.000,--. We zullen met de RSG in overleg gaan over de uitvoering van deze maatregelen en afhankelijk van de uitkomst hiervan een bedrag beschikbaar stellen in 2018 ( binnen de reikwijdte van deze € 40.000,--).

In overleg treden met RSG Tromp Meesters en Stichting Mee over de uitvoering van hun voorstel voor het terugdringen van armoede en kansenongelijkheid binnen de reikwijdte van € 40.000,--. 17 7. Preventie Gemeenten hebben vanuit hun nieuwe verantwoordelijkheid op het sociale domein de opdracht om maatwerk te leveren en op individueel niveau te bezien hoe mensen kunnen ( blijven) meedoen in de samenleving. Het is belangrijk dat mensen in een armoedesituatie ook deel kunnen nemen aan de samenleving. Waar mensen dit niet zelfstandig kunnen heeft de gemeente samen met de cliënt en zijn omgeving een rol. Steeds meer Nederlanders die in armoede leven, slagen er niet in om eruit te komen, hoewel het economisch beter gaat. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2016 nam het aantal huishoudens dat minimaal vier jaar lang onder de armoedegrens leeft met 7% procent toe, tot 224.000. Daarmee is de armoede hardnekkiger geworden. Reden te meer om in te zetten op preventie en beheersing van de problematiek. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het voortzetten van de inkomensondersteunende maatregelen en daar waar nodig het aanbrengen van verbeteringen in het beleid. Voorop staat voor ons echter dat de beste manier om uit de armoede te raken en blijven het hebben van betaalde arbeid is.

Daar werken we aan door middel van onze inspanningen op het gebied van onderwijs en re-integratie. Zoals we al hebben aangegeven is preventie één van de lijnen waarlangs we willen transformeren. In ons beleidsplan Sociaal Domein 2017-2020 zijn we daar uitgebreid op ingegaan als ook op de verschillende vormen van preventie. Ook hebben we daarbij aangegeven toe te willen werken naar een andere mix van preventieve activiteiten. Hierbij zal meer nadruk komt te liggen op activiteiten waarvan het aannemelijk is dat zij een positieve bijdrage leveren aan het vermogen van inwoners om zo zelfstandig mogelijk deel te nemen aan het maatschappelijk, economisch en sociaal verkeer. Voorbeelden die hierbij genoemd worden zijn: - Verbetering van toegankelijke informatievoorziening - Netwerkversterking - Een goede poortwachtersfunctie bij de toekenning van de uitkering - Versterking van vroeg signalering - Nieuwe werkwijzen van preventiemethoden 18 Preventie van schulden Uit recent onderzoek naar de schuldensituaties van Nederlandse huishoudens blijkt dat:  2,3 miljoen huishoudens hebben te maken met betalingsachterstanden ( 32,1%).

Vertaald naar de Steenwijkerlandse situatie zou het hier gaan om 6.100 huishoudens ( 32,1% van 19.000 huishoudens )  Naar schatting 2,5% van de huishoudens problematische schulden heeft én deelneemt aan een schuldhulpverleningstraject ( wettelijke schuldhulpverlening of minnelijk traject. Voor Steenwijkerland zou dit uitkomen op 475 huishoudens. De schuld van mensen in de schuldhulpverlening is gemiddeld ongeveer 40.000 euro.  Naar schatting tussen de 4,6% en 7,5 % van de huishoudens kampt met problematische schulden maar maakt geen gebruik van formele schuldhulpverlening, de zogenaamde groep met onzichtbare problematische schulden. Dit zou voor Steenwijkerland uitkomen tussen de 874 en 1.425 huishoudens.  Tussen de 8,1% en 11,3% loopt het risico op problematische schulden en maakt geen gebruik van schuldhulpverlening. Voor Steenwijkerland betekent dit tussen de 1.539 en 2.147 huishoudens. Het Rijk ziet voor het oplossen en voorkomen van schulden als een gemeentelijke taak, maar dat is slechts gedeeltelijk waar. De (rijks)overheid is namelijk de grootste schuldeiser. De schulden aan de Belastingdienst, CJIB en DUO zijn sterk toegenomen en beslaan steeds groter deel van de problematische schulden. Met name niet saneerbare boetes van het CJIB vormen vaak een belemmering voor het starten van een minnelijke schuldenregeling.

Samen met onze ketenpartners willen we in het voortraject nagaan hoe we hier een oplossing voor kunnen vinden. Laat overigens onverlet dat wij vanuit onze gemeentelijke verantwoordelijkheid mensen met schulden zo goed en effectief mogelijk willen helpen. Als basis voor de uitvoering van de schuldhulpverlening geldt ons beleidsplan Schuldhulpverlening 2014-2017. Hierin is al aangegeven dat er op een andere wijze invulling gegeven zou worden aan de uitvoering van de schuldhulpverlening. Zo is de poortwachtersfunctie voor de toelating tot de schuldhulpverlening in 2015 integraal ondergebracht bij de IGSD. Daarnaast is het door de gemeente betaald budgetbeheer bij de Gemeentelijke Kredietbank Drenthe ( GKB) teruggebracht van onbeperkt tot maximaal drie jaar, waarbij de laatste anderhalf jaar, na toetsing, alleen voor mensen met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm. Dit laatste heeft ertoe geleid dat het aantal mensen in het – door de gemeente betaald- budgetbeheer met 2/3 is teruggebracht van ruim 300 in 2014 tot circa 100 personen eind 2017. Voor een deel heeft bij deze uitstroom begeleiding plaats gevonden door vrijwilligers van het Project in Eigen Hand. Dit laatste is een samenwerkingsinitiatief van alle ketenpartners armoedebestrijding en schuldhulpverlening die medio 2013 hiervoor een convenant hebben afgesloten.

Aangezien het aantal mensen met betalingsproblemen en schulden jaarlijks nog steeds toe neemt blijft extra inzet op preventie noodzakelijk. Allereerst is van belang dat er zo vroeg mogelijk wordt geholpen bij financiële problemen om erger te voorkomen. We hopen zo kosten te kunnen besparen en de hoogte van schulden te verlagen. Het voorkomen van schulden is voor het hele sociale domein van groot belang. Startpunt Geldzaken Nibud Financiële problemen geven veel zorgen en zijn vaak onnodig. In veel gevallen ontstaan deze problemen omdat mensen niet altijd een helder beeld hebben van hun 19 financiële situatie en hun beschikbare budget. Vanaf begin 2018 hebben wij ons aangesloten bij het ‘Starpunt Geldzaken’. Dit Startpunt biedt via onze website ( en ook die van de IGSD) vijf zogenoemde geldplannen aan, waar inwoners, afhankelijk van hun situatie, inzicht kunnen krijgen in hun eigen financiële situatie. Plan van aanpak preventie van schulden Vanaf april 2015 fungeert de afdeling schuldhulpverlening van de IGSD als poort voor de wet gemeentelijke schuldhulpverlening en heeft de regie inzake alle aanmeldingen voor schuldhulpverlening. Alhoewel de dienstverlening laagdrempelig is, komen veel mensen pas als er sprake is van een problematische schuld. Ruim de helft van de debiteuren met een forse betalingsachterstand zoekt veel te laat hulp.

Ze denken vaak zelf nog een oplossing te kunnen vinden, hebben taalproblemen of ze schamen zich omdat het ze niet lukt om hun eigen inkomsten en uitgaven te managen. We willen ons preventiebeleid uitbreiden om met een brede aanpak het ontstaan van (problematische) schulden terug te dringen. Daarom is het van belang om op het juiste moment op de juiste stoep te staan. Om dit te kunnen organiseren willen wij met ingang van 2018 naast de bestaande dienstverlening van onder andere budgetadvies en coaching de dienstverlening als volgt uitbreiden: 1. Vroeg signalering Middels signaal gestuurd te gaan werken willen wij onze doelgroep eerder bereiken om problematische schulden te voorkomen. De gemeente Amsterdam heeft het project “Vroeg er op af” jaren gedraaid. Hieruit is gebleken dat iedere € 1,00 die zij investeren een maatschappelijk rendement heeft van € 1,65. Uit onderzoek blijkt dat het bereik van schuldenaren bij schriftelijke benadering slechts 0-5% is en bij telefonische benadering 6%. Bij huisbezoeken daarentegen wordt wel 70% bereikt. 2 Op de volgende signalen willen we middels het afleggen van een huisbezoek interventie plegen: a. Huurachterstanden van 2 maanden In 2017 heeft ZONL in samenwerking met de woningbouwcorporaties een pilot huurachterstanden gedraaid. Dit heeft geresulteerd in het voorkomen van 5 ontruimingen.

In overleg met de woningbouwcorporaties binnen de gemeente willen we deze pilot continueren. b. Energie achterstanden van 3 maanden Mensen met een achterstand in hun energie nota van 3 maanden willen we actief gaan benaderen middels een huisbezoek om hiermee te voorkomen dat de achterstand verder oploopt. c. Zorgverzekeraar achterstanden 4 maanden De IGSD biedt mensen met een inkomen tot 110% van het minimum de mogelijkheid tot deelname aan een collectieve verzekering. Maandelijks wordt een lijst ontvangen van het Zilveren Kruis waaruit blijkt welke mensen een achterstand hebben van meer dan 4 maanden. Ook hiervoor geldt een actieve opstelling middels een huisbezoek. 2. Voorlichting geven aan derden 2 NVVK “Leidraad Vroeg signalering” 20 We willen meer inzetten op preventie, vroeg signalering en financiële educatie met andere partijen en jongeren. Te beginnen bij het sociaal werk en jongerenwerk en het basis-, voortgezet- en middelaar beroepsonderwijs. De doelgroepen die we hiermee voor ogen hebben zijn: : - Werkgevers ( met inschakeling van de Business Club Steenwijkerland) - Scholen - Banken - Keten (Huisartsen, Diaconaal platform, Vrijwilligers project in eigen hand, Rechtswinkel) 3. Budgetcursussen We stellen voor de volgende doelgroep budgetcursussen aan te bieden: 1.

Vluchtelingen/Statushouders De gemeente heeft en krijgt steeds meer te maken met vluchtelingen die zich vestigen in de gemeente. De ervaring leert dat deze groep weliswaar begeleid wordt maar desalniettemin toch extra aandacht nodig heeft op een aantal gebieden. We hebben deze doelgroep al de mogelijkheid geboden om gedurende hun eerste periode van verblijf gebruik te maken van budgetbeheer “light”. Aanvullende financiële educatie via een budgetcursus voorkomt dat dat deze doelgroep al direct na huisvesting in de gemeente in de financiële problemen komt. 2. Inwoners die geen tot minimale betalingsachterstanden hebben en moeilijkheden hebben met financiële zelfredzaamheid. Dus nagenoeg geen schulden, maar om te voorkomen dat ze in de schulden raken wordt preventief ingezet op meer financiële zelfredzaamheid. 3. Inwoners die budgetbeheer afnemen bij de GKB en die op eigen initiatief budgetbeheer willen beëindigen, of waarvan de maximale termijn van budgetbeheer afloopt. 4. Op dit moment is de GKB Drenthe samen met een aantal gemeentes bezig met het ontwikkelen van de Money School. Het doel hiervan is het bieden van structurele financiële educatie in het primaire onderwijs en mogelijk ook in het voortgezet onderwijs. Wij onderzoeken de mogelijkheid om ons hier bij aan te sluiten. 5.

Als laatste zouden wij in 2018 ook verder willen onderzoeken hoe wij de online vindbaarheid van schuldhulpverlening kunnen vergroten. Dit met het doel om de drempel tot de hulpverlening zo laag mogelijk te laten zijn. Of online instrumenten ook een rol kunnen krijgen in de toeleiding naar schuldhulpverlening en/of de voorlichting hieromtrent zal nader onderzocht moeten worden. 4. Slagkracht door samenwerking: Project in Eigen Hand De gemeente Steenwijkerland heeft niet het monopolie als het gaat om armoedebestrijding. Er zijn diverse maatschappelijke -,kerkelijke- en vrijwilligersorganisaties actief in onze gemeente. Met tien zowel professionele als vrijwilligersorganisaties is in 2013 een samenwerkingsconvenant armoedesbestrijding en schuldhulpverlening afgesloten, het Project In Eigen Hand. Het primaire doel was vrijwilligers te werven en in te zetten als nazorg wanneer mensen uit het budgetbeheer van de GKB gingen . Op dit moment zijn er binnen dit samenwerkingsverband circa 40 vrijwilligers actief die zich niet meer alleen inzetten bij de nazorg maar ook aan de voorkant van een schuldhulpverleningstraject ( bijvoorbeeld bij het helpen invullen van formulieren en/of het op orde brengen van de financiële administratie). We vinden het belangrijk om ook bij de uitvoering van het 21 beleid regelmatig overleg te voeren met deze organisaties om een goede afstemming te realiseren.

Op deze manier kunnen we samen optrekken tegen verborgen armoede om deze te bestrijden. Deze maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij de vroeg signalering van schulden. Ook kunnen zij de doelgroep voorlichten over inkomensondersteunende maatregelen of budgetvoorlichting geven. Veel maatschappelijke organisaties staan dichter bij de doelgroep dan de gemeente en zij kunnen de doelgroep op een passende manier benaderen. Met de komst van de nieuwe organisatie voor Sociaal Werk De Kop, die zowel de coördinatie van dit samenwerkingsverband op zich neemt, als ook de werving en begeleiding van de vrijwilligers, willen we samen met deze ketenpartners nagaan hoe we de preventie en vroeg signalering nog verder kunnen intensiveren. Binnen dit kader is het ook goed nog te vermelden dat de Stichting Diaconaal Platform Steenwijkerland in samenwerking met de Voedselbank en Stichting Present vanaf 2016 het zogeheten noodfonds binnen onze gemeente uitvoeren. Dit noodfonds is voor alle inwoners uit Steenwijkerland met acute betalingsproblemen die niet met bestaande voorzieningen en/of door wettelijke uitkeringsinstanties geholpen kunnen worden.

Naast (acute) noodhulp is een substantieel deel van het budget de afgelopen twee jaar ingezet voor ziektekosten die niet op een andere wijze werden vergoed en voor een deel het eigen risico dat ( nog) niet onder de Regeling Chronisch Zieken viel. Gebleken is dat het noodfonds de afgelopen twee jaar goed in staat is geweest om maatwerkoplossingen te bieden op het moment dat er geen andere reguliere of voorliggende voorzieningen meer aangeboord kunnen worden. Ook is de bekendheid met het fonds door de ketenpartners aanzienlijk toegenomen. Dit alles pleit ervoor om de uitvoering op de huidige wijze voort te zetten. In te stemmen met de voorstellen die gedaan worden in het Plan van Aanpak Preventie van schulden en met de continuering met de uitvoering van het noodfonds door Stichting Diaconaal Platform Steenwijkerland. 8. Financiële paragraaf In deze paragraaf een overzicht van de verwachte uitgaven ten behoeve van armoede- en schuldenproblematiek en de hiervoor beschikbare bedragen in onze begroting. Uitgaven 2017 2018 2019 2020 2021 Minimaregeling en en bijzondere bijstand 1.225.000 1.300.000 1.300.000 1.300.000 1.300.000 Regeling Chronisch Zieken 575.000 ( 2015+16) 300.000 300.000 300.000 300.000 Schuldhulp GKB en IGSD 555.000 539.000 539.000 539.000 539.000 Jeugdcultuur- 30.000 50.000 50.000 50.000 50.000 22 en zwemfonds Maatwerk kind budget St.

Leergeld, Kinderhulp en Jarige Job RSG Tromp Meesters en overige preventie 50.000 30.000 40.000 50.000 30.000 40.000 50.000 30.000 40.000 50.000 30.000 40.000 Particuliere initiatieven: Voedselbank Noodfonds Diaconaal Platform Project in Eigen Hand 10.000 20.000 30.000 10.000 20.000 30.000 10.000 20.000 30.000 10.000 20.000 30.000 10.000 20.000 30.000 Totaal 2.445.000 2.369.000 2.369.000 2.369.000 2.369.000 Begroting 2017 2018 2019 2020 2021 Regulier BB en minimaregelingen Najaarsnota 2017 Regeling Chronisch Zieken ( WMO) Armoedebestrijdin g kinderen 930.000 200.000 500.000 197.000 930.000 300.000 197.000 930.000 300.000 197.000 930.000 300.000 197.000 930.000 300.000 197.000 Schuldhulpverleni ng 555.000 539.000 539.000 539.000 539.000 In Eigen Hand en Noodfonds ( WMO) 50.000 50.000 50.000 50.000 50.000 Totaal 2.432.00 0 2.016.000 2.016.000 2.106.00 0 2.106.000 Uitgaven 2.445.000 2.369.000 2.369.000 2.369.00 0 2.369.000 Saldo -/- 12.000 -/-354.000 -/- 354.000 -/- 354.000 -/- 354.000 Toelichting De uitgaven voor minimaregelingen en bijzondere bijstand zijn al een aantal jaren hoger dan in de begroting is opgenomen. Hiervoor zijn of bij de najaarsnota of bij de jaarrekening jaarlijks extra bedragen voor beschikbaar gesteld in orde van grootte van € 200.000--. In 2017 ligt het verschil tussen de werkelijke uitgaven en het begrote bedrag inmiddels op bijna € 300.000,--.

Voornaamste oorzaak van deze stijging is de toename van de uitgaven van beschermingsbewind en uitgaven voor woninginrichting van statushouders. 23 Rekening houdende met bovenstaande en de financiële consequenties van de voorgestelde maatregelen die in deze nota zijn opgenomen resulteert dit per saldo in een tekort van € 354.000,-- vanaf 2018. Kosten Beschermingsbewind Het aantal burgers dat beschermingsbewind nodig heeft neemt in het hele land toe. Dit is enerzijds te wijten aan het steeds ingewikkelder worden van de maatschappij, zeker op financieel gebied. Anderzijds zijn de criteria voor het in aanmerking komen voor beschermingsbewind vanaf 1 januari 2014 wettelijk verbreed: het hebben van schulden kan al een reden zijn voor toepassing van beschermingsbewind door de rechtbank ( naast lichamelijke of geestelijke beperkingen). In beginsel betalen de inwoners de kosten van beschermingsbewind zelf, maar inwoners met onvoldoende middelen kunnen een beroep doen op bijzondere bijstand. De kosten van beschermingsbewind souperen bij alle gemeenten een aanmerkelijk deel van het budget voor de bijzondere bijstand op. In 2017 was dit met € 268.000,-- al 40% van het totaal van de bijzondere bijstand. Daarnaast bedroegen de kosten die hiervoor betaald zijn aan de GKB Drenthe ook nog eens € 120.000,-- in 2017 zodat de totale kosten hiermee uitkomen op € 388.000,--.

Inmiddels blijkt dat er al meerdere gemeenten zijn die onderzoek doen naar de instroom in en uitstroom uit het beschermingsbewind en daarmee de kosten van beschermingsbewind voor de bijzondere bijstand beheersbaar te houden. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de beoordeling van de juridische noodzaak van beschermingsbewind niet aan gemeenten is, maar voorbehouden blijft aan de rechtbank. Desondanks stellen we voor ook te onderzoeken welke acties we als Steenwijkerland kunnen ondernemen om deze kosten terug te dringen. In te stemmen met het onderzoeken welke acties we kunnen ondernemen om de kosten van beschermingsbewind terug te dringen. Bijlage I Armoedemonitor 2016 en Inkomens effect rapportage 24 Afgelopen zomer hebben we door onderzoeksbureau KWIZ zowel een armoedemonitor als een inkomens effect rapportage laten opstellen. Beide rapportages treft u als bijlage bij deze nota aan. De belangrijkste conclusies zijn: Armoedemonitor 2016 In de gemeente Steenwijkerland hebben 1.395 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wsm. Dit is ruim 7 procent van alle 19.166 huishoudens in de gemeente en ligt ver onder het landelijk gemiddelde van 10 procent. Onderstaand geven we een aantal kenmerken van de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm weer.

De meerderheid van de minimahuishoudens heeft een bijstandsuitkering Van de minimahuishoudens heeft 54 procent een bijstandsuitkering, 17 procent ontvangt AOW en 29 procent komt rond van een ander hoofdinkomen zoals werk of WW. Eenoudergezinnen meer kans op armoede Eenoudergezinnen behoren vaker tot de minimapopulatie dan andere huishoudens: van alle eenoudergezinnen leeft 30 procent op een inkomen tot 110 procent Wsm. Alleenstaanden vormen in absolute zin de grootste groep onder de minima, 55 procent valt in deze categorie. Dit beeld zien we bij de meeste andere gemeenten ook. Niet-westerse allochtone huishoudens zijn vaker minima dan autochtone huishoudens Van alle niet-westerse allochtone huishoudens in de gemeente moet 38 procent rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm. Onder westerse allochtone huishoudens is dit 10 procent en onder autochtone huishoudens is dit 6 procent. Nagenoeg in alle gemeenten waar KWIZ onderzoek heeft gedaan is het aandeel minima onder niet-westerse allochtone huishoudens hoger dan onder autochtone huishoudens. 63 procent van alle minima is al drie jaar of langer minima In de gemeente moet 63 procent van alle minimahuishoudens tot 110 procent Wsm al drie jaar of langer van dit inkomen rondkomen. Dit ligt redelijk in lijn met de aandelen die we landelijk zien.

Minima met een bijstandsuitkering zijn vaker langdurig aangewezen op een minimuminkomen dan minima met een andere inkomensbron. 12 procent is nieuwe minima In totaal zijn er 167 nieuwe instromers in 2016 die korter dan een jaar op het minimum zitten. Bijna twee derde heeft een bijstandsuitkering. 8 procent van alle kinderen groeit op in een minimahuishouden In 372 minimahuishoudens groeien 737 kinderen op in de leeftijd tot 18 jaar. Dat is 8 procent van alle kinderen. Kinderen in een eenoudergezin hebben meer kans op armoede dan kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders: 32 procent tegenover 5 procent. Ook in gezinnen van niet-westers allochtone afkomst is het aandeel kinderen hoger dan gemiddeld: 40 procent van de kinderen uit een dergelijk gezin groeit op in een minimahuishouden. Bereik minimaregelingen Onderstaande figuur geeft het bereik per inkomensondersteunende regeling over 2016 in Steenwijkerland weer. Dit is het gebruik op huishoudniveau afgezet tegen de doelgroep.

25 Regeling Gebruik 2016 Doelgroep Bereik Kwijtschelding 888 1.253 71% Bijzondere bijstand 402 1.253 32% Individuele inkomenstoeslag 301 673 45% Collectieve zorgverzekering 354 1.395 25% Bijdrage sociale en culturele activiteiten 843 1.395 60% Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs 97 185 52% Bijdrage computer 40 50 80% Bijdrage kosten peuterspeelzaal 54 80 68% Identiteitskaart 131 n.b. n.b.  Het bereik van de kwijtschelding is met 71 procent is goed. Bij de meeste gemeenten zien we een bereik van 70 à 75 procent, waarbij een bereik van 80 procent maximaal te noemen is;  Het gebruik van de bijzondere bijstand ligt op 32 procent. In de meeste gemeenten ligt het gebruik rond de 20 procent van de doelgroep. Met name de stijging van de aanvragen voor bewind voering zorgen voor ene hoog bereik van de bijzondere bijstand;  De individuele inkomenstoeslag heeft een bereik van 45 procent. Bij andere gemeenten met een referteperiode van drie jaar zien we meestal een bereik van 50 à 60 procent;  Het bereik van de collectieve zorgverzekering is met 25 procent iets lager dan we bij de meeste andere gemeenten vinden. Gemiddeld zien we een bereik van ongeveer 30 procent. Vooral bij gemeenten, zoals Steenwijkerland, die meerdere pakketten aanbieden is het bereik de laatste tijd toegenomen.

Dit komt omdat minima daar de keuze hebben tussen een goedkoper of een duurder pakket;  Het bereik van de bijdrage sociale en culturele activiteiten is met 60 procent goed te noemen. In de meeste andere gemeenten zien we een bereik van 35 à 40 procent van een participatieregeling. Een reden hiervoor kan zijn dat de gemeente Steenwijkerland geen vermogensgrens voor deze regeling hanteert;  De bijdrage voor de kosten voltijds onderwijs heeft met 52 procent een redelijk goed bereik;  Het bereik van de vergoeding voor een computer is met 80 procent erg hoog.  Ook de bijdrage voor de kosten peuterspeelzaal heeft met 68 procent een redelijk hoog bereik. Conclusie en aanbevelingen - Het bereik van de meeste minimaregelingen van de gemeente Steenwijkerland is erg goed. De collectieve zorgverzekering en de inkomenstoeslag blijven een beetje achter bij de rest. 26 - De premie voor de collectieve zorgverzekering is vrij hoog. De gemeente kan eventueel meer bijdragen aan de premie zodat het pakket voor de minima goedkoper en aantrekkelijker wordt. - Voor de inkomenstoeslag geldt dat de criteria voor het toekennen in 2017 zijn versoepeld. In 2016 was de gemeente vrij secuur in het hanteren van de criteria voor het toekennen van de toeslag, bijvoorbeeld of iemand perspectief op inkomensverbetering had. - Inzetten op kinderen in armoede.

- Bestrijding kinderarmoede door een armoederegisseur. - Stimuleren van maatschappelijke samenwerkingsverbanden. Overzicht van de uitgaven Bijzondere Bijstand, Minimaregelingen en Kwijtschelding Belastingen in 2017 Regeling Uitgaven 2017 Bijzondere bijstand 668.834 Individuele inkomenstoeslag 147.519 Collectieve zorgverzekering 18.133 Bijdrage sociale en culturele activiteiten 291.267 Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs 36.651 Bijdrage computer 35.049 Bijdrage kosten peuterspeelzaal 17.740 Identiteitskaart 9.514 Subtotaal 1.224.707 Kwijtschelding belastingen 223.000 Totaal 1.447.707 Inkomens effect rapportage 2017 In onderstaande tabel is te lezen hoe we in Nederland het financieel vangnet met elkaar hebben geregeld. Het inkomen op 100% van het Wettelijk sociaal minimum 27 ( Wsm) is de bijstandsnorm. Als iemand boven de 100% zit, betekent dit dat hij of zij inkomsten uit werk heeft.

Huishoudtype Netto inkomen Bijdrage Rijk¹ Bijdrage gemeente² Totaal inkomen Verschil tov 100% Wsm (€) Verschil tov 100% Wsm (%) Alleenstaande 100% Wsm 983 327 52 1.362 110% Wsm 1.081 327 16 1.424 + 63 + 5% 120% Wsm 1.180 327 0 1.507 + 145 + 11% 130% Wsm 1.278 295 0 1.573 + 212 + 16% Alleenstaande ouder, 2 kinderen 100% Wsm 983 815 95 1.893 110% Wsm 1.081 865 50 1.996 + 103 + 5% 120% Wsm 1.180 867 0 2.047 + 153 + 8% 130% Wsm 1.278 869 0 2.147 + 254 + 13% Meerpersoons zonder kinderen 100% Wsm 1.404 452 77 1.933 110% Wsm 1.544 444 32 2.020 + 88 + 5% 120% Wsm 1.685 377 0 2.062 + 129 + 7% 130% Wsm 1.825 275 0 2.100 + 168 + 9% Meerpersoons, 2 kinderen 100% Wsm 1.404 641 111 2.156 110% Wsm 1.544 663 66 2.274 + 118 + 5% 120% Wsm 1.685 584 0 2.269 + 112 + 5% 130% Wsm 1.825 464 0 2.289 + 133 + 6% ¹ De bijdrage van het Rijk bestaat uit de huurtoeslag, zorgtoeslag, het kind gebonden budget en eventuele heffingskortingen ² De bijdrage van de gemeente bestaat uit kwijtschelding van lokale belastingen, de bijdrage sociaal culturele activiteiten, bijdrage voortgezet onderwijs, de individuele inkomenstoeslag en de gemeentelijke bijdrage voor de collectieve zorgverzekering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/ab5545d8-14bd-498e-a69e-f72957fcf78e?agendaItemId=727ed4bb-f260-43e4-8eda-6aff56fbc8bc