CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

ChristenUnie - PIP -Samenvatting PIP de Wieden (1).docx

Politieke Markt 3 juni 2020, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Reactie op ontwerp-PIP De Wieden6.930 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 PIP – de Wieden. (Toelichting 1.2. Ligging en begrenzing ) De voorgenomen maatregelen passen niet binnen de bestemming van de geldende beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014. Voor deze maatregelen is dit PIP opgesteld. Het plangebied van het PIP komt overeen met de deelgebieden. Bij het ontwerp PIP is er in tegenstelling tot het eerdere voorontwerp PIP voor gekozen om voor alle percelen gelegen in de deelgebieden de bestemming aan te passen. Niet alleen is beoordeeld of de geldende bestemming de uitvoering mogelijk maakt, maar ook of de geldende bestemmingsregeling past bij de toekomstige inrichting van het deelgebied. Onder de geldende bestemming Natuur uit de beheersverordening Steenwijkerland is ook bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt toegestaan. Dit gebruik is niet in lijn met de inrichting van de gebieden als natuurgebied. Daarom is ervoor gekozen om, in tegenstelling tot het voorontwerp PIP (waarbij alleen de agrarische bestemming werd gewijzigd), ook de geldende Natuurbestemming te wijzigen in een nieuwe bestemming Natuur. Daarom is het plangebied van het ontwerp PIP aanzienlijk vergroot ten opzichte van het plangebied van het voorontwerp-PIP. Alle gronden in het PIP-gebied zijn nodig voor de natuurmaatregelen.

Niet alleen voor de uitvoering van de maatregelen (zoals bijvoorbeeld het maken van de kraggen) maar ook aanliggende graslanden zijn nodig. Er wordt een biotoop gerealiseerd. Het hele plangebied moet als natuur worden beheerd. Vanwege de vernatting (moerasgebied) en de latere maaidata is het niet meer agrarisch te gebruiken. Agrarisch (mede) gebruik is dus vanwege de natuurdoelen (verbindingszone grote vuurvlinder, moerasbroedvogels en kwartelkoning) die zijn gesteld in het Beheerplan niet mogelijk. Dit geldt voor alle natuurdoelen in het gebied. Op een enkele plek is rietteelt nog mogelijk. Dit is afzonderlijk "aangeduid" in het ontwerp PIP. Zie voor het plangebied van dit inpassingsplan De Wieden, onderstaande figuur. 2 1.7 Samenhang producten In deze paragraaf wordt ingegaan op de relatie tussen de drie samenhangende documenten voor de planuitwerking "De Wieden". Het gaat daarbij om: het inrichtingsplan het milieueffectrapport het inpassingsplan Elk document kent een ander doel, maar ze vormen een samenhangend geheel. In het inrichtingsplan wordt beschreven hoe de ontwikkelopgave die voor het Natura 2000- gebied 'De Wieden' geldt, gerealiseerd wordt. Daartoe wordt een aantal maatregelen benoemd. Het milieueffectrapport (MER) heeft als doel om het milieubelang mee te kunnen wegen in het inpassingsplan. Het rapport is een hulpmiddel bij besluitvorming.

Het MER moet in beeld brengen wat de milieugevolgen zijn van het wijzigen in de bestemming Natuur en de maatregelen die daarbij volgens het inrichtingsplan moeten worden uitgevoerd. Het MER geeft inzicht in de kansen en risico's van de voorgenomen maatregelen op de verschillende milieuthema's (bijvoorbeeld bodem en water) en levert uitgangspunten voor het ontwerpproces.

3 Het inpassingsplan is het instrument om beoogde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Daarbij is het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van 'een goede ruimtelijke ordening'. In dat kader dienen alle ruimtelijk relevante belangen tegen elkaar te worden afgewogen. Het inrichtingsplan en het milieueffectrapport zijn als bijlagen bij dit inpassingsplan opgenomen. 2.2.1 Vogel- en Habitatrichtlijn en Natura 2000 (Toelichting Vogel-en Habitatrichtlijnen en Natura 2000). Om de biodiversiteit in Europa te behouden en te vergroten is op Europees niveau de Vogel- en Habitatrichtlijn opgesteld. De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle wilde vogels en hun belangrijkste habitats in de hele EU te beschermen. De richtlijn verplicht de lidstaten bovendien tot de bescherming van gebieden die uitermate belangrijk zijn voor alle trekvogelsoorten en meer dan 190 bijzonder bedreigde soorten. Hierbij moet speciale aandacht worden besteed aan waterrijke gebieden van internationaal belang (Wetlands). De Habitatrichtlijn is vergelijkbaar met de Vogelrichtlijn maar heeft betrekking op een veel groter aantal zeldzame, bedreigde of inheemse soorten, inclusief meer dan duizend dieren- en plantensoorten. Naast de bescherming van specifieke flora en fauna, hebben de Vogel- en Habitatrichtlijn eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden.

Dit wordt beoogd door de aanwijzing van beschermde gebieden, die samen het Europees ecologisch netwerk van beschermde natuurgebieden vormen: Natura 2000. Binnen dit Europees netwerk komen natuurgebieden voor waarin belangrijke flora en fauna aanwezig zijn, gezien vanuit een Europees perspectief. Met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden kunnen flora en fauna duurzaam beschermd worden ( www.natura2000.nl). Binnen de Ontwikkelopgave Natura 2000 van de provincie Overijssel gaat het om 24 Natura 2000-gebieden. Alle Nederlandse Natura 2000-gebieden moeten bijdragen aan het behoud en indien van toepassing het herstel van: 1. de ecologische samenhang van Natura 2000 binnen Nederland en de Europese Unie; 2. de biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn; 3. de natuurlijke kenmerken van het gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4. de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 4 Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het Nationale Park “Weerribben- Wieden” aan. De oppervlakte bedraagt 10.269 ha.

In hoofdlijnen wordt in dit gebied gestreefd naar de ontwikkeling van de volgende typen natuur: Uitbreiding van de moerasgebieden door omvorming van een aantal polders tot moerasgebied; Zodanig beheer van de bestaande moerasgebieden dat een goed evenwicht ontstaat tussen natuurbehoud en rietlandbeheer; Versterking van de moerasverbinding tussen De Wieden en de Weerribben en de Wieden het weidevogel- en moerasgebied bij Giethoorn; Behoud en ontwikkeling van de weidevogelpopulaties, vooral gericht op de Grutto, Tureluur en Wulp in de landbouwgebieden en aanvullend meer kritische weidevogels zoals Watersnip, Slobeend en Zomertaling in de reservaten; De gebiedsopgave en de te nemen inrichtingsmaatregelen voor De Wieden zijn in de paragrafen 3.4 en 3.5 verder uitgewerkt en toegelicht. 3.3.1 Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 (Toelichting) De beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, is op 9 december 2014 door de gemeenteraad van Steenwijkerland vastgesteld. De gronden binnen het plangebied van dit inpassingsplan hebben de bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden', Natuur' en 'Natuur-1' volgens de geldende beheersverordening. De gronden met de bestemmingen

5 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden' zijn voornamelijk bedoeld voor agrarisch (bedrijfs- en hobby matig) gebruik, behoud en ontwikkeling van ecologische waarden, rietteelt en bescherming, instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Gebouwen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een specifieke bouwaanduiding. Vergunningen worden alleen verleend als er geen sprake is van onevenredige aantasting van de genoemde waarden. De maatregelen die voorzien zijn op de als 'Natuur' en 'Natuur-1' bestemde gronden zijn juridisch planologisch al mogelijk. Onder de geldende bestemming Natuur uit de beheersverordening Steenwijkerland is in de bestemming Natuur echter ook bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt toegestaan. Dit gebruik is niet in lijn met de inrichting van de gebieden als Natuurgebied. Daarom is ervoor gekozen om, in tegenstelling tot het voorontwerp PIP (waarbij alleen de agrarische bestemming werd gewijzigd), ook de Natuurbestemming te wijzigen in een nieuwe bestemming Natuur. Daarom is het plangebied van het ontwerp PIP aanzienlijk vergroot ten opzichte van het plangebied van het voorontwerp-PIP. Op een enkele plek is rietteelt nog mogelijk. Dit is afzonderlijk “aangeduid” in het ontwerp PIP. De opgave De Wieden heeft 6 kernopgaven: 4.08 Evenwichtig systeem.

Nastreven van een meer evenwichtig systeem (waterkwaliteit, waterkwantiteit en hydromorfologie): waterplantengemeenschap (voor kranswierwateren H3140 en meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3150), zwarte stern A197, platte schijfhoren H4056 en vissen zoals onder andere bittervoorn H1134, grote modderkruiper H1145, kleine modderkruiper H1149 en insecten zoals de gestreepte waterroofkever H1082. Hiervoor geldt een wateropgave; 4.09 Compleetheid in ruimte en tijd. Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140A en H7140B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen H7210* en hoogveenbossen H91D0*, in samenhang met gemeenschappen van open water. Hiervoor geldt een wateropgave; 4.11 Plas-dras situaties. Plas-dras situaties voor smienten A050 en broedvogels zoals porseleinhoen A119 en kwartelkoning A122; 4.12 Overjarig riet. Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292 en grote karekiet A298. Hiervoor geldt een wateropgave; 4.15 Vochtige graslanden.

Herstel inundatie, behoud en nieuwvorming blauwgraslanden H6410, mede als leefgebied van de watersnip A153. Hiervoor geldt een wateropgave; 6 4.16 Rui- en rustplaatsen. Voldoende ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels, zoals fuut A005, ganzen en kuifeend A061. In De Wieden en de Weerribben is sprake van een ‘sense of urgency’ voor de kernopgaven evenwichtig systeem en compleetheid in ruimte en tijd. De sense of urgency betreft een wateropgave. Dit betekent dat op korte termijn aanvullende maatregelen nodig zijn ten aanzien van de watercondities. Deze aanvullende maatregelen zijn nader uitgewerkt in het inrichtingsplan dat in paragraaf 3.5 wordt toegelicht. De maatregelen voor de eerste beheerplanperiode (uitvoering binnen zes jaar na vaststelling) uit het beheerplan zijn in onderstaande tabel op een rij gezet. Deelgebied Type maatregelen en omvang in hectare (ha) Muggenbeet De realisatie van blauwgrasland (10 ha) De realisatie van leefgebied voor de Grote Vuurvlinder (150 ha) De realisatie van een verbinding voor de Grote Vuurvlinder tussen Noordmanen en Dwarsgracht/St.

Jansklooster De realisatie van leef-, broed- en foerageergebied voor moerasbroedvogels, zoals de Roerdomp, Rietzanger, Bruine Kiekendief, Kwartelkoning, Porseleinhoen, Zwarte Stern (totaal 184 ha) Verbinding Vollenhovermeer Leef- en broedgebied Grote Karekiet (10 ha) De realisatie van een natuurverbinding tussen De Wieden en het Vollenhovermeer Duinweg Leeuwte Leef- en broedgebied Grote Karekiet (10 ha) De realisatie van leef-, broed- en foerageergebied voor moerasbroedvogels, zoals de Bruine Kiekendief, Porseleinhoen, Zwarte Stern (totaal 22 ha) Tabel: De doelstellingen deelgebed in De Wieden voor in de 1e beheerplanperiode 7 3.5.1.4 Inrichtingsmaatregelen (Toelichting). Vanwege de omvang en heterogeniteit van het deelgebied Muggenbeet is gekozen om het gebied voor de maatregelenbeschrijving op te delen in 6 subdeelgebieden. Hieronder is een overzichtskaart van deze opdeling weergegeven.

8 3.5.1.4.1 Subdeelgebied Muggenbeet (noordzijde Moddergat) Dit subdeelgebied bevindt zich tussen het dorp Muggenbeet en de N333. Het is de eerste zone in het deelgebied Muggenbeet waar Grote Vuurvlinders aankomen in hun migratie vanuit de Weerribben. Het gebied kent grotendeels nog een landschap van kraggen en ribben en enkele graslanden die nog in agrarisch gebruik zijn. Doel is om hier het leefgebied voor de migrerende Grote Vuurvlinder in dit gebied te optimaliseren. Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het subdeelgebied Muggenbeet (noordzijde Moddergat).

9 3.5.1.4.2 Subdeelgebied Muggenbeet (zuidzijde Moddergat) Dit subdeelgebied bevindt zich tussen Muggenbeet, het landbouwgebied aan de westzijde van het gebied, het Noorderdiep en de landbouwpolder aan de oostzijde van het gebied. Het gebied bestaat grotendeels uit kraggen, vochtige graslanden (deels nog in agrarisch gebruik), rietvelden en open water. Het oude historische verkavelingspatroon is nog een belangrijk kenmerk van dit deelgebied. Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het subdeelgebied Muggenbeet (zuidzijde Moddergat).

10 3.5.1.4.3 Subdeelgebied Tussen de Diepen Dit subdeelgebied betreft het gebied tussen de Duinigermeerweg, camping Tussen de Diepen, Noorderdiep en het Giethoornsche Meer, incl. de Leeheven. Het betreft grotendeels graslanden die tot op heden als agrarisch grasland worden gebruikt. Het gebied kent nog een relatief authentieke verkavelingsstructuur met langs het Noorderdiep een lichte verhoging van zandige afzettingen uit vroegere perioden. Ecologische (her)inrichting De ecologische inrichting in dit subdeelgebied richt zich op een tweetal vegetatietypen: kraggenlandschap; (kruidenrijke en faunarijke) graslanden. Het kraggenlandschap wordt hier aangelegd als verbindingszone voor de Grote Vuurvlinder naar De Wieden. Op onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd. Figuur: Overzicht maatregelen (voor een beter leesbare kaart zie bijlage 1 bij de regels)

11 Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het subdeelgebied Tussen de Diepen.

12 3.5.1.4.4 Subdeelgebied Zuurkampen / Rietheven en Meerheven Dit subdeelgebied is gelegen tussen de Duinigermeerweg, Zuiderdiep, Giethoornsche Meer en Hevenweg. Het gebied bestaat voor een deel uit rietland, open water (Duinigermeer), vochtige graslanden en agrarische graslanden. Ook dit subdeelgebied kent nog een relatief authentieke verkavelingsstructuur. Langs het Duinigermeer en Giethoornsche Meer zijn nog (mineraalrijke) zandige afzettingen aanwezig. Tevens is in het verleden een paaiplaats voor snoeken aan de zuidoostzijde van het gebied aangelegd. Op onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd. Figuur: Overzicht maatregelen (voor een beter leesbare kaart zie bijlage 1 bij de regels) Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het subdeelgebied Zuurkampen / Rietheven en Meerheven.

13 3.5.1.4.5 Subdeelgebied Elsheven Het laatste subdeelgebied Elsheven bestaat in de huidige situatie uit graslanden waarbij de kavels in een soort slagenpatroon, langgerekt in het landschap liggen. Door het subdeelgebied ligt de oude Tautenburger Sloot, een oude beek die vroeger door het subdeelgebied langs Jonen richting Dwarsgracht liep. Alleen dit deel van de beek is intact gebleven. De graslanden zijn nog in agrarisch gebruik. In dit deelgebied heeft een grensaanpassing plaatsgevonden door middel van een besluit van Gedeputeerde Staten. Deze grenswijziging heeft geen invloed op de haalbaarheid van de doelstellingen. Op onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd.

14 Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het subdeelgebied Elsheven.

15 3.5.1.4.6 Subdeelgebied oostzijde Giethoornsche Meer Dit subdeelgebied loopt vanaf het Giethoornsche Meer tot aan de Giethoornsche polder. Het gebied is opgebouwd uit verschillende typen veengronden en bestaat voornamelijk uit een zone met petgaten. Het gebied ligt relatief hoog ten opzichte van naastgelegen polders (vooral het noordelijk en oostelijk gelegen gebied). Dwars door het gebied lopen de grotere watergangen Cornelisgracht, Pinkesloot en Brouwersgracht. Van noord naar zuid is de grootste stroom de Dwarsgracht. Daarnaast zijn er in het gebied nog vele sloten en greppels aanwezig. Het betreft een veenmoeraslandschap met bos, rietland, ruigte en hooilanden. Figuur: Principeprofiel Op de onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd.

16 3.5.2.1 Ligging en doelsoorten Deelgebied Verbinding De Wieden-Vollenhovermeer ligt in het noordwesten van het Natura 2000- gebied De Wieden. Dit deel van De Wieden is alleen begrensd als Vogelrichtlijngebied. Het gebied wordt in het westen begrensd door het Vollenhovermeer en in het oosten door de Duinweg. Het proectgebied wordt doorkruist door de Weg van Twee Nijenhuizen. Het deelgebied heeft een oppervlakte van 41 hectare. Het gebied bestaat grotendeels uit intensief gebruikt agrarisch grasland, aan de westzijde ligt een strook rietland op de oever van het Vollenhovermeer. Figuur: Ligging deelgebied Verbinding Wieden-Vollenhovermeer

17 Op onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd. Figuur: Overzicht maatregelen (voor een beter leesbare kaart zie bijlage 1 bij de regels)

18 Overige maatregelen Naast doelen vanuit het Natura 2000-beheerplan spelen er meer opgaven in het gebied. Het Ettenlandsch Kanaal aan de instroomzijde van gemaal A.F. Stroïnk wordt verbreed. Het gemaal A.F. Stroïnk regelt het peil op de boezem (waterbergingsgebied) van Noordwest-Overijssel en de polders in Noordwest-Overijssel, de polder Nijeveen-Kolderveen en het stroomgebied van de Vledder en Wapserveense Aa. De totale oppervlakte van dit gebied is ruim 50.000 hectare (bron: www.wdodelta.nl). Bij hoog water in het boezemgebied pompt het gemaal het water via het Vollenhovermeer naar het IJsselmeergebied. Zie onderstaande schematische afbeelding. Figuur: Principe gemaal A.F. Stroïnk (bron www.wdolta.nl) In het plan wordt het kanaal ten oosten van het gemaal verbreed. De verbreding van het Ettenlandsch kanaal is nodig om de aanvoer naar het gemaal te verbeteren. Onder bepaalde omstandigheden wordt de capaciteit van het gemaal beperkt door de aanvoer. Het verhang in het Ettenlandsch kanaal is dan te groot. Verbreding van het kanaal kan dit probleem voor een groot deel oplossen. De verbreding wordt gerealiseerd aan de zuidzijde van het kanaal, vanaf het gemaal tot aan de oostgrens van het plangebied in deelgebied 10. Het kanaal wordt hier met circa 25 meter verbreed om de wateraanvoercapaciteit van het gemaal te verbeteren. Zie onderstaande afbeelding.

19 Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het deelgebied Verbinding De Wieden- Vollenhovermeer. Figuur: Voorontwerp Verbinding De Wieden-Vollenhovermeer (Arcadis, 2018f) (zie bijlage 2 bij deze toelichting voor een beter leesbare kaart met legenda en dwarsdoorsneden)

20 3.5.3 Deelgebied 10: Duinweg 3.5.3.1 Ligging en doelsoorten Het deelgebied Duinweg Leeuwte ligt in het midden van de Wieden. Het gebied is 22,6 hectare groot en ligt ten zuiden van Muggenbeet. Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door de Duinweg. In het noorden ligt het Ettenlandsch Kanaal en in het oosten ligt de Kleine Beukelarwijde. In het zuiden ligt de Moespotsvaart. Het deelgebied kan in twee delen verdeeld worden: het westelijke deel, dat geheel bestaat uit agrarisch grasland en het oostelijke deel met rietland, moeras, bos, watergangen en vochtig grasland. De inrichtingsmaatregelen hebben alleen betrekking op het westelijk deel. Figuur: Ligging deelgebied Duinweg De doelsoorten waarvoor ruimtelijke ingrepen plaatsvinden in deelgebied Duinweg Leeuwte zijn de Zwarte Stern, Bruine Kiekendief, Porseleinhoen en Grote Karekiet.

21 3.5.3.4 Inrichtingsmaatregelen De inrichtingsmaatregelen om de beoogde natuurdoelen te bereiken zijn verder beschreven en onderbouwd in het inrichtingsplan dat als bijlage 1 is bijgevoegd. Dit deelgebied is gelegen tussen De Wieden en de Duinweg en wordt aan de noordzijde begrensd door het Ettenlandsch Kanaal en aan de zuidzijde door de Moespotsvaart. Het gebied bestaat uit graslanden die nog deels bestaan uit natuurlijk grasland, half natuurlijk grasland (weidevogelbeheer) en uit natuurlijk grasland. Figuur: Deelgebied Duinweg Leeuwte

22 Op onderstaande kaart zijn de maatregelen weergegeven. Het realiseren van deze maatregelen is mogelijk gemaakt in de regels, waaraan deze kaart ook als bijlage 1 is bijgevoegd. Figuur: Overzicht maatregelen (voor een beter leesbare kaart zie bijlage 1 bij de regels) Overige maatregelen Het Ettenlandsch Kanaal wordt over de gehele lengte van het deelgebied verbreed. Voor een omschrijving van deze maatregel wordt verwezen naar de tekst onder het kopje rietland in deze paragraaf. Eindbeeld De bovenstaande inrichtingsmaatregelen in combinatie met de hydrologische en overige maatregelen leiden tot het onderstaande eindbeeld voor het deelgebied Duinweg Leeuwte.

23 4.2 Milieu 4.2.1 MER Wettelijk kader Het MER is onderdeel van de m.e.r.-procedure en heeft als doel om belangrijke nadelige milieugevolgen van de activiteiten in beeld te brengen. Op grond van de zogenoemde C- en D- lijst van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet voor bepaalde activiteiten een MER worden opgesteld. De m.e.r.-procedure maakt het mogelijk om de mogelijke milieuschade ook mee te wegen in de besluitvorming. Het goed doorlopen van de m.e.r -procedure is van belang voor een transparant planproces. Mede op basis van het MER moet het bevoegd gezag een besluit nemen over het PIP en de ontgrondingenvergunning. Eindconclusie voor verdere besluitvorming Uit het voorgaande kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Er zijn geen realistisch in beschouwing te nemen en relevante variatiemogelijkheden voor de beoogde inrichting in de drie deelgebieden. Er is voldoende milieuinformatie beschikbaar gekomen over de voorkeursvarianten. Er zijn geen leemten in kennis die aan vaststelling van het PIP (voor de deelgebieden Muggenbeet, Verbinding Wieden-Vollenhovermeer en Duinweg Leeuwte) en aan verlening van de ontgrondingenvergunning (voor alle vier de deelgebieden) in de weg staan. De eindconclusie is dat het MER met de vervolgstappen in de PIP- en/of ontgrondingenprocedure ter visie dient te worden gelegd.

4.2.2 Bodemkwaliteit Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. Conclusie Uit de rapportage (bijlage 9) blijkt dat in het plangebied (met uitzondering van grasland en plaatselijk woningen en boerenerven) nauwelijks sprake is of was van menselijke activiteiten. De verwachting is daarom dat de bodem niet of nauwelijks verontreinigd is. Dit wordt ook teruggevonden in de regionale bodemkwaliteitskaart, waarop het gebied zowel voor de bovengrond als de ondergrond geklasseerd is als: verwachte kwaliteit landbouw/natuur (AW2000). 24 De verontreinigde terreindelen ter plaatse van de Weg van Twee Nijenhuizen 18 in Vollenhove betreffen bebouwd terrein. Hier zal ten behoeve van de natuurontwikkeling geen grondverzet plaatsvinden (conform ontwerp d.d. 1 maart 2018). Op basis van dit vooronderzoek en de regionale bodemkwaliteitskaart wordt geconcludeerd dat grondverzet in het kader van de uitwerking van het 'Beheerplan Natura 2000 De Wieden en Weerribben' in principe zonder restricties vanuit de Wet bodembescherming c.q. het Besluit bodemkwaliteit plaats kan vinden. Wel dient ten behoeve van de natuurontwikkeling rekening te worden gehouden met de natuurtechnische kwaliteit van de te ontgraven bodem.

Aanbevelingen In grond- en toegangsdammen zijn visueel geen vervuilingen aangetroffen. Wel verdient het de aanbeveling om voorafgaand aan het eventueel opnemen van grond- en/of toegangsdammen deze dammen te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest en bodemvreemde materialen. 4.2.3 Geluid Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken' en rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchtvaarthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor. Geluid en Natura 2000-gebied “De Wieden” In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, en nieuwe geluidproducerende bestemmingen, zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur, mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. 25 4.2.4 Externe veiligheid Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid. 4.2.5 Luchtkwaliteit Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. 4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wav en Natura 2000-gebied “De Wieden” Onderstaande figuur geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom het Natura 2000- gebied “De Wieden”. De kwetsbare gebieden zijn binnen het kader in groen weergegeven.

26 Figuur: Wav gebieden (in groen) in het Natura 2000-gebied “De Wieden” (bron: Atlas van Overijssel) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen. 4.2.7 Overige aspecten In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. 4.2.7.1 Militaire laagvliegroutes Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen. Militaire laagvliegroutes en Natura 2000-gebied “De Wieden” Het Natura 2000-gebied “De Wieden” ligt nabij de militaire laagvliegroute 10A. Route 10A komt de provincie Friesland binnen bij Lauwersmeer en gaat via het oosten van Drachten in de richting van Zwolle. Deze route is echter sinds 2002 opgeschort. Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “De Wieden” richten zich op het behoud en het versterken van natuurkwaliteiten.

Deze natuurkwaliteiten zijn niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute. 4.2.7.2 No fly zone De activiteit luchtvaart is een van de bestaande activiteiten die in het beheerplan voor het Natura 2000-gebied "De Wieden", zie ook paragraaf 2.3.4 is beoordeeld middels een kleurcodering. No fly zones en Natura 2000-gebied "De Wieden" Wanneer een bestaande activiteit als groen beoordeeld is, kan de activiteit zonder Wet natuurbescherming-vergunning worden gecontinueerd. Voor een geel beoordeelde activiteit geldt dat de activiteit geen Wet natuurbescherming-vergunning nodig heeft, indien de activiteit wordt uitgevoerd onder de in dit Natura 2000-beheerplan opgenomen voorwaarden. Als een groen of geel beoordeelde activiteit in de praktijk toch tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen leidt, zal het bevoegd gezag opnieuw een habittatoets 27 moeten (laten) verrichten en zo nodig nieuwe voorwaarden en beperkingen in het Natura 2000- beheerplan moeten opnemen. De kans daarop is klein omdat de beoordeling uitgaat van 'afstanden waarbij redelijkerwijs significante effecten kunnen worden uitgesloten'. Luchtvaart is beoordeeld met code geel: Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn met 'mitigerende maatregelen' uit te sluiten.

De activiteit kan onder voorwaarden woorden gecontinueerd. Het gaat om de voorwaarden: Niet landen of opstijgen binnen een afstand van 2.000 meter vanaf de grens van de Natura 2000-gebieden, binnen deze straal en boven het Natura 2000-gebied mag niet lager gevlogen worden dan 3.000 foot; voor drones of andere onbemande luchtvaartuigen geldt een afstand van 250 meter en een hoogte van 1.000 foot. Conclusie De activiteit kan onder voorwaarden woorden gecontinueerd. Deze voorwaarden zijn in de regels en verbeelding door vertaald middels de gebiedsaanduiding ' vrijwaringszone - luchtverkeer'. Met dien verstande dat vliegactiviteiten die onder ecologische begeleiding worden uitgevoerd door of namens de terreinbeheerder om het Natura 2000- gebied te inventariseren en te beheren, hiervan zijn uitgezonderd. 4.2.7.3 Radarverstoringsgebieden Conclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmeringen voor de aanwezigheid en werking van de radarverstoringsgebieden. 4.2.7.4 Zandwinning Conclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmeringen voor de aanwezigheid en werking van de de zandwinlocatie. De zandwinlocatie heeft ook geen effecten op de maatregelen zoals beschreven in dit plan. 4.2.7.5 Overige infrastructuur Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.

4.2.8 Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot het aspect milieu. 28 4.3.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta, maakt onderdeel uit van 'Samen werkt beter', en is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in paragraaf 3.5 van dit inpassingsplan en nader onderbouwd in het inrichtingsplan, dat als bijlage 1 bij de toelichting is bijgevoegd. Wateradvies In het kader van vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerp inpassingsplan voorgelegd aan het waterschap. Aangezien het waterschap deel uitmaakt van het samenwerkingsverband is er geen separate reactie verstuurd. Aanvullend is de aangepaste waterpargraaf op 1 september 2019 ter beoordeling voorgelegd aan het waterschap. 4.3.3 Water en het Natura 2000-gebied “De Wieden” 4.3.4 Conclusie Ten aanzien van het aspect water wordt geconcludeerd dat de ontwerpen, en daarmee de maatregelen, het gewenste effect hebben op de grondwaterstanden binnen de projectgebieden. De gewenste grondwaterstanden voor de natuurdoeltypen worden hierbij goed benaderd. Bij de toetsing op gebruiksfunctie komt naar voren dat er geen landbouwschade wordt verwacht rondom projectgebied Muggenbeet.

Bij projectgebied Verbinding Wieden Vollenhovenmeer en Duinweg – Leeuwte wordt lokaal een toename aan landbouwschade verwacht. De mitigatie kan hier bestaan uit ophoging van de getroffen percelen, of het uitkeren van een vergoeding. Bij projectgebied Muggenbeet zijn er 3 locaties waar kans is op toename van grondwateroverlast bij bebouwing. Bij projectgebied Verbinding Wieden Vollenhovenmeer en Duinweg - Leeuwte is 1 locatie waar kans is op toename van grondwateroverlast bij bebouwing. Of er daadwerkelijk overlast zal optreden, dient verder onderzocht te worden door middel van metingen. Voor elke locatie is de mitigatie verkend. De verkende mitigatie bestaat uit het aanhouden van het huidige peil in plaats van boezempeil in de watergangen rondom het betreffende perceel, of het aanleggen van drainage. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt een bouwkundige opname geadviseerd. De berekende effecten zijn de "worst-case" effecten, doordat de eindpeilen zijn gebruikt voor de berekening. In praktijk zal naar deze peilen toegegroeid worden. Het inpassingsplan heeft geen negatieve gevolgen op het waterhuishoudkundig systeem. Er heeft nauwe afstemming plaatsgevonden met het waterschap Drents Overijsselse Delta. De waterparagraaf is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap.

29 4.4 Ecologie 4.4.2 Ecologie en het Natura 2000-gebied “De Wieden” Onderhavig inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen uit het Natuurbeheerplan mogelijk te maken. Hoewel de maatregelen op gebiedsniveau en op lange termijn ten gunste zijn van de natuurwaarden, kunnen de inrichting en uitvoeringswerkzaamheden wel leiden tot verstoring, beschadiging of vernietiging van bestaande waarden. In dat kader zijn de maatregelen, middels een quickscan uitgevoerd door Arcadis (d.d. 23 april 2018, met kenmerk 079725941 0.20), getoetst aan de Wet natuurbescherming en het provinciale beschermingsbeleid (Omgevingsverordening). Natura 2000 Passende beoordeling De Wet natuurbescherming geeft aan dat voor plannen of projecten die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en die mogelijk significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, alleen vastgesteld mogen worden indien deze plannen of projecten passend beoordeeld zijn. De ruimtelijke plannen die t.b.v. de Ontwikkelopgave worden opgesteld en die alleen maatregelen bevatten die uit het beheerplan komen, houden direct verband met of zijn nodig voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Om deze reden hoeven deze ruimtelijke plannen niet passend beoordeeld te worden (artikel 2.7 Wnb).

De uitzondering dat geen passende beoordeling nodig is voor het beheer van Natura 2000- gebied, geldt niet voor de ruimtelijke plannen waarin ook andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld Kaderrichtlijn Water maatregelen (als die afwijken van de Natura 2000-doelen), recreatieve maatregelen, bedrijfsverplaatsingen, verplaatsingen van waterwingebieden, e.d. mogelijk worden gemaakt. Hiervoor dient getoetst te worden of deze andere maatregelen mogelijk significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied. Het PIP maakt geen andere maatregelen mogelijk dan die direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000-gebied. Daarom is geen passende beoordeling vereist. Stikstofdepositie De maatregelen hebben onder andere tot doel om de stikstofbelasting terug te dringen. Een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie door een toename van voertuigen voor de plag- en graafwerkzaamheden is verwaarloosbaar. Het gaat om een kortdurend effect, dat gezien de autonoom dalende trend van stikstofdepositie als neutraal wordt beschouwd. Herstelmaatregelen worden anders getoetst (belangenafweging) dan bijvoorbeeld economische projecten (dat moet via passende beoordeling met een Aeriusberekening).

Daarom mag voor herstelmaatregelen de 30 afweging worden gemaakt dat het kortdurende stikstofeffect niet opweegt tegen de langdurige positieve effecten van herstelmaatregelen. Bij grootschalige ingrepen wordt wel een Aeriusberekening uitgevoerd ter onderbouwing. Deze zal op korte termijn worden uitgevoerd, waarna de resultaten als separate bijlage zullen worden bijgevoegd. 4.4.3 Conclusie Samengevat kunnen een leefgebied-beoordeling of nader soortgericht onderzoek meer inzicht geven over de (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten. Hoewel een sluitende conclusie alleen gemaakt kan worden bij daadwerkelijk aantreffen, is gezien de omvang en de natuurwaarde van de gebieden een leefgebied-beoordeling in combinatie met diverse, deels uit voorzorg te nemen mitigatiemaatregelen, een beter passende oplossing. De betreffende mitigetiemaatregelen zijn in artikel 3.5.3 van de regels in het onderhavige PIP planologisch verankerd. Nader onderzoek wordt als gevolg hiervan niet meer noodzakelijk geacht. Met betrekking tot de effecten op de beschermde gebieden kan, gezien de doelstelling van de werkzaamheden en de huidige kwaliteit van de deelgebieden, aangenomen worden dat potentiële negatieve effecten in de aanlegfase minimaal zijn en tijdelijk, en dat negatieve effecten in de gebruiksfase zijn uitgesloten.

31 4.5.1 Archeologie Advies deelgebieden Verbinding Wieden – Vollenhovermeer (9) en Duinweg (10) Indien bodemverstorende ingrepen in de gele zones (dekzandkoppen en -ruggen) zijn gepland, wordt geadviseerd archeologisch booronderzoek uit te voeren, afhankelijk van de diepte van de betreffende ingrepen. Indien ingrepen tot in of vlak boven het dekzand reiken, is archeologisch vervolgonderzoek van toepassing. Hier kunnen resten uit het Mesolithicum – Bronstijd worden verwacht. Het vervolgonderzoek bestaat in eerste instantie uit verkennend booronderzoek, met als primaire doel het verfijnen van de zandhoogtekaart. Indien bodemverstorende ingrepen op de oeverafzettingen van de stroomrug (lichtblauwe zones) plaatsvinden is eveneens archeologisch onderzoek van toepassing. Daarbij dient verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd, erop gericht de stroomrug in kaart te brengen. Aangenomen wordt dat de Vollenhoofse dijk niet zal worden aangetast.

32 4.5.3 Conclusie Archeologie Inmiddels is duidelijk dat de ingrepen tot in of vlak boven het dekzand reiken en is ook uit overleg met het bevoegd gezag gebleken dat archeologisch vervolgonderzoek van toepassing is. Het vervolgonderzoek bestaat in eerste instantie uit verkennend booronderzoek, met als primaire doel het verfijnen van de zandhoogtekaart. De dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 2' (hoge archeologische verwachting)' dient derhalve te worden gehandhaafd op de verbeelding en in de regels (artikel 5).

33 Cultuurhistorie en landschap Bij de inrichting van de deelgebieden zal rekening worden gehouden met de ruimtelijke kwaliteit in de zin van landschap en cultuurhistorie. Hiervoor zijn o.a. de provinciale gebiedskenmerken gebruikt. Er wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de bestaande landschappelijke kwaliteit wordt gehandhaafd. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar. 6.2.2 Procedure inpassingsplan Het voorliggende inpassingsplan doorloopt de procedure zoals die in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening geregeld is. Tijdens de periode van 16 oktober 2018 tot en met 26 november 2018 heeft het voorontwerp-inpassingsplan ter visie gelegen en heeft een ieder (o.a. belanghebbenden, burgers, burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten en de wettelijke overlegpartners) een inspraakreactie kunnen geven. De ingekomen reacties alsmede de bepaalde standpunten zijn verwerkt in een inspraaknota, die als bijlage 15 is bijgevoegd, en voor zover nodig tevens doorgevoerd in het ontwerp-inpassingsplan. Het ontwerp-inpassingsplan zal, inclusief de inspraaknota, gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Tevens zal, tijdens de terinzagelegging, de raad van de gemeente Steenwijkerland worden gehoord over het inpassingsplan.

De ontvangen zienswijzen en de reactie van de gemeenteraad worden beantwoord in een zienswijzennota en verwerkt in een definitief inpassingsplan. Dit definitieve inpassingsplan zal ter vaststelling worden aangeboden aan Provinciale Staten. (Opmerking HB: dus niet met inbreng van de Gemeenteraad Steenwijkerland! Waar het de CU nu juist om gaat!!!) De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan de mogelijkheid om te reageren op de concept-beantwoording van hun zienswijze. Na vaststelling van het definitieve inpassingsplan zal het plan voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kunnen belanghebbenden (uitgezonderd gemeenten) beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State indienen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening. 34 Inspraakreacties bij voorontwerp PIP de Wieden-Weerribben. U geeft aan dat het ontwerp ruilplan (landinrichting Blokzijl-Vollenhoven) niet los gezien kan worden van dit voorontwerp PIP. U kunt niet instemmen met dit voorontwerp zolang u geen zekerheid heeft over vervangende grond met dezelfde kwaliteit en hoedanigheid.

U vindt het onacceptabel dat u nu al geconfronteerd wordt met een bestemmingswijziging die ervoor zorgt dat u niet of niet langer meer de melkveehouderij kunt uitoefenen op de betreffende percelen terwijl er geen zekerheid bestaat over vervangende grond. Reactie Provincie Overijssel: De Ontwikkelopgave volgt een eigen spoor los van de landinrichting. De doelstellingen van ons project volgen uit het Natura 2000 beheerplan. In de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel zijn de gronden opgenomen als geel gebied “uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000”. Om die reden en omdat de geldende bestemming in de beheersverordening Agrarisch is, zijn uw gronden in het voorontwerp PIP bestemd als natuur. De opgave voor het uitwerkingsgebied is inmiddels uitgewerkt in een inrichtingsplan. Dit inrichtingsplan is een bijlage bij het ontwerp PIP. Op grond van het inrichtingsplan is geconcludeerd dat we uw gronden nodig hebben voor onze opgave/maatregelen. Daarom wordt de bestemming Natuur ook bij het ontwerp PIP op uw percelen gelegd. Deze bestemmingswijziging vastgelegd in het ontwerp PIP staat los van het proces van de landinrichting. Ongeacht de uitkomst van de landinrichting moeten wij onze opgave vanuit het beheerplan realiseren. Hiervoor is de bestemmingswijziging noodzakelijk en dus opgenomen in het PIP. Het spoor van de landinrichting gaat ondertussen ook door.

De beide sporen wachten niet op elkaar. Het onteigeningsspoor zal echter niet eerder worden ingezet dan dat aktepassering ruilverkaveling gereed is. Het overgangsrecht voor die gebieden waar de landinrichting “speelt”, maakt bestaand strijdig gebruik mogelijk tot 1 jaar na de aktepassering van de landinrichting of 1 jaar na het besluit van de landinrichtingscommissie dat de landinrichting geen doorgang vindt. Voor de overige gebieden wordt de datum van 2 jaar na inwerkingtreding van het provinciale inpassingsplan gehanteerd voor het overgangsrecht 35 Ambtshalve wijzigingen (Reactienota). Aanpassing PIP met bijbehorend plan -MER nodig 1. Bij het ontwerp PIP is er in tegenstelling tot het eerdere voorontwerp PIP voor gekozen om voor alle percelen gelegen in de projectgebieden de bestemming aan te passen. Niet alleen is beoordeeld of de geldende bestemming de uitvoering mogelijk maakt, maar ook of de geldende bestemmingsregeling past bij de toekomstige inrichting van het projectgebied. Onder de geldende bestemming Natuur uit de beheersverordening Steenwijkerland is in de bestemming Natuur ook bestaand agrarisch gebruik, waaronder rietteelt toegestaan. Dit is niet in lijn met de inrichting van de gebieden als Natuurgebied.

Daarom is ervoor gekozen om in tegenstelling tot het voorontwerp PIP (waarbij alleen de agrarische bestemming werd gewijzigd, ook de Natuurbestemming te wijzigen in een nieuwe bestemming Natuur. Daarom is het plangebied van het ontwerp PIP aanzienlijk vergroot ten opzichte van het plangebied van het voorontwerp PIP. Op een enkele plek is rietteelt nog mogelijk. Dit is afzonderlijk “aangeduid” in het ontwerp PIP. 36 MER – de Wieden (Bijlage 4: rapport Arcadis). 4.8 Beheer Referentiesituatie In het deelgebied komen voornamelijk graslanden, voedselrijke rietlanden en natte ruigten voor. Zo komen de volgende habitattypen voor: Overgangs- en trilvenen – Veenmosrietlanden, Vochtige heiden – Laagveen en Ruigten en zomen – Moerasspirea. Het beheer van ruigten en zomen wordt toegespitst op de instandhouding van dit habitattype. Bedreigingen voor ontwikkeling en behoud van het habitattype Ruigten en zomen zijn inadequaat beheer (zomermaai beheer, te vaak of te weinig maaien, intensieve begrazing) en het stopzetten van riet snijden, waardoor er geen rietafval meer wordt verbrand (Provincie Overijssel, 2017b). Vochtige heiden worden gemaaid na 15 juni en veenmosrietlanden in de winter. Bemesting vindt niet plaats. Het gebied mag niet worden betreden door recreanten en om die reden wordt geen direct negatief effect ondervonden van waterrecreanten.

Het schrapen van rietland wordt momenteel toegepast als natuurbeheermaatregel. Onder juiste omstandigheden kan dit een positief effect hebben op de habitattypen. Echter, onnodig en te veel schrapen kan juist een knelpunt vormen voor de instandhouding van habitattypen Veenmosrietlanden, Trilvenen en Ruigten en zomen (Provincie Overijssel, 2017b) Risico’s en kansen Het gebied krijgt een grotendeels andere inrichting, wat ook een andere inspanning van het beheer vergt. Een deel blijft ingericht als grasland. Hier zal het beheer gelijk blijven aan de referentiesituatie. Een deel van het gebied wordt ingericht als rietland. Vaak bestaat het beheer van rietland uit jaarlijks wintermaai beheer. Maar voor de natuurwaarde is dat niet altijd het beste. Door het riet elke winter te maaien, is het in het voorjaar niet geschikt als broedbiotoop voor moerasvogels. Deze zijn juist gebaat bij overjarig riet waar zij hun nest in kunnen bouwen. Om een groter geschikt leefgebied te creëren, is periodiek maaibeheer nodig. Wanneer helemaal niet wordt gemaaid, verandert rietland op termijn in bos. Ook is goed waterbeheer nodig. De voorkeur is een natuurlijk peil: hoog peil in de winter en het voorjaar, dat in de zomer wat mag uitzakken. Al met al is de beheerinspanning kleiner voor rietland dan voor grasland. Het rietland wordt cyclisch gemaaid, één keer per drie jaar.

Het vrijkomende maaisel wordt afgevoerd. De andere twee jaar hoeft er niets te gebeuren. Dit in tegenstelling tot grasland, dat twee keer per jaar gemaaid moet worden om de bodem te verschralen. Dat is een grotere beheers inspanning dan voor rietland. Het ontwikkelen van rietland biedt dus kansen voor duurzaam beheer in het natuurgebied. Het overige deel wordt ingericht als kraggenlandschap. Om verlanding in het kraggenlandschap tegen te gaan, is het nodig regelmatig sloten en watergangen voldoende diep en breed te houden met graafwerkzaamheden en overtollig materiaal af te voeren. Het is belangrijk te voorkomen dat de kragge vastgroeit aan de bodem en het contact met het oppervlaktewater verliest. Begreppelen, plaggen en de aanvoer van basenrijk oppervlaktewater kunnen ervoor zorgen dat het kraggenlandschap behouden blijft. Dit vergt een relatief intensieve beheerinspanning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/53874b80-4fe9-4a78-b252-8c5bc6835622?agendaItemId=c4e62f91-0b05-43f6-89be-814a488bf136