CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

c Armoedemonitor Steenwijkerland 2016.pdf

Politieke Markt 16 oktober 2018, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Nota herijking Armoede- en minimabeleid 2019-202210.285 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARMOEDEMONITOR GEMEENTE STEENWIJKERLAND 2016 Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 1 Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 Een onderzoek naar de grootte en samenstelling van de minimapopulatie in de gemeente Steenwijkerland. Colofon Opdrachtgever Gemeente Steenwijkerland Datum Juli 2017 Auteurs Anne-Wil Hak Tessa Schoot Uiterkamp Databewerking Wim Zijlema David Scheffer KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en / of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en / of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 1 Inhoudsopgave Inleiding ......................................................................................................................................... 2 Samenvatting................................................................................................................................. 3 1. Minima in beeld ...................................................................................................................... 5 1.1. Kenmerken minimahuishoudens ........................................................................................ 5 1.2.

Langdurige minima ............................................................................................................. 6 1.3. Instromers op een minimuminkomen ................................................................................. 8 2. Kinderen in armoede ............................................................................................................... 10 3. Minimaregelingen .................................................................................................................... 12 3.1. Regelingen voor het minimabeleid ................................................................................... 12 3.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen ........................................................................ 12 3.3. Bijzondere bijstand ........................................................................................................... 13 3.4. Individuele inkomenstoeslag ............................................................................................. 13 3.5. Collectieve zorgverzekering .............................................................................................. 14 3.6. Bijdrage sociaal culturele activiteiten ................................................................................ 14 3.7.

Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs .......................................................... 14 3.8. Bijdrage computer ............................................................................................................. 15 3.9. Bijdrage in de kosten peuterspeelzaal .............................................................................. 15 3.10. Bijdrage Identiteitskaart .................................................................................................. 16 3.11. Cumulatief gebruik inkomensregelingen ........................................................................ 16 4. Gebruik Wmo en schuldhulpverlening .................................................................................... 18 4.1. Wmo .................................................................................................................................. 18 4.2. Schuldhulpverlening ......................................................................................................... 19 4.3. Cumulatief gebruik ............................................................................................................ 20 5. Het armoedebeleid in perspectief ........................................................................................... 21 5.1.

Doelgroep armoedebeleid ................................................................................................ 21 5.2. Minimaregelingen ............................................................................................................. 22 5.3. Aanbevelingen .................................................................................................................. 23 Bijlage 1. Verantwoording ........................................................................................................... 24 Bijlage 2. Bevolkingskarakteristieken .......................................................................................... 26 Bijlage 3. Minimahuishoudens naar kernen ................................................................................ 29 Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 2 Inleiding Gemeenten hebben de zorgplicht om de leefsituatie en het toekomstperspectief van kwetsbare burgers die in armoede verkeren, te verbeteren. Het armoedebeleid is ook in de gemeente Steenwijkerland (43.500 inwoners) een actueel thema. Voor de herijking van het minimabeleid dat op de agenda staat, is inzicht nodig in de omvang en samenstelling van de doelgroepen en het bereik van de minimaregelingen. De gemeente heeft KWIZ daarom gevraagd een Armoedemonitor op te stellen.

Dit rapport beschrijft de doelgroep voor het lokale armoedebeleid van de gemeente Steenwijkerland en gaat in op het gebruik en het bereik van de inkomensondersteunende regelingen die de gemeente kent. De gegevens over de omvang en samenstelling van de doelgroep minimahuishoudens geven de situatie over het jaar 2016 weer (peildatum minimapopulatie 1 januari 2017). Het gebruik van de regelingen is gemeten over twaalf maanden voorafgaand aan de peildatum. In deze rapportage worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 1. Hoe groot is de doelgroep van het minimabeleid? 2. Wat zijn de achtergrondkenmerken van deze minimahuishoudens en hoe lang zijn zij al aangewezen op een dergelijk inkomen? 3. Hoeveel kinderen in de leeftijd tot 18 jaar groeien op in huishoudens die tot de minimapopulatie behoren? 4. Hoe groot is het gebruik en niet-gebruik van de inkomensondersteunende regelingen? 5. Wat zijn de achtergrondkenmerken van de groepen minimahuishoudens die van deze regelingen gebruik maken? Onderzoeksopzet Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van registratiegegevens van de verschillende lokale en landelijke regelingen die de gemeente uitvoert: de Participatiewet, minimaregelingen en kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Met behulp van de Basisregistratie personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd.

Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld over de omvang en samenstelling van de minimapopulatie, de mate van gebruik van regelingen. Leeswijzer Na de samenvatting wordt in het eerste hoofdstuk de doelgroep van het minimabeleid (op huishoudniveau) beschreven aan de hand van een aantal kenmerken. In hoofdstuk twee gaan we nader in op kinderen die in een minimahuishouden opgroeien. Vervolgens wordt in hoofdstuk drie een aantal minimaregelingen die de gemeente kent in beeld gebracht en gaan we nader in op het cumulatief gebruik van voorzieningen. In hoofdstuk 4 staat het aantal (minima)huishoudens dat een Wmo-voorziening heeft of in de schuldhulpverlening zit. In het laatste hoofdstuk formuleren we een aantal conclusies en aanbevelingen. In bijlage 1 staat de verantwoording van het onderzoek beschreven en bijlage 2 geeft een aantal kenmerken van alle huishoudens in de gemeente weer. Bijlage 3 bevat een overzicht van de minimahuishoudens op kernniveau. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 3 Samenvatting In de gemeente Steenwijkerland hebben 1.395 huishoudens een inkomen tot 110 procent Wsm. Dit is ruim 7 procent van alle 19.166 huishoudens in de gemeente en ligt ver onder het landelijk gemiddelde van 10 procent1. Onderstaand geven we een aantal kenmerken van de minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm weer.

De meerderheid van de minimahuishoudens heeft een bijstandsuitkering Van de minimahuishoudens heeft 54 procent een bijstandsuitkering, 17 procent ontvangt AOW en 29 procent komt rond van een ander hoofdinkomen zoals werk of WW. Eenoudergezinnen meer kans op armoede Eenoudergezinnen behoren vaker tot de minimapopulatie dan andere huishoudens: van alle eenoudergezinnen leeft 30 procent op een inkomen tot 110 procent Wsm. Alleenstaanden vormen in absolute zin de grootste groep onder de minima, 55 procent valt in de ze categorie. Dit beeld zien we bij de meeste andere gemeenten ook. Niet-westerse allochtone huishoudens zijn vaker minima dan autochtone huishoudens Van alle niet-westerse allochtone huishoudens in de gemeente moet 38 procent rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm. Onder westerse allochtone huishoudens is dit 10 procent en onder autochtone huishoudens is dit 6 procent. Nagenoeg in alle gemeenten waar KWIZ onderzoek heeft gedaan is het aandeel minima onder niet-westerse allochtone huishoudens hoger dan onder autochtone huishoudens. 63 procent van alle minima is al drie jaar of langer minima In de gemeente moet 63 procent van alle minimahuishoudens tot 110 procent Wsm al drie jaar of langer van dit inkomen rondkomen. Dit ligt redelijk in lijn met de aandelen die we landelijk zien.

Minima met een bijstandsuitkering zijn vaker langdurig aangewezen op een minimuminkomen dan minima met een andere inkomensbron. 12 procent is nieuwe minima In totaal zijn er 167 nieuwe instromers in 2016 die korter dan een jaar op het minimum zitten. Bijna twee derde heeft een bijstandsuitkering. 8 procent van alle kinderen groeit op in een minimahuishouden In 372 minimahuishoudens groeien 737 kinderen op in de leeftijd tot 18 jaar. Dat is 8 procent van alle kinderen. Kinderen in een eenoudergezin hebben meer kans op armoede dan kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders: 32 procent tegenover 5 procent. Ook in gezinnen van niet-westers allochtone afkomst is het aandeel kinderen hoger dan gemiddeld: 40 procent van de kinderen uit een dergelijk gezin groeit op in een minimahuishouden. 1 Bron: CBS Statline Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 4 Bereik minimaregelingen Onderstaande figuur geeft het bereik per inkomensondersteunende regeling in Steenwijkerland weer. Dit is het gebruik op huishoudniveau afgezet tegen de doelgroep. Figuur S1.

Bereik inkomensondersteunende regelingen Regeling Gebruik Doelgroep Bereik Kwijtschelding 888 1.253 71% Bijzondere bijstand 402 1.253 32% Individuele inkomenstoeslag 301 673 45% Collectieve zorgverzekering 354 1.395 25% Bijdrage sociale en culturele activiteiten 843 1.395 60% Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs 97 185 52% Bijdrage computer 40 50 80% Bijdrage kosten peuterspeelzaal 54 80 68% Identiteitskaart 131 n.b. n.b.  Het bereik van de kwijtschelding is met 71 procent is goed. Bij de meeste gemeenten zien we een bereik van 70 à 75 procent, waarbij een bereik van 80 procent maximaal te noemen is;  Het gebruik van de bijzondere bijstand ligt op 32 procent. In de meeste gemeenten ligt het gebruik rond de 20 procent van de doelgroep. Met name de stijging van de aanvragen voor bewindvoering zorgen voor ene hoog bereik van de bijzondere bijstand;  De individuele inkomenstoeslag heeft een bereik van 45 procent. Bij andere gemeenten met een referteperiode van drie jaar zien we meestal een bereik van 50 à 60 procent;  Het bereik van de collectieve zorgverzekering is met 25 procent iets lager dan we bij de meeste andere gemeenten vinden. Gemiddeld zien we een bereik van ongeveer 30 procent. Vooral bij gemeenten, zoals Steenwijkerland, die meerdere pakketten aanbieden is het bereik de laatste tijd toegenomen.

Dit komt omdat minima daar de keuze hebben tussen een goedkoper of een duurder pakket;  Het bereik van de bijdrage sociale en culturele activiteiten is met 60 procent goed te noemen. In de meeste andere gemeenten zien we een bereik van 35 à 40 procent van een participatieregeling. Een reden hiervoor kan zijn dat de gemeente Steenwijkerland geen vermogensgrens voor deze regeling hanteert;  De bijdrage voor de kosten voltijds onderwijs heeft met 52 procent een redelijk goed bereik;  Het bereik van de vergoeding voor een computer is met 80 procent erg hoog;  Ook de bijdrage voor de kosten peuterspeelzaal heeft met 68 procent een redelijk hoog bereik. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 5 1. Minima in beeld In dit hoofdstuk beschrijven we de kenmerken van de minimapopulatie in het jaar 2016 in de gemeente. Dit zijn alle huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Dit is de bovengrens van de meeste gemeentelijke inkomensvoorzieningen. In bijlage 2 staan de karakteristieken van de gehele bevolking van de gemeente beschreven. 1.1. Kenmerken minimahuishoudens De volgende tabel bevat een overzicht van het aantal en aandeel minimahuishoudens in de gemeente op de peildatum van het onderzoek. Huishoudens naar inkomen in Steenwijkerland Inkomenspercentage t.o.v.

Wsm Aantal Aandeel Tot 110% 1.395 7,3% Overig 17.771 92,7% Totaal 19.166 100% In de gemeente moet 7,3 procent van alle huishoudens in de gemeente rondkomen van een inkomen tot 110 procent Wsm, 1.395 huishoudens in totaal. Dit aandeel ligt fors onder het landelijk gemiddelde van 10 procent. Inkomensbron Als we de huishoudens met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum uitsplitsen naar hoofdinkomen zien we de volgende verdeling. Inkomensbron minima, inkomen tot 110% Inkomensbron Aantal Aandeel Participatiewet 750 54% AOW 233 17% Ander inkomen 412 29% Totaal 1.395 100% Meer dan de helft van alle minima met een inkomen tot 110 procent Wsm moet rondkomen van een bijstandsuitkering, in totaal gaat het om 750 huishoudens. Verder zijn er 233 minimahuishoudens waarvan het oudste gezinslid pensioengerechtigd is en waar alleen een AOW-inkomen binnenkomt. In de leeftijdsgroep tot de pensioenleeftijd treffen we 412 huishoudens met een ander hoofdinkomen aan waarvan we de hoogte kennen maar niet weten uit welke componenten dit bestaat. Het kan bijvoorbeeld gaan om een WW of WIA-uitkering, een inkomen uit werk of een combinatie hiervan. Huishoudtype Het volgende overzicht geeft het huishoudtype van de minimahuishoudens weer. Huishoudtype minima, inkomen tot 110% Huishoudtype Minimahuishoudens Aantal Aandeel Alle huish.

Aandeel minima Alleenstaand 772 55% 32% 13% Eenoudergezin 182 13% 3% 30% Meerpersoons zonder kinderen 251 18% 42% 3% Meerpersoons met kinderen 190 14% 23% 4% Totaal 1.395 100% 100% 7% **leeswijzer: van de 1.395 minimahuishoudens zijn er 772 alleenstaand:55 procent. Onder alle huishoudens is 32 procent alleenstaand. Als we de 772 alleenstaande minimahuishoudens afzetten tegen alle alleenstaande huishoudens dan is 13 procent van al deze huishoudens minima. Onder eenoudergezinnen is dat aandeel 30 procent en in totaal is 7,3 procent van alle huishoudens minima. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 6 Meer dan de helft van alle minimahuishoudens is een alleenstaand huishouden. Dit komt overeen met de meeste andere gemeenten. Meerpersoonshuishoudens zonder kinderen vormen met 18 procent ook een grote groep onder de minimahuishoudens. Als we de aantallen minimahuishoudens naar huishoudtype afzetten tegen de totale huishoudpopulatie zien we dat 30 procent van alle eenoudergezinnen in de gemeente tot de minima behoort. Onder alleenstaanden ligt dit aandeel op 13 procent. Meerpersoonshuishoudens zijn juist minder vaak minima. Leeftijd De volgende tabel geeft een overzicht van de huishoudens op basis van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden.

Leeftijdsopbouw minimahuishoudens, inkomen tot 110% Leeftijdscategorie Minimahuishoudens Aantal Aandeel Alle huish. Aandeel minima Tot 27 jaar 99 7% 4% 13% 27 tot 45 jaar 450 32% 23% 10% 45 tot 65 jaar 613 44% 40% 8% 65 jaar en ouder 233 17% 33% 4% Totaal 1.395 100% 100% 7% De leeftijdsopbouw onder de minimahuishoudens wijkt af van die van de gehele bevolking. Zo vinden we onder huishoudens tot 27 en tussen 27 en 45 jaar meer minima en onder 65- plussers juist minder minimahuishoudens. Etniciteit De volgende tabel geeft een overzicht van de huishoudens op basis van de etniciteit van de oudste persoon in het huishouden. Etnische achtergrond minimahuishoudens, inkomen tot 110% Etniciteit Minimahuishoudens Aantal Aandeel Alle huish. Aandeel minima Autochtoon 1.017 73% 91% 6% Westers allochtoon 115 8% 6% 10% Niet-westers allochtoon 263 19% 3% 38% Totaal 1.395 100% 100% 7% Ruim 25 procent van de minima is van allochtone afkomst. Afgezet tegen alle huishoudens in de gemeente zijn niet-westerse allochtone huishoudens oververtegenwoordigd onder de minima: 38 procent van alle niet-westerse allochtone huishoudens heeft een inkomen tot 110 procent Wsm. Onder autochtone huishoudens is dit aandeel met 6 procent fors lager.

Ook bij andere gemeenten waarvoor KWIZ armoede onderzoek doet is het aandeel minima onder niet - westerse allochtone huishoudens veel hoger dan onder autochtone huishoudens. 1.2. Langdurige minima In deze paragraaf gaan we nader in op de achtergrondkenmerken van de groep die we langdurige minima noemen. Dit zijn huishoudens die drie jaar of langer aangewezen zijn op een inkomen tot maximaal 110 procent van het geldende sociale minimum. De volgende tabel bevat een overzicht van de verdeling naar duur op het inkomen. Langdurigheid minimahuishoudens, inkomen tot 110% Duur minimuminkomen Aantal Aandeel Korter dan 1 jaar 167 12% 1 tot 3 jaar 354 25% 3 jaar en langer 874 63% Totaal 1.395 100% Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 7 Ruim 63 procent van de minima moet drie jaar of langer rondkomen van een inkomen tot 110 procent. Dit aandeel ligt in lijn met wat we bij andere gemeenten vinden. Inkomensbron Als we de huishoudens die drie jaar of langer een minimuminkomen hebben uitsplitsen naa r hoofdinkomen zien we de volgende verdeling.

Inkomensbron langdurige minima, inkomen tot 110% Inkomensbron Langdurige minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel langdurig Participatiewet 492 56% 54% 66% AOW 201 23% 17% 86% Ander inkomen 181 21% 29% 44% Totaal 874 100% 100% 63% Van alle huishoudens met een bijstandsuitkering is twee derde al langer dan drie jaar afhankelijk van een laag inkomen. Het aandeel langdurige minima onder huishoudens met een AOW-uitkering ligt, logischerwijs, het hoogst (86 procent). Deze oudere minima hebben door hun leeftijd geen kans meer op inkomensverbetering door werkaanvaarding. We treffen zowel de kleinste aantallen als aandelen aan in de groep minima met een ander inkomen. Huishoudtype Het volgende overzicht geeft het huishoudtype van de langdurige minimahuishoudens weer. Huishoudtype langdurige minima, inkomen tot 110% Huishoudtype Langdurige minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel langdurig Alleenstaand 504 58% 55% 65% Eenoudergezin 102 12% 13% 56% Meerpersoons zonder kinderen 168 19% 18% 67% Meerpersoons met kinderen 100 11% 14% 53% Totaal 874 100% 100% 63% Huishoudens zonder kinderen vormen, zowel in getal als ook afgezet tegen alle minima, de grootste groep onder de langdurige minima. Onder deze groep huishoudens vallen ook veel AOW-ers. Leeftijd Op basis van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden ziet de leeftijdsverdeling onder langdurige minima er als volgt uit.

Leeftijdsopbouw langdurige minima, inkomen tot 100% Leeftijdscategorie Langdurige minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel langdurig Tot 27 jaar 23 3% 7% 23% 27 tot 45 jaar 242 28% 32% 54% 45 tot 65 jaar 408 47% 44% 67% 65 jaar en ouder 201 23% 17% 86% Totaal 874 100% 100% 63% Oudere minimahuishoudens zijn, zoals is te verwachten, vaker langdurig dan jongere minimahuishoudens. Etnische achtergrond Op basis van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden ziet de verdeling naar etnische achtergrond onder langdurige minima er als volgt uit. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 8 Etnische achtergrond langdurige minima, inkomen tot 100% Etniciteit Langdurige minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel langdurig Autochtoon 652 75% 73% 64% Westers allochtoon 81 9% 8% 70% Niet-westers allochtoon 141 16% 19% 54% Totaal 874 100% 100% 63% Afgezet tegen alle minima in de gemeente, moeten westers allochtone huishoudens vaker langdurig rondkomen van een minimuminkomen dan de andere huishoudens. 1.3. Instromers op een minimuminkomen Van alle minima met een inkomen tot 110 procent Wsm leeft 12 procent (167 huishoudens) korter dan een jaar op dat inkomen. In deze paragraaf geven we de belangrijkste kenmerken van deze groep weer.

Inkomensbron Als we de huishoudens die een jaar of korter een minimuminkomen hebben uitsplitsen naar hoofdinkomen zien we de volgende verdeling. Inkomensbron nieuwe minimahuishoudens Inkomensbron Nieuwe minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel nieuw Bijstand inkomen 104 62% 750 14% AOW inkomen 7 4% 233 3% Ander inkomen 56 34% 412 14% Totaal 167 100% 1.395 12% In totaal 34 procent van de nieuwe minima in de gemeente komt rond van een ander hoofdinkomen terwijl 62 procent een bijstandsuitkering heeft. Voor de 4 procent instromers in de AOW geldt dat dit naar alle waarschijnlijkheid uitgestroomde bijstandsontvangers zijn. Huishoudtype Het volgende overzicht geeft het huishoudtype van de nieuwe minima weer. Huishoudtype nieuwe minimahuishoudens Huishoudtype Nieuwe minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel nieuw Alleenstaand 88 53% 55% 11% Eenoudergezin 31 19% 13% 17% Meerpersoons zonder kinderen 22 13% 18% 9% Meerpersoons met kinderen 26 16% 14% 14% Totaal 167 100% 100% 12% Van alle minimahuishoudens zijn eenoudergezinnen vaker kortdurend op een minimuminkomen aangewezen dan andere huishoudtypen. Leeftijd Op basis van de leeftijd van de oudste persoon in het huishouden ziet de leeftijdsverdeling onder nieuwe minima er als volgt uit.

Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 9 Leeftijdsopbouw nieuwe minimahuishoudens Leeftijdscategorie Nieuwe minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel nieuw Tot 27 jaar 31 19% 7% 48% 27 tot 45 jaar 79 47% 32% 25% 45 tot 65 jaar 50 23% 44% 12% 65 jaar en ouder 7 4% 17% 7% Totaal 167 100% 100% 18% Bijna de helft van de nieuwe minima is tussen de 27 en 45 jaar oud. Verder zien we dat er verhoudingsgewijs veel jongeren in de leeftijd tot 27 jaar instromen op een minimuminkomen. Etniciteit Etniciteit nieuwe minimahuishoudens Etniciteit Nieuwe minima Aantal Aandeel Alle minima Aandeel nieuw Autochtoon 115 69% 73% 11% Westers allochtoon 7 4% 8% 6% Niet westers allochtoon 45 27% 19% 17% Totaal 167 100% 100% 12% Bijna een derde van alle instromers zijn huishoudens met een niet-westerse allochtone achtergrond. Een groot deel van deze groep bestaat uit statushouders en vluchtelingen die recent een verblijfvergunning hebben gekregen. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 10 2. Kinderen in armoede In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan kinderen in de leeftijd tot 18 jaar die opgroeien in een minimahuishouden tot 110 procent Wsm. In onderstaande tabel staat het aantal kinderen in (minima)huishoudens in de gemeente.

Aantal kinderen in (minima)huishoudens Categorie Aantal Alle kinderen 9.167 Kinderen in minimahuishoudens tot 110% 737 Aandeel kinderen in minimahuishoudens 8% Van de 9.167 kinderen die in de gemeente Steenwijkerland wonen, groeien er 737 op in een huishouden met een inkomen tot 110 procent van het sociaal minimum: dat is 8 procent van alle kinderen in de gemeente. Landelijk ligt dat rond de 11 procent. Leeftijd Naar leeftijd maken we onderscheid in kinderen tot 4 jaar, van 4 tot 12 jaar (basisschoolleeftijd) en 12 tot 18 jaar (voortgezet onderwijs). Leeftijdsopbouw kinderen in (minima)huishoudens Leeftijdscategorie Minimakinderen Aantal Aandeel Alle kinderen Aantal Aandeel Aandeel minima Tot 4 jaar 155 21% 1.925 21% 8% 4 tot 12 jaar 316 43% 3.693 40% 9% 12 tot 18 jaar 266 36% 3.549 39% 7% Totaal 737 100% 9.167 100% 8% Kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar groeien naar verhouding iets vaker op in een minimahuishouden dan kinderen in een andere leeftijdscategorie. Al zijn de verschillen klein. Inkomensbron Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens Inkomensbron Minimakinderen Aantal Aandeel Participatiewet 484 66% Ander inkomen 253 34% Totaal 737 100% Naar bron van inkomen zien we dat 66 procent van de minimakinderen opgroeit in een huishouden met een bijstandsuitkering en 34 procent van de kinderen in een huishouden met een ander inkomen.

Dit komt overeen met de verdeling die we bij de meeste andere gemeenten zien. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 11 Huishoudtype De volgende tabel geeft de verdeling naar huishoudtype weer. Huishoudtype kinderen in (minima)huishoudens Huishoudtype Minimakinderen Aantal Aandeel Alle kinderen Aantal Aandeel Aandeel minima Eenoudergezin 323 44% 1.005 11% 32% Meerpersoons met kinderen 414 56% 8.162 89% 5% Totaal 737 100% 9.167 100% 8% Van alle kinderen die opgroeien in een eenoudergezin leeft 32 procent in een minimahuishouden. Van de kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders, is dat aandeel 5 procent. Ook in andere gemeenten is het aandeel kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden veel groter dan in meerpersoonshuishoudens. Etnische achtergrond De volgende tabel geeft de verdeling naar etnische achtergrond weer. Etnische achtergrond kinderen in (minima)huishoudens Etniciteit Minimakinderen Aantal Aandeel Alle kinderen Aantal Aandeel Aandeel minima Autochtoon 435 59% 8.149 89% 5% Westers allochtoon 52 7% 403 4% 13% Niet-westers allochtoon 250 34% 615 7% 40% Totaal 737 100% 9.167 100% 8% Afgezet tegen alle kinderen zien we dat niet-westerse allochtone kinderen veel vaker opgroeien in een minimahuishouden dan kinderen met een andere etnische achtergrond.

Ongeveer 40 procent van de kinderen met een dergelijke achtergrond woont in een huishoudens met een minimuminkomen. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 12 3. Minimaregelingen Inwoners van de gemeente Steenwijkerland met een laag inkomen kunnen een beroep doen op diverse regelingen om hun lasten te verlichten of het maatschappelijk participeren te versterken. In dit hoofdstuk gaan we nader in op het gebruik en bereik onder de doelgroep van verschillende inkomensondersteunende voorzieningen. Daarnaast beschrijven we de kenmerken van de huishoudens die van deze regelingen gebruik maken. Het gebruik is gemeten over 2016. 3.1. Regelingen voor het minimabeleid In deze paragraaf beschrijven we een aantal inkomensondersteunende regelingen die lokaal worden uitgevoerd. Deze regelingen hebben inkomensgrenzen die zijn afgeleid van het wettelijke sociale minimum dat voor ieder huishoudtype geldt. De volgende tabel geeft deze grenzen in procenten op basis van de situatie in het jaar 2016 weer. Eveneens staat de doelgroep op huishoudniveau genoemd.

Inkomensgrenzen regelingen in 2016 en omvang doelgroep Regeling Inkomensgrens Doelgroep Regelgeving Kwijtschelding 100% 1.253 landelijk/gemeentelijk Bijzondere bijstand 100% 1.253 landelijk/gemeentelijk Individuele inkomenstoeslag 110% 673 landelijk/gemeentelijk Collectieve zorgverzekering 110% 1.395 gemeentelijk Bijdrage sociale en culturele activiteiten 110% 1.395 gemeentelijk Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs 110% 185 gemeentelijk Bijdrage computer 110% 50 gemeentelijk Bijdrage kosten peuterspeelzaal 110% 80 gemeentelijk Identiteitskaart 110% n.b. gemeentelijk Onder de landelijke voorzieningen voor het minimabeleid vallen de kwijtschelding, de bijzondere bijstand en de individuele inkomenstoeslag. Voor elk van deze voorzieningen kunnen, binnen bepaalde grenzen, lokale uitvoeringsregels gelden. In de gemeente Steenwijkerland kunnen minima als zij aan de daarvoor geldende criteria voldoen ook een beroep doen op een aantal lokale voorzieningen. 3.2. Kwijtschelding gemeentelijke belastingen Huishoudens kunnen kwijtschelding aanvragen voor de afvalstoffenhef fing, rioolheffing en hondenbelasting. De doelgroep voor de kwijtschelding bestaat uit huishoudens met een inkomen op of rond het voor dat huishoudtype geldende sociale minimum.

Gebruik en bereik kwijtschelding Categorie Doelgroep 1.253 Gebruik kwijtschelding 888 Percentage bereik 71% In 2016 is aan 888 huishoudens kwijtschelding verstrekt, dit is 71 procent van de doelgroep. Dit ligt in lijn met wat we bij andere gemeenten vinden: meestal ligt het bereik rond de 70 tot 75 procent. Kenmerken huishoudens die gebruik maken van de kwijtschelding  Minimahuishoudens met AOW maken iets vaker gebruik van de kwijtschelding dan andere minima;  Meerpersoons huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de kwijtschelding dan de andere huishoudens; Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 13  Huishoudens van allochtone afkomst maken vaker gebruik van de kwijtschelding dan huishoudens van autochtone afkomst. 3.3. Bijzondere bijstand Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Steenwijkerland is erop gericht om mensen die bijzondere noodzakelijke kosten hebben en deze niet zelf kunnen betalen, te ondersteunen. De gemeente beoordeelt wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm krijgen alle noodzakelijke extra uitgaven volledig vergoed. Voor huishoudens met een hoger inkomen wordt draagkracht berekend. Omdat niet bekend is hoeveel huishoudens draagkracht hebben, gaan we voor zowel de doelgroep bepaling als het gebruik uit van een inkomen tot 100 procent Wsm.

Gebruik en bereik bijzondere bijstand Categorie Doelgroep 1.253 Gebruik bijzondere bijstand 402 Percentage bereik 32% In 2016 hebben 402 huishoudens één of meerdere verstrekkingen gehad vanuit de bijzondere bijstand, ofwel 32 procent van de doelgroep. Het gebruik in de gemeente Steenwijkerland is aan de hoge kant. Meestal ligt in veel andere gemeenten rond de 20 à 25 procent. Kenmerken huishoudens die gebruik maken van de bijzondere bijstand  Minimahuishoudens met AOW-uitkering maken het minst vaak gebruik van de bijzondere bijstand;  Huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de bijzondere bijstand dan huishoudens zonder kinderen;  Huishoudens van niet-westerse autochtone afkomst maken het meeste gebruik van de bijzondere bijstand. 3.4. Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag is bedoeld als inkomensondersteuning voor mensen die langdurig afhankelijk zijn van een minimuminkomen. In Steenwijkerland behoort iedereen tussen de 21 jaar en pensioengerechtigde leeftijd, die gedurende een periode van drie jaar een inkomen heeft tot maximaal de 110 procent van het Wsm, tot de doelgroep. Verder geldt als voorwaarde voor toekenning dat er geen perspectief op inkomensverbetering door werkaanvaarding (meer) mag zijn.

Gebruik en bereik individuele inkomenstoeslag Categorie Doelgroep 673 Gebruik individuele inkomenstoeslag 301 Percentage bereik 45% In totaal hebben 301 huishoudens gebruikgemaakt van de individuele inkomenstoeslag. Afgezet tegen de doelgroep is dit een bereik van 45 procent. Gemiddeld ligt het bereik van de individuele inkomenstoeslag bij andere gemeenten tussen de 50 en 60 procent. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de individuele inkomenstoeslag  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de individuele inkomenstoeslag dan huishoudens met een andere inkomensbron. Dit is een algemeen beeld bij de individuele inkomenstoeslag;  Afgezet tegen de doelgroep, maken alleenstaanden vaker gebruik van de toeslag dan andere huishoudens; Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 14  Naar etniciteit zijn er weinig verschillen in gebruik. 3.5. Collectieve zorgverzekering De gemeente biedt minima de mogelijkheid om deel te nemen aan de Collectieve Zorgverzekering voor Minima bij Zilveren Kruis. De verzekering geeft korting op de premie en gemeente draagt ook bij aan de premiekosten. Deelnemers kunnen kiezen uit drie pakketten. De pakketten Optimaal, Optimaal 2 en Optimaal 3 zijn toegankelijk voor minima met een inkomen tot 110 procent Wsm De volgende tabel geeft het gebruik weer.

Gebruik collectieve zorgverzekering Pakket Doelgroep 1.395 Gebruik collectieve zorgverzekering 354 Percentage bereik 25% In 2016 hebben 354 huishoudens met een inkomen tot 110 procent gebruik gemaakt van de collectieve zorgverzekering. Een bereik van 25 procent. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering  Huishoudens met AOW maken vaker gebruik van de collectieve zorgverzekering, dan de andere huishoudens;  Meerpersoonshuishoudens maken het vaakst gebruik van de verzekering;  Van alle niet-westerse allochtone minima is bijna de helft collectief verzekerd. 3.6. Bijdrage sociaal culturele activiteiten Inwoners van Steenwijkerland met een inkomen tot 110 procent ven het Wsm kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten voor sociaal culturele activiteiten. Deze tegemoetkoming is bedoeld voor lidmaatschap van een sportclub of ander vereniging, bezoek aan een museum of zwembad deelname aan een cursus of een abonnement op een krant en bestaat uit een vast bedrag per persoon per jaar. Gebruik en bereik bijdrage sociaal culturele activiteiten Categorie Doelgroep 1.395 Gebruik sociaal culturele activiteiten 843 Percentage bereik 60% In 2016 hebben 843 huishoudens gebruikgemaakt van de bijdrage sociaal culturele activiteiten, ofwel 60 procent van de doelgroep.

Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling sociaal culturele activiteiten Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishouden s met een overige inkomensbron;  Gezinnen met kinderen maken vaker gebruik van de regeling sociaal culturele activiteiten;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken relatief meer gebruik dan huishoudens met een andere etnische achtergrond. 3.7. Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs Huishoudens met kinderen tot 18 jaar die naar het voortgezet onderwijs of middelbaar onderwijs gaan en met een inkomen tot 110 procent van het Wsm kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs. In totaal zijn er 185 huishoudens met kinderen in de leeftijd 12 tot 18 jaar. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 15 Gebruik en bereik voltijds voortgezet onderwijs Categorie Doelgroep 185 Gebruik bijdrage voortgezet onderwijs 97 Percentage bereik 52% In 2016 hebben 97 huishoudens gebruikgemaakt van bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs, dat is 52 procent van de doelgroep.

Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling voortgezet onderwijs  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishoudens met een overige inkomensbron;  Eenoudergezinnen maken meer gebruik van deze regeling;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken relatief meer gebruik dan huishoudens met een andere etnische achtergrond. 3.8. Bijdrage computer Huishoudens van Steenwijkerland met een inkomen tot 110 procent van het Wsm waarvan hun kind naar het voortgezet onderwijs gaat, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van een computer. Dit is per kind eenmalig een bedrag van € 450. De doelgroep bestaat uit ongeveer 50 huishoudens. Dit is een schatting: omdat elk kind maar één keer in aanmerking komt voor deze regeling, bestaat de doelgroep niet (jaarlijks) uit alle 185 huishoudens met kinderen op het voortgezet onderwijs, maar een uit een deel daarvan. Gebruik en bereik bijdrage computer Categorie Doelgroep 50 Gebruik computer 40 Percentage bereik 80% In 2016 hebben 40 huishoudens gebruikgemaakt van bijdrage voor een computer, ofwel 80 procent van de (geschatte) doelgroep.

Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de regeling maatschappelijke participatie  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishoudens met een overige inkomensbron;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken relatief meer gebruik dan andere huishoudens. 3.9. Bijdrage in de kosten peuterspeelzaal Huishoudens met kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar met een inkomen tot 110 procent van het Wsm kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten voor de peuterspeelzaal. De doelgroep bestaat uit ongeveer 80 huishoudens. Gebruik en bereik bijdrage peuterspeelzaal Categorie Doelgroep 80 Gebruik bijdrage peuterspeelzaal 54 Percentage bereik 68% Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 16 In 2016 hebben 54 huishoudens gebruikgemaakt van bijdrage kosten peuterspeelzaal, dat is 68 procent van de doelgroep. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de bijdrage kosten peuterspeelzaal  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik van de regeling dan huishoudens met een overige inkomensbron;  Meerpersoons huishoudens met kinderen maken vaker gebruik van de regeling dan eenoudergezinnen;  Huishoudens met een niet-westerse etnische achtergrond maken relatief meer gebruik dan huishoudens met een andere etnische achtergrond. 3.10.

Bijdrage Identiteitskaart Inwoners van de gemeente Steenwijkerland met een inkomen tot 110 procent van het Wsm kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de aanschaf van de identiteitskaart. Omdat we geen doelgroep kunnen bepalen geven we alleen het gebruik weer. Gebruik bijdrage identiteitskaart Categorie Gebruik bijdrage identiteitskaart 131 In 2016 hebben 131 huishoudens gebruikgemaakt van de bijdrage voor een identiteitskaart. Kenmerken huishoudens die gebruikmaken van de bijdrage voor een identiteitskaart  Veel huishoudens met een bijstandsuitkering maken gebruik van de regeling;  Alleenstaanden ouders met kinderen maken veel gebruik van de bijdrage voor een identiteitskaart;  Het zijn meestal autochtone huishoudens die een bijdrage aanvragen en dat is ook wel logisch. 3.11. Cumulatief gebruik inkomensregelingen In deze paragraaf geven we weer of en in hoeverre minimahuishoudens gebruik maken van meerdere regelingen. Een huishouden kan theoretisch gezien van 9 regelingen gebruik maken. Omdat het recht op een regeling afhankelijk is van een groot aantal verschillende criteria (bijvoorbeeld kinderen) komt dit in de praktijk nauwelijks voor.

Cumulatief gebruik minimaregelingen, huishoudens tot 110% Aantal regelingen Aantal Aandeel 0 95 7% 1 454 33% 2 300 22% 3 242 17% 4 164 12% 5 75 5% 6 34 2% > 7 31 2% Totaal 1.395 100% Van alle minimahuishoudens heeft maar 7 procent (95 in totaal) van geen enkele inkomensondersteunende regeling gebruik gemaakt. Dit aandeel niet-gebruikers ligt laag in vergelijking met andere gemeenten waar ook wel een niet-gebruik is van meer dan 20 procent. Een derde van de minima heeft van één regeling gebruikgemaakt, 22 procent heeft van twee en nog eens 17 van drie regelingen. Een kleine groep van 2 procent (31 huishoudens) heeft gebruikgemaakt van meer dan zeven regelingen. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 17 Aantal inkomensondersteunende regelingen in minimahuishoudens Gemiddeld maken de minimahuishoudens in Steenwijkerland gebruik van 2,2 regelingen. Tussen de huishoudens is echter enig verschil te constateren in het gemiddeld gebruik. De volgende figuur maakt dit duidelijk. Figuur 3.11.1.

Gemiddeld aantal regelingen naar kenmerken huishoudens  Huishoudens met kinderen maken gemiddeld van meer regelingen gebruik dan huishoudens zonder kinderen; Dit is op zich ook wel logisch omdat er voor huishoudens met kinderen meer regelingen zijn;  Huishoudens met een bijstandsuitkering maken gemiddeld van meer regelingen gebruik dan huishoudens met een andere inkomensbron;  Huishoudens tot 27 jaar en huishoudens van 65 jaar en ouder maken minder gebruik van de regelingen;  Tenslotte is te zien dat niet-westerse allochtone huishoudens van gemiddeld meer regelingen gebruikmaken dan huishoudens met een andere etnische achtergrond. Bij het gebruik per regeling werd al duidelijk dat het bereik onder niet-westerse allochtone huishoudens relatief gezien het hoogst is (op de bijzondere bijstand na, daar is het bereik het hoogst onder autochtone huishoudens). 2,0 2,6 2,0 2,8 2,6 1,7 1,8 2,0 2,3 2,3 1,7 2,0 2,2 2,9 Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen Participatiewet AOW Overig inkomen tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Autochtoon Westerse allochtoon Niet-westerse allochtoon Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 18 4.

Gebruik Wmo en schuldhulpverlening In dit hoofdstuk gaan we in op het gebruik van de Wmo-voorzieningen en de mate waarin een beroep wordt gedaan op dienstverlening in het kader van schuldhulpverlening. Eveneens geven we de overlap tussen de minimahuishoudens en het gebruik van de Wmo, schuldhulpverlening weer. 4.1. Wmo De volgende tabel geeft de inkomenssituatie weer van de huishoudens die in het jaar 2016 gebruik hebben gemaakt de Wmo. Tabel 4.1.1 Inkomensverdeling Wmo-gebruikers Inkomen Wmo huishoudens Aantal Aandeel Totaal aantal huishoudens Aandeel Wmo Tot 110% Wsm 350 19% 1.395 25% Overig 1.512 81% 17.771 9% Totaal 1.862 100% 19.166 10% In 2016 hebben in totaal 1.862 huishoudens gebruikgemaakt van een of meerdere Wmo- voorzieningen. Procentueel gezien is dit 10 procent van alle huishoudens in de gemeente. Van de Wmo huishoudens heeft 19 procent een inkomen tot 110 procent Wsm. Bij de meeste andere gemeenten ligt dat aandeel ook rond de 20 procent. Eveneens is het een vrij normaal beeld dat minima vaker een Wmo-voorziening hebben dan niet-minima. Kenmerken alle huishoudens die gebruikmaken van Wmo-voorzieningen Figuur 4.1.1. Kenmerken Wmo-gebruikers  Meer dan de helft van de Wmo-huishoudens is dan ook alleenstaand;  Twee derde van alle huishoudens die gebruikmaken van de Wmo is ouder dan 65 jaar;  Ruim 90 procent van de huishoudens is van autochtone herkomst.

58% 2% 34% 6% 3% 11% 23% 63% 93% 4% 33% Alleenstaand Eenouder gezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Autochtoon Westerse allochtoon Niet-westerse allochtoon Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 19 Kenmerken minimahuishoudens die gebruikmaken van Wmo-voorzieningen De kenmerken van de minimahuishoudens wijken af van die van de Wmo -huishoudens maar zijn wel weer kenmerkend voor de minimahuishoudens.  Meer dan de helft van de 65-plussers maakt ook gebruik van WMO-voorzieningen;  Bijna 40 procent van de minima met een overig inkomen heeft ook een Wmo- voorziening; 4.2. Schuldhulpverlening Schuldhulpverlening is bedoeld voor inwoners die zelf hun problematische schulden niet meer kunnen oplossen. Het belangrijkste onderdeel van schuldhulpverlening betreft een minnelijke schuldregeling. Wanneer een minnelijk traject niet mogelijk is kan een aanvraag worden gedaan voor toelating tot de WSNP (het wettelijk traject). De volgende tabel geeft het aantal huishoudens weer dat in 2016 in een lopend schuldhulpverleningstraject zat.

De gegevens zijn afkomstig van de Raad voor de Rechtsbijstand (WSNP-trajecten) en de Gemeentelijke Kredietbank (betreft alle vormen van schuldhulpverlening die zij uitvoeren, dus naast schuldregelingen ook bijvoorbeeld bewindvoering, kredietverstrekkingen, budgetbeheer of intakes). Aantal huishoudens in schuldhulpverleningstraject Inkomen SHV-huishoudens Aantal Aandeel Totaal aantal huishoudens Aandeel SHV Tot 110% Wsm 300 65% 1.395 22% Overig 165 35% 17.771 0,9% Totaal 465 100% 19.166 2,4% In totaal zaten 465 huishoudens in 2016 in een schuldhulpverleningstraject. Dat is 2,4 procent van alle huishoudens in Steenwijkerland. In totaal zijn er 61 huishoudens die een Wsnp -traject hebben en 431 huishoudens doorliepen (eveneens) een minnelijk traject. Van alle minima- huishoudens heeft 22 procent ook hulp voor schulden, oftewel één op de vijf minima. Vaak zien we bij andere gemeenten een aandeel van zo’n 15 procent. Verder zien we 65 procent van de SHV-huishoudens terug in de minimapopulatie tot 110 procent Wsm. Bij de meeste andere gemeenten is dat ongeveer 60 procent. Figuur 4.2.1.

Kenmerken SHV-gebruikers 45% 10% 21% 24% 7% 41% 44% 8% 68% 7% 25% Alleenstaand Eenouder gezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Autochtoon Westerse allochtoon Niet-westerse allochtoon Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 20 De huishoudens die in 2016 in een lopend schuldhulpverleningstraject zaten hebben de volgende kenmerken:  Bijna de helft van de huishoudens die gebruikmaakt van de schuldhulpverlening is een alleenstaand;  Meer dan 80 procent van alle huishoudens in de schuldhulpverlening is in de leeftijd 27 tot 65 jaar;  Meer dan een kwart is van autochtone afkomst. Kenmerken minimahuishoudens die gebruikmaken van de schuldhulpverlening  Er zijn weinig huishoudens met alleen AOW die gebruik maken van de schuldhulpverlening, de meest hebben een bijstandsuitkering;  Meer dan 40 procent van de minima-huishoudens van niet westerse herkomst maakt ook gebruik van de schuldhulpverlening;  Meer dan een derde van de minimahuishoudens met schuldhulpverlening is een meerpersoons huishouden zonder kinderen. 4.3. Cumulatief gebruik In deze paragraaf geven we het cumulatief gebruik van weer van de minimahuishoud ens en het gebruik van de Wmo en schuldhulpverlening. Dit doen we op huishoudniveau.

Tabel 3.4.1 Cumulatief gebruik voorzieningen op huishoudniveau Categorie Minima Wmo SHV Minima (N=1.395) ** 25% 22% Wmo (N=1.862) 19% ** 5% SHV (N=465) 65% 22% ** Van alle minimahuishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm, heeft 25 procent eveneens gebruikgemaakt van een of meerdere Wmo-voorzieningen en 22 procent een SHV- traject doorlopen. Van de gebruikersgroep van de Wmo heeft 19 procent een inkomen tot 110 procent Wsm en zit 5 procent in een schuldhulpverleningstraject. Van de huishoudens in de Schuldhulpverlening heeft bijna 65 procent een inkomen tot 110 procent Wsm en heeft 22 procent gebruikgemaakt van een of meerdere Wmo-voorzieningen. Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 21 5. Het armoedebeleid in perspectief Dit afsluitende hoofdstuk start met een weergave van de doelgroep van het armoedebeleid in de gemeente Steenwijkerland. Een aantal groepen minima wordt hierin nader belicht. Vervolgens gaan we in op het gebruik van verschillende minimaregelingen. 5.1. Doelgroep armoedebeleid De totale doelgroep van het armoedebeleid in de gemeente Steenwijkerland bestaat uit 1.395 huishoudens. Dit zijn huishoudens met een inkomen lager of gelijk aan 110 procent van het wettelijk sociaal minimum. Deze huishoudens beslaan ruim 7 procent van alle huishoudens in de gemeente. Kenmerken In de volgende figuur staat een aantal kenmerken van deze groep.

Figuur 5.1.1. Kenmerken minimahuishoudens met een inkomen tot 110% Ruim de helft van de minimahuishoudens heeft een bijstandsuitkering vanuit de Participatiewet. Meer dan de helft van de minimahuishoudens is alleenstaand. Het zijn echter de eenoudergezinnen die, net als in andere gemeenten, een kwetsbare groep vormen: bij na een op de drie van alle eenoudergezinnen in de gemeente heeft een inkomen tot 110 procent Wsm (niet in bovenstaande grafiek opgenomen). Ook onder huishoudens van niet-westerse allochtone afkomst is het aandeel minima hoog: 38 procent van deze huishoudens is een minimahuishouden. Onder autochtone huishoudens is dit 6 procent. In totaal is 27 procent van alle minimahuishoudens van allochtone afkomst. Nieuwe instromers In 2016 zijn er 167 huishoudens ingestroomd als minima. Een derde van deze instromers heeft een overig inkomen en bijna twee derde heeft een bijstandsinkomen. In verhouding zijn er meer huishoudens met kinderen onder de nieuwe minima. Bijna een derde van alle instromers zijn huishoudens met een niet-westerse allochtone achtergrond. Een groot deel van deze groep bestaat uit statushouders en vluchtelingen die recent een verblijfvergunning hebben gekregen.

54% 17% 29% 55% 13% 18% 14% 6% 31% 44% 19% 73% 8% 19% Participatiewet AOW Ander inkomen Alleenstaand Eenoudergezin Meerpersoons zonder kinderen Meerpersoons met kinderen tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot 65 jaar 65 jaar en ouder Autochtoon Westers allochtoon niet-westerse allochtoon Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 22 Kinderen In 372 minimahuishoudens groeien 737 kinderen op in de leeftijd tot 18 jaar. Dit is 8 procent van alle kinderen in de gemeente. Kinderen in een eenoudergezin hebben meer kans op armoede dan kinderen die opgroeien in een gezin met twee ouders: 32 procent tegenover 5 procent. Ook in gezinnen van niet-westers allochtone afkomst is het aandeel kinderen hoger dan gemiddeld: 40 procent van de kinderen uit een dergelijk gezin groeit op in een minimahuishouden. Schatting doelgroep 120 en 130 procent Wsm Op basis van een door KWIZ ontwikkeld schattingsmodel geven we hier onder de aantallen huishoudens weer met een inkomen tot 120 en 130 procent Wsm en een vermogen dat binnen de grenzen van de Participatiewet valt. Het gaat hierbij dus om een schatting. Schatting minimahuishoudens tot 130 procent Wsm Inkomen Aantal Aandeel gemeente Tot 110% Wsm 1.395 7,3% Tot 120% Wsm 1.510 7,9% Tot 130% Wsm 1.600 8,3% In de gemeente zijn ongeveer 1.510 huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm en 1.600 huishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm.

Dit zijn huishoudens met een vermogen binnen de grenzen van de Participatiewet. 5.2. Minimaregelingen De volgende tabel geeft het bereik van verschillende inkomensondersteunende regelingen weer. Gebruik en bereik regelingen Regeling Gebruik Doelgroep Bereik Kwijtschelding 888 1.253 71% Bijzondere bijstand 402 1.253 32% Individuele inkomenstoeslag 301 673 45% Collectieve zorgverzekering 354 1.395 25% Bijdrage sociale en culturele activiteiten 843 1.395 60% Bijdrage in de kosten voltijds voortgezet onderwijs 97 185 52% Bijdrage computer 40 50 80% Bijdrage kosten peuterspeelzaal 54 80 68% Identiteitskaart 131 n.b. n.b.  Het bereik van de kwijtschelding is met 71 procent is goed. Bij de meeste gemeenten zien we een bereik van 70 à 75 procent, waarbij een bereik van 80 procent maximaal te noemen is;  Het gebruik van de bijzondere bijstand ligt op 32 procent. In de meeste gemeenten ligt het gebruik rond de 20 procent van de doelgroep. Met name de stijging van de aanvragen voor bewindvoering zorgen voor ene hoog bereik van de bijzondere bijstand;  De individuele inkomenstoeslag heeft een bereik van 45 procent. Bij andere gemeenten met een referteperiode van drie jaar zien we meestal een bereik van 50 à 60 procent;  Het bereik van de collectieve zorgverzekering is met 25 procent iets lager dan we bij de meeste andere gemeenten vinden.

Gemiddeld zien we een bereik van ongeveer 30 procent. Vooral bij gemeenten, zoals Steenwijkerland, die meerdere pakketten aanbieden is het bereik de laatste tijd toegenomen. Dit komt omdat minima daar de keuze hebben tussen een goedkoper of een duurder pakket;  Het bereik van de bijdrage sociale en culturele activiteiten is met 60 procent goed. In de meeste andere gemeenten zien we een bereik van 35 à 40 procent van een Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 23 participatieregeling. Een reden hiervoor kan zijn dat de gemeente Steenwijkerland geen vermogensgrens voor deze regeling hanteert;  De bijdrage voor de kosten voltijds onderwijs heeft met 50 procent een redelijk goed bereik;  Het bereik van de vergoeding voor een computer is met 80 procent erg hoog;  Ook de bijdrage voor de kosten peuterspeelzaal heeft met 68 procent een redelijk hoog bereik. 5.3. Aanbevelingen Het bereik van de meeste minimaregelingen van de gemeente Steenwijkerlan d is erg goed. De collectieve zorgverzekering en de inkomenstoeslag blijven een beetje achter bij de rest. De premie voor de collectieve zorgverzekering is vrij hoog. De gemeente kan eventueel meer bijdragen aan de premie zodat het pakket voor minima goedkoper (en aantrekkelijker) wordt. Voor de inkomenstoeslag geldt dat de criteria voor het toekennen in 2017 worden versoepeld.

In 2016 was de gemeente vrij secuur in het hanteren van de criteria voor het toekennen van de toeslag, bijvoorbeeld of iemand perspectief op inkomensverbetering had. Inzetten op kinderen in armoede Het is van groot belang om kinderen in de opvoeding en op school financiële voorlichting te geven. Dit kan door de samenwerking te zoeken met de scholen, de sociale teams en de schulddienstverlening. Bestrijding kinderarmoede door een armoederegisseur Landelijk blijkt dat de bestrijding van armoede niet altijd effectief is. De SER pleit voor een armoederegisseur in iedere gemeente, met als belangrijke taak de werkende minima in beeld te krijgen. Verder kan de armoederegisseur de vaak ingewikkelde aanvraagprocedures voor voorzieningen verbeteren. Ook scholen zijn belangrijk voor het signaleren van armoede. Leerkrachten zijn vaak de eerste buitenstaanders die de effecten bij kinderen opmerken. Ook kunnen scholen kinderen leren met geld om te gaan én de eigen bijdrage van ouders beheersbaar houden. Stimuleren maatschappelijke samenwerkingsverbanden Kijk of alle partijen hierin vertegenwoordigd zijn en zorg in die bijeenkomst(en) voor concrete afspraken en doelen zodat het echt ergens toe leidt. Een andere mogelijkheid is een stimuleringsfonds in te stellen voor maatschappelijke initiatieven. Hieronder een aantal voorbeelden van dergelijke fondsen die in andere gemeenten bestaan.

 Een fonds voor initiatieven van kernraden, sportverenigingen, sociaal-culturele instellingen en inwoners met een maatschappelijk doel. Bedoeld om maatschappelijke initiatieven te stimuleren die de betrokkenheid van burgers bij elkaar of de kern vergroten, bijvoorbeeld door het realiseren en onderhouden van voorzieningen in de openbare ruimte of de culturele en/of sportieve participatie te stimuleren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen incidentele subsidies voor evenementen en stimuleringssubsidies voor stimulering van bepaalde activiteiten.  Een fonds dat subsidies geeft voor goede ideeën die bijdragen aan de samenleving. Het is de bedoeling dat mensen vrijwillig iets organiseren en het fonds richt zich specifiek op jongeren tussen de 13 en 25 jaar. Voorbeelden zijn koken met de buurt of een dagje op stap met ouderen.  Budget voor creatieve en innovatieve ideeën van inwoners. Plannen en ideeën die een positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een mooie en leefbare omgeving komen in aanmerking voor een financiële ondersteuning. Het idee dient bij te dragen aan blijvende verandering.  Fonds voor maatschappelijke initiatieven. Bedoeld voor inwoners, organisaties en/of ondernemers die het initiatief willen nemen om iets met en voor elkaar te doen . Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 24 Bijlage 1.

Verantwoording Bij dit onderzoek is gebruik gemaakt van registratiegegevens van de verschillende lokale en landelijke regelingen die de gemeente uitvoert. Daarbij gaat het om de volgende voorzieningen: Participatiewet, minimaregelingen en kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Alle brongegevens zijn via encryptie versleuteld aangeleverd zodat ze niet te herleiden zijn tot individuele natuurlijke personen. Onderstaand beschrijven we de wijze waarop het onderzoeksbestand is aangemaakt. Stap 1 In de eerste bewerkingsstap wordt de informatie uit de genoemde registratiebronnen aan het actuele BRP-bestand (dat ook is versleuteld) gekoppeld. Op deze wijze wordt inzichtelijk welke personen gebruikmaken of gebruik hebben gemaakt van welke voorziening. Stap 2 In stap 2 wordt aan de hand van de BRP een analysebestand op huishoudniveau gemaakt. We onderscheiden 4 huishoudtypes: alleenstaanden, eenoudergezinnen, meerpersoonshuishoudens met kinderen en meerpersoonshuishoudens zonder kinderen. De operationele definities van deze begrippen treft u verderop in deze verantwoordin g aan. Stap 3 Het feitelijke gebruik van voorzieningen in het jaar voorafgaand aan het peilmoment van de BRP wordt op huishoudniveau vastgesteld. Indien één persoon binnen het huishouden gebruik heeft gemaakt van een bepaalde voorziening, wordt dit toegerekend naar het hele huishouden.

Statistisch kader In tegenstelling tot wat gangbaar is bij sociaal wetenschappelijk onderzoek is dit rapport gebaseerd op gegevens van de totale bevolkingspopulatie. Dat betekent dat de vermelde aantallen en percentages niet getoetst hoeven te worden op statistische betrouwbaarheid en altijd de feitelijke situatie weergeven. Operationele definitie huishouden Het bepalen van het soort en type huishouden gebeurt aan de hand van gegevens uit de bevolkingsadministratie en wel op de volgende wijze:  Indien één persoon op een adres woont, is duidelijk dat er sprake is van een alleenstaande;  Personen op één adres waartussen geregistreerde ouder-kindrelaties of echtrelaties bestaan worden tot een gezamenlijk huishouden gerekend;  Indien er één minderjarige op een adres woont met een ouder-kindrelatie tellen we een eenoudergezin;  Indien er meer minderjarige op een adres wonen waarbij één meerderjarige ouder is en er een ouder-kindrelatie bestaat met de andere meerderjarige (en/of minderjar ige) tellen we een eenoudergezin;  Als er vier of meer meerderjarigen op een adres wonen, gaan we ervan uit dat er meerdere huishoudens op dit adres gevestigd zijn;  Indien er drie meerderjarigen zonder echtrelatie op één adres wonen, kijken we naar de gemiddelde leeftijd. Ligt die onder de 27 jaar dan rekenen we iedere persoon als een afzonderlijk (studenten)huishouden.

Ligt deze boven de 27 jaar dan tellen we één meerpersoonshuishouden.  Als er minimaal 20 personen op een gezamenlijk adres wonen, registreren we een institutioneel huishouden, tenzij de gemiddelde leeftijd van alle bewoners hoger is dan 65 jaar. Iedere bewoner wordt dan als afzonderlijk huishouden meegeteld (gehuwden tellen als één huishouden). Armoedemonitor gemeente Steenwijkerland 2016 versie 2.0 25 Zelfstandig huishouden Een zelfstandig huishouden bestaat uit één of meer personen die alleen of samen in een woonruimte gehuisvest zijn en zelf in hun dagelijkse levensbehoeften voorzien. Institutioneel huishouden Tot de institutionele huishoudens behoren adressen met minimaal 20 personen, waa rbij de gemiddelde leeftijd jonger is dan 65 jaar. Hiertoe behoren bijvoorbeeld opvangcentra, penitentiaire inrichtingen, kindertehuizen en internaten. In de bevolkingsoverzichten in deze rapportage zijn deze personen meegeteld. In de hoofdstukken waar de inkomensverdeling in termen van huishoudens wordt besproken blijven zij buiten beschouwing. Besteedbaar inkomen (CBS) Besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (zoals alimentatie) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.

Het bruto-inkomen omvat winst uit onderneming, bruto-inkomsten uit arbeid, inkomsten uit vermogen en bruto ontvangen overdrachten (zoals AOW, Anw, WAO/WIA, studiefinanciering, kinderbijslag en huursubsidie). Inkomensbron In dit onderzoek worden de termen Participatiewet, AOW en ‘ander’ inkomen gebruikt. Voor de bijstandsgerechtigden (Participatiewet) is de inkomensbron direct vast te stellen. De AOW- inkomensgrondslag is bepaald op basis van de leeftijd van de huishoudoudste. De 65+ huishoudens die tevens een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen rekenen we eveneens tot deze categorie. Alle overige inkomens zijn vervolgens onder de noemer ‘ander’ inkomen gebracht. Wanneer het inkomen van een huishouden alleen bestaat uit AOW dan wordt het huishouden tot de minimapopulatie gerekend. Berekening van de duur van het minimuminkomen De duur van de periode waarin een huishouden op het minimuminkomen leeft, wordt berekend aan de hand van een combinatie van gegevens uit verschillende bronnen. Een sluitende definiëring in termen van een volledig onafgebroken periode is niet altijd mogelijk. Indien de periode tussen het gebruik van de ene regeling en de andere maximaal 30 dagen is, wordt dit daarom toch als aaneengesloten periode gezien. Wettelijk sociaal minimum Het wettelijk sociaal minimum is de actuele bijstandsnorm voor het betreffende huishoudtype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/8b73d706-9219-4b52-a529-ea8cf5003514?agendaItemId=500d7393-23d4-42fe-b93f-5280be71853f