Blankenham - Blokzijlerdijk 5_ontwerp_(24-11-2022).pdf
Tekst van het document
Indien hier sprake van is wordt voortijdig cont act opgenomen met het waterschap. Wetgevin g grondwateronttrekking Er vindt in het plan geen grondwateronttrekking plaats. Gezien de verschillende belangen is het grondwaterbeheer wettelijk geregeld in de Waterwet. In het kort komt het er op neer dat grot e grondwateronttrekkingen vergunningplichtig zijn. Voor kleinere onttrekkingen geldt een meldingsplicht. Indien hier sprake van is wordt voortijdig contact opgenomen met het waterschap. Watertoe tsproces De initiatiefnemer heeft waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemmi ng en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. "De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies". 4.9 Cultuurhistorie In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Het plangebied ligt niet i n een gebied met aangewezen cultuurhistorische waarden.
Wel kunn en de structuren en kenmerken van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. In onderhavige ontwikkeling is sprake van een perceelsgebonden ontwikkeling die de cultuurhistorische waarde van het gebied niet aantasten. De herbouw past ook binnen de bebouwingsstructuur van het gebied. Het plan is dan ook uitvoerbaar vanuit cultuurhistorisch oogpunt. bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 32 Toelichting (ontwerp) 4.10 Archeologie Voor archeologische resten in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet regelt onder andere dat in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Voor de geh ele gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld. Hi erin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Het plangebied bevindt zich in een gebied met een hoge trefkans op het aantreffen van archeologische resten geldt. Voor dergelijke gebieden geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ontwikkeling waarbij een groter oppervlakte dan 2.500 m 2 in het buitengebied verstoord wordt. In het voorliggend geval wordt met de voorgenomen ontwikkeling een kleiner gebied namelijk circa 2.000 m 2 diepgeroerd en daarmee betreft het een kleiner gebied dan 2.500 m 2.
Gelet daarop wordt dan ook gesteld dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wanneer bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 53 van de Erfgoedwet een me ldingsplicht. 4.11 Luchtkwaliteit Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn vaak het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is s lechts sprake van het vervangen van een bestaande woning. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullen d onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de om geving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie.
Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast heeft de gemeente zijn eigen beleid vastgelegd in het document Externe veiligheidsbeleid 2015-2018 gemeente Steenwijkerland. bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Toelichting (ontwerp) 33 Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisic o (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10 -6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10 -6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
In het k ader van het aspect externe veiligheid is de Atlas van de Leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt het volgende: Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig die mogelijk een extern veiligheidsrisico vormen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Risico re levante inrichtingen Uit de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat in directe omgeving zich geen risicovolle inrichtingen bevinden. Vervoer g evaarlijke stoffen weg Er zijn geen (spoor- en water)wegen in de omgeving van het plangebied die zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Buisleidi ngen Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. 4.13 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit - en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken . Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of n abij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden v oorzien van een planologische regeling. bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 34 Toelichting (ontwerp) bestemmin gsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Toelichting (ontwerp) 35 Hoofdstuk 5 Juridische opzet In dit hoofdstuk staat een toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. In paragraaf Alg emeen staat een algemene toelichting op de betekenis en opbouw van het bestemmingsplan en de ach tergronden daarvan. In paragraaf 5.2 wordt de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan toe gelicht. 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opg ebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voors chrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeeldin g v an het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan reg elt de gebruiks - en bebouwingsmogelijkheden van d e g ronden i n het plangebied. D e j uridische r egeling is verva t i n een v erbeelding en b ijbehorende regels. Op de verbeel ding zijn de verschillende bestemmingen v astgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. 5.2 Toelichting op de bestemmingen De bestemmingen die in dit bestemmingsplan v oorkomen zijn afgestemd op de regeling uit het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied. Hierbij geldt dat de regeling voor het woonperceel is toe gespitst op dit initiatief, waarbij de randvoorwaarden uit het beleidskader, de planologische randwaarden als uitg angspunt gelden. Binnen het plangebied komen de volgende bestemmingen voor: Agrarisch met waarden De gronden ten noorden en westen in het plangebied krijgen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Hier is geen bebouwing toegestaan. Daarnaast liggen er de aanduidingen 'houtsingel' en 'groen' ten behoeve van het in stand van de gerealiseerde natuur- en landschapswaarden ter plaatse. Natuur De gronden met de waterplassen krijgen de bestemming 'Natuur'. Hiermee wordt aangesloten op de nu geldende beheersverodening. 36 Toelichting (ontwerp) bestemmingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Tuin De gronden aan de voorzijde en zijkant van de woning krijgen de bestemming 'Tuin'. Hier is geen bebouwing toegestaan.
Waarbij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – boomgaard' een boomgaard t oegestaan is. Wonen - buitengebied Het plangebied krijgt met dit bestemmingsplan de bestemming 'Wonen - Buitengebied'. De woning dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden en mag een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 meter en 8 meter krijgen. Dit is middels de aanduiding 'maximum bouwhoogte' en 'maximum goothoogte' op de verbeelding aangegeven. Middels een aanduiding 'bijgebouw' is ook de maximale oppervlakte van het bijgebouw ter plaatse van de aanduiding vastgelegd. Ten slotte is met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal wooneenhden, namelijk 1, aangegeven. Waarde - Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Waterstraat - Waterkering De gronden aan de voorkant van de woning krijgen ook de bestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Hier is behalve de voor andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor primaire waterkering, regionale waterkering, hoofdwatergang, watergang, behoud en bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Tenslotte is in de algemene gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het in stand houden van te realiseren van landschapsmaatregelen. bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Toelichting (ontwerp) 37 Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol. 6.1 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan. Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gronden waarop de ontwikkelingen plaatsvinden, zijn eigendom van de initiatiefnemers.
De realisatie heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van initiatiefnemers en kende derhalve geen financiële risico's voor de gemeente. De kosten die verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke pla nschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer, hiervoor is een overeenkomst met de gemeente opgesteld. Gronde xploitatie Doel van de in de Wro opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenver haal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de gemaakte gemeentelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Dit geldt overigens alleen wanneer sprake is van bouwplannen, zoals opgenomen in het Bro. Met het voorliggend plan worden bouwplannen mogelijk gemaakt, namelijk woningen.
Voor het kostenverhaal wordt tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 38 Toelichting (ontwerp) 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De resulta ten uit de bestemmingsplanprocedure geven inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan zijn overigens geen grote maatschappelijke belangen gemoeid. Participat ie omgeving De directe buren in de omgeving is het plan mee voorbesproken. De omgeving heeft aangegeven geen problemen tegen de voorgenomen ontwikkeling te hebben (zie ook bijlage 9). Inspra ak en overleg Het bestemmingsplan wordt overeenkomstig de inspraakverordening ter inzage gelegen voor inspraak. Het bestemmingsplan wordt daarnaast in het kader van het overleg richting de overlegpartners van de gemeente gestuurd. Ontwerp bestemmingsplan Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Vaststellin g Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
bestemmin gsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) 39 Bijlagen Toelichting bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 40 Bijlagen Toelichting (ontwerp) bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) Bijlage 1 Erfinrichtingsplan bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) 1 2 4 3 * * 15731 mm 23654 mm 18829 mm 24000 mm 8000 mm 7 6 5 LEGENDA 1: Woonhuis 2: Bijgebouw 3: Trafo 4: Voortuin 5: Singel 33% Alnus glutinosa 33% Salix alba 33% Prunus padus ‘ Colorata ’ Stamomtrek minimaal 14-16 cm Plantafstand 5-8 meter in natuurlijk verband Lengte ca. 15 meter 6: Struweel 20% Acer campastre 20% Salix aurita 20% Amelanchier laevis 10% Prunus padus 10% Ribes nigrum 10% Crataegus monogyna 5% Clematis vitalba 5% Sambucus nigra Breedte 15 meter Lengte ca. 40 meter Minimale maat 80-100 cm 7: Boomgaard 25% Malus domestica bijv Sterappel, Golden Delicious (appel) 25% Pyrus communis bijv Conference, Gieser Wildeman (peer) 20% Prunus avium bijv Johanna, Lapins (kers) 20% Prunus domestica bijv Opal (pruim) 10% Cydonia oblonga (kweepeer) Hoogstamfruitbomen met een stamomtrek van minimaal 10-12 cm *: Twee bestaande kastanjebomen handhaven : ± terp ≥ 0,25 NAP Schaal: 1:500 Datum: 2-12-2021
bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) Bijlage 2 Stikstofberekening bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) - MEMO Memo DATUM 22 januari 2022 KENMERK 20210537 VAN M. van Putten PROJECT Bestemmingsplan Blankenham – Blokzijlerdijk 5 OPDRACHTGEVER K4 Architecten STIKSTOFEMMISSIE EN DEPOSITIE INLEIDING Op het agrarische perceel Blokzijlerdijk 5 te Blankenham was tot voor kort een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsvoe- ring is inmiddels beëindigd. De eigenaren van het perceel willen het perceel als regulier woonperceel gaan gebruiken en zijn voornemens om de bestaande bedrijfswoning met aangebouwde opstallen te vervangen door een nieuwe woning en een nieuw bijgebouw realiseren. Ten behoeve van de procedure voor het bestemmingsplan dient een stikstofdepositiebe- rekening uitgevoerd te worden voor de realisatie en gebruik van de nieuwe woning met bijgebouw. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de verkeersbewegingen en de inzet van diesel aangedreven materieel. Voor de ontwikkeling moet worden beoordeeld of deze significante effecten heeft voor de stikstofdepositie binnen daar- voor gevoelige Natura 2000-gebieden.
Met het programma AERIUS Calculator (release 20 januari 2022) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. TOETSINGSKADER Algemeen In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden, inclusief bijbehorend toetsingskader. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is gebleken dat het PAS niet mag dienen als toetsingskader voor het geven van toestem ming voor activiteiten. De bezwaren van de RvS richten zich met name op de beoordelingssystematiek. Het AERIUS Calculator -rekeninstrument blijft wel toepasbaar (voor zover de situatie binnen het toepassingsbereik valt). In het PAS werd als “drempelwaarde” een bijdrage van 0,05 mol N/ha/jaar gehanteerd. Een deposi- tiebijdrage van 0,05 mol N/ha/jaar mag sinds de uitspraak van 29 mei 2019 op voorhand niet zonder meer als “niet signifi- cant” worden aangemerkt.
Beslisboom toestemmingsverlening Uit de op 12 oktob er 2019 door de Rijkoverheid gepubliceerde beslisboom “Toestemmingverlening stikstofdepositie bij- nieuwe activiteiten” volgt dat als de uitkomst van de berekening is dat er geen sprake is van stikstofdepositie (dat wil zeggen dat de op twee decimalen afgero nde bijdrage niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jaar) er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten en er geen natuurvergunning nodig is. Indien uit de berekening volgt dat de emissies van het project resulteren in een stikstofdepositie van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, kan er gebruik worden gemaakt van stap 2 (interne saldering). Als de AERIUS-berekening met saldering vervol- gens aantoont (zie volgend) dat een project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden, kan het toch zo zijn dat significante negatieve effecten via een ecologische voortoets kunnen worden uitge- sloten. Als dit niet het geva l is, kan overgegaan worden naar Stap 4 (passende beoordeling). Bij een passende beoordeling mag extern salderen mee worden gewogen. Daarbij worden mogelijk negatieve effecten van een project gesaldeerd met de positieve effecten van het (gedeeltelijk) intrekken van de vergunning van een ander project.
Als er met extern salderen geen significante effecten zijn (voor wat betreft stikstofdepositie) is een Wnb vergunning verleenbaar. 2/3 De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De Wet stikstofreductie en natuurver- betering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerk- zaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Wat valt onder de vrijstelling: ● het bouwen en slopen van een bouwwerk; ● het aanleggen, wijzigen en opruimen van een werk (bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking en grond-, weg- en waterbouw zoals pleinen, straten, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoor- wegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatieinfrastructuur, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen; ● De vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a.
het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats) Voor het voorliggende stikstofonderzoek betekent de vrijstelling dat de effecten van stikstofemissie in de aanlegfase niet meer hoeven te worden berekend. AERIUS-CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN Referentiesituatie Voor Natura 2000-gebied de Wieden is de referentiesituatie 24 maart 2000. De situatie met betrekking tot uitstoot van stik- stof op die datum is de referentiesituatie, mits op dat moment voor de betreffende activiteiten een natuurtoestemming gold. Dit kan een Nbw/Wnb-vergunning zijn, maar als die ontbreekt kan worden uitgegaan van bestaand gebruik zoals vastgelegd in een milieuvergunning of melding Activiteitenbesluit. Voor bestemmingsplannen geldt dat de bestaande planologische si- tuatie als referentiesituatie kan worden gezien. Het perceel aan de Blokzijlerdijk 5 beschikt over een agrarische bestemming met een bouwvlak voor één bedrijfswoning en agrarische op stallen. Deze komen te vervallen met de daarbij behor ende uitstoot. Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf het plangebied op de B lokzijlerdijk. Waarbij na 200 meter het verkeer op gaat in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan - en afrijdende verkeer zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.
Er is worst-case uitgegaan van een gasloze woning in de referentiesituatie. Hierdoor is er geen stikstofemissie is vanwege het verstoken van aardgas in de referentiesituatie. Er is alleen rekening gehouden met de verkeersbewegingen. Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase Exploitatiefase Voor het plan wordt uitgegaan van een nieuwe vrijstaande woning met een gasaansluiting. Het gaat hierbij om een woning die herbouwd wordt met de n u geldende isolatienormen waardoor sprake is van een gasreductie ten aanzie n van verwar- ming. Daarnaast wordt de verwarming ten behoeve van de voormalige bedrijfsvoering gestopt. Het toekomst gasverbruik is momenteel onbekend. Echter gelet op het feit dat de woning vervangen wordt en nieuwe ketel krijgt is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Om die reden is de woning emissiesloos ingevoerd. Ook in de referentiesi- tuatie is uitgegaan van een gasloze woning waardoor dit tegen elkaar afgezet kan worden. Woningtype Aantal woon- eenheden Kencijfer CROW per Verkeersgeneratie per etmaal Vrijstaand 1 8,6 8,6 3/3 Op basis van één vrijstaande woning bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 9 per etmaal (lichte motorvoer- tuigen). Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 381), zie tabel 1.
Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf het plangebied naar de aansluiting met de Blokzijlerdijk. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikke- ling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In de bijlage is het resultaat van de gebruiksfase gegeven van de AE- RIUS-berekening met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator (release 20 januari 2022). Uitgegaan is van de in het voorgaande omschreven uitgangspunten. Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof. Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer.
Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www .aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers Projectberekening Contactgegevens Rechtspersoon Rho Adviseurs Inrichtingslocatie Blokzijlerdijk 5, 8373 EK Blankenham Activiteit Omschrijving Blankenham - Blokzijlerdijk 5 T oelichting Sloop bestaande woning en bijgebouwen Berekening AERIUS kenmerk Rk8VGeebjiVe Datum berekening 21 januari 2022, 13:55 Rekenconguratie Wnb-rekengrid T otale emissie Rekenjaar Emissie NH3 Emissie NOx Situatie 1 - Beoogd 2021 < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j Resultaten Hoogste depositie Hexagon Gebied Situatie 1 - Beoogd - Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j Projectberekening 2/6Rk8VGeebjiVe (21 januari 2022) Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2021 Emissiebronnen Emissie NH3 Emissie NOx 1 Wonen en Werken | Woningen | plangebied - - Verkeersnetwerk < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j Projectberekening 3/6Rk8VGeebjiVe (21 januari 2022) Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.
Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald 500 m Projectberekening 4/6Rk8VGeebjiVe (21 januari 2022) Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd) Hoogste totale depositie (mol/ha/jr) Met toename (ha gekarteerd) Grootste toename (mol/ha/jr) Met afname (ha gekarteerd) Grootste afname (mol/ha/jr) Totaal 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 Projectberekening 5/6Rk8VGeebjiVe (21 januari 2022) Situatie 1, Rekenjaar 2021 1 Wonen en Werken | Woningen Naam plangebied Wijze van ventilatie Niet geforceerd T emporele Variatie Continue Emissie Uittreedhoogte 1,0 m Warmteinhoud 0,000 MW Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021_20220120_17380b1e Database versie 2021_17380b1e Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www .aerius.nl/ Projectberekening 6/6Rk8VGeebjiVe (21 januari 2022)
bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) Bijlage 3 Quickscan flora en fauna bestemm ingsplan Blankenham - Blokzijlerdijk 5 Bijlagen Toelichting (ontwerp) 1 ++ 2018 Quickscan Wet natuurbescherming Rho Adviseurs Ontwikkeling Blokzijlerdijk 5 te Blankenham 2021
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden +316 83 77 25 48 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkeling Blokzijlerdijk 5 te Blankenham Leeuwarden, april 2021 In opdracht van: Rho Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Mevr. A. Wieringa Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet natuurbescherming/ Ontwikkeling Blokzijlerdijk 5 te Blankenham. Rapport 21107 Bureau FaunaX, Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ................................................................................................ ..................... 1 1.2 Doel ............................................................................................................................... 2 1.3 Onderzoeksopzet ................................................................................................ .......... 2 1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3 2 RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1 Flora ............................................................................................................................... 5 2.2 Vogels ............................................................................................................................ 5 2.2.1 Jaarrond beschermde nesten ................................................................ ......... 5 2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten ................................................................ ........ 8 2.3 Zoogdieren ................................................................................................
................... 8 2.3.1 Vleermuizen ................................................................................................ .. 8 2.3.2 Overige zoogdieren ................................................................ ....................... 9 2.4 Reptielen & Amfibieën ................................................................................................ . 11 2.5 Vissen .......................................................................................................................... 15 2.6 Ongewervelden ........................................................................................................... 15 2.7 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 16 2.7.1 Stikstofgevoeligheid ..................................................................................... 16 2.8 Houtopstanden ........................................................................................................... 17 3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 18 3.1 Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 18 3.2 Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................
18 3.2.1 Algemene broedvogels ................................................................................. 19 3.2.2 Jaarrond beschermde nesten (huismus) ..................................................... 19 3.2.3 Jaarrond beschermde nesten (huis- en boerenzwaluw) ............................. 19 3.2.4 Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 19 3.2.5 Kleine marterachtigen (Wezel, hermelijn en bunzing) .............................. 20 3.2.6 Overige zoogdieren (steenmarter & egel) ...................................................20 3.2.7 Zorgplicht .....................................................................................................20 3.2.8 Gebiedsbescherming (stikstofgevoeligheid) ...............................................20 3.3 Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 21 4 LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 22 BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 - Wnb Soortbescherming ......................................................................................................
- 1 - Vogels en verstoring ................................................................................................ . - 1 - Vrijgestelde soorten provincie Overijssel ................................................................ - 1 - Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 - Zorgplicht art 1.11 Wnb ............................................................................................. - 2 - Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 - Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 - Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 - NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 3 -
1 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens het perceel Blokzijlerdijk 5 te Blankenham te wijzigen van een agrarische woon- en werkfunctie naar enkel woonfunctie, waarbij alle bebouwing wordt gesloopt en een nieuwe woning wordt gerealiseerd. Daarnaast zal een vlonder bij de naastgelegen waterpartij worden gerealiseerd. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een quickscan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en NNN/EHS) (onderdeel gebiedsbescherming). Figuur 1.1. Het plangebied (rood kader) te Blankenham.
2 1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? 2. Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? 3. Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? 4. Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? 5. Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden? Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4. 1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Rho adviseurs heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement).
Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op woensdag 31 maart 2021 en vond plaats onder warme weersomstandigheden (22°C, windkracht 2, zonnig). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn.
Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief. 3 1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bevindt zich zuidoostelijk buiten de bebouwde kom van Blankenham en bestaat uit een agrarisch woon- en werkperceel aan een waterplas met een woning en een tweetal opslagplaatsen. De woning bestaat uit twee verdiepingen met schilddak, gegolfde dakpannen en brede daklijsten. Direct ernaast gelegen bevinden zich twee koeienstallen met uit golfplaten opgetrokken schuine daken welke aan de woning zijn gekoppeld. De stal direct aan de woning heeft rieten dakbedekking onder de golfplaten ter isolatie. De andere bebouwing betreft een stenen schuurtje met gegolfde dakpannen en een overkapping welke is afgedekt met golfplaten. Aan de noordzijde van de woning bevinden zich enkele houten schuurtjes. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische landbouwpercelen en natuurgebied de Weerribben ten noorden van het plangebied.
Het planvoornemen bestaat uit een functie wijziging; van agrarische woon- en werkfunctie naar enkel woonfunctie (figuur 2.1). Daarbij zal alle bebouwing worden gesloopt en een nieuwe woning worden gerealiseerd. Daarnaast zal een vlonder bij de naastgelegen waterpartij worden gerealiseerd. Figuur 1.2. Huidige situatie plangebied (bron: Rho Adviseurs).
4 Figuur 1.3. Planvoornemen plangebied (bron: Rho Adviseurs).
5 2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Het plangebied wordt gekenmerkt voor voedselrijke soorten zoals Engels raaigras, melkdistel, blauwdruifje, narcis, gewone ereprijs, brandnetel, dovennetel, speenkruid, kleefkruid, madelief en ridderzuring (figuur 2.1). Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. Figuur 2.1. Impressie van de aangetroffen flora binnen het plangebied. Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten. 2.2 Vogels 2.2.1 Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. De bomen binnen het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Hierbij zijn geen (potentieel) jaarrond beschermde nesten aangetroffen.
Naast boomnesten is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van soorten die over het algemeen in gebouwen tot broeden komen, zoals huismussen, zwaluwen en kerkuilen. Het plangebied betreft enkele gebouwen waar deze soorten in kunnen verblijven.
6 Huismussen kunnen onder de gegolfde dakpannen en tussenruimtes bij de hoekkepervorst in het dak van woning en schuren verblijven (figuur 2.2). Daarnaast biedt het plangebied volledig functioneel leefgebied voor de huismussen vanwege de dekking van bosschages en stofbaden van het naastgelegen pad. Negatieve gevolgen van de werkzaamheden voor jaarrond beschermde huismusnesten binnen het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Figuur 2.2. Voorbeeld nestgelegenheid van huismussen binnen het plangebied. Als we alleen kijken naar de eigenschappen van de te slopen gebouwen kunnen deze mogelijk ook verblijven van gierzwaluwen huisvesten, bijvoorbeeld onder de nokpannen van de woning. Gierzwaluwen zijn echter koloniebroeders die vaak in meer stedelijke gebieden voorkomen en graag op grote hoogte broeden. De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn dan ook binnen de bebouwde kom van Blankenham gedaan (figuur 2.3). Aangezien het plangebied een afgelegen en een relatief lage woning betreft, de hogere schuren in het plangebied niet geschikt zijn bevonden voor gierzwaluwen en geschikter habitat in de vorm van meer huizen bij elkaar in de buurt te vinden is, zoals Kalenberg en Luttelgeest, kan naar ons inzien met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op voorhand worden uitgesloten dat gierzwaluwen binnen het plangebied verblijven.
7 Figuur 2.3. Waarnemingen gierzwaluw van de laatste decennia rondom het plangebied, rood kader (bron: NDFF). Naast gierzwaluwen broeden ook huiszwaluwen en boerenzwaluwen graag bij bebouwing. Voor deze soorten zijn binnen het plangebied ook aanwijzingen van dergelijke nesten aangetroffen (figuur 2.4). Deze nesten genieten in Overijssel jaarronde bescherming (categorie 2 en 3). Negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van huis- en/of boerenzwaluw kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Figuur 2.4. Aangetroffen zwaluwnesten binnen het plangebied. De opslagschuren en het stenen gebouwtje met gegolfde dakpannen zijn voor kerkuil geschikt bevonden om in de verblijven. Deze zijn namelijk makkelijk toegankelijk en er zijn voldoende wegkruipruimtes aanwezig. Er zijn echter geen sporen aangetroffen in of rondom deze schuren terwijl deze ten tijde van het veldwerk goed toegankelijk waren en goed geïnspecteerd zijn. Ook zijn er in een straal van minimaal 1 km geen waarnemingen bekend van deze soort. Op basis daarvan kan de aanwezigheid van jaarrond beschermde kerkuil verblijfplaatsen binnen het plangebied op voorhand worden uitgesloten.
8 Negatieve effecten van de werkzaamheden binnen het plangebied op jaarrond beschermde nesten van huismus, huis- en boerenzwaluw kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. 2.2.2 Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor diverse soorten broedvogels in de bomen, struiken, rietkragen en de bebouwing van het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op broedvogels waarvan de nesten tijdens het broedproces bescherming genieten, kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/ invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van vogelsoorten waarvan de nesten tijdens het broedproces beschermd zijn. 2.3 Zoogdieren 2.3.1 Vleermuizen Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of het plangebied onderdeel uitmaakt van essentiële vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen. Vleermuizen zijn dieren die onder andere in boomholten of gebouwen verblijven.
Binnen het plangebied zijn geen boomholten aangetroffen. De gebouwen binnen het plangebied zijn wel geschikt als verblijfplaats door de ruimtes onder de dakpannen en toegankelijkheid tot de schuren (figuur 2.5). Binnen de schuur zijn ook indicaties van (gewone) grootoorvleermuis aangetroffen, in de vorm van (nacht)vlindervleugels (figuur 2.5, rechts onder) van de soorten huismoeder en kleine vos. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen kunnen dan ook niet op voorhand uitgesloten worden. 9 Figuur 2.5. Toegankelijkheid plangebied voor vleermuizen en aangetroffen sporen van een (gewone) grootoorvleermuis (mot en vlinder resten). Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats. De dijk en het water naast het plangebied dienen waarschijnlijk als vliegroute, maar zullen met het planvoornemen niet verdwijnen of in kwaliteit achteruit gaan. Daarnaast blijven de waterplassen ten noorden van het plangebied behouden, waarmee ook dit potentiële foerageergebied ongemoeid blijft. De bebouwing in het plangebied kan door vleermuizen worden gebruik om zich tijden de vlucht te oriënteren. Het betreft hier echter geen essentiële vliegroute of foerageergebied.
Tevens zullen er in de nieuwe situatie wederom gebouwen komen te staan. Negatieve effecten van de werkzaamheden op essentiële vliegroutes dan wel foerageergebieden van vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden op vleermuisverblijfplaatsen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten van de werkzaamheden voor essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. 2.3.2 Overige zoogdieren Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige beschermde zoogdiersoorten. Het plangebied betreft agrarische bebouwing aan een waterplas gelegen langs een dijk. De beschermde soorten die redelijkerwijs binnen het plangebied kunnen verblijven zijn bever, otter, waterspitsmuis, marterachtigen en egel. Van de bever ontbreken zowel indicaties van een burcht als verspreidingsgegevens (bron: NDFF) in de omgeving. Voor de otter geldt dat de Weerribben een absolute hotspot is. Hierdoor worden ook vlak buiten de Weerribben waarnemingen van deze soort gedaan.
10 In het plangebied, bijvoorbeeld langs de oever van de plas, is niet genoeg dekking aanwezig voor deze soort om te verblijven. Daarnaast vermijdt deze schuwe soort over het algemeen woonerven. Het voorkomen van verblijfplaatsen van otters en bevers kan op voorhand worden uitgesloten. De waarnemingen van de waterspitsmuis concentreren zich eveneens in de Weerribben (bron: NDFF). De enige plek in het plangebied waar deze soort redelijkerwijs voor zou kunnen komen is de oeverzone (rietkraag) van de plas grenzend aan het plangebied. Hier is plaatselijk minimaal geschikt habitat voor de waterspitsmuis aanwezig. Het gaat echter om een zeer klein oppervlakte. Tevens zijn in de directe omgeving van het plangebied geen grote oppervlaktes aan geschikt habitat aangetroffen. De sloten en de oeverzones van de sloten in de omgeving van het plangebied worden intensief beheerd. Hierdoor is er alleen plaatselijk sprake van genoeg dekking op de oevers. Op basis van de afstand tussen het plangebied en optimaal geschikt habitat (in de Weerribben), waar tevens de dichtstbijzijnde waarnemingen zijn gedaan en het feit dat in en in de directe omgeving van het plangebied alleen kleine niet op elkaar aansluitende delen met geschikt habitat aanwezig zijn, achten we de kans dat de waterspitsmuis in het plangebied voorkomt dusdanig klein dat we het voorkomen van deze soort op voorhand uitsluiten.
Ook de waarnemingen van kleine marterachtigen concentreren zich in de Weerribben (bron: NDFF). De wezel, hermelijn en bunzing zijn echter ook ten zuiden van dit gebied waargenomen. Alle drie de soorten kunnen op erven zoals het plangebied verblijven. Soorten als wezel en hermelijn kunnen bijvoorbeeld verblijven in de oeverzone van de plas, waar de vlonder gerealiseerd wordt. De kans dat de bunzing in het plangebied verblijft lijkt kleiner, maar ook dit voorkomen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Figuur 2.6. Waarnemingen van kleine marterachtigen uit de omgeving van het plangebied (bron: NDFF).
11 Ook van de boommarter zijn waarnemingen uit de Weerribben bekend. Deze soort verblijft in boomholtes. Boomholtes waarin boommarters kunnen verblijven zijn in het plangebied niet aangetroffen. Het voorkomen van verblijfplaatsen van boommarters in het plangebied kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Steenmarter is een soort die graag in leegstaande bebouwing verblijft. Tijdens het veldbezoek zijn ook sporen aangetroffen die duiden op de recente aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied (figuur 2.7). Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van steenmarter kunnen dan ook niet op voorhand worden uitgesloten. Overijssel is de enige provincie waar de egel geen vrijgestelde soort is. Egels komen in Nederland vrij algemeen voor, van stedelijke tot natuurgebieden, maar laten helaas een dalende trend zien. Het plangebied biedt ook voor deze soort geschikt habitat in de vorm van struikgewassen waarin de soort een verblijfplaats kan hebben. Daarnaast wordt de soort veelvuldig op en langs de Blokzijlerdijk waargenomen (bron: NDFF) Negatieve effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van egel kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Figuur 2.7. Aantroffen sporen steenmarter.
De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Wel is het plangebied op basis van de habitat, alsmede de verspreidingsgegevens, geschikt voor vrijgestelde zoogdieren zoals mol. Voor vrijgestelde soorten geldt de zorgplicht (zie bijlage I). Aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) steenmarter en egel binnen het plangebied kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten zoals mol geldt de zorgplicht. 2.4 Reptielen & Amfibieën Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen en amfibieën.
12 De levendbarende hagedis en ringslang zijn de enige beschermde reptielensoorten die in de omgeving zijn waargenomen (bron: NDFF), waarbij de waarnemingen van levendbarende hagedis zich concentreren in de Weerribben. Het voorkomen van deze soort in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Van de ringslang zijn er ook waarnemingen dichtbij het plangebied bekend. Hier is de soort meerdere keren waargenomen op woonerven. Daarnaast is het plangebied minimaal tot suboptimaal geschikt voor de ringslang om te verblijven, mede vanwege de naastgelegen plas waar ringslangen kunnen foerageren. Ook kunnen ringslangen wellicht in het plangebied overwinteren, bijvoorbeeld in kruipruimtes. Dit zal in de omgeving van Blankenham echter zeer sporadisch gebeuren omdat het habitat hier niet optimaal geschikt is (in tegenstelling tot in de Weerribben). Op basis van bovenstaande kan het voorkomen van verblijfplaatsen van de ringslang binnen het plangebied echter niet op voorhand worden uitgesloten. We achten het echter niet realistisch om nader onderzoek naar verblijfplaatsen van deze soort aan te bevelen. De ervaring leert dat de kans op het vaststellen van verblijfplaatsen van deze soort in dergelijke situaties nihil is. Het betreft hier sporadische waarnemingen. Daarnaast is het vaststellen van verblijfplaatsen van ringslangen in dergelijke situaties erg moeilijk.
Het voorkomen van overige beschermde reptielen kan op basis van verspreidingsgegevens op voorhand worden uitgesloten. Figuur 2.8. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van ringslang bekend. Uit de (ruime) omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de heikikker, de poelkikker en de rugstreeppad bekend. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de poelkikker komen uit de Wieden op meer dan 10 kilometer afstand. Uit de Weerribben zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. De kans dat de soort daar over het hoofd wordt gezien lijkt klein omdat dit gebied relatief intensief wordt geïnventariseerd. Op basis hiervan achten we de kans dat deze soort zich voortplant in de waterplas grenzend aan het plangebied (zoals weergegeven in figuur 1.1) of andere waterlichamen in de omgeving dusdanig klein dat we de aanwezigheid van deze soort op voorhand uitsluiten.
13 In tegenstelling tot de poelkikker, zijn er van de heikikker wel waarnemingen uit de Weerribben bekend. In het agrarische landschap ten zuidwesten van de Weerribben is de soort maar één keer waargenomen. Deze waarneming bevindt zich op korte afstand tot de Ramspolder waar zich optimaal geschikt voortplantingshabitat bevindt. In het plangebied zelf (zoals weergegeven in figuur 1.1) zijn geen waterlichamen aanwezig die als voortplantingswater voor de heikikker kunnen dienen. Ook achten we het zeer onaannemelijk dat de heikikker zich voortplant in de plassen en sloten in de directe omgeving van het plangebied. Dit vanwege het feit dat deze waterlichamen en oevers intensief worden beheerd, omstandigheden hier relatief voedselrijk zijn en de soort hier nooit is waargenomen (bron: NDFF). Het voorkomen van deze soort in waterlichamen buiten het plangebied is echter niet volledig op voorhand uit te sluiten omdat de heikikker in Nederland in zeldzame gevallen in vergelijkbare situaties wordt aangetroffen. De kans op negatieve effecten is echter ook nog eens uitermate klein omdat in het plangebied geen optimaal geschikt landhabitat aanwezig is en in de plas grenzend aan het plangebied alleen een vlonder wordt gerealiseerd. Op basis van bovenstaande achten we het niet realistisch om nader onderzoek naar deze soort aan te bevelen. Figuur 2.9.
De heikikkerpopulatie concentreert zich in de Weerribben. Bron: NDFF. Ook van de rugstreeppad zijn waarnemingen uit de omgeving van het plangebied bekend. Deze komen vooral uit de Noordoostpolder, waar de soort zich voortplant in sloten in agrarisch gebied. Tussen het plangebied en de Weerribben in zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. Op basis hiervan is het niet aannemelijk dat de soort zich voortplant in sloten en plassen in de directe omgeving van het plangebied. Ook achten we de kans dat de rugstreeppad zich hier voortplant op basis van habitateigenschappen uitermate klein. Daarnaast zijn de effecten op deze waterlichamen klein, omdat er alleen een vlonder wordt gerealiseerd in de plas direct grenzend aan het plangebied. Gezien de grote dispersieafstand van deze soort is het niet ondenkbaar dat rugstreeppadden die zich in de Noordoostpolder voortplanten het plangebied kunnen bereiken.
14 Deze kans lijkt echter relatief klein en het plangebied vormt geen optimaal geschikt landhabitat voor deze soort. Het voorkomen van verblijfplaatsen (landhabitat) van de rugstreeppad in het plangebied kan echter niet volledig op voorhand worden uitgesloten. We achten het vanwege bovenstaande echter niet realistisch om nader onderzoek naar deze soort aan te bevelen. Figuur 2.10. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de rugstreeppad bekend. Binnen het plangebied kunnen andere, lichter beschermde amfibieën voorkomen, zoals de aangetroffen meerkikker (figuur 2.11). Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I). Figuur 2.11. Aangetroffen meerkikker.
15 De aanwezigheid van de beschermde ringslang in het plangebied kan niet volledig worden uitsloten. De aanwezigheid van de rugstreeppad en de heikikker kan op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid niet volledig worden uitgesloten. We achten het echter niet realistisch om nader onderzoek naar de heikikker, rugstreeppad en ringslang aan te bevelen. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten, zoals gewone pad geldt de zorgplicht (zie Bijlage I). 2.5 Vissen De enige beschermde vis die redelijkerwijs in de waterplas grenzend aan het plangebied voor kan komen is de grote modderkruiper. Er zijn in de Weerribben ook waarnemingen van deze soort bekend (bron: NDFF). Uit de plassen en sloten ten zuiden van de Weerribben zijn geen waarnemingen van deze soort bekend. Daarnaast vormt de plas grenzend aan het plangebied geen optimaal geschikt habitat voor deze soort, die vaker wordt aangetroffen in sloten en ondiepe poelen. Op basis hiervan achten we de kans dat de grote modderkruiper in deze plas voorkomt uitermate klein. Dit voorkomen kan echter niet volledig worden uitgesloten. Met het planvoornemen blijft de waterplas echter zo goed als ongemoeid. Er wordt alleen een vlonder gerealiseerd. De kans op negatieve effecten is derhalve dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om in deze situatie nader onderzoek aan te bevelen.
Het voorkomen van de grote modderkruiper in de plas grenzend aan het plangebied is niet op voorhand volledig uit te sluiten. De kans op het voorkomen van deze soort en negatieve effecten op het habitat is naar ons inzien echter dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om nader onderzoek aan te bevelen. 2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten zoals dagvlinders en libellen. Tijdens het veldbezoek is wel de redelijk zeldzame maar niet beschermde dwarsbandwaterroofkever Hydraticus transversalis aangetroffen (figuur 2.12). Uit de Weerribben zijn waarnemingen bekend van de beschermde gestreepte waterroofkever. De ervaring leert dat deze twee soorten een overlappende habitatvoorkeur hebben. De gestreepte waterroofkever komt vooral voor in laagveengebieden en is gebonden aan relatief voedselarm en schoon water. Daarbij heeft de soort een voorkeur voor waterlichamen die rijk zijn aan watervegetatie dan wel overhangende oevervegetatie (zoals pluimzegge). Op basis van de eigenschappen van de sloten en plassen grenzend aan het plangebied, kan het habitat in de plas grenzend aan het plangebied als minimaal tot suboptimaal geschikt worden bestempeld.
Het voorkomen van de gestreepte waterroofkever in deze plas is derhalve relatief klein, maar kan niet op voorhand volledig worden uitgesloten. Met het planvoornemen blijft de waterplas echter zo goed als ongemoeid. Er wordt alleen een vlonder gerealiseerd. De kans op negatieve effecten is daarom dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om nader onderzoek aan te bevelen. 16 Figuur 2.12. Impressie watervegetatie en aangetroffen dwarsbandwaterroofkever. Het voorkomen van de gestreepte waterroofkever in de plas grenzend aan het plangebied is niet op voorhand volledig uit te sluiten. De kans op negatieve effecten is echter dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om nader onderzoek aan te bevelen. De aanwezigheid van overige beschermde ongewervelden in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. 2.7 Gebiedsbescherming Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden. Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld in het gebied. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing. 2.7.1 Stikstofgevoeligheid Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebieden Weerribben (1,1 km), De Wieden (4,9 km) en Rottige Meenthe & Brandemeer (6,1 km), zie figuur 2.13.