CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Quickscan flora en fauna

Politieke Markt 3 oktober 2023, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Wanneperveen, Roekebosscheweg 3a5.505 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving Quickscan Wet natuurbescherming Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming blomecologie.nl Colofon Status: Definitief Project: 2022-0164 Datum: 9 maart 2022 Samensteller: ino. Collegiale toets: ir. ing. Opdrachtgever: | Contactpersoon: | (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Disclaimer n e s niet 2ansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en N N worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doe! waarvoor het is samengesteld.

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) BLOM ECOLOGIE Inhoud 1 Inleiding 11 Planlocatie 1.2 _ Beoogde ruimtelijke ingreep 2 Methode 21 _ Uitvoeringonderzoek 22 _ Soortenbescherming 23 _ Gebiedsbescherming 24 _ Houtopstanden 25 _ Houdbaarheiden toepassing 3 Beoordeling 31 _ Soortenbescherming 32 _ Gebiedsbescherming 3.3 _ Houtopstanden 4 Samenvatting 41 _ Soortenbescherming 42 _ Gebiedsbescherming 43 _ Houtopstanden 5 Conclusie 51 Conclusie 5.2 Uitvoerbaarheid 5.3 _ Vervolgstappen 54 _ Tetreffen maatregelen o n oo 1 10 10 4 15 16 6 6 6 177 17 17 17 17 BLOM ECOLOGIE 1 Inleiding Aan de Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen is een loonbedrijf met woning en 3 loodsen en een overkapping gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens één van de loodsen en de overkapping te slopen ten behoeve van de uitbreiding van een loods. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden.

Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft NNN verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Onderzoeksdoelen * Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (@rt.

3.1.6 Bro}? ° Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? * Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? * Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? * Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke? Figuur1.1 De planlocatie is gelegen aan de Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen 4 BLOM ECOLOGIE 11 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een loonbedrijf waarop een woning en verschillende schuren zijn gesitueerd. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden een [oods en een overkapping gesloopt en een loods uitgebreid. Zowel de te slopen loods als de uit te breiden loods zijn opgebouwd uit metalen damwandplaten muren en een golfplaten dak zonder dakbeschot. De overkapping is opgebouwd uit een golfplaten sandwichpanelen dak. Het terrein rondom de bebouwing bestaat uit bestrating.

In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Legenda O Plantocatie Behouden IE Aanbouw Á Figuur1.2 De planlocatie (rood omkaderd}is gelegen aan de Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Op een afstand van circa 230 m ten westen van de planlocatie stroomt een watergang. Op een afstand van circa 430 m ten westen van de planlocatie ligt het Natuurgebied ‘de Wieden'. Het dichtstbijzijnde grote wateroppervlakte ligt op een afstand van circa 2 km ten westen van de planlocatie. Figuur1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de loods (links)en de overkapping (rechts} te slopen. 5 BLOM ECOLOGIE 1.2 Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een loods en een overkapping en de uitbreiding van een loods. De functie van het perceel dient te wijzigen.

Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: * slopen van een loods en overkapping: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal: « verwijderen terreininrichting: graafwerkzaamheden, transport (afvoer)van materiaal en groen: * egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; * realisatie uitbreiding van loods: algemene bouwwerkzaamheden; * revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. Figuur1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie. De rode omlijning geeft de te slopen loods en overkapping weer, de gele omlijning geeft de uitbreiding van de bestaande loods weer (bron: Buro SRO Oost B.V. 6 BLOM ECOLOGIE m 21 22 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening. Uitvoering onderzoek Het veldbezoek i een momentopname van de aanwezige flora en fauna.

Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 februari 2022 en is uitgevoerd door ing. W De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 5° Celsius en windkracht 1-2(Bft). (geanonimiseerd) Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.

Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel Tvan de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage | bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 7 BLOM ECOLOGIE 23 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage ! bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11).

Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Provincie Overijssel is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tobel2.1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Overijssel Vrijgestelde soorten Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker Haas Rosse woelmuis Bosmuis Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Bruine kikker Kleine watersalamander Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Meerkikker Woelrat Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn.

Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn 8 BLOM ECOLOGIE 2.4 2.5 Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen. Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht. Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m? of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): 3) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b} houtopstanden op erven of in tuinen; ©) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1)wegbeplantingen, (2)beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; 9) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en(3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening.

Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen. g BLOM ECOLOGIE N 31 Beoordeling Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de groenknolorchis (NDFF 2012-2022). De groenknolorchis groeit op zonnige, open, vrij natte, voedselarme plaatsen op zwak zure tot kalkhoudende grond. De soort is te vinden bij zeeduinen, afgravingen, moerassen, heide en plaatsen met opgespoten zand(Verspreidingsatlas, 2022). De planlocatie bestaat volledig uit verharding, tevens is er geen sprake van kalkhoudende grond op de planlocatie. De planlocatie fungeert derhalve niet als geschikte groeiplaats voor de groenknolorchis.

Negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de groenknolorchis zijn uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel n relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bunzing, das, egel, hermelijn, otter, steenmarter, waterspitsmuis en wezel De bunzing, hermelijn en wezel zijn allen kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekkingsmogelijkheden in de vorm van bosschages, houtwallen en ruige vegetatie.

Kleine marterachtigen verblijven in takkenhopen, oude holen van bijvoorbeeld konijnen en in rommelschuurtjes (Zoogdiervereniging, 2022). De planlocatie bestaat volledig uit verharding of bebouwing, tevens lopen er honden los op het erf. In de loodsen zijn geen sporen van kleine marterachtigen aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen geschikte plaatsen aanwezig welke als verblijfplaats voor kleine marterachtigen kunnen dienen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot negatieve effecten op de bunzing, hermelijn en wezel. De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen (Zoogdiervereniging, 2022). De planlocatie bestaat geheel uit bestrating en bebouwing en is derhalve niet geschikt als leefgebied voor de das. Negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de das zijn uitgesloten. De egel leeft veelal aan de randen van bossen, in parken of dichtbegroeide tuinen, maar kan ook in stedelijke omgeving voorkomen waar voldoende groen en dekking aanwezig is. Egels verblijven onder boomwortels, onder struikgewas, takkenhopen of konijnenholen (Zoogdiervereniging, 2022). Doordat de planlocatie uit verharding en bebouwing bestaat en er geen struiken of andere groenelementen aanwezig functioneert de planlocatie niet als geschikt leefgebied voor de egel.

Van negatieve effecten op de egel wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. 10 BLOM ECOLOGIE De otter leeft in zoet, schoon water op plaatsen waar voldoende dekking en rust aanwezig is (Zoogdierverenging otter, 2022). De planlocatie bestaat volledig uit verharding, tevens is er geen oppervlaktewater aanwezig. Negatieve effecten op de otter wegens de beoogde ruimtelijke ingreep zijn derhalve uitgesloten. De steenmarter is vaak te vinden in een parklandschap waarin oude schuren, heggen en houtwallen aanwezig zijn. De steenmarter verblijft in boomholtes, in spouwmuren of op zolders (Zoogdiervereniging steenmarter, 2022). In de bebouwing op de planlocatie zijn geen sporen van de steenmarter aangetroffen. Tevens zijn er geen spouwmuren, open dakbeschot of andere plaatsen aanwezig welke als verblijfplaats voor de steenmarter kunnen fungeren. De planlocatie bevat derhalve geen verblijfplaats en maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de steenmarter. Negatieve effecten op de soort wegens de beoogde ruimtelijke ingreep zijn uitgesloten. De waterspitsmuis leeft langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers (Zoogdiervereniging waterspitsmuis, 2022). De planlocatie bestaat geheel uit verharding, oppervlaktewater is niet aanwezig.

Op de planlocatie is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied van de waterspitsmuis. Van negatieve effecten op de waterspitsmuis wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat en N pergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Eris ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. (geanonimiseerd) Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.

Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H.4). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. De beoogde ruimtelijke ingreep resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen en uit te breiden loodsen en overkapping zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Zowel de te slopen loods als de uit te breiden oods op de planlocatie zijn opgebouwd uit metalen damwandplaten met een golfplaten dak. Een luchtspouw en dakbeschot zijn niet aanwezig. In de loodsen zijn geen openingen aanwezig welke vleermuizen toegang kunnen geven tot de binnenzijde van de bebouwing.

De overkapping is opgebouwd uit een golfplaten sandwichpanelen dak. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis in de bebouwing op de planlocatie is derhalve uit te sluiten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot een onderbreking van lijnvormige structuren en niet tot aantasting van groenstructuren. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden derhalve geen essentiële vliegroute en essentieel foerageergebied aangetast N BLOM ECOLOGIE Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, B gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en poelkikker. (geanonimiseerd) Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen De heikikker leeft in ondiep, zonbeschenen, voedselarm voortplantingswater op vochtige plekken en in schraal ruig gebied zoals heide, hoogveen en natuurlijk grasland.

De poelkikker is een warmteminnende soort welke in onbeschaduwd voortplantingswater voorkomt. Amfibieën overwinteren op vorstvrije plaatsen, zoals onder stenenstapels en takkenhopen (Ravon, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming van de heikikker en de poelkikker zijn bekend op een afstand van circa 1 km van de planlocatie. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig en de planlocatie bestaat volledig uit verharding. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van voortplantingsplaatsen, essentieel eefgebied of overwinteringsplaatsen van de heikikker en poelkikker. Negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de heikikker en poelkikker zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de N en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. (geanonimiseerd) Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

De ringslang is gebonden aan waterrijke gebieden waar ze jagen langs het water en zonnen op rustige open plekken. Op relatief vochtige, voedselrijke plaatsen, zoals bladhopen, mesthopen en opgeworpen broedhopen worden eieren gelegd (Ravon ringslang, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming van de ringslang is bekend op een afstand van circa 785 m ten westen van de planlocatie, in het natuurgebied ‘De Wieden'. De planlocatie is volledig verhard, oppervlaktewater is niet aanwezig. Op de planlocatie is derhalve geen geschikt leefgebied van de ringslang aanwezig. Negatieve effecten op de soort wegens de beoogde ruimtelijke ingreep zijn uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2012- 2022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: gevlekte glanslibel, gevlekte witsnuitlibel, noordse winterjuffer, sierlijke witsnuitlibel en zilveren maan (NDFF 2012-2022).

De gevlekte glanslibel, gevlekte witsnuitlibel, noordse winterjuffer en sierlijke witsnuitlibel Ieven langs vegetatierijke vennen, duinplassen, petgaten en moerassen. De zilveren maan leeft in natte tot vochtige, schrale graslanden en bloemrijke hooi- of rietlanden (Vlinderstichting, 2022). De planlocatie bestaat volledig uit verharding. In de directe omgeving van de planlocatie is tevens geen geschikt leefgebied voor beschermde insecten en andere ongewervelden aanwezig. Op de planlocatie is derhalve geen geschikt leefgebied voor beschermde insecten en ongewervelden aanwezig. Negatieve effecten op de soortgroep wegens de beoogde ruimtelijke ingreep zijn uitgesloten. 12 BLOM ECOLOGIE Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif en spreeuw. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of [eefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

In de loodsen op de planlocatie is geen dakbeschot aanwezig. Het golfplaten dak van de overkapping bestaat uit sandwichpanelen. In de te slopen of uit te breiden bebouwing op de planlocatie is het voorkomen van nestlocaties van de huismus uit te sluiten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km} van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. In de loodsen op de planlocatie is geen dakbeschot aanwezig. Het golfplaten dak van de overkapping bestaat uit sandwichpanelen. In de te slopen en uit te breiden bebouwing op de planlocatie is het voorkomen van nestlocaties van de gierzwaluw uit te sluiten. In de loodsen en overkapping zijn geen sporen van uilen aangetroffen, de aanwezigheid van nestlocaties van uilen op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.

Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie bestaat volledig uit verharding, in de beoogde situatie zal de planlocatie tevens uit verharding bestaan. Het omliggende terrein van de loodsen blijft onaangetast in de beoogde ruimtelijke ingreep. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van functioneel Ieefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormt voor algemene broedvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 1 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. 13 BLOM ECOLOGIE 3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 455 m ligt het Natura 2000-gebied'De Wieden (figuur 3.1). Legenda _ Natura 2000-gebied Figuur3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 455 m tot het Natura 2000-gebied 'De Wieden’ (bron: natura2000.nl). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een loods en een overkapping en de uitbreiding van een loods. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen.

De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering}: a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen: b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. 14 BLOM ECOLOGIE Gezien er geen sprake is van een toename in het aantal verkeersbewegingen wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS- Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland.

Op een afstand van circa 430 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Legenda I Natuurnetwerk Nederland Figuur3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 430 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: overijssel.tercera-ro.nl). 3.$ Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. 15 BLOM — 4 Samenvatting 41 Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel4.1 Overzicht van de Soortenbescherming. Soortgroep Bescherming Soortspecifiek Mogelijke functie planlocatie Wb onderzoek Planten Nee Grondgebonden zoogdieren Nee Vleermuizen Nee Amfibieën Nee Reptielen Nee Vissen Nee Insecten en andere ongewervelden Nee Vogels (cat. 1/m 4) Nee Vogels (Algemeen en cat. 5) Nee 4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Tabel4.2 Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming. Gebiedsbescher: Afstand Effecten Nader onderzoek Natura 2000 455m Geen Nvt. Natuurnetwerk Nederland 430m Geen Nyt. 4.3 Houtopstanden In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. 16 BLOM ECOLOGIE n 5.1 5.2 5.3 5.4 Conclusie Conclusie De sloop van een loods en overkapping en de uitbreiding van een loods aan de Roekebosscheweg 3ate Wanneperveen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.8 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden).

Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen * Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna(algemene zorgplicht). * Wanneer ondanks zorgvuidig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ° Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. ° Erwordt gelegenheid gegeven aan dieren, di tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. * De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). * De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 17 BLOM ECOLOGIE Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii} Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bijl2.nl www.natura2000.nl www.ndft.nl wwwoverijssel.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl Bijlagel Fotografische impressie 18 BLOM ECOLOGIE Bijlage1l Fotografische impressie Figuurl _ De planlocatie is gelegen aan de Roekebosscheweg 3a te Wanneperveen Figuur2 _ Het terrein van de planlocatie en de te slopen loods (rechts).

19 BLOM ECOLOGIE Figuur3 _ De te slopen overkapping. Figuur4 _ Het terrein van de planlocatie bestaat uit bestrating. 20 BLOM f ECOLOGIE (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving blomecologie.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/090e9b89-fb23-410a-81cf-9e268632fe90?agendaItemId=a60c6ff4-6d92-4f3a-a19a-c67591c3412a