Bijlage I Toelichting te delegeren wijzigingsbevoegdheden.pdf
Tekst van het document
Bijlage I Toelichting te delegeren wijzigingsbevoegdheden a. Het wijzigen van het omgevingsplan voor het verwerken van verleende omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de regels van het omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan is een omgevingsvergunning die is verleend voor het bouwen van woningen op een locatie waar volgens het omgevingsplan alleen detailhandel is toegestaan. De vergunning maakt het mogelijk om van de regels van het omgevingsplan af te wijken. De Omgevingswet bepaalt dat omgevingsvergunningen die afwijken van het omgevingsplan binnen vijf jaar verwerkt moeten worden in het omgevingsplan. Het college is bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Als na besluitvorming op de vergunning nogmaals een besluit genomen moet worden over aanpassing van het omgevingsplan, is sprake van dubbele besluitvorming over hetzelfde onderwerp. De raad stuurt op hoofdlijnen en het vertalen van verleende omgevingsvergunningen is een administratieve handeling. Daarom leent dit zich goed voor delegatie. b. Het vertalen en verwerken van door het college vastgestelde beleidsregels in het omgevingsplan. Het college kan beleidsregels vaststellen. In sommige gevallen is het nodig het vastgestelde beleid te vertalen in de regels van het omgevingsplan.
Bijvoorbeeld het vertalen en verwerken van het ontheffingenbeleid parkeren in het omgevingsplan. Door dit beleid in het omgevingsplan te verwerken, komen de regels over het aanvragen en verlenen van een parkeerontheffing in het omgevingsplan te staan. Een dergelijke aanpassing van delen van het omgevingsplan is aan te merken als uitvoering en daarmee ligt delegatie aan het college voor de hand. c. Het wijzigen van het omgevingsplan naar aanleiding van omissies, verschrijvingen en/of verkeerde verwijzingen in het plan. Het komt weleens voor dat na de vaststelling van een plan omissies, verschrijvingen, verkeerde verwijzingen etc. worden geconstateerd. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een juridische procedure. Om dit te repareren moet het omgevingsplan gewijzigd worden. Het gaat hier om technische aanpassingen waarbij inhoudelijke besluitvorming niet is vereist. Delegatie van dit onderdeel aan het college ligt hiermee voor de hand. d. Het wijzigen van het omgevingsplan naar aanleiding van hogere wetgeving. In het omgevingsplan staan regels die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving van het Rijk en de provincie. Een wijziging in deze wet- en regelgeving kan ertoe leiden dat normen, meetmethoden, referenties en verwijzingen (naar wetgeving) die in het omgevingsplan zijn opgenomen aangepast moeten worden.
Het betreft gewijzigde wet- en regelgeving van hogerhand, waar we feitelijk niets over te zeggen hebben en waar geen beleidsvrijheid meer is toegekend. Om de procedure voor het aanpassen van het omgevingsplan in deze situaties sneller te laten verlopen ligt het delegeren van de vaststelling van het omgevingsplan op dit punt voor de hand. e. Het toevoegen en/of wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben Zowel het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening als de waterschapsverordening worden via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) voor iedereen digitaal raadpleegbaar. In al deze plannen en verordeningen worden begripsbepalingen opgenomen. Hierbij dient een uniform begrippenapparaat gewaarborgd te worden. Dit kan ertoe leiden dat een begripsbepaling aangepast of toegevoegd wordt aan het omgevingsplan. Om een uniform begrippenapparaat te waarborgen is voor landelijk gebruik bovendien een Stelselcatalogus opgesteld. Indien hierin begripsbepalingen zijn opgenomen die de harmonisatie ten goede komen, kunnen deze ook overgenomen worden in het omgevingsplan. Daarnaast is het mogelijk dat er begripsbepalingen in het omgevingsplan worden toegevoegd of aangepast om de ‘leesbaarheid’ te verbeteren.
In voornoemde gevallen gaat het niet om het aanpassen of toevoegen van begripsbepalingen die nadelige effecten (kunnen) hebben op de fysieke leefomgeving dan welnadelige/ beperkende effecten. Er moet namelijk voorkomen worden dat vastgestelde regels anders moeten worden uitgelegd, als gevolg van het opnemen dan wel wijzigen van een begripsbepaling. f. Het wijzigen van de toelichting van het omgevingspl an. Bij elk onderwerp waarover een regel is opgenomen in het omgevingsplan moet een toelichting zijn. In tegenstelling tot de huidige situatie met bestemmingsplannen is dit dus niet een toelichting die over het plan als geheel gaat. In het omgevingsplan staan artikelsgewijze toelichtingen. Bij het gebruik van het omgevingsplan kan blijken dat de toelichting over een bepaald artikel niet duidelijk genoeg is. Door het wijzigen van deze toelichting te delegeren aan het college kan het omgevingsplan op een snelle manier duidelijker worden gemaakt. g. Het aanwijzen, wijzigen en schrappen van gemeentelijke monumenten. Gemeentelijke monumenten moeten volgens de Omgevingswet in het omgevingsplan worden opgenomen. Het toedelen van de functie monument aan een locatie (voorheen: het aanwijzen van een gemeentelijk monument) is volgens de Erfgoedverordening gemeente Steenwijkerland een collegebevoegdheid.
In het kader van de Omgevingswet dienen verordeningen in het omgevingsplan opgenomen te worden. Tot het moment dat het tijdelijk omgevingsplan wordt omgezet in een definitief omgevingsplan (uiterlijk 2029) en alle gemeentelijke verordeningen hierin opgenomen zijn, kunnen nieuwe gemeentelijke monumenten nog worden aangewezen op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Na de overgangsperiode zal het aanwijzen van gemeentelijke monumenten geregeld worden door deze op te nemen in het omgevingsplan. Aangezien de bevoegdheid tot het aanwijzen van monumenten al bij het college ligt, ligt het voor de hand dat het college ook verantwoordelijk is voor het wijzigen van het omgevingsplan door het opnemen van een aangewezen monument.