CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij de toelichting 7.3 Ecologisch onderzoek.pdf

Politieke Markt 2 maart 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Dit agendapunt is verplaatst naar de agenda van de politieke markt van 23 maart 20215.670 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ECOLOGISCH ONDERZOEK TUKSEWEG 136 TUK Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving Rapport EM171210 Datum 19-12-2017 In opdracht van

COLOFON © EcoMilieu Advies Kötterskamp 21, 7688 RL, Daarle Tel: (06)30315951, e-mail: info@ecomilieu.nl EcoMilieu is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van EcoMilieu; opdrachtgever vrijwaart EcoMilieu voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt mits onder bronvermelding: Gerritsen, R. (2017). Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk; Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving. Rapport EM171210. EcoMilieu Advies, Daarle. Titel: Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Subtitel: Oriëntatie in het kader van de natuurwetgeving Rapportnummer: EM171210 Datum: 19 december 2017 Auteur: Ing. R. Gerritsen Veldonderzoek: Ing. R. Gerritsen Opdrachtgever: VantErve Advies, Postbus 48, 8100 AA, Raalte

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING ............................................................................................................................ 1 1.1 Aanleiding ................................................................................................................. 1 1.2 Onderzoeksdoel en -vragen ....................................................................................... 1 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................. 1 2 ONDERZOEKSMETHODIEK ................................................................................................ 2 2.1 Algemene opzet en werkwijze .................................................................................. 2 3 PLANLOCATIE EN INGREPEN ............................................................................................. 4 3.1 Planlocatie ............................................................................................................... 4 3.2 Beschrijving geplande ingrepen ................................................................................ 4 4 NATUURWAARDENONDERZOEK ...................................................................................... 6 4.1 Veldbezoek ..............................................................................................................

6 4.2 Flora ......................................................................................................................... 6 4.3 Grondgebonden Zoogdieren .................................................................................... 6 4.4 Vleermuizen .............................................................................................................. 7 4.5 Vogels ...................................................................................................................... 8 4.6 Amfibieën, reptielen en vissen .................................................................................. 8 4.7 Dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde .......................................... 8 5 EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING .................................................................... 9 5.1 Mogelijk optredende effecten .................................................................................. 9 5.2 Kwalificerende N2000 Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten ......................................... 10 5.3 Flora, dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde ................................ 12 5.4 Vissen en reptielen ..................................................................................................

12 5.5 Grondgebonden amfibieën en zoogdieren .............................................................. 13 5.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 13 5.7 Vogels ..................................................................................................................... 14 6 EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING ................................................................. 15 6.1 Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb ............................................................. 15 6.2 Effectentoetsing NNN beleid ................................................................................... 17 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................. 18 7.1 Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb ............................................. 18 7.2 Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming Wnb en NNN ........................... 19 GERAADPLEEGDE BRONNEN .................................................................................................. 20 BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED .............................................................................. 22 BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUIT ...............................................................................

26 Pagina | 1 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van VantErve Advies, heeft EcoMilieu Advies een ecologische oriëntatie natuurwet- geving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Tukseweg 136 te Tuk, gemeente Steenwijkerland, provincie Overijssel. De Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuur Netwerk Nederland beleid (NNN) verplichten vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen of activiteiten conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten, wezenlijke kenmerken en waarden of instandhoudingsdoelen. Het plangebied ligt niet in het Overijsselse deel van het NNN en ligt op een minimale afstand van ca. 2,6 kilometer ten opzichte van omliggende Natura2000 (N2000) gebieden. In onderhavig rapport wordt een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid. 1.2 Onderzoeksdoel en -vragen In deze paragraaf wordt de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. Het doel is middels ecologisch onderzoek na te gaan of de geplande ingrepen negatieve effecten (kunnen) hebben op (potentieel) aanwezige beschermde plant- en diersoorten, wezenlijke kenmerken en waarden of instandhoudingsdoelen.

Concreet komen uit de doelstelling de volgende onderzoeksvragen naar voren, die middels deze oriëntatie worden beantwoordt:  Welke beschermde plant- en diersoorten komen (potentieel) voor in of direct rond het plangebied?  Wat zijn de effecten van de geplande ingrepen op deze beschermde soorten?  Wat zijn de effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van beschermde N2000 en NNN gebieden en kunnen (significant) negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen van deze beschermde gebieden al dan niet met zekerheid worden uitgesloten?  Zijn de mogelijke negatieve effecten van de geplande ingrepen een overtreding van de Wnb en kunnen mogelijk negatieve effecten worden voorkomen middels mitigerende of compenserende maatregelen? 1.3 Leeswijzer In dit hoofdstuk is beschreven hoe dit onderzoek, het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van soort- en gebiedsbescherming, tot stand is gekomen en werd de doelstelling vertaald naar onderzoeksvragen. In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethodiek besproken. In hoofdstuk 3 volgt een algemene beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingrepen. In hoofdstuk 4 wordt aan de hand van bronnenonderzoek, een veldbezoek en expert judgement de (potentiële) aan- of afwezigheid van beschermde soorten onderbouwd.

In hoofdstuk 5 volgt de synthese van de resultaten en wordt een effectentoetsing uitgevoerd op beschermde soorten in het kader van de Wnb. In hoofdstuk 6 volgt een effectentoetsing op de gebiedsbescherming Wnb en NNN beleid. In hoofdstuk 7 volgen de conclusies en aanbevelingen en wordt de eventuele noodzaak aangegeven tot vervolgonderzoek. Hierna volgen de geraadpleegde bronnen en bijlagen met een foto impressie van het plangebied en het N2000 aanwijzingsbesluit. Pagina | 2 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 2 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.1 Algemene opzet en werkwijze Dit natuurwaardenonderzoek betreft een inschatting van de (potentiële) aanwezigheid van en mogelijke nadelige effecten op beschermde soorten planten en dieren, wezenlijke kenmerken en waarden en instandhoudingsdoelen in het kader van de natuurwetgeving. Aan de hand van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van het (potentieel) voorkomen van (functies van) beschermde flora en fauna en Habitattypen in en rond het plangebied. Op basis van beschreven ingrepen is een inschatting gemaakt van te verwachten negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten, soortfuncties en gebieden. De mogelijk negatieve effecten zijn getoetst aan de Wnb en het NNN beleid.

Tot slot wordt geadviseerd over de noodzaak tot het nemen van mitigerende (verzachtende of inpassings-) of compenserende maatregelen, dan wel de noodzaak tot het nemen van vervolgonderzoek. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Voor een actueel overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen zijn verspreidingsgegevens van internetmedia en diverse verspreidingsatlassen van relevante soortgroepen en (jaar)verslagen van Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (PGO’s) geraadpleegd (zie geraadpleegde bronnen). Oriënterend terreinbezoek Het plangebied is op 18 november 2017 bezocht. Tijdens het veldbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten, o.a. zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Expert judgement Tijdens dit natuurwaardenonderzoek is expert judgement toegepast om de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk voorkomende beschermde soorten te beoordelen. Gebruikte onderzoeksinstrumenten Bij dit onderzoek zijn de volgende instrumenten gebruikt:  verrekijker;  digitale fotocamera.

Pagina | 3 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Het ecologisch onderzoek om tot beantwoording te komen van de onderzoeksvragen is uitgevoerd middels volgend schematisch overzicht (figuur 1). Fig. 1: Schematische weergave onderzoeksmethodiek. Resultaten Onderzoeksvragen Inventarisatiefase Bronnenonderzoek, veldbezoek en expert judgement Analysefase Synthesefase Conclusie en aanbevelingen Pagina | 4 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 3 PLANLOCATIE EN INGREPEN 3.1 Planlocatie Het plangebied ligt ten noordwesten van Steenwijk, aan de Tukseweg 136 te Tuk. Het onderzoeksgebied betreft een onbebouwd verruigd perceel waar in het recente verleden een school heeft gestaan. In het perceel staan diverse bomen, jong boomopslag, ruigte kruiden, grasland en een dichtgegroeide waterpoel (fig. 2 en 3 en foto-impressie bijlage I). 3.2 Beschrijving geplande ingrepen Gepland staat de gronden bouwrijp te maken ten aanzien van de nieuwbouw van een bedrijfshal met woning en omliggend grijs en groen. De daaruit voortvloeidende ingrepen zijn het kappen van bomen, verwijderen van overig groen, verwijderen van de bouwvoor en het bouwrijp maken van de gronden. In figuur 2 wordt de globale situering van het plangebied weergegeven (rode arcering). In figuur 3 volgt een overzicht van het plangebied in de regio. Foto’s van het plangebied zijn opgenomen in bijlage I. Fig.

2: Globale situering plangebied / onderzoeksgebied (bron: PDok).

Pagina | 5 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Fig. 3: Globale situering plangebied versus regio (bron: PDok).

Pagina | 6 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 4 NATUURWAARDENONDERZOEK In dit hoofdstuk zijn de (potentiële) aan- of afwezigheid van de onderzochte plant- en diersoorten in het onderzoeksgebied onderbouwd. De relevante soorten zijn nader toegelicht. 4.1 Veldbezoek Tijdens het veldbezoek, is voor zover mogelijk een inventarisatie uitgevoerd van de beschermde soorten binnen de Wnb, met de nadruk op de niet vrijgestelde beschermde soorten. In onderstaande tabel zijn de tijdstippen en de waarnemingscondities van het uitgevoerde veldbezoek weergegeven. Tabel 1: Waarnemingscondities veldbezoek Datum Begintijd Eindtijd Weersomstandigheden 18 december 2017 09:00 11:00 Wind Z 2B, bewolking 8/8, droog, 7°C 4.2 Flora In het onderzoeksgebied zijn de volgende biotopen (CBS, 2005) aangetroffen:  511: Ruigte en braakliggend terrein De onderzoeksdatum is niet geheel representatief voor onderzoek naar plantensoorten. Omdat het onderzoeksgebied niet gemaaid wordt is desondanks een goed beeld verkregen van de te verwachten soorten in het onderzoeksgebied. In en rond het onderzoeksgebied zijn alleen algemene plantensoorten aangetroffen en te verwachten van eutrofe standplaatsen, zoals braakliggende terreinen. Aangetroffen soorten bomen zijn douglassspar, gewone en noorse esdoorn, esdoorn spec., zwarte els, beuk, ruwe berk, zomereik en hulst.

De jonge opslag bestaat voornamelijk uit opslag van ruwe berk, zomereik en gewone esdoorn. De ruigtekruiden worden gedomineerd door gewone braam, kweek, klimop en japanse duizendknoop. Ontheffings- plichtige plantensoorten binnen de Wnb zijn niet aangetroffen in het onderzoeksgebied tijdens het veldonderzoek en worden gezien de terreingesteldheid, aangetroffen soortensamenstelling en bekende verspreidingsgegevens ook niet verwacht. 4.3 Grondgebonden Zoogdieren In het onderzoeksgebied en directe omgeving zijn een aantal vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten, zoals veldmuis, rosse woelmuis, huisspitsmuis, bruine rat, egel en konijn. Het onderzoeksgebied is intensief afgezocht naar de aanwezigheid van sporen zoals onder andere pootafdrukken, nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc. In en rond het onderzoeksgebied zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van (vaste rust- of verblijfplaatsen) van beschermde soorten zoogdieren zoals steenmarter, das of eekhoorn. Verwacht wordt dat de das en steenmarter incidenteel wel gebruik kunnen maken van de directe omgeving van het onderzoeksgebied als foerageergebied. Overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren worden gezien de terreingesteldheid, afwezigheid sporen en verspreidingsgegevens niet verwacht.

Pagina | 7 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 4.4 Vleermuizen Potentiële verblijfplaatsen Verblijfplaatsen bevinden zich in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in boomholten, huizen, kelders etc. De bomen in het onderzoeksgebied zijn intensief afgespeurd op voor vleermuizen geschikte holten, gaten of spleten. Er zijn in de bomen in het onderzoeksgebied geen holten, gaten of spleten aangetroffen, die geschikt kunnen zijn als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen. In Tabel 2 is weergegeven welke combinatie van soorten en functies (potentieel) voorkomen in het onderzoeksgebied / plangebied. Potentiële vliegroutes Van veel vleermuissoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde ruimtelijke structuren voor oriëntatie en via deze verbindingselementen van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken en weer terug. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bv. rijen woningen, watergangen, rijen bomen en singels) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. In en direct rond het onderzoeksgebied zijn geen lijnvormige elementen aangetroffen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Het onderzoeksgebied vormt geen onderdeel van lijnvormige elementen en speelt daarmee geen rol als oriëntatiepunt tijdens vleermuisverplaatsingen (tabel 2).

Potentieel foerageergebied Vleermuizen foerageren op locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen en bomenrijen, bij lantaarnpalen of boven open terreinen of water. Verwacht wordt dat het onderzoeksgebied, gezien het aanwezig groen, deel uitmaakt van foerageerroutes, -gebieden van vleermuizen (tabel 2). Tabel 2: De potentieel voorkomende vleermuizen en aanwezige functies in het plangebied. Zomerverblijfplaats Kraamverblijfplaats Paarverblijfplaats Winterverblijfplaats Vliegroute Foerageerroute Meervleermuis x Watervleermuis x Tweekleurige vleermuis x Rosse vleermuis x Laatvlieger x Gewone dwergvleermuis x Ruige dwergvleermuis x Kleine dwergvleermuis x Gewone grootoorvleermuis x X = potentieel aanwezig Pagina | 8 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 4.5 Vogels Aangezien dit natuurwaardenonderzoek een quickscan betreft, is geen volledige broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek in combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement is echter wel een goede uitspraak te doen over de te verwachten soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen ,rust- en verblijfplaatsen van) jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen in en rond het onderzoeksgebied zoals o.a. huismus, steenuil, sperwer, bosuil, of ransuil.

Jaarrond beschermde vogelsoorten worden, vanwege de afwezigheid van zicht- en geluidswaarnemingen, sporen, nesten, uitwerpselen etc. tijdens het veldbezoek, ook niet verwacht. Gezien de terreingesteldheid, worden in het onderzoeksgebied verder alleen functies van algemene broedvogels verwacht. Op en direct rond het onderzoeksgebied aangetroffen en te verwachten broedvogels zijn algemene broedvogels van buitengebieden als witte kwikstaart, merel, zanglijster, zwartkop, tjiftjaf, fitis, roodborstje, koolmees, pimpelmees, putter en groenling etc. 4.6 Amfibieën, reptielen en vissen Vanwege de terreingesteldheid en situering van het onderzoeksgebied ten opzichte van omliggende wateren, kunnen incidenteel foeragerende exemplaren van de kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker worden verwacht. De aanwezige poel is dermate dichtgegroeid dat deze naar alle waarschijnlijkheid zomers geheel droog staat. Gezien de terreingesteldheid, ligging en verspreidingsgegevens worden geen ontheffingsplichtige beschermde soorten amfibieën, reptielen of vissen verwacht in of direct rond het onderzoeksgebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën, reptielen of vissen aangetroffen in het onderzoeksgebied.

4.7 Dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soorten dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde aangetroffen. Gezien de terreingesteldheid, ligging en verspreidingsgegevens, worden in het onderzoeksgebied ook geen beschermde soorten uit deze soortgroepen verwacht. Pagina | 9 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 5 EFFECTENTOETSING SOORTBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de soortbescherming Wnb uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt voor welke (potentieel) aanwezige beschermde soorten mogelijk negatieve effecten optreden door de geplande ingrepen en of hiervoor aanvullend onderzoek, mitigerende dan wel compenserende maatregelen, of een ontheffing in het kader van de Wnb vereist is. 5.1 Mogelijk optredende effecten De geplande ingrepen (§3.2) kunnen potentieel overtreding van de onderstaande verbodsbepalingen van de Wnb inhouden. Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatsrichtlijn: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Pagina | 10 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 5.2 Kwalificerende N2000 Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 2,6 kilometer zuidelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied De Wieden. (gele arcering figuur 4). Het N2000 aanwijzingsbesluit is weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende soorten door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten.

In figuur 5 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het betreffende Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit bedrijventerrein. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten van het dichstbijzijnde N2000 gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 soorten door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande ingrepen geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Fig. 4: Globale begrenzing plangebied versus omliggende N2000 gebieden (bron: PDok).

Pagina | 11 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Fig. 5: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Natura2000 door activiteit bedrijventerrein (bron: www.synbiosys.alterra.nl).

Pagina | 12 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.

Verstoring door geluid (13), licht (14), trilling (15), optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. De kwalificerende soorten komen, gezien de verspreidingsgegevens voor in het N2000 gebied en daaromheen liggende wateren, weilanden en akkers. Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van het N2000 gebied, de ligging van het plangebied grenzend aan een groot bedrijventerrein en de beperkte locale aard van de activiteiten die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is ten aanzien van de geplande werkzaamheden geen sprake van cumulatieve effecten. 5.3 Flora, dagvlinders, libellen, overige insecten en ongewervelde Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Negatieve effecten op ontheffingsplichtige soorten uit deze soortgroepen, door de geplande ingrepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten.

De geplande ingrepen houden voor deze soortgroepen dan ook geen overtreding van de Wnb in. 5.4 Vissen en reptielen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Negatieve effecten op ontheffingsplichtige soorten uit deze soortgroep, door de geplande ingrepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de Wnb in. Pagina | 13 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 5.5 Grondgebonden amfibieën en zoogdieren Door de ingrepen gaan mogelijk foerageer- en verblijfplaatsen van algemene grondgebonden amfibieën en zoogdieren verloren. Voor algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verboden zoals opgenomen in artikel 3.10 Wnb. De ingrepen houden voor deze soorten dan ook geen overtreding van de Wnb in. Er zijn geen ontheffingsplichtige beschermde amfibieën of zoogdieren aangetroffen of te verwachten in of rond het plangebied, anders dan incidenteel foeragerende exemplaren van de das en steenmarter. Das en steenmarter Het plangebied kan incidenteel gebruikt worden als foerageergebied door de das en steenmarter.

Gezien de hoeveelheid alternatief foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied wordt door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de foerageermogelijkheden van deze soorten. De ingrepen houden voor deze soorten dan ook geen overtreding van de Wnb in. 5.6 Vleermuizen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen of te verwachten zijn. De beplanting binnen het plangebied vormt geen onderdeel van lijnvormige elementen en speelt geen rol als vliegroute / oriëntatiepunt tijdens vleermuis verplaatsingen. Het plangebied wordt verder potentieel gebruikt door vleermuizen als foerageerroute en -gebied. Gezien de hoeveelheid alternatief foerageergebied in de directe omgeving, wordt door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. In Tabel 3 is weergegeven op welke in het onderzoekgebied potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn. Tabel 3: De potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties in het plangebied en mogelijke negatieve effecten.

Zomerverblijfplaats Kraamverblijfplaats Paarverblijfplaats Winterverblijfplaats Vliegroute Foerageerroute Meervleermuis x Watervleermuis x Tweekleurige vleermuis x Rosse vleermuis x Laatvlieger x Gewone dwergvleermuis x Ruige dwergvleermuis x Kleine dwergvleermuis x Gewone grootoorvleermuis x X = potentieel aanwezig = Negatief effect niet te verwachten = Negatief effect niet uitgesloten Pagina | 14 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 5.7 Vogels Alle broedvogels zijn gedurende hun broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden, mits kan worden aangetoond dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden. Jaarrond beschermde vogelsoorten Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen jaarrondbeschermde vogelsoorten zijn aangetroffen of zijn te verwachten. De geplande ingrepen houden daarmee voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de Wnb in. Pagina | 15 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 6 EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb en NNN beleid uitgevoerd.

Hierdoor is inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingrepen mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde N2000 en NNN gebieden, en of hiervoor een passende beoordeling, danwel een vergunning in het kader van de Wnb of NNN vereist is. 6.1 Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb In een oriënterende toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb dient na gegaan te worden of het optreden van (significante) negatieve effecten op aangewezen Habitattypen door activiteiten en ontwikkelingen in of nabij N2000 gebieden al dan niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden getoetst te worden op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, de zogeheten ‘externe werking’. Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 2,6 kilometer zuidelijk van het plangebied ligt het N2000 gebied De Wieden (gele arcering figuur 4). Het N2000 aanwijzingsbesluit is weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie van EZ, kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde Habitattypen.

In figuur 6 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit bedrijventerrein. In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende Habitattypen van het dichstbijzijnde N2000 gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging / terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 Habitattypen door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande werkzaamheden geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off’) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied.

Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds- , ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitattypen daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Pagina | 16 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Fig. 6: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitattypen Natura2000 door activiteit bedrijventerrein (bron: synbiosys.alterra.nl). Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verstoring door optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied.

Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door licht, geluid of trilling. Gezien de situering van het plangebied ten opzichte van het N2000 gebied en de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is ten aanzien van de geplande activiteiten geen sprake van cumulatieve effecten.

Pagina | 17 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 6.2 Effectentoetsing NNN beleid Het NNN is een netwerk van Nederlandse natuur- en groen-blauwe landschapselementen In Overijssel is het NNN onderverdeeld in de Ecologische Hoofstructuur (EHS) en de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW). In de ONW gebieden buiten de EHS is ruimte voor economische ontwikkeling, in combinatie met versterking van natuur, landschap en water. In de zone ONW geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen een ‘Ja, mits' principe. De bestaande functies zijn uitgangspunt voor de bestemmingen in dit deelgebied. Het plangebied ligt niet in een EHS of ONW gebied (figuur 7). Er is geen afname van EHS of ONW areaal en er wordt niet binnen de EHS of ONW begrenzing gewerkt. In het plangebied zijn geen kwalificerende N2000 Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten of Habitattypen te verwachten. Door de geplande ingrepen zijn tevens geen negatieve effecten te verwachten op onder de Wnb beschermde plant- en diersoorten. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS en ONW worden daarmee uitgesloten. De geplande ingrepen passen daarnaast binnen de gewenste ontwikkelingen in Overijssel. Fig. 7: Plangebied versus omliggende NNN gebieden (bron: PDok).

Pagina | 18 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN EcoMilieu Advies heeft een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Tukseweg 136 te Tuk, gemeente Steenwijkerland, provincie Overijssel. Het plangebied ligt ten noordwesten van Steenwijk. Het onderzoeksgebied betreft een onbebouwd verruigd perceel waar in het recente verleden een school heeft gestaan. In het perceel staan diverse bomen, jong boomopslag, ruigte kruiden, grasland en een dichtgegroeide waterpoel Gepland staat de gronden bouwrijp te maken ten aanzien van de nieuwbouw van een bedrijfshal met woning en omliggend grijs en groen. De daaruit voortvloeidende ingrepen zijn het kappen van bomen, verwijderen van overig groen, verwijderen van de bouwvoor en het bouwrijp maken van de gronden. Het plangebied ligt niet in het Overijsselse deel van het NNN, en ligt op een afstand van ca. 2,6 kilometer ten opzichte van omliggende Natura2000 (N2000) gebieden. In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid. 7.1 Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb Uit de effectentoetsing Soortbescherming Wet natuurbescherming wordt geconcludeerd dat bij uitvoering van de geplande ingrepen negatieve effecten mogelijk zijn op:  Broedvogels.

Er worden door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde soorten of aanwezige functies. Broedvogels Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Worden eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd, dan kunnen negatieve effecten op broedvogels uitgesloten worden. Als broedseizoen kan globaal de periode van 15 maart t/m 1 juli worden aangehouden. Zorgplicht Voor de Nederlandse soort- en gebiedsbescherming gelden tevens de algemene beschermingsmaatregelen van Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde Pagina | 19 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk 7.2 Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming Wnb en NNN Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde N2000 gebied De Wieden ligt op een afstand van ca. 2,6 kilometer ten opzichte van het plangebied. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Gezien de locale aard van de geplande ingrepen en de situering van het plangebied ten opzichte van het N2000 gebied wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen, leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen. Vervolgstappen in het kader van de Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. Natuur Netwerk Nederland beleid Gezien de resultaten uit het natuurwaardenonderzoek hoofdstuk 4 en de effectentoetsing Wnb en NNN hoofdstuk 5 en 6, kunnen negatieve effecten op beschermde soorten, aangewezen Habitat- of Vogelrichtlijnsoorten en Habitattypen uitgesloten worden.

Het plangebied ligt niet binnen de EHS of ONW begrenzing. Er is geen afname van EHS of ONW areaal en er wordt niet binnen de EHS of ONW begrenzing gewerkt. Door de geplande ingrepen kunnen negatieve effecten op de EHS en ONW uitgesloten worden. De geplande ingrepen passen daarnaast binnen de gewenste ontwikkelingen in Overijssel. Pagina | 20 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk GERAADPLEEGDE BRONNEN Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill, 2011. Vleermuizen, alle soorten vleermuizen van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur i.s.m. Zoogdierverenining. Douma, M., C.P.M. Zoon &A.D. Bode, 2011. De zoogdieren van Overijssel, leefwijze en verspreiding in de periode 1970t/m 2010. Uitgeverij Profiel Bedum. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap; Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs BV/ Provincie Noord- Holland, Haarlem. Krijgsveld, K.L., et al, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Vogelbescherming Nederland. Lange, R., P. Twisk , A. van Winden & A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van West- Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht.

Ministerie van LNV, 2004. Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Opzeeland, I. et al, 2007. Herrie onder water: Vissen en geluidsoverlast. De Levende Natuur,jaargang 108, nummer 2. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard Grote modderkruiper 2.0. Sierdsema, H., 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nederlands Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en EIS-Nederland, Leiden. Sparreboom (red.), 1981. De amfibieën en reptielen van Nederland, België en Luxemburg. Twisk, P. et al, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. KNNV Uitgeverij en Zoogdiervereniging. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra, 1994. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. KNNV Uitgeverij / IVN, Utrecht. Websites: SOVON (www.sovon.nl) Telmee (www.telmee.nl) RAVON, Reptielen Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland. (www.ravon.nl). Rijkswaterstaat (www.rijkswaterstaat.nl) Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl).

Pagina | 21 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk BIJLAGEN Pagina | 22 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE PLANGEBIED Plangebied zicht in oostelijke richting Plangebied zicht in zuidoostelijke richting

Pagina | 23 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Plangebied zicht in noordoostelijke richting Plangebied zicht in noordelijke richting

Pagina | 24 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Plangebied zicht in westelijke richting Plangebied zicht in noordwestelijke richting

Pagina | 25 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk Plangebied zicht in noordelijke richting

Pagina | 26 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk BIJLAGE II: N2000 AANWIJZINGSBESLUIT

Pagina | 27 Ecologisch onderzoek Tukseweg 136 Tuk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/98bc6b1f-b074-4c66-8ea9-4b87f4718ab1?agendaItemId=9bac7def-1add-46ad-801f-fa8c84bc433b