CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3A Natuurtoets.pdf

Politieke Markt 14 april 2021, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning - Het realiseren van een zonnepark nabij Wanneperveen9.019 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurwaardenonderzoek Zomerdijk-Kooiweg Wanneperveen In het kader van de Wet natuurbescherming 1 Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Zomerdijk-Kooiweg Wanneperveen In het kader van de Wet natuurbescherming Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Opdrachtgever: Powerfield Contactpersoon: J. Janssen Veerdijk 40-D 1531 MS Wormer Projectnummer en versie: 2658 versie 1.0 Status: definitief Veldmedewerker(s): P.Leemreise Auteur: P.Leemreise Rapportdatum: 17-11-2020 Ligging projectgebied: Zomerdijk 4 Wanneperveen Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700 2 Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 6 2.1 Ligging van het plangebied .......................................................................................................................

6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten ............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................................

8 4.3 Natura2000 .............................................................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie ........................................................................................................................................... 13 5 Soortenbescherming ..................................................................................................................................... 14 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 14 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 14 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 16 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 19 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................... 20 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................

23 5.7 Volledigheid van het onderzoek ............................................................................................................. 23 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 24 Bijlage ............................................................................................................................................................... 25 3 Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de ontwikkeling van een zonnepark op agrarische cultuurgrond tussen de Zomerdijk en de Kooiweg, ter hoogte van het adres Zomerdijk 4 te Wanneperveen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet u itgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoe k gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Het plangebied is op 25 juni 2020 onderzocht op de ( potentiële) aanwezigheid van beschermde planten , dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief eff ect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij het Natura 2000-gebied De Wieden, kan een negatief effect niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator, omdat de uitkomst van dit programma houdbaar is in een juridische procedure. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Het plangebied vormt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdier -, amfibieën-, vleermuis -, vis - en vogelsoorten.

Deze soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarlijks vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust - en voortplantingsplaats, planten beschermde vissen zich voort en bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde ongewervelden en reptielen. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied omdat potentieel geschikte verblijfplaatsen ontbreken. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing ver kregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden of er dient een broedvogelscan uitgevoerd te word en om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden.

Voor de amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rustplaats in het plangebied bezetten of die mogelijk gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en ve rnielen van vaste rust - en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de (mogelijk) in het plangebied voorkomende beschermde vissen. Echter, door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden beschermde vissen niet negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied voorkomende vogel-, en grondgebonden zoogdiersoorten, leidt niet tot wettelijke consequenties. 4 Samenvattende conclusie Het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch cultuurland (grasland) en voor een klein deel uit open water met oever en een houtsingel met onderbegroeiing van brandnetel en ander e ruigte. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd, maar wel als potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten beschouwd De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten1 geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘opzettelijk beschadigen en verni elen van de rust - en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden e n doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. Mits bezette vogelnesten niet beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Een negatief effect op het Natura 2000 -gebied De Wieden, kan op basis van deze Quickscan natuurwaardenonderzoek, niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren. Op basis van de uitkomst van dat onderzoek kunnen de wettelijk e consequenties in het kader van gebiedsbescherming vastgesteld worden.

1 Zie bijlage 2 van dit rapport 5 1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor de ontwikkeling van een zonnepark op agrarische cultuurgrond tussen de Zomerdijk en de Kooiweg, ter hoogte van het adres Zomerdijk 4 te W anneperveen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de We t natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000 -gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Natuurnetwerk Nederland, geconsolideerd 27-2-2019). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als é én van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning . Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecolo gisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

6 2 Het plangebied 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt ten westen van de woonkern Meppel, en omvat agrarische gronden tussen de Kooiweg in het noorden an de Zomerdijk in het zuiden. Het ligt in het buitengebied en wordt omgeven door agrarisch gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op de topografische kaart. Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de cirkel aangeduid (bron: pdok.nl). 2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat bijna volledig uit agrarische cultuurgrond, tijdens het veldbezoek in in gebruik als grasland. Dit grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie van raaigras en wordt intensief beheerd (bemesten, maaien en afvoeren). In het plangebied liggen enkele brede sloten. Op onderstaande afbeelding wordt een luchtfoto van het plangebied weergegeven, evenals de begrenzing van het onderzoeksgebied. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage. Detailopnames van het plangebied. De begrenzing van het onderzoeksgebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: PDOK.nl).

7 3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een zonnepark te ontwikkelen in het plangebied. De zonnepanelen wordt op agrarische cultuurgrond geplaatst. De bestaande watergangen worden niet aangetast. Op het moment van schrijven is nog geen definitief ontwerp van het zonnepark beschikbaar. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Plaatsen zonnepanelen en leggen kabels; • Aanleg beplanting; • Exploitatie zonnepark; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteit en hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust - en voortplantingsp laatsen als gevolg van g eluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust - of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied.

Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invl oedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uit voering van de fysieke werkzaamheden , zoals het bouwwerkzaamheden. Een stikstofberekening maakt geen onderdeel uit van deze studie. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijk e invloed op beschermde soorten, rust - of voortplantingslocaties buiten het plangebied. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijkgesteld aan het plangebied. 8 4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland. 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwe rk Nederland (verder NNN genoemd).

De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij" -regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenl ijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.

Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het rui mtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her -begrenzing van het NNN , saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland.

Aan de westzijde grenst het plangebied wel aan gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. 9 Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de donkergroene kleur op de kaart aangeduid (bron: geo.overijssel.nl). Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking ke nt in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. 4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt.

Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); GNN 10 De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ.

Natura 2000 -gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. E lke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Indien uit een voortoe ts blijkt dat een significant negatief effect op een Natura2000 -gebied niet uitgesloten kan worden, dient een Passende beoordeling opgesteld te worden. Als gevolg van het stopzetten van de PAS -systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000 -gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder vergunning van de Wet natuurbescherming. Per 1 -1-2020 is de Noodwet stikstof van kracht. Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrast ructuur en landbouw door te laten gaan.

Projecten worden daartoe van 'dringend openbaar belang' verklaard. Tijdens het half jaar dat de wet van kracht is, kan het kabinet een definitieve oplossing zoeken. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Het plangebied grenst aan de westzijde aan het Natura 2000 - gebied De Wieden (bron: Aerius Calculator). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000- gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura2000 -gebied in de omgeving van het plangebied . Natura2000 -gebied wordt met de lichtgroene kleur aangeduid. De begrenzing van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid (bron Aerius Calculator). Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied De Wieden bestaat voor een groot deel uit stikstofgevoelige habitattypen.

11 Beschrijving van Natura 2000-gebied De Wieden Natura 2000 -gebied De Wieden is aangewezen als Vogelrichtlijn gebied en Habitatrichtlijngebied. Het gebied Wieden is een uitgestrekt laagveenmoeras met meren en kanalen met daartussen natte graslanden, natte heiden, trilvenen, galigaanmoerassen, rietland en moerasbos. Het gebied is een restant van het laagveengebied dat zich ooit van Zwolle tot ver in Fryslân uitstrekte. Een groot deel bestaat uit uitgeveende petgaten. Alle successiestadia van open water tot en met moerasheide en veenbos zijn aanwezig. Het gebied Wieden is beïnvloed door het oude rivierstelsel van de Overijsselse Vecht. Er komen ondiepe kleiafzettingen voor. Door vervening, met bredere petgaten, zijn de grote meren ontstaan. Het Giethoornse- en Duiningermeer zijn natuurlijke meren. Overzicht van Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en habitatsoorten voor Natura 2000-gebied De Wieden.

12 Overzicht van Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen voor vogelsoorten voor Natura 2000-gebied De Wieden. Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, is een negatief effect, als gevolg van de uitvoering van fysieke werkzaamheden uitgesloten. Mogelijk is er sprake van enige verstoring in een deel van het Natura 2000 -gebied, direct naast het plangebied, als gevolg van de aanwezigheid van mensen (optische verstoring) tijdens de aanlegfase. Dit is echter een tijdelijk effect. Of er daadwerkelijk sprake is van tijdelijke verstoring is afhankelijk van de tijd van het jaar waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden. Broedvogels zullen geen hinder ontvangen van de werkzaamheden, maar overwinterende ganzen mogelijk wel. Deze mogelijke verstoring is éénmalig, gedurende enkele weken en zal geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Beoordeling Stikstof Bij de aanleg van het zonnepark wordt rijdend materieel met een verbrandingsmotor ingezet en neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied, als gevolg van het leveren van materiaal, materieel en personeel t ijdelijk toe. Het plangebied grenst aan het Natura 2000 -gebied Wieden.

S tikstofgevoelige habitattypen ligging op sommige plekken op slechts 50 meter afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tusse n het plangebied en stikstofgevoelige habitattypen kan een negatief effect als gevolg van stikstofemissie niet uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening opgesteld te worden.

13 Wettelijke consequenties Op basis van het uitvoerde onderzoek kunnen de wettelijke consequenties niet vastgesteld worden. Er dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. 4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorg enomen activiteiten, en de ligging nabij het Natura 2000-gebied De Wieden, kan een negatief effect niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator, omdat de uitkomst van dit programma houdbaar is in een juridische procedure. 14 5 Soortenbescherming 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch cultuurland (grasland) en voor een klein deel uit open water met oever en een houtsingel met onderbegroeiing van brandnetel en andere ruigte. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd, maar wel als potentieel geschikt functioneel le efgebied voor verschillende beschermde diersoorten beschouwd.

Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; • vissen; • reptielen; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als vissen, dag - en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsg ebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen. 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 25 juni 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora - en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x 50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28).

Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog;2 • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, regenachtig, temperatuur 14⁰C, wind: 2-3 Bft. 2 Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. G. Tamminga. Hij heeft ruim 15 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 50 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, hoofdzakelijk in Noord-Nederland. 15 Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar territorium -indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben . Sommige vogels hebben uitgevlogen jongen in deze tijd van het jaar en bevinden zich dan nog in de directe omgeving van de nestplaats (huismus, steenuil) of hebben de broedplaats verlaten.

In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (ro ofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. fysiek onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten onder de dakpannen. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Sommige grondgebonden diersoorten bezetten de voortplantingslocatie en hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar , maar er zijn ook verschillende soorten, waarvan de jongen de voortplantingsplaats reeds verlaten hebben . Sommige jonge grondgebonden zoogdieren houden zich dan nog op in de omgeving van he t plangebied, maar sommige jonge dieren hebben de voortplantingsplaats reeds verlaten.

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksg ebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naa r vleermuizen en naar potentiële rust - verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen. Gebouwen en andere bouwwerken ontbreken in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied . Het onderzoek is uitgevoerd in het actieve seizoen; vleermuizen bezetten de zomer- of kraamverblijven in deze tijd van het jaar. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën . Met uitzondering van de groene kikker, bezetten de meeste amfibieënsoorten de landbiotoop in deze tijd van het jaar.

Amfibieën in landbiotoop zitten overdag meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 16 Reptielen De onderzoeksperiode is g eschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Reptielen zijn actief op mooie, warme en zonnige dagen, maar bevinden zich vaak in dichte vegetatie of verbergen zich onder bladeren, takken of holen in de grond en zijn dan lastig waar te nemen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielensoorten. Vissen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar vissen.

Er is tijdens het veldbezoek geen gebruik gemaakt van fuiken, steeknetten of ander visgerei. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vissen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van beschermde vissoorten. 5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied, en er nestelen vermoedelijk jaarlijks vogels in het plangebied. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn wilde eens, meerkoet, waterhoen, knobbelzwaan, merel, winterkoning, roodborst, houtduif, tjiftjaf, zwartkop, blauwborst, kievit en wulp. Vogels kunnen nestelen in opgaande beplanting, agrarisch cultuurland, water en dichte vegetatie op de oever.

Alleen weidevogels nestelen in het agrarisch cultuurland. Door het plaatsen van zonnepanelen in het agrarisch cultuurland, in de periode maart -juni, worden mogelijk bezette vogelnesten van weidevogels beschadigd en vernield . Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten blijft de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten behouden, maar gaat de functie voor vogels die in het agrarisch cultuurland foerageren, verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren werkzaamheden in het plangebied tijdens de voortplantingsperiode (maart- juni); - Bebouwen agrarisch cultuurland met zonnepanelen; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat beschermde grondgebonden zoogdieren een rust - en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als vos, ree, haas, egel, steenmarter, dwergmuis, bosmuis, aardmuis, gewone bosspitsmuis, waterspitsmuis, hermelijn, wezel, bunzing en veldmuis.

Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als dwergmuis, bosmuis, aardmuis, gewone bosspitsmuis en veldmuis er een rust- en/of voortplantingslocatie . Vanwege het ontbreken van oude bomen en 17 aardkundige structuren, wordt de aanwezigheid van een vaste rust - en/of voortplantingsplaats van kleine marterachtigen in het agrarisch cultuurland uitgesloten en is het niet aannemelijk dat deze dieren een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezetten in de hou tsingel. Beschermde grondgebonden zoogdieren bezetten hoofdzakelijk een vaste rust- en voortplantingslocatie in holen en gaten in de grond , maar de dwergmuis bezet een vaste rust- en voortplantingslocatie in ruigte. Alleen de veldmuis bezet een vaste rust- en voortplantingslocatie in het agrarisch cultuurland. Daar werpt de haas ook jongen. Door het plaatsen van de panelen en het vergraven van grond , word en mogelijk veldmuizen en hazen verwond of gedood en word t mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats van de veldmuis beschadigd en vernield. Door het berijden van de grond in het voorjaar, kunnen jonge hazen verwond of gedood worden. Door het benutten van het plangebied als zonnepark, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige grondgebonden zoogdieren aangetast omdat de grazige vegetatie onder de zonnepanelen zal afnemen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Vergraven grond; - Berijden plangebied; - Bebouwen agrarisch cultuurland met zonnepanelen; Vleermuizen Rust- en verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust - of verblijfplaats in het plangebied bezetten . Gebouwen of andere bouwwerken ontbreken en in de bomen zijn geen holen of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, worden delen van het plangebied als foerageergebied voor sommige vleermuizen beschouwd. Verschillende vleermuissoorten zullen de opgaande beplanting en open water met de oeverzone benutten als foerageergebied. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is beperkt; het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermu izen niet aangetast, maar mogelijk zelfs versterkt als gevolg van de aanleg van nieuwe beplanting, riet en ruigte en bloem- en faunarijk grasland. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de p eriode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegrou te. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige 18 elementen die benut worden als vliegroute ku nnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar g elet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied waarschijnlijk tot functioneel leefgebied van verschillende amfibieënsoorten. A mfibieënsoorten als gewone pad , bruine kikker , bastaardkikker en kleine watersalamander benutten de sloten met de oeverzone en de houtsingel vermoedelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)verblijfplaats. Mogelijk benutten voorgenoemde amfibieënsoorten het open water in het plangebied als voortplantingsbiotoop. Het plangebied vormt geen potentieel leefgebied voor zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad en poelkikker. Het agrarische cultuurland, wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied voor amfibieën. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen (winter)verblijfplaats of voortplantingsbiotoop beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën wordt d oor uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast, maar mogelijk zelfs versterkt als gevolg van de aanleg van nieuwe beplanting, riet en ruigte en bloem - en faunarijk grasland.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Reptielen Laagveengebied met landbiotoop en open water vormt potentieel leefgebied voor de ringslang, maar niet voor andere reptielensoorten. Het plangebied ligt op enige afstand van bekend leefgebied van de ringslang en wordt niet als functioneel leefgebied voor de ringslang beschouwd. Met uitzondering van de houtsingel, het water en de oevers, vormt het zelfs ongeschikt functioneel leefgebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen ringslang gedood en wordt geen (winter)verblijfplaats of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vissen De sloten vormen potentieel leefgebied voor de grote modderkruiper en de kleine modderkruiper. Indien de sloten niet gedempt worden, wordt geen grote - of kleine modderkruiper gedood en wordt geen functioneel leefgebied van de grote- of kleine modderkruiper vernield. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 19 5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet n atuurbescherming van kracht.

Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht3. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Dit kan de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting zijn van Stadswerk (2016). Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11.

In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaa tsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om sc hadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport. 3 Per 1-12-2019 is een aangepaste vrijstellingslijst van kracht. 20 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het uitvoeren van werkzaamheden in het grasland tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit ni et als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is juli-februari.

Initiatiefnemer mag maatregelen treffen die vogels weerhouden te nestelen in het plangebied of een broedvogelscan uitvoeren indien de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden tijdens de voortplantingsperiode van weidevogels. Door het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, wordt de duurzame instandhouding van een jaarrond beschermde nestplaats niet negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, leidt daarom niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Activiteiten op grasland uitvoeren buiten de voortplantingsperiode of broedvogelscan uitvoeren; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten word t geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er ho eft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentieel foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes 4 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. 4 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute.

21 Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust - of voortplantingsplaats beschadigd en vernield, als gevolg van uitvoe ring van de voorgenomen activiteiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust - en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten word t geen amfibie gedood en word t geen (winter)rust- of voortplantings plaats beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied, wordt niet aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Reptielen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen (winter)rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Het plangebied vormt geen foerageergebied voor reptielen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vissen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde vis gedood en wordt het functionele leefgebied van beschermde vissen niet aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteite n leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; 22 Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde diersoorten.

Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op beschermde soorten met een rust- en of voortplantingsplaats buiten het plangebied. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Soortgroep Functie Beschermde soorten planlocatie Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming) Aandachtspunt Grondgebonden zoogdieren Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Geen Grondgebonden zoogdieren Vaste rust- en voortplantingsplaats Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Geen Grondgebonden zoogdieren Doden van dieren Diverse soorten Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Geen Vogels Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; de functionaliteit van geen enkel jaarrond beschermde nestplaats wordt aangetast Geen Vogels Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Diverse soorten Art. 3.1 lid 2 Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Vogels Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vogels Doden van dieren Diverse soorten Art.

3.1 lid 1 Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Vleermuizen Verblijfplaats Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Foerageergebied Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Vleermuizen Vliegroute Niet aanwezig Niet van toepassing Geen Vleermuizen Doden van dieren Niet van toepassing Niet van toepassing Geen Amfibieën Foerageergebied Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Amfibieën Vaste verblijfplaats Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Amfibieën Voortplantingsplaats Niet aanwezig Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Amfibieën Doden van dieren Diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Reptielen Foerageergebied Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Reptielen Vaste verblijfplaats Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Reptielen Voortplantingsplaats Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Reptielen Doden van dieren Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; er wordt geen beschermde vis gedood Geen Vissen Foerageergebied Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Vissen Vaste verblijfplaats Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet

aangetast Geen Vissen Voortplantingsplaats Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Geen Vissen Doden van dieren Mogelijk diverse soorten Niet van toepassing; er wordt geen beschermde vis gedood Geen Overige soorten Dieren en overige functies Niet aanwezig Niet van toepassing Geen 23 In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep Rust- en verblijf- plaats Voortplan- tingsplaats Vliegroute (vleermuizen) Essentieel foerageer- gebied Wettelijke conse- quenties? Nader onderzoek vereist Ontheffing vereist? Grondgebonden zoogdieren ja ja n.v.t. nee ja nee Nee, tenzij dieren gedood worden Vogels nee ja n.v.t. nee Ja nee Nee, tenzij bezette nesten vernield worden Vleermuizen nee nee nee nee nee nee nee Amfibieën ja nee n.v.t. nee nee nee nee Reptielen nee nee n.v.t. nee nee nee nee Vissen nee nee n.v.t. nee nee nee nee Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep. 5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. 24 6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’.

Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust - en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd 5. Voor beschermde soorten die n iet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conf orm een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, Gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of plann ing in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 -gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederl and, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging nabij het Nat ura 2000-gebied De Wieden, kan een negatief effect niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een stikstofberekening uit te voeren m.b.v. het programma Aerius Calculator, omdat de uitkomst van dit programma houdbaar is in een juridische procedure. Het pl angebied vormt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdier -, amfibieën-, vleermuis -, vis - en vogelsoorten. Deze soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarlijks vogels, b ezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust - en voortplantingsplaats, planten beschermde vissen zich voort en bezetten amfibieën er een (winter)rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde ongewervelden en reptielen. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied, geschikte verblijfplaatsen ontbreken. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestp laats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Werkzaamheden die leiden tot het be schadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden of er dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden. Voor de amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rustplaats in het plangebied bezetten of die mogelijk gedood worden als gevolg van de voorgenomen activiteiten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en ve rnielen van vaste rust - en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de (mogelijk) in het plangebied voorkomende beschermde vissen. Echter, door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden beschermde vissen niet negatief beïnvloed. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied voorkomende vogel-, en grondgebonden zoogdiersoorten, leidt niet tot wettelijke consequenties. 5 De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen dan niet meer onder de vrijstelling in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. 25 Bijlage Bijlage 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/2160c0ea-bc45-44ba-85e1-23ac141965e5?agendaItemId=783e278c-9754-4f70-9324-3951ac27fedc