bijlage 10 Ruimtescan_Tuk Noord en Midden
Tekst van het document
Ruimtescan Steenwijkerland: Woningbouw Tuk 19 juni 2025 | Auteurs: Lars Haverkort | Michiel van der Meer | Ellis Brinkman | Ruimtewerk
3.1 | Algemene gebiedsinformatie | 22 Inhoudsopgave | 3.1.1 | Hoogtekaart | 22 3.1.2 | Grondeigendom | 22 1 | Vraagstelling, locatie & omgeving | 3 | 3.1.3 | Grondgebruik | 23 1.1 | Aanleiding | 3 | 3.2 | Geschiedenis | 27 1.2 | Beschrijving locatie en beoogde ontwikkeling | 3 | 3.2.1 | Archeologie | 27 1.3 | Leeswijzer | 4 | 3.2.2 | Cultuurhistorisch landschap | 28 1.4 | 7 | 3.3 | Bodem & water | 32 3.3.1 | Bodemopbouw | 32 2 | Toetsing beleid | 8 | 3.3.2 | Bodemkwaliteit | 32 2.1 | Gemeentelijk beleid | 8 | 3.3.3 | Waterhuishouding en -overlast | 33 2.1.1 | Verstedelijkingstrategie regio Zwolle | 8 | 3.3.4 | Niet gesprongen explosieven | 33 2.1.2 | Actualisatie Woondeal West-Overijssel 2025 t/m eind 2030 | 8 | 3.4 | Natuur& landschap | 38 2.1.3 | Regionale woonzorgvisie 2024-2026 West-Overijssel | 9 | 3.4.1 | Gebiedsbescherming | 38 2.1.4 | Woonagenda Steenwijkerland 2022- 2026 | 9 | 3.4.2 | Soortenbescherming | 39 2.1.5 | Afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040 | 10 | 3.4.3 | Houtopstanden | 39 2.1.6 | Ambitiedocument, spoorzone Steenwijk 2040 | 10 2.1.7 | Toetsing ontwikkeling aan gemeentelijk beleid | 10 | 3.5 | Woon- en leefklimaat | 42 2.2 | Provinciaal beleid | 13 | 3.5.1 | Externe veiligheid | 42 3.5.2 | Kabels en leidingen | 43 2.2.1 | Omgevingsverordening provincie Overijssel | 13 | 3.5.3 | Bedrijven en milieuzonering | 43 2.2.2 | Overijsselse woonaanpak | 13
| 3.5.4 | Geluid | 45 2.2.3 | Omgevingsvisie Overijssel | 14 | 3.5.5 | Verkeer en parkeren | 46 2.2.4 | Toetsing ontwikkeling aan provinciaal beleid | 14 | 3.5.6 | Luchtkwaliteit | 47 2.3 | Waterschapsbeleid | 17 | 3.5.7 | Spuitzones | 48 2.3.1 | Waterschapsverordening | 17 | 3.5.8 | Netcongestie | 48 2.3.2 | Position paper Water en Bodem sturend | 17 2.3.3 | Toetsing ontwikkeling aan waterschapsbeleid | 17 | 4. Haalbaarheid | 58 2.4 | Rijksbeleid | 20 | Bijlage 1 – Benodigde onderzoeken bij de ontwikkeling | 61 2.4.1 | Wet versterking regie volkshuisvesting | 20 2.4.2 | Nationale prestatieafspraken 2025-2035 | 20 3 | Toetsing omgevingsaspecten | 22 1
2 Hoofdstuk 1 Vraagstelling, locatie & omgeving
3 1 Vraagstelling, locatie & omgeving 1.1 Aanleiding Er is een behoefte aan extra ruimte voor wonen en werken in- en rondom de stad Steenwijk, maar de ruimte is schaars. Er zijn verschillende locaties waar in potentie woningen of bedrijven gerealiseerd kunnen worden, maar een ontwikkeling voor woningbouw enerzijds gaat altijd ten koste van iets anders. Bij een inbreidingslocatie komt er meer druk op de bestaande infrastructuur en voorzieningen. Bij uitbreiding gaat het ten koste van openheid en het landschap. Met andere woorden: de perfecte locatie bestaat niet. Aan de keuze om ergens woningen te realiseren hangt dus altijd een tegenargument om het niet te doen. Om die reden heeft de gemeente Steenwijkerland het ‘afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040’ opgesteld. In het afwegingskader wordt op basis van zes bouwstenen (zie hiernaast) een ontwikkelrichting voor de stad Steenwijk uiteengezet. Die ontwikkelrichting wordt vertaald naar een aantal concrete locaties voor woningbouw en bedrijventerreinen. De gemeenteraad van 1 2024_RAAD_00068 De toekomst van wonen en werken in Steenwijk, 26 november 2024 Steenwijkerland heeft het afwegingskader – en daarmee de locaties voor wonen en werken – op 26 november 2024 richtinggevend vastgesteld1 .
Daarnaast is besloten om het afwegingskader en de nadere uitwerking ervan mee te nemen in het traject om te komen tot een visie op Steenwijk, als onderdeel van de omgevingsvisie voor Steenwijkerland. In het kader van de nadere uitwerking is Ruimtewerk gevraagd om een haalbaarheidsonderzoek te doen naar een aantal verschillende ontwikkellocaties uit het afwegingskader wonen en werken. Met de voorliggende Ruimtescan worden beleidstechnische-, ruimtelijke- en financiºle aspecten globaal verkend. De verkenning resulteert in ee n SWOT met aspecten waarbij rekening gehouden moet worden met de besluitvorming over de ontwikkellocatie (Strenghts, Weaknesses, Opportunities & Threats). De voorliggende Ruimtescan geldt voor de beoogde locatie voor woningbouw in Tuk. 1.2 Beschrijving locatie en beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkellocatie bevindt zich aan de westzijde van Tuk (ook weer ten westen van Steenwijk). Het plangebied is opgeknipt in twee delen: Tuk Noord en Tuk Midden. Tuk Noord is een gebied met een oppervlakte van ongeveer 6,5 hectare. Het wordt begrensd door Tuk zelf en de spoorlijn tussen Steenwijk en Wolvega. De westelijke en noordelijke grens worden gevormd door de N334… Tuk Midden (ongeveer 12 hectare) ligt een klein
stukje naar het zuiden, direct naast de N334 en ten zuiden van de Oldemarktsweg. 1.3 | Leeswijzer In dit gebied wil de gemeente Steenwijkerland woningbouw realiseren. Uit de stadsvisie van Steenwijk volgt dat er ongeveer 325 woningen | De Ruimtescan is verdeeld in de volgende hoofdstukken: gerealiseerd kunnen worden (ongeveer 90 in Noord, 235 in Midden), | ▪ | In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de aanleiding voor de met name grondgebonden woningen en een aanzienlijk deel | Ruimtescan en wordt de beoogde ontwikkeling waarvan de appartementen. De woningbouw wordt gerealiseerd volgens het | haalbaarheid wordt onderzocht beschreven. 30/40/30 principe; 30% sociale huurwoningen, 40% betaalbaar en 30% | ▪ | Hoofdstuk 2 bevat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan duur (vrije sector), in overeenstemming met de afspraken vanuit de | het beleid. Het beleid wordt met de verschillende schaalgroottes Woondeal met provincie Overijssel. Binnen het plan is in aansluiting op | doorlopen waarbij het begint bij het gemeentelijk beleid, en langs het woningbehoefte onderzoek 2021-2032 en conform de woonagenda | het provinciaal- en waterschapsbeleid naar het rijksbeleid gaat. Steenwijkerland 2022-2026 en de woonzorgvisie West Overijssel | ▪ | In hoofdstuk 3 wordt algemene informatie over de locatie 2024, ruimte voor verschillende doelgroepen, zoals bijvoorbeeld | beschreven (bijv.
grondeigendom en grondgebruik) en wordt de ouderen, gezinnen, starters, wonen met zorg en ondersteuning en een | beoogde ontwikkeling getoetst aan omgevingsaspecten die in het klein cluster woonwagens. | kader van ruimtelijke ordening van belang zijn zoals archeologie, cultuurhistorie, bodem- en wateraspecten, natuur en verschillende Door bureau BVR zijn schetsen gemaakt voor de invulling van de beide | milieuaspecten. locaties. Voor beide locaties geldt dat ze voor verkeer worden | ▪ | Hoofdstuk 4 bevat een sterkte-zwakte analyse op hoofdlijnen in ontsloten via de gemeentelijke infrastructuur (niet rechtstreeks | relatie tot de haalbaarheid van de ontwikkeling, gerelateerd aan de richting de provinciale weg die erlangs loopt). In het plan is veel ruimte | zes bouwstenen uit het ‘afwegingskader wonen en werken voor groen (‘wonen aan het landschap’). In het noordelijk deel is er een | Steenwijk 2040’. groene bufferzone tussen de provinciale weg en de woningen en ook in | Tot slot wordt in een bijlage een opsomming gegeven van het woondeel is er een grote ambitie voor groen. Vanwege het grote | benodigde/geadviseerde onderzoeken bij de ontwikkeling. hoogteverschil in het plangebied wordt het schetsplan voor een groot deel bepaald door de hoogtelijnen in het gebied (‘wonen op terrassen’). In Tuk Midden is naast woningbouw ook ruimte voorzien voor maatschappelijke functies (bijv.
basisschool en kinderopvang). 4
5 Tuk Noord
6 Tuk Midden
7 1.4 Hoofdstuk 2 Toetsing beleid
2.1.2 | Actualisatie Woondeal West-Overijssel 2025 t/m 2 Toetsing beleid | eind 2030 In december 2022 heeft provincie Overijssel in samenwerking met de 2.1 | Gemeentelijk beleid | West-Overijsselse gemeenten de Woondeal ‘Wonen met Kwaliteit’ opgesteld. Hierin is vastgelegd welke bijdrage regio West-Overijssel in de periode tot en met eind 2030 levert aan de nationale ambities op 2.1.1 | Verstedelijkingstrategie regio Zwolle | het gebied van woningbouw. Daarin is een minimale De Regio Zwolle staat voor een grote uitdaging: hoe kan de regio op | woningbouwopgave van 28.200 voor West-Overijssel tot en met 2030 een duurzame en evenwichtige manier groeien, met respect voor | opgenomen. Uit de actualisatie komt naar voren dat de regio als natuur, infrastructuur en de leefbaarheid van haar inwoners? | geheel goed op koers ligt met de huidige doelstellingen. Het Rijk heeft Aangewezen door het Rijk als NOVEX-gebied ligt de uitdaging om de | de provincie Overijssel gevraagd om minimaal 5.000 extra woningen te opgaven voor woningbouw, economische concurrentie, mobiliteit en de | bouwen tot en met 2030. Deze extra opgave landt in Deventer, klimaatverandering te verenigen in een integrale verstedelijkings- | Hardenberg, Olst-Wijhe, Raalte en Staphorst. strategie.
Om invulling te geven aan de opgaven hebben 22 gemeenten, vier provincies, vier waterschappen samen met de | In de Woondeal wordt het 30-40-30 principe gehanteerd. Dit refereert ministeries BZK, IenW, EZK en Rijkswaterstaat gezamenlijk een | naar het uitgangspunt om 30% van de woningbouwopgave te verstedelijkingsstrategie ontwikkeld. Het document2 vormt de basis | realiseren in sociale huur (8.460 woningen, 40% in de middenhuur en voor afspraken tussen het Rijk en de regio over woningbouw, | betaalbare koop (11.280 woningen), en 30% in de vrije sector. Met name economische ontwikkeling en mobiliteit. | de opgave om 30% sociale huur te realiseren heeft een drukkend effect op het programma van de ontwikkellocaties De Kamp en Tuk. Ook de gemeente Steenwijkerland valt onder de regio Zwolle en is daarmee een partij in de verstedelijkingsstrategie. Uit deze strategie | Vanuit de Woondeal zijn regionale sleutelprojecten aangewezen in volgt voor de gemeente de volgende opgave: | overeenstemming met de afspraken vanuit de Woontop. Dit zijn ▪ | De realisatie van 1500 woningen na 2031 | projecten met een grote impact op de verstedelijkingsopgave en ▪ | Het toevoegen van 12 hectare lokaal bedrijventerrein + regionaal | voorzien in de lokale woningbehoefte. In totaal zijn er 50 bedrijventerrein. | sleutelprojecten aangewezen waarin wordt voorzien in 24.210 woningen.
Er zijn drie sleutelprojecten vanuit Steenwijk opgenomen in de actualisatie3 . Het gaat hier om Steenwijk-Zuidoost, Vollenhove 2 Verstedelijkingsstrategie Regio Zwolle, Warme Harten in en Klimaat | 3 2025_B&W_00272 Actualisatie Woondeal West-Overijssel 2025 t/m adaptieve Delta, 1 februari 2023. | eind 2030, 15 april 2025. 8
(beide 240 woningen) en de Spoorzone voor de periode 2030-2035 | ▪ | Opgave 5: dementievriendelijke wijken. Speciale wijken ontworpen (350 woningen). De woningbouw(opgave) die uit de visie Steenwijk | op de behoeften en uitdagingen van mensen met dementie voortkomt, is nog niet opgenomen, aangezien dit traject nog in | evenals ter bevordering van zelfstandigheid, veiligheid en welzijn. ontwikkeling is. Binnen het plangebied is desgewenst ruimte om invulling te geven aan 2.1.3 | Regionale woonzorgvisie 2024-2026 West- | deze opgaven. Dit is een onderwerp voor nadere uitwerking in de Overijssel | volgende fasen. In 2026 moeten alle gemeenten en provincies in Nederland een woonzorgvisie hebben. Een regionale woonzorgvisie vormt voor | 2.1.4 | Woonagenda Steenwijkerland 2022- 2026 gemeenten de basis om regionale en lokale afspraken te maken met | Los van de regionale opgave voor woningbouw geldt er ook een lokale woningcorporaties, verhuurders, zorgaanbieders en zorgkantoren over | woningbouwopgave. De gemeente Steenwijkerland staat de komende huisvesting, zorg en ondersteuning voor aandacht groepen en ouderen. | jaren voor een belangrijke uitdaging op het gebied van wonen. De In maart 2024 is de woonzorgvisie huisvesting ouderen van West | vraag naar woningen blijft stijgen, zowel door de natuurlijke Overijssel ondertekend4.
In de Regionale woonzorgvisie worden de | bevolkingsgroei als door de instroom van nieuwe inwoners. volgende opgaven benoemd: | Tegelijkertijd zijn er grote opgaven op het gebied van betaalbaarheid, ▪ | Opgave 1: flexibele en duurzame nultredenwoningen. De focus ligt | duurzaamheid en leefbaarheid. Om deze uitdagingen in goede banen op het creºren van woningen die niet alleen levensloop-geschikt en | te leiden, heeft de gemeente de Woonagenda Steenwijkerland 2022- veilig zijn, maar ook flexibel aanpasbaar om te voldoen aan | 2026 opgesteld. Dit beleidsdocument schetst de koers voor de veranderende behoeften. | woningmarkt in de komende jaren en biedt handvatten om een ▪ | Opgave 2: meer tussenvoorzieningen. Gemeenten constateren een | evenwichtige en toekomstbestendige woonomgeving te realiseren. gebrek aan tussenvoorzieningen voor mensen die niet meer thuis kunnen wonen, maar nog niet terechtkunnen in het verpleeghuis. | Een van de kernpunten in de woonagenda is de bouw en uitbreiding ▪ | Opgave 3: ouderenwoningen in zorgzame gemeenschappen. Een | van de woningvoorraad van zowel voor koop- als huurwoningen volgens geïntegreerde benadering van wonen, welzijn en zorg, waarbij | het 30/40/30 principe (30% goedkoop, 40% middelduur, 30% duur/vrije geclusterde woningen een centrale rol spelen. | sector).
Uit de woonagenda volgt voor Steenwijk de opgave om tot het ▪ | Opgave 4: inzetten op doorstroming en doorstroming faciliteren. | jaar 2031 in totaal 695 tot 945 woningen te realiseren. Elke 4 à 5 jaar vindt er een woningmarktonderzoek plaats voor een actueel beeld van 4 Totstandkoming regionale woonzorgvisie West-Overijssel, 14 oktober 2024 9
10 de woningmarkt. Op dit moment wordt er opnieuw een woningmarktonderzoek uitgevoerd5. De lokale vraag voor 695 tot 945 woningen is in bestaande (zachte) plancapaciteit opgenomen. Daarnaast is er vanuit de stadsvisie de ambitie voor 1500 woningen vanuit bovenregionale vraag. 2.1.5 Afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040 De gemeente Steenwijkerland staat zoals hiervoor beschreven voor een grote opgave als het gaat om ruimte voor wonen en werken, dit terwijl geschikte ruimte voor ontwikkelingen in- en rondom de stad schaars is. Met het afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040 heeft de gemeente stads breed gekeken naar potentiºle ontwikkellocaties en op basis van een afwegingskader (zes bouwstenen) voor- en nadelen van de verschillende locaties tegen elkaar afgewogen. Dit heeft geleid tot een ontwikkelrichting met ook concrete locaties voor woningbouw en bedrijventerrein (zie ook de visiekaart op de volgende pagina uit het afwegingskader). Het afwegingskader is richtinggevend vastgesteld in de gemeenteraad van 26 november 2024. Het biedt een strategische basis voor toekomstige ontwikkelingen en vormt mede op basis van zes bouwstenen input voor de omgevingsvisie van Steenwijkerland. 2.1.6 Ambitiedocument, spoorzone Steenwijk 2040 De Spoorzone in Steenwijk is een gebied met enorme potentie.
Gelegen op een strategische plek, speelt het station en de omliggende ruimte een cruciale rol in de bereikbaarheid en ontwikkeling van de stad en daarmee ook in de opgaven voor wonen en werken. Om deze 5 Woonbeleid, 3 juni 2025 potentie optimaal te benutten en Steenwijk klaar te maken voor de toekomst, heeft de gemeente een ambitiedocument opgesteld dat richting geeft aan de gebiedsontwikkeling tot 2040. Hierin staat hoe de Spoorzone kan uitgroeien tot een dynamische, duurzame en economisch sterke omgeving die naadloos aansluit op de wensen van bewoners, reizigers en ondernemers. Vanuit het ontwikkelprincipe ‘zuinig omgaan met de ruimte’ is de spoorzone een belangrijke en logische ontwikkellocatie voor de stad. Om te voorzien in de lokale en regionale woningbouw zullen er naast de spoorzone ook nieuwe ontwikkellocaties, binnenstedelijk en buiten stedelijk, worden aangewezen. Een ambitie die is uitgesproken voor de spoorzone is dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan de mobiliteitstransitie (minder auto, meer lopen, fietsen en OV) en dat daarom woningbouw op fiets- of loopafstand van het station wordt gerealiseerd. 2.1.7 Toetsing ontwikkeling aan gemeentelijk beleid De locatie Tuk is in het afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040 benoemd als ØØn van de beoogde ontwikkellocaties voor woningbouw. In de huidige schetsen is die locatie deels verschoven.
Het gebied tussen Tukseweg en Oldemarktseweg is vervangen door het gebied onder de Oldemarktseweg. Tuk Noord sluit daarmee aan op het gemeentelijk beleid. Tuk Midden wijkt daarvan af. De locaties Tuk worden in het afwegingskader vanuit de hogere ligging vooral positief beoordeeld vanuit het aspect ‘water en bodem sturend’ (zie ook volgende paragraaf). Als het gaat om de relatie met de ambitie voor de spoorzone Steenwijk lijkt de locatie iets minder relevant dan andere
11 beoogde ontwikkellocaties in Steenwijk, hoewel de afstand tot het station van Steenwijk nog steeds relatief klein is (+- 2,0 tot 2,5 km). De geschetste programmering van ongeveer 325 woningen draagt meer dan 20% bij aan de totale bovenregionale woningbouwambitie voor 1500 woningen. De geschetste programmering van ongeveer 325 woningen draagt meer dan 20% bij aan de totale bovenregionale woningbouwambitie voor 1500 woningen. Er is ruimte voor inpassing van woningen voor diverse aandachtsgroepen. De locatie scoort hoog op de bouwsteen ‘water en bodem sturend’. De locatie ligt op fietsafstand van het intercitystation en draagt bij aan de ambities Spoorzone.
12 Overzichtskaart met potentiºle ontwikkellocaties voor woningbouw en bedrijventerrein naar aanleiding van uitwerking Afwegingskader wonen en werken Steenwijk 2040.
13 2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsverordening provincie Overijssel De omgevingsverordening van de provincie Overijssel bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. EØn van de provin ciale belangen die in het kader van woningbouw in Tuk geraakt wordt is die van de ruimtelijke kwaliteit. In de verordening zijn hiervoor regels opgenomen. Hierin is vastgelegd dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een onderbouwing zit dat de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de ‘catalogus gebiedskenmerken’ doet voor dat gebied. In deze catalogus worden vier lagen onderscheiden, namelijk de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de stedelijke laag en de laag van de beleving. Voor de locatie Tuk wordt per laag beschreven: Natuurlijke laag: Beekdal. Beekdalen hebben een beschermde bestemmingsregeling om watersystemen genoeg ruimte te geven. Ontwikkelingen moeten borgen dat water verder kan stromen en wordt vastgehouden in het gebied. Verder moet het water zichtbaar, bereikbaar en beleefbaar blijven. Agrarisch cultuurlandschap: Oude Hoevenlandschap. Een landschap met veel contrast, gelijk aan een essenlandschap op kleinmatige schaal.
Ontwikkelingen in een Oud Hoevenlandschap dragen bij aan de karakteristieke structuren (zoals de mate van openheid en kleinschaligheid) en vergroten toegankelijkheid van erven en erfroutes. Stedelijk gebied: informele trage netwerk. Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het agrarisch cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. Het is de ambitie om het fiets- en wandelpaden op het niveau van de regio te integreren. Als ontwikkelingen plaatsvinden in dit gebied dan worden mogelijkheden voor het bijdragen aan lange afstands-, wandel- en fietsroutes benut. Laag van de beleving: bakens in de tijd. Bakens in de tijd zijn relicten van diverse aard uit verschillende perioden van de geschiedenis van Overijssel. Denk aan historische wegen, landschappelijke ensembles, verkavelingsstructuren of monumenten. De ambitie is om bij nieuwe ontwikkelingen de bakens in de tijd te inventariseren, te behouden, te benutten en te versterken. Vanuit de laag van de beleving is verder mogelijk nog relevant de aanduiding ‘balkons en belvedŁres ’. Dit zijn formeel bepaalde plekken waar vanaf of waar vandaan het landschap kan worden waargenomen. In het geval van Tuk gaat het om uitkijktoren Woldberg aan de overkant van de A32 (ten noorden van het plangebied).
Gemeentes selecteren hierbij zelf plekken waar het uitzicht behouden moet worden. 2.2.2 Overijsselse woonaanpak Met de Overijsselse woonaanpak werken de provincie, het Rijk, gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen samen om de vraag naar woningen te realiseren. Het doel is om tot 2030 binnen de provincie Overijssel 47.300 woningen toe te voegen. Het gaat hierbij om betaalbare koop en betaalbare (sociale) huur. De vier speerpunten zijn: (1) realisatie van de woningbouw, (2) een huis voor iedereen, (3) toekomstbestendige woningen en wijken en (4) leefbare dorpen en steden.
14 2.2.3 Omgevingsvisie Overijssel In juni 2024 is het concept van de provinciale Omgevingsvisie ‘Overijssel voor en met elkaar!’ vastgesteld. Het is de intentie dat deze visie in 2025 definitief wordt vastgesteld. De leidende principes hierin zijn: ▪ Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden ▪ Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting ▪ Inzetten op krachtige DUS-regio’s (Daily Urban System) ▪ Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken. Duurzaam omgaan met onze ruimte en voorraden. De provincie pleit voor zuinig ruimtegebruik. Bij nieuwe ontwikkelingen moet onderbouwd worden dat er een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling en moet er eerst onderzocht worden of er binnen het bebouwde gebied locaties benut kunnen worden, voordat uitbereiding plaatsvindt in de groene omgeving. Inbreiding gaat hierbij boven uitbreiding. Daarnaast wordt bij duurzaam omgaan met de ruimte gesproken over ‘concentratie, nabijheid en (boven)regionale afstemming’. Dit houdt in dat ontwikkelingen zich zoveel mogelijk concentreren in en nabij de grote steden in de DUS-regio’s en de andere bebouwde gebieden, bij voorkeur op locaties die goed ontsloten zijn voor openbaar vervoer. Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting.
Dit Leidende Principe houdt in dat het water- en bodemsysteem de basis vormt voor de (toekomstige) inrichting van de provincie Overijssel. In het omgevingsbeleid wordt gezocht naar oplossingen die zich goed verhouden tot het water- en bodemsysteem. Inzetten op krachtige DUS-regio’s.. Bij het versterken van de DUS- regio’s zet de provincie de grote steden (Zwolle, Almelo, Hengelo, Enschede en Deventer) centraal als kloppend hart en motor van de regio. Hardenberg en Steenwijk hebben als streekcentrum in hun specifieke regio ook een centrale rol. In de steden komen werkgelegenheid, wonen en voorzieningen samen en is ruimte voor de (boven)regionale behoefte. De steden zijn de poort voor de verbinding met de rest van Nederland en daarbuiten. Zeker met het openbaar vervoer. Het gros van de opgave voor wonen en werken landt in deze steden, hier is ruimte voor het opvangen van de (boven)regionale woonbehoefte en (boven)regionale bedrijvigheidsbehoefte. Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken. De provincie wil bouwen op bestaande en sterke netwerken en dat nieuwe ontwikkelingen hierop aansluiten. Op verschillende gebieden is de provincie bedekt met een sterk netwerk. Of het nou gaat over mobiliteit, natuur, landbouw of sterke sociale structuren zoals Noaberschap, of de samenwerking die diepgeworteld zit in het midden- en kleinbedrijf (mkb).
Vanuit dit principe wordt bijvoorbeeld ingezet op ontwikkelen van wonen en werken op goed (OV-) bereikbare plekken, boven het realiseren van grootschalige nieuwe infrastructuur. 2.2.4 Toetsing ontwikkeling aan provinciaal beleid Met de Overijsselse woonaanpak zet de provincie stevig in op woningbouw. Woningbouw in het plangebied van Tuk draagt hier direct aan bij. In het (concept) van de provinciale omgevingsvisie zijn een aantal leidende principes benoemd waaraan ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst. Belangrijk is dat de provincie pleit voor inbreiding boven uitbreiding, maar daarnaast ook dat ontwikkelingen (zoals invulling geven aan de (boven)regionale behoefte voor woningen) zich zoveel mogelijk concentreren in en nabij de grote
15 steden in de DUS-regio’s, bij voorkeur op locaties die goed zijn ontsloten voor openbaar vervoer Øn waarbij water en bodem wordt gestuurd. Hier sluit het afwegingskader Wonen en Werken Steenwijk goed aan op het beleid van de provincie. Tuk ligt op fietsafstand van het intercitystation en versterkt daarmee de beoogde ontwikkeling stationsomgeving. Binnen Steenwijk is gezocht naar verschillende potentiºle woningbouwlocaties. Een groot deel wordt binnen de bestaande kom gebouwd, maar om volledig invulling te geven aan de bovenregionale vraag naar woningbouw moet ook buiten de bestaande bebouwde kom worden gebouwd. De locaties van Tuk ligt op fietsafstand van het centrum van Steenwijk (en daarmee het OV) en geniet vanuit het principe water en bodem sturend de voorkeur. Belangrijk aandachtspunt bij de uitwerking van de plannen voor woningbouw is dat rekening wordt gehouden met de gebiedskenmerken zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie.
16
17 2.3 Waterschapsbeleid 2.3.1 Waterschapsverordening De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater die voor iedereen gelden. In het voorliggende geval gaat het om de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Onderdeel van de waterschapsverordening zijn de leggers voor oppervlaktewateren (zie onderstaande afbeelding) en primaire waterkeringen (niet aanwezig en relevant voor woningbouw in Tuk). Op de legger oppervlaktewateren zijn watergangen en kunstwerken opgenomen die voor het waterbeheer van primair (a-watergangen), secundair (b-watergangen) en tertiair (c-watergangen) belang zijn. 2.3.2 Position paper Water en Bodem sturend O Op 16 april 2024 heeft het algemeen bestuur van waterschap Drents Overijsselse Delta de ‘position paper Water en Bodem sturend’ vastgesteld. Met dit principe wordt verondersteld dat natuurlijke kenmerken met betrekking tot bodem en water centraal worden gesteld in ruimtelijke keuzes. Het doel is om waterbeheer toekomstbestendig en betaalbaar te houden. De position paper van het waterschap is vooral een strategisch document en daarin zijn geen concrete principes benoemd waaraan ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst.
Om invulling te geven aan de ambitie om water en bodem sturend te laten zijn heeft het Ingenieursbureau Sweco vijf concrete ontwerpcriteria geformuleerd. Deze worden in deze Ruimtescan gebruikt voor de toetsing. Het gaat om de volgende ontwerpprincipes: 1) Niet afwentelen. Het belangrijkste ontwerpprincipe is het voorkomen van afwenteling van negatieve effecten van ruimtelijke inrichting op het water en bodemsysteem: los eventuele negatieve effecten op binnen dezelfde ontwikkeling. 2) Vergroot de sponswerking van het water- en bodemsysteem. Dit principe gaat ervan uit dat wanneer ruimtelijke ontwikkelingen afgestemd worden op hoe water zich van nature gedraagt, hoe kleiner de inspanningen zullen zijn om het water duurzaam dienstbaar te laten zijn aan onze maatschappelijke behoeften. 3) Houd rekening met extremen. Dit principe schrijft voor om rekening te houden met extremen, zoals extreme regenval, die groter zijn dan de normen waaraan getoetst wordt. 4) Een aanpasbare inrichting voor de lange termijn. Dit principe schrijft voor een bepaalde mate van aanpasbaarheid te integreren in het ontwerp om te voorkomen dat de klimaatopgave voor de volgende generaties groter wordt door onvoldoende rekening te houden met lange termijneffecten (klimaatverandering, stijgende zeespiegel). 5) Benut kansen voor systeemherstel.
Dit principe schrijft voor om bij ontwikkelingen te proberen om negatieve trends van verdroging door overmatig afvoeren of onttrekken van (grond)water, (grond)waterkwaliteitsverslechtering en bodemdaling te keren. 2.3.3 Toetsing ontwikkeling aan waterschapsbeleid De keuze voor de woningbouwlocatie Tuk is tot stand gekomen in een afwegingskader waar binnen ‘water en bodemsturend’ één van de leidende afwegingscriteria is.
18 Het plangebied is gelegen op de helling van een stuwwal en daarmee op een hoogte in het landschap. De ondergrond bestaat uit lemig fijn zand, wat enige infiltratie in de bodem toelaat maar ook zorgt dat veel hemelwater via het maaiveld afstroomt. Water stroomt (logischerwij s) van nature richting lagergelegen delen; het zuidelijk deel van het plangebied en de A-watergang van het waterschap langs de Hooidijk (zie ook paragraaf over water in ruimtelijke verkenning). Het water dat niet infiltreert wordt via een greppel van de gemeente afgevoerd naar een A-watergang van het waterschap. Woningbouw op hoogte betekent dat regenwater natuurlijk afstroomt er geen grote inspanningen nodig zijn in het kader van waterbeheer (zoals bijvoorbeeld het toevoegen of aanpassen van gemalen). Het feit dat er woningbouw plaats zou vinden in het plangebied van Tuk heeft in de basis een negatieve impact als het gaat om waterbeheer; meer verharding door daken en wegen betekent dat er minder regenwater in de bodem zal infiltreren. Dat betekent een grotere kans op meer afvloeiing van water richting de laagtes in- en rondom het plangebied en daarmee naar de greppels van de gemeente en de A-watergang van het waterschap. Er zullen dus maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten niet af te wentelen.
In het schetsenontwerp van BVR is rekening gehouden met ruimte voor het vasthouden en infiltratie van water, en blijft daarnaast de watergang van de gemeente behouden. Bij de nadere uitwerking (o.a. op basis van de watertoets) moet beoordeeld worden of dit voldoende is, of dat ook op andere plekken in het plangebied ruimte voor infiltratie of waterberging nodig is. Afwenteling kan daarmee worden voorkomen. In afstemming met het waterschap zal bij een volgende stap in meer detail gekeken moeten worden naar het waterbeheer. Er wordt een inrichtingsplan opgesteld waar een waterbeheerplan onderdeel van is. Bij de ontwikkeling wordt dus expliciet rekening gehouden met het principe van water en bodem sturend (zie ook toelichting bij bodem & water in hoofdstuk 3). Woningbouw en het toevoegen van verharding in het buitengebied is in de basis gØØn wenselijke ontwikkeling als het gaat om waterbeheer, maar door de ontwikkeling op hoger gelegen gronden plaats te laten vinden kan er zonder grote kunstgrepen (bijv. aanpassen of toevoegen van gemalen) invulling worden gegeven aan het toekomstig waterbeheer. Met woningbouw in Tuk invulling wordt invulling gegeven aan het principe van water- en bodem sturend door situering van woningbouw op het hogere deel en afvloeiing van water naar het lager gelegen zuidelijke deel.
In het vervolgtraject vraagt de uitwerking nog wel nadere afstemming met het waterschap Drents Overijsselse Delta. De aanleg van wadi’s is van belang om het water in het gebied vast te houden. Onderdeel van dit proces is in ieder geval een watertoets.
19 Uitsnede legger oppervlaktewateren waterschap In deze kaart zijn de oppervlaktewateren in beheer bij waterschap Drents Overijsselse Delta met A- watergangen en B-watergangen (gestreept).
2.4 | Rijksbeleid | • | De ‘ladder van duurzame verstedelijking voor woningbouw’ is niet meer van toepassing in verband met het verkorten van de procedures voor bouwen buiten de bebouwde kom. 2.4.1 | Wet versterking regie volkshuisvesting | Het wetsvoorstel voorziet daarnaast in de verplichting voor gemeenten Het wetsvoorstel ‘Versterking regie volkshuisvesting’ geeft overheden | om een urgentieregeling op te nemen in een huisvestingsverordening. meer mogelijkheden om te sturen op de woningbouw: hoeveel | Hierdoor kunnen urgent woningzoekenden (jongeren uit de jeugdzorg woningen er komen, waar ze worden gebouwd en voor wie ze bedoeld | of maatschappelijke opvang) meer kans maken op een passende zijn. Hiermee kunnen het Rijk, de provincies en gemeenten de regie op | woning. Hiervoor gaat het wetsvoorstel uit van een regionale de volkshuisvesting en met name de woningbouwopgave weer naar | samenwerking voor de verdeling van verplicht urgent woningzoekenden zich toe trekken. Die opgave is fors: elk jaar moeten er 100.000 | middels een verdeelafspraak onder gemeenten. Hier dient rekening woningen bijkomen, waarvan twee derde in het betaalbare segment en | mee te worden gehouden voor de programmering van Tuk 1 en 2. De 30% sociale huur.
Deze doelstelling geldt op provinciaal en regionaal | exacte datum voor inwerkingtreding is nog niet bekend, al is de niveau en niet voor project- of op gemeenteniveau. Dit biedt lokaal | beoogde inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2026. ruimte voor maatwerk binnen de betaalbaarheidsverdeling. Gemeenten met veel sociale huur in de huidige woningvoorraad kunnen | 2.4.2 Nationale prestatieafspraken 2025-2035 met onderbouwing afwijken van het aandeel 30% sociale huur onder | Aedes, VNG en de Rijksoverheid hebben in december 2025 de voorwaarde dat minstens 40% van de nieuwe woningen gericht zijn op | Nationale Prestatieafspraken 2025-2035 ondertekend (NPA). Daarin is middeninkomens6. | afgesproken welk investeringen woningcorporaties de komende 10 jaar doen in nieuwbouw, onderhoud, isolatie en leefbaarheid. Onderdeel van Het wetsvoorstel richt zich op vier pijlers, waaronder (1) regie op | de financiering is een gematigde huurstijging de komende jaren. In de aantallen woningen en locaties, (2) realiseren van betaalbare woningen | voorjaarsnota is bevriezing van de huurprijzen voor sociale en evenredige verdelingen van de woningen, (3) kortere procedures en | huurwoningen opgenomen. Daarmee vervalt de financiºle ruimte voor (4) gelijke kansen voor urgent woningzoekenden.
In februari 2025 is | woningcorporaties om te investeren in onder andere nieuwbouw van een aangepaste wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting | sociale huurwoningen vooral op de midden- en lange termijn. Met de val voorgelegd aan de Tweede Kamer7. Wijzigingen ten opzichte van het vorige voorstel hebben betrekking op: | van het kabinet juni 2025 lijkt de huurbevriezing weer van de baan. • | 2/3 van de nieuw te bouwen woningen in Nederland betaalbaar moet zijn voor mensen met een midden- en laag inkomen. | De investeringsruimte van woningcorporaties en dus de mogelijkheid • | per regio is 30% van de nieuwbouw sociale huurwoningen. | om 30% sociale huurwoningen te realiseren in Tuk staat onder druk. 6 Actualisatie Woondeal West-Overijssel 2025 t/m eind 2030 | 7 Aangepast Wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting naar Tweede Kamer gestuurd, 13 februari 2025. 20
21 Hoofdstuk 3 Toetsing omgevingsaspecten
22 3 Toetsing omgevingsaspecten 3.1 Algemene gebiedsinformatie 3.1.1 Hoogtekaart Het gebied ten westen van Tuk ligt op de helling van een stuwwal en heeft daarom een behoorlijk hoogteverschil. Dat is gevisualiseerd in een hoogtekaart op basis van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) van Rijkswaterstaat (zie volgende kaart). Het meest noordelijke deel van het gebied, Tuk Noord, is de hoogstgelegen plek. Daar bevindt de bodem zich ongeveer op 17,00 tot 18,00 meter +NAP. De hoogte is relatief gelijk in Tuk Noord. Vanaf de Oldemarktsweg richting het zuiden, dus door het gehele plangebied van Tuk Midden, loopt de hoogte van het maaiveld sterk naar beneden. Rond de Oldemarktsweg is de hoogte nog rond de 13,00 meter +NAP terwijl dat over een lengte van circa 750 meter afloopt tot 0,50 meter +NAP. Een behoorlijk hoogteverschil dus. Het hoogteverschil heeft met name grote gevolgen voor de waterhuishouding in het gebied. In de basis is bouwen op relatief hoge gronden (wat voor zowel Tuk Noord als Midden geldt) positief omdat dit ruimte geeft om het waterbeheer op te lossen; het regen- en grondwater stroomt van nature al naar lagergelegen gebieden. Dat betekent dat in het zuidelijk deel van het plangebied, onderaan de stuwwal, veel water te verwachten is.
Deze lagergelegen gronden zijn in de basis niet geschikt voor woningbouw en het is – met het oog op afwenteling van waterbeheer – ook niet wenselijk om deze gronden geschikt te maken voor woningen. In plaats daarvan is het lagergelegen gebied juist geschikt als groen/blauwe bufferzone. In Tuk Noord is het hoogteverschil kleiner, wat ook betekent dat het gemakkelijker zal zijn om water vast te houden in het gebied. In de stedenbouwkundige opzet van Tuk Noord en Tuk Midden en h et uiteindelijke inrichtingsplan moet de wijze waarop omgegaan wordt met waterbeheer in relatie tot de aanwezige hoogteverschillen nader gedetailleerd worden. In de concept schetsen van BVR voor Tuk Midden wordt het hoogteverschil in het gebied gebruikt als een stedenbouwkundige kwaliteit (‘wonen op terrassen’). Hiervoor zal extra grondwerk nodig zijn wat kosten met zich meebrengt. Hoogteverschillen worden ingezet als kwaliteitsimpuls met ‘wonen op terrassen’. 3.1.2 Grondeigendom De beoogde te bebouwen gronden in het plangebied van Tuk Noord en Tuk Midden zijn niet in het bezit van de gemeente. In Tuk Noord is de grond in eigendom van een ontwikkelaar die al langere tijd in gesprek is met de gemeente om op deze locatie woningbouw te realiseren.
Voor Tuk Midden geldt dat – met uitzondering van een perceel in het noordelijk deel van het gebied dat in eigendom is van de Rooms Katholieke kerk - de gronden van een particuliere eigenaar zijn. Voor
23 nagenoeg alle benodigde gronden heeft een extern ontwikkelaar recht van (terug)koop in geval er sprake is van bestemmingswijziging. De ontwikkelaar is genegen in afstemming met de gemeente tot ontwikkeling te komen. Voorwaarden voor ontwikkeling moeten in een anterieure overeenkomst worden vastgelegd. Verder geldt dat openbare gronden (ontsluitingswegen, de zones langs de N-wegen en het spoor) in eigendom zijn van de gemeente Steenwijkerland dan wel de provincie Overijssel of ProRail. Deze gronden worden niet beoogde om in te zetten voor woningbouw. De gronden Tuk Noord zijn in bezit van een extern ontwikkelaar. De gronden Tuk Midden zijn in particulier bezit waarbij een externe ontwikkelaar recht van koop heeft bij wijziging van het omgevingsplan. 3.1.3 Grondgebruik Tuk Noord en Midden worden op dit moment agrarisch geºxploiteerd. Ten noorden van de Tukseweg betreft het agrarisch grasland. Op het stuk tussen de Tukseweg en de Oldemarktsweg (waar vooralsnog geen woningbouw is voorzien) worden aardappelen verbouwd en is er een klein weiland voor paarden. In het plangebied voor Tuk Midden wordt een mix van aardappelen, graan en mais verbouwd en is daarnaast ook agrarisch grasland aanwezig. In het plangebied van Tuk Midden bevindt zich op ØØn enkele ple k bebouwing, namelijk de boerderij en woning van de eigenaren van de agrarische gronden in Tuk Midden.
Verder is er geen bebouwing in het gebied aanwezig. Door op deze locatie woningbouw toe te staan zal het grondgebruik van de huidige functie (agrarisch) logischerwijs komen te vervallen. Dat betekent dat woningbouw leidt tot een afname van circa 18,5 hectare aan landbouwgrond (6,5ha in Tuk Noord, 12ha in Tuk Midden).
24 Hoogtekaart Op de Actuele Hoogtekaart Nederland (AHN) van het Rijk is de hoogte van de bodem in meters ten opzichte van NAP weergegeven, ook voor het plangebied voor woningbouw in Tuk. NB: op verschillende plekken wordt ook de hoogte van bebouwing of bomen aangegeven.
25 Overzichtskaart grondeigendom In deze kaart is het grondeigendom van plangebied Tuk weergegeven. Hierbij is er onderscheid tussen gronden in eigendom van de gemeente Steenwijkerland, overige overheidsinstanties (provincie/ProRail), ontwikkelaar, stichting (kerk) en particuliere grondeigenaren (in verschillende tinten om verschillende eigenaren te duiden).
26 Grondgebruik Op deze kaart van de Atlas leefomgeving is het grondgebruik in en rondom het plangebied van Tuk getoond. De meest relevante zijn hier infrastructuur en bebouwing, water, aardappelteelt, maisteelt, granen, overige landbouwgewassen en agrarisch gras..
27 3.2 Geschiedenis 3.2.1 Archeologie De Archeologische Verwachtingenkaart van de provincie Overijsse l geeft de kans op het aantreffen van archeologische waarden aan. Archeologische waarden zijn overblijfselen (in het landschap) van menselijke activiteiten uit het verleden. De kaart geeft een indicatie van de ligging van gebieden met een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. De kaart is in 2022 geactualiseerd (door Het Oversticht, een onafhankelijk adviesorganisatie op gebied van cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit) en wordt gebruikt bij het ontwikkelen van een visie op ruimtelijke plannen van regionale of provinciale aard. Voor het gebied van Tuk geldt voor het grootste deel een hoge archeologische verwachting. Deze volgt vooral uit de ondergrond (namelijk een hoge stuwwal) en de algemene aannames waarop deze gronden in het verleden gebruikt zouden zijn. Uitzonderingen hierop zijn kleine zones in het zuidelijk deel van het gebied waar de verwachting middelhoog of laag is. In het meest noordelijk deel van het plangebied is de archeologische verwachting onbekend. De gemeente Steenwijkerland heeft een eigen Archeologische Waarden- en Beleidskaart op laten stellen waarin de archeologische waarden en verwachtingen voor het hele grondgebied van de gemeente in kaart zijn gebracht.
De trefkans voor archeologische waarde is volgens deze kaart hoog (en sluit dus aan bij de hiervoor beschreven kaart van de provincie). Tuk Noord en Midden hebben een archeologische waarde van 2 in de beheersverordening Steenwijkerland 2014. Op basis hiervan geldt dat er archeologisch rapport moet worden opgesteld bij ontwikkelingen van een gebied groter dan 2500m2, dus ook voor woningbouw in Tuk. Historische infrastructuur Door en langs het plangebied lopen een aantal routes die op de cultuurhistorische kaart van de provincie Overijssel worden aangemerkt als historische infrastructuur. De Tukseweg en de Oldemarktsweg zijn wegen uit de vroegmoderne tijd. Het betreffen routes die tenminste sinds 1648 aanwezig is en die nederzettingen (Steenwijk, Tuk, Oldemarkt, Willemsoord) met elkaar verbonden. Daarnaast wordt de spoorverbinding tussen Zwolle en Leeuwarden als relict van de moderne tijd gezien. In de basis blijven de historische wegen Tukse- en Oldemarktsweg me t de huidige stedenbouwkundige opzet ongemoeid. Wel is het de bedoeling dat de beide woningbouwlocaties in Tuk Noord en Midden worden ontsloten via deze wegen. Bij de stedenbouwkundige uitwerking moet rekening gehouden worden met de historische infrastructuur Tukse- en Oldemarktsweg op basis van archeologisch/cultuur historisch onderzoek.
Rijks- en gemeentelijke monumenten Er bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten in het plangebied. Wel ligt er een Rijksmonument (oude watertoren) op ongeveer 200 meter van het plangebied verwijdert bij de kruising van de N334 en de Oldemarktseweg.
28 De woningbouw in Tuk heeft geen invloed op het buiten het plangeb ied gelegen Rijksmonument de oude watertoren. 3.2.2 Cultuurhistorisch landschap De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) heeft de kaart ‘Cultuurlandschappen van Nederland’ opgesteld. Deze kaart geeft de verspreiding van de historische landschappen in Nederland weer zoals deze tot circa 1900 in de landelijke gebieden hebben bestaan. Daarnaast beheert de provincie Overijssel een cultuurhistorische waardenkaart. Deze kaart geeft een overzicht van landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de provincie en geeft ook een waardering van in hoeverre het landschap in de huidige situatie nog aanwezig is. Voor het plangebied van Tuk zijn er met het oog op cultuurhistorie verschillende landschappelijke elementen van belang. Het grootste deel van het gebied wordt bestempeld als keileem & dekzandgebieden. Kleinere delen als beekdalen & broekontginning en veen-ontginningsgebied. Daarnaast is het ruilverkavelingslandschap van belang. Keileem en dekzandgebieden Op de kaart met cultuurlandschappen van Nederland wordt het grootste deel van het plangebied aangemerkt als ‘keileem en dekzandgebieden’. De RCE beschrijft: “Al vanaf de prehistorie vormden dekzandruggen vanwege hun wat hogere ligging aantrekkelijke bewoningsplaatsen.
Vooral ruggen die langs waterlopen liggen zijn rijk aan archeologie (bijvoorbeeld langs de Dommel). De oude kernen van veel steden en dorpen liggen op dekzandruggen (bijvoorbeeld Deventer, Zwolle). Langgerekte ruggen vormden daarnaast ook aantrekkelijke routes door het landschap, ook nu nog liggen veel oude (kromme) wegen over dekzandruggen. Vanaf de Middeleeuwen werden hogere delen vaak bedekt met heideplaggen vermengd met potstalmest, waardoor plaggendekken ontstonden. Deze plaggendekken zijn tot een meter dik en beschermen zo vaak de onderliggende archeologische waarden en gave bodemprofielen. Op de dekzandruggen bracht men geregeld houtwallen aan die dienstdeden als veekering. In Noord-Nederland bevindt zich keileem onder het dekzand. Waar het keileem dicht onder het oppervlak ligt, plantte men in het verleden elzensingels als perceelscheiding aan wat samenhangt met de relatief hoge (schijn)- grondwaterspiegel ter plaatse. Waar de keileem dieper ligt fungeerden wallen als perceelscheiding. De cultuurhistorische elementen in op dekzandruggen hangen dus nauw samen met de aardkundige ondergrond.” Beekdalen en broekontginning Het zogeheten broeklandschap ligt in de lage zones van het dekzandgebied. Het is daardoor vaak erg vlak en nat. ‘Broek’ betekent moerassig beekdal. Veel broeklanden waren daarom voor de landbouw onbruikbaar.
Door een verbeterde manier van afwatering, konden de gronden in de loop van de 19e eeuw ontgonnen worden. Ze werden ingezet als weiden voor het vee. Zo ontstond het broekontginningslandschap. Het betreft een open landschap met weinig en verspreide bebouwing en beplanting. Veenontginning In de laatste ijstijd verspreidde de wind het zand van de droge zeebodem en rivierbeddingen als een deken over het landschap. In sommige gebieden stuwde de westenwind het zand op in kilometerslange dekzandruggen. In de laagten tussen de dekzandruggen kon het regenwater moeilijk weg. Hier ontstonden
29 veengebieden. Na het afgraven van het veen werden de gronden voornamelijk als grasland gebruikt. Er ontstonden lange percelen met agrarische bebouwing op de kop van de kavels. Langs de vele afwateringssloten stonden aan weerszijden knotbomen. Zo ontstond een besloten landschap met halfhoge bomen. Ruilverkavelingslandschap De provincie Overijssel beschrijft in het kader van ‘het verhaal van Overijssel’: “Sinds de Tweede Wereldoorlog is er veel veranderd op het gebied van de landbouw. De kleinschalige middeleeuwse cultuurlandschappen voldeden niet langer aan de eisen van de moderne tijd. Rondom de stuwwal van Steenwijkerwold hebben meerdere ruilverkavelingen plaatsgevonden (…..). Bij de ruilverkaveling van Paasloo-Kerkenbuurt [waar het gebied van Tuk onderdeel van was] werden beken als de Reune, de Beek en de Wheer gekanaliseerd. Bovendien zijn er veel houtwallen en singels verdwenen, die niet langer dienstdeden als veekering. Op de stuwwal van Steenwijkerwold is desondanks veel bewaard gebleven van het kleinschalige en afwisselende cultuurlandschap. De provincie Overijssel constateert dat - hoewel de ruilverkavelings- projecten funest zijn geweest voor het kleinschalige cultuurlandschap - men de grote herinrichtingsprojecten tegenwoordig ook als ruimtelijke illustratie van ontwikkelingen uit het verleden ziet.
Wat vooral opvalt binnen deze ruilverkavelingsblokken zijn de veranderingen in verkaveling en de infrastructuur. Het landschap werd rationeler en doelmatiger ingericht. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie wordt geoordeeld dat voor de ruilverkaveling Paasloo-Kerkenbuurt de kenmerkende elementen van de ruilverkaveling (zoals het wegenplan, laanbeplanting, erven, perceelverdeling, etc.) nog grotendeels aanwezig zijn, maar dat de zeldzaamheid van het type ruilverkaveling niet bijzonder is. Impact van woningbouw op cultuurhistorisch landschap De woningbouw bij Tuk zal het landschap voor een groot deel veranderen, met als gevolg een effect op openheid en bestaande structuren zoals dat van de ruilverkaveling. De omgevingsverordening van de provincie Overijssel geeft aan dat het behoud en beleefbaar maken van cultuurhistorische waarden een bijdrage moet leveren aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Cultuurhistorische waarden zijn volgens de verordening in deze optiek geen belemmering voor voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, maar bieden juist kansen om te benutten bij het versterken van het ruimtelijk ontwerp. De cultuurhistorische waarden van het landschap leveren geen belemmering voor woningbouw, maar bij het vast te stellen omgevingsplan moet onderbouwd worden hoe deze zijn verwerkt in het stedenbouwkundige ontwerp.
Bij het vast te stellen omgevingsplan moet onderbouwt worden hoe deze zijn verwerkt in het stedenbouwkundige ontwerp.
30 Archeologische verwachtingenkaart Op de archeologische verwachtingenkaart (provincie Overijssel) is de kans op archeologische vondsten gevisualiseerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een lage archeologische verwachtingen, middelhoge verwachting en een hoge archeologische verwachting. Op de kaart zijn daarnaast historische infrastructuur, gemeentelijke monumenten (met blauwe stip), rijksmonumenten (met paarse stip) en terreinen met hoge archeologische waarde (gestreepte vlakken) aangegeven.
31 Cultuurhistorische landschapskaart In deze kaart is een uitsnede gemaakt uit de historische cultuurlandschappenkaart van Nederland. In de omgeving van plangebied van Tuk zijn cultuurlandschappen keileem en dekzandgebieden, beekdalen en broekontginning en veenontginning te vinden. Daarnaast heeft de ruilverkaveling in periode 1954-1984 een belangrijke indruk achter gelaten in het landschap (gestipte vlak).
32 3.3 Bodem & water 3.3.1 Bodemopbouw De Bodemkaart van Nederland (van de Universiteit van Wageningen), geeft ruimtelijke informatie over de opbouw van de bodem tot 1,20 meter diepte. De bodemkaart biedt ook inzicht in de bodemopbouw rondom Tuk. De bodem van Nederland bestaat uit veel verschillende bodemsoorten die allemaal hun eigen kenmerken hebben. De bodemsamenstelling kan bepalend zijn voor de (on)mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling op die locatie. Voor het plangebied van Tuk Noord en Midden geldt dat er twee type bodemsoorten aanwezig zijn: ▪ Beekeerdgronden. Het grootste deel van het plangebied betreft beekeerdgronden. Eerdgronden zijn moerige en minerale gronden met een humusrijke bovengrond. Deze eerdlaag is doorgaans het gevolg van een eeuwenlange geleidelijke ophoging met humushoudend materiaal door de mens. Beekeerdgronden komen meestal voor in beekdalen en in gebieden met een fluctuerende grondwaterstand. In de bodem treedt daardoor oxidatie op. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Beekeerdgronden zijn goed waterdoorlatend. ▪ Laarpodzolgronden. De laagtes van het plangebied, dat wil zeggen het gebied van Tuk Midden ter plaatse van de woonboerderij, betreffen laarpodzolgronden met lemig fijn zand.
Bijzonder aan deze gronden is dat ‘hydromorfe kenmerken’ hoog in het profiel worden waargenomen, wat erop wijst dat ze in het verleden permanent of periodiek met water verzadigd waren. De bovengrond (tot -50 centimeter) is door plaggenbemesting gevormd. Het gaat om zeer donkergrijs, humusrijk, sterk lemig en matig fijn zand. Het feit dat er in de bodem veel leem voorkomt, heeft met name gevolgen voor de waterhuishouding. Op het spectrum van waterdoorlatende ondergrond bevindt leem zich ergens tussen zand (wat zeer waterdoorlatend is) en klei (amper waterdoorlatend). Leem is (in droge toestand) kruimelig en los. Bij een regenbui kan het water goed wegzakken, zonder dat het wegspoelt. Tegelijkertijd wordt de textuur van leem kleverig waardoor het gaat plakken en meer kleiachtig aandoet… Er is aanvullend onderzoek nodig om te bepalen in welke mate er sprake is van verstoring van grondwaterstroming door roeren van de bovengrond. De bodem is beperkt geschikt voor infiltratie van water in de bodem. Aanleg van meerdere waterbergingen borgt behoud van water op de locaties. Onderzoek moet uitwijzen of roeren van de bovengrond invloed heeft op de grondwaterstroming. 3.3.2 Bodemkwaliteit De gemeenten binnen de regio van de omgevingsdienst IJsselland maken gebruik van de Nota bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart bij grondverzet. Deze zijn in 2023 geactualiseerd.
De bodemkwaliteitskaarten geven globaal inzicht in de bodemkwaliteit van locaties op basis van de bodemopbouw en geomorfologie, historie, bekende informatie over verontreinigingen en andere informatie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (0 tot 0,5 meter onder maaiveld) en de ondergrond (0,5 tot 2,0 meter onder maaiveld).
33 De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart laat zien dat zowel de bovengrond als de ondergrond in IJsselland overwegend voldoet aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (dit is de ‘schoonste’ klasse). Dat geldt ook voor gebied ten westen van Tuk. Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de omgevingsdienst IJsselland is er daarom op voorhand geen aanleiding om te verwachten dat er voor het plangebied sprake is van onvoldoende bodemkwaliteit voor woningbouw. Op basis van de beschikbare informatie lijkt de bodemkwaliteit geschikt voor woningbouw. Voor een wijziging van het omgevingsplan is (verkennend) bodemonderzoek nodig. 3.3.3 Waterhuishouding en -overlast Ten behoeve van de afwatering is nagenoeg over de gehele lengte van het plangebied langs de provinciale weg (N334) een goot voor waterafvoer gegraven. Deze takt in het zuiden, langs de Hooidijk, aan op een A-watergang van het waterschap, vanaf waar het water verder wordt afgevoerd. In het plangebied zijn verder geen grote watergangen te vinden. Op de klimaateffectatlas, die in opdracht van het Ministerie van I&W door verschillende Ingenieursbureaus en kennisinstanties tot stand is gekomen, is informatie te vinden over potentiºle wateroverlast aan de oppervlakte door regenbuien. Op de wateroverlastkaart is te zien in hoeverre er in een gebied overlast ontstaat bij regenbuien die eens in de 100 jaar voorkomen.
Door de klimaatverandering is de verwachting dat extremen vaker gaan voorkomen, hier moet rekening worden gehouden bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan. Op de kaart is te zien dat wateroverlast (logischerwijs) vooral in de lagergelegen delen van het gebied ontstaat. Dit gebeurt met name direct buiten het gebied voor woningbouw, op het perceel direct ten noorden van de Hooidijk (waar in het afwegingskader wonen en werken in Steenwijk een bedrijventerrein is voorzien). Bebouwing betekent meer verharding en dus minder infiltratieoppervlak. In dit gebied met hoogteverschillen verdient dit extra aandacht. Daarvoor is een inrichtingsplan met een waterbeheerplan nodig waarin uitgewerkt op welke wijze de afvloeiing van water in het gebied met hoogteverschillen verloopt en wordt opgevangen. Er is een inrichtingsplan met waterbeheerplan nodig om de waterhuishouding te dimensioneren en ontwerpen. 3.3.4 Niet gesprongen explosieven Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. De gemeente Steenwijkerland heeft op basis van historisch vooronderzoek en in het verleden gevonden oorlogsresten een kaart laten opstellen voor gebieden die verdacht zijn voor niet gesprongen explosieven.
Dit is de ‘Bodembelastingkaart onontplofte oorlogsresten’. Op basis van de bodembelastingkaart onontplofte oorlogsreserve is het plangebied van Tuk niet verdacht voor niet gesprongen explosieven. Op basis van een historisch vooronderzoek moet dit bij de wijziging van het omgevingsplan definitief uitgesloten worden.
34 Bodemkaart Op de bodemkaart van Nederland (Universiteit van Wageningen) is de opbouw van de bodem gevisualiseerd, met binnen het plangebied beekeerdgronden en laarpodzolgronden.
35 Bodemkwaliteitskaart (bovengrond) IJsselland Op deze kaart van de omgevingsdienst IJsselland wordt de verwachte bodemkwaliteit van de bovengrond (tot 0,5 m onder maaiveld) getoond. Er wordt onderscheid gemaakt tussen klasse landbouw/natuur, wonen en industrie.
36 Wateroverlastkaart Op deze kaart van de klimaateffectatlas is wateroverlast als een gevolg van een extreme bui (1 keer in de 100 jaar) geprojecteerd. De waterdiepte varieert van 5 centimeter tot circa 30 centimeter.
37 Bodembelastingkaart onontplofte oorlogsresten Op deze kaart zijn voor heel Steenwijk de verdachte gebieden aangegeven voor afwerpmunitie, geschutmunitie van artilleriebeschietingen, geschutmunitie van vliegtuigen, stellingen (klein kaliber, geschut, handgranaten en geweergranaten) en schietbanen (klein kaliber, handgranaten en geweergranaten).
38 3.4 Natuur& landschap 3.4.1 Gebiedsbescherming Er zijn in de omgeving verschillende beschermde natuurgebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Voor beide soorten geldt dat de provincies zijn aangewezen als bevoegd gezag om de natuur te beschermen en te ontwikkelen. De regels voor bescherming van de natuurgebieden in de omgeving van Tuk zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Voor het NNN geldt de plicht tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen in NNN-gebied niet zijn toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Voor Natura 2000-gebied geldt hetzelfde, met als aanvulling dat het beschermingsregime ook een ‘externe werking’ heeft. Dit houdt in dat een activiteit buiten de begrenzingen van het natuurgebied ook tot effecten op het Natura 2000-gebied kunnen leiden, en dat deze daarom ook beschouwd moeten worden bij de beoordeling van de plannen. De landelijke discussie over stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is de meest bekende van deze effecten. Natura 2000 Rondom Steenwijk liggen verschillende Natura 2000-gebieden.
Direct ten zuiden ligt De Wieden (op circa 2,5 km afstand van plangebied), naar het westen ligt het natuurgebied De Weerribben (op circa 4 km) en naar het oosten – in de provincie Drenthe - het Holtingerveld (op circa 6,5 km). Voor alle gebieden geldt dat er in het natuurgebied overbelaste stikstofhabitattypen aanwezig zijn en dat de effecten van zowel de woningbouw als het gebruik van de woningen in een ecologische beoordeling (inclusief AERIUS-berekeningen) getoetst moeten worden. In de ecologische beoordeling moet worden onderbouwd of er sprake kan zijn van een mogelijk significant (negatief) effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Hoewel landbouw gemiddeld leidt tot een hogere stikstof emissie dan woningbouw is stikstofdepositie is een van de grootste belemmerende risico’s voor gebiedsontwikkelingen, dus ook voor woningbouw op deze locaties. Hiervoor is een AERUS-berekening noodzakelijk. Voor de Wieden, het meest nabijgelegen natura 2000 gebied, is de waterhuishouding van zeer groot belang. Er is een passende beoordeling nodig van de geohydrologische relatie van het plangebied met De Wieden, rekeninghoudend met instandhoudingsdoelstellingen die van toepassing zijn op De Wieden gericht op de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Speciale BeschermingsZone (SBZ) De Wieden en habitatsrichtlijn gebied Wieden.
Een en ander afhankelijk van de resultaten voortkomend uit onderzoek voor De Kamp. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied (zowel Tuk Noord als Tuk Midden) ligt niet binnen de grenzen van natuurgebieden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland. Er zijn daarom geen vervolgstappen benodigd.
39 3.4.2 Soortenbescherming In Nederland leven veel beschermde planten- en diersoorten. Gezamenlijk dragen we de zorg om te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen niet ten koste gaan van deze soorten. Deze verplichting is vastgelegd in de Omgevingswet. Om te faciliteren dat we deze zorg goed kunnen uitvoeren is de ‘Beschermde SoortenIndicator’ (BeSi) ontwikkeld. Voor de ongeveer 400 verschillende beschermde soorten zijn kansenkaarten gemaakt op basis van verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gecombineerd met informatie over landgebruik (bos, agrarisch, water(lopen), wegen, etc.). Op basis van deze kansenkaarten kan laagdrempelig worden bepaald óf er rekening gehouden moet worden met beschermde soorten en, zo ja, welke soorten potentieel aanwezig zijn op een locatie. Op basis van kansenkaarten voor de ongeveer 400 verschillende soorten kan gemakkelijk worden bepaald welke beschermde planten- en diersoorten potentieel aanwezig zijn op een locatie. Na het raadplegen van de BeSi wordt geconcludeerd dat er in het gebied in potentie veel verschillende beschermde soorten aanwezig zijn. Dat zijn: ▪ Vogels. Boerenzwaluw, Gierzwaluw, Huismus, Kerkuil, Spreeuw, Kauw. ▪ (Zoog)dieren. Steenmarter.