Bijlage 1 Voorzet aangescherpt beleidskader zonnepanelen op steenwijkerland.pdf
Tekst van het document
Inleiding Hieronder vindt u een voorzet voor aanscherping van het beleidskader Ruimte voor zonnepanelen op (Steenwijker)land. Voor de evaluatie van dit beleidskader zijn gesprekken gevoerd met plaatselijke belangen, energiecoöperaties en initiatiefnemers. Daarnaast is vanuit de raad input opgehaald tijdens een werkvergadering. Deze gesprekken en input vormen de basis van de eerste opzet van de aanscherping van het beleidskader, die hieronder is weergegeven. Sommige punten, zoals een vast aanspreekpunt voor participatie vanuit de gemeente en het opstellen van een participatieplan vooraf, werden unaniem of vrijwel unaniem wenselijk bevonden. Deze zijn daarom direct opgenomen in het aangescherpte beleidskader. Andere onderwerpen kennen minder overeenstemming. Deze zijn opgenomen met scenariokeuzes en begeleidende toelichting. Aan de hand van het advies van de raad wordt het gewenste scenario uitgewerkt in het definitief aangescherpte beleidskader. De energietransitie is een complex traject en duidelijk is dat niet iedereen tevreden zal zijn met de uitkomsten ervan. Onze altijd beschikbare toegang tot energie is een groot goed en het is duidelijk dat de huidige vorm tot grote maatschappelijke problemen leidt, met name door klimaatverandering en luchtvervuiling. Het alternatief kent echter ook de nodige dilemma’s.
We zullen in enige mate moeten accepteren dat tegenover de lusten van ruim beschikbare en hernieuwbare energie ook lasten staan. Deze lasten komen met name in de vorm van impact op onze leefomgeving. We willen deze lasten uiteraard zo eerlijk mogelijk verdelen, alleen is dit niet in alle gevallen mogelijk. We hebben desondanks geprobeerd een evenwicht te vinden tussen de lusten en de lasten op een manier waarop onze maatschappelijke opgave voor de opwek van hernieuwbare energie niet in gevaar komt. Het bestaande beleidskader is het uitgangspunt van deze voorzet tot aanscherping. Nieuw toegevoegde of aangepaste tekst is in het groen weergegeven. Scenario’s zijn voorzien van een toelichting in het blauw. Beleidskader Ruimte voor zonnepanelen op (Steenwijker)land (waarin opgenomen wijzigingen conform raadsbesluit 21-05-2019)
Aanleiding Dit beleidskader is opgesteld om helder te krijgen WAAR en HOE zonnepanelen op land mogelijk zijn. Op deze wijze worden initiatiefnemers in de gelegenheid gesteld een ruimtelijke ordeningsprocedure op te starten. In dit beleidskader wordt in hoofdstuk 1 de context van de opgave geschetst. Welke opgave ligt in het verschiet en welke beleidsuitgangspunten hanteren we voor de opgave opwekken hernieuwbare energie, in dit geval specifiek zonne-energie? Hoofdstuk 2 gaat in op WAAR het past en HOE het uitgevoerd kan worden. Dit gebeurt aan de hand van een gebiedsindeling van de gemeente. Hoofdstuk 3 geeft invulling aan de verdeling van de lusten en lasten en de invulling van lokaal eigendom. In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan de te volgen planologische procedure nadat besluitvorming over het beleidskader heeft plaatsgevonden. In dit beleidskader worden de begrippen participatie, draagvlak en lokaal eigendom meermaals genoemd. Hieronder staan deze begrippen gedefinieerd, zodat het voor eenieder die dit beleid leest duidelijk is wat wordt bedoeld. Participatie Participatie is het betrekken van inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden bij ontwikkelingen in de leefomgeving. Dit geldt voor plannen van de gemeente, maar óók voor initiatieven uit de samenleving.
In dit beleidskader worden de kaders voor participatie bij de realisatie van projecten voor zonne-energie beschreven. Draagvlak Draagvlak is de mate waarin belanghebbenden/betrokkenen een plan ondersteunen. Er is onderscheid in draagvlak voor het beleidsdoel (opwekken van hernieuwbare elektricitei t) en draagvlak voor de methoden om dat doel te verwezenlijken (realisatie van zonneparken). Draagvlak voor het één betekent niet automatisch draagvlak voor het ander. Of voldoende draagvlak bestaat voor de doelstelling en/of voor de daarvoor ingezette maa tregelen, wordt door de raad besloten. Draagvlak is niet per definitie te bepalen aan de hand van beschikbare percentages of aantallen en vraagt derhalve een zorgvuldige afweging. Lokaal eigendom Met lokaal eigendom bedoelen we dat een collectief van lokale inwoners en/of lokaal gewortelde bedrijven* gezamenlijk (mede-)eigenaar is van projecten voor de opwek van energie uit zon. Mede- eigenaarschap betekent dat men financieel meedeelt in de lusten van het project, maar ook medezeggenschap heeft over het project. Dat bekent ook dat risico’s worden gedeeld door alle deelnemers. * bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaalecon omische structuur/voorzieningen.
1 De opgave In 2019 was het huishoudelijk energiegebruik in Steenwijkerland, onderdeel elektra, 192 TJ. Het totale energieverbruik in 2019 was 3592 TJ. Dit totale verbruik is onderverdeeld in warmte: 1518 TJ (42%), elektra: 628 TJ (17%) en mobiliteit: 1446 TJ (40%). Bron: klimaatmonitor.nl. In het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) is ons gevraagd een reëel bod uit te brengen voor de grootschalige opwek van de onderdelen warmte en elektra (ruim 2100 TJ). Mobiliteit wordt in dit bod niet betrokken. Hiertoe hebben wij in juni 2021 een definitief bod ingediend van 171 GWh, wat gelijk staat aan 616 terajoule (TJ) of ongeveer 190 hectare zonnepanelen. Hiervan wordt 112 GWh (403 TJ) op land gerealiseerd en 59 GWh (212 TJ) op dak. Naar verwachting is het niet noodzakelijk de volledige warmtevraag om te zetten naar elektriciteit. In ons geval deels omdat Rendo de ambitie heeft uitgesproken haar verzorgingsgebied van groen gas (en (veel) later groene waterstof) te voorzien. Maar ook omdat met name de warmtevraag door energiebesparende maatregelen (isolatie en gedragsverandering) te beperken is. Uitgaande van bovenstaande is het realistisch om de kwantitatieve opgave voor zonnepanelen op land op dit moment te begrenzen op 403 TJ (ca 125 ha).
Samen met een te verwachten realisatie van circa 212 TJ zonnepanelen op dak wordt daarmee binnen afzienbare tijd een groot deel van het elektriciteitsgebruik binnen de gemeente duurzaam opgewekt. Daarbij wordt opgemerkt dat het gaat om een momentopname; de elektriciteitsvraag gaat waarschijnlijk de komende jaren omhoog door gedeeltelijke elektrificatie van de warmte - en mobiliteitsvraag (elektrische warmtepompen en auto’s). Het is daarom belangrijk de komende jaren de vraag naar elektriciteit te monitoren en als de situatie aanleiding geeft een nieuwe afweging te maken of en hoe uitbreiding van onze kwantitatieve opgave nodig is. Op dat moment kan ook beoordeeld worden of het ruimtelijk afwegingskader eventueel aanpassing behoeft, omdat er (meer) inzicht is in de impact van de gerealiseerde zonneparken. Bij uitvoering van dit beleid hanteren we de zonneladder. Deze geeft de voorkeursvolgorde aan voor het opwekken van zonne-energie, te weten: • Trede 1: in bestaand bebouwd gebied op daken dan wel in de groene omgeving op bestaande bouwvlakken; • Trede 2: in bestaand bebouwd gebied op bedrijventerreinen en braakliggende gronden; • Trede 3: aanvullend in de groene omgeving, niet zijnde natuur. Opgemerkt wordt dat toepassing van de zonneladder niet volgtijdelijk is.
Dat betekent dat niet pas overgegaan wordt naar trede 2 als trede 1 volledig ingevuld is, maar dat alle treden tegelijk toegepast (moeten) worden om de opgave voor zonne-energie te kunnen realiseren. De verdere specificering binnen de groene omgeving wordt beschreven in hoofdstuk 2.
2 De inpasbaarheid van zonnevelden op land Bij de beoordeling van initiatieven voor zonnevelden (opstellingen van zonnepanelen op land (en de eventuele watervlakken hierbinnen)) maken we onderscheid in de WAAR- en de HOE-vraag: WAAR het past en HOE het uitgevoerd kan worden. 2.1 WAAR het past Voor het beantwoorden van de WAAR-vraag maken we gebruik van de kaart ‘Ruimte voor zonnepanelen op (Steenwijker)land’. Zie hiervoor kaart 1 en bijbehorende legenda. 2.2 HOE het uitgevoerd kan worden De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag HOE een initiatief ingepast kan worden. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een g ebied of landschapstype die bepalend zijn voor de karakteristieken en kwaliteit van dat gebied of landschapstype. Voor alle landschapstypen in Steenwijkerland beschrijven we de gebiedskenmerken en - kwaliteiten die behouden of versterkt moeten worden. Zie hiervoor kaart 2 en bijbehorende legenda. Aanvullend vormen de ‘Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden’ en de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’ belangrijke bouwstenen voor het beantwoorden van de HOE -vraag. De Handreiking en de Catalogus vind je op de website van de provincie Overijssel.
In de ‘Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden’ vind je - naast provinciale voorwaarden - ontwerpprincipes, referentiebeelden, voorbeelduitwerkingen én een procesaanpak die gevolgd kan worden om in goed overleg met omwonenden en andere betrokkenen tot de ontwikkeling van een zonneveld te komen. In de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’ vind je onder andere een beschrijving van de gebiedskenmerken van provinciaal belang en de ambitie en visie op de toekomst van de verschillende gebiedstypes. QR-code naar de Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden QR-code naar de Catalogus Gebiedskenmerken Een belangrijk onderdeel van de HOE-vraag is het betrekken van omwonenden en andere belanghebbenden bij de planontwikkeling. Om dit proces te verduidelijken verwachten we van initiatiefnemers dat vooraf een participatieplan wordt opgesteld. Hierin is beschreven wie wordt benaderd en wanneer en op welke manier betrokkenen inspraak hebben op de realisatie van het zonnepark (en waar niet). Daarnaast staat erin hoe is onderzocht hoe de zonneladder kan worden toegepast en hoe lokaal eigendom is ingevuld. Het participatieplan wordt door de initiatiefnemer, in samenspraak met omwonenden, voorgelegd aan het college . Uitgangspunt daarbij is dat alle betrokkenen hun best doen in alle redelijkheid deel te nemen aan het opstellen van het participatieplan.
Wanneer partijen kiezen niet deel te nemen aan het opstellen van het participatieplan, dan kan de initiatiefnemer deze eenzijdig indienen. Open en transparant communiceren over de voortgang en gezette stappen is dan van extra groot belang. De door uw raad vastgestelde ‘Visie op (inwoners) participatie’ geeft een duidelijke richting aan hoe een participatietraject goed doorlopen wordt en wat dus in het participatieplan moet worden opgenomen. Vanaf de start van het proces moet duidelijk zijn wat de initiatiefnemer met participatie wil bereiken. Uit de evaluatie van eerder doorlopen participatietrajecten bleek dat
duidelijkheid cruciaal is voor een geslaagd participatietraject. Het gaat dan om duidelijkheid over het participatieniveau, de daarmee samenhangende kaders en de beïnvloedingsruimte. Ook moet helder zijn wie de deelnemers zijn, welke rol eenieder heeft, welke belangen er zijn, wat de verwachte doorlooptijd is, welke mijlpalen of beslismomenten er zijn en (vooral) wie eigenaar is. Essentieel is dat inwoners, ondernemers en partners vroegtijdig zijn betrokken en samen op zoek gaan naar de maximale ruimte voor participatie. Daarnaast is het belangrijk dat met respect samengewerkt wordt en met elkaar wordt gezorgd voor een transparant participatietraject waarover goed gecommuniceerd wordt. Op basis van de participatieladder kiezen we voor een faciliterende stijl in het beleidskader voor zon op land. De initiatiefnemer hanteert minimaal een participatieve stijl en betrekt belanghebbenden minimaal als adviseur beginspraak. Participatieladder Ter begeleiding van het proces rond het opstellen van het participatieplan vanuit de gemeente stellen we een aanspreekpunt voor het participatietraject aan. Deze bewaakt het participatieproces en controleert of iedere betrokkene zich houdt aan de in het participatieplan vastgestelde afspraken.
Wanneer het participatieplan eenzijdig door de initiatiefnemer is opgesteld, bekijkt het aanspreekpunt in hoeverre de niet-deelnemende partijen alsnog in het proces kunnen deelnemen. Altijd overleg met de provincie en maatwerk Alle initiatieven voor zonnevelden buiten de steden en dorpen (de “Groene Omgeving”) leggen we voor aan de provincie Overijssel. Dit omdat de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)* van toepassing is én omdat blijkt dat de HOE-vraag altijd maatwerk is: iedere locatie kent specifieke gebiedskenmerken. Het accent ligt op ‘voorkantsamenwerking’: we overleggen in een zo vroeg mogelijk stadium. Uiteraard overleggen we ook na een nadere uitwerking of de balans tussen enerzijds de impact van het zonneveld op landschap en ecologie en anderzi jds de maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken in evenwicht is.
*De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is een (provinciaal) instrument om ruimte te maken voor nieuwe functies en grootschalige uitbreidingen in de zogenaamde Groene Omgeving (de ruimte buiten de steden en dorpen), op voorwaarde dat meerwaarde geleverd wordt voor de kwaliteit van landschap, cultuurhistorie, water- en natuuropgaven. QR-code naar informatie over ruimtelijke kwaliteit en de KGO 2.2.1 Gebiedsindeling aan de hand van gebiedskenmerken 1 Bestaand bebouwd gebied/bestaande bebouwing Strekking van het beleid: Opstellingen van zonnepanelen op land zijn in bestaand bebouwd gebied mogelijk als tijdelijk gebruik van braakliggend land met een bedrijfsbestemming, mits de mogelijkheden om dakvlak(ken) of ruimte binnen bouwvlak(ken) te benutten voor zonnepanelen worden onderzocht; daarbij worden ook de mogelijkheden om werk met werk te maken onderzocht (denk bijvoorbeeld aan asbest eraf, zon er op). 2 Beschermd stads- of dorpsgezicht, monument of (gebied of gebouw met) Waarde cultuurhistorie Beschermde stads- en dorpsgezichten zijn gebieden met bijzondere cultuurhistorische waarden. De beschermde stads- en dorpsgezichten zijn aangewezen door het Rijk. De gebieden of gebouwen met Waarde cultuurhistorie hebben we als gemeente in een bestemmingsplan (straks Omgevingsplan) op de kaart gezet als cultuurhistorisch waardevol.
Strekking van het beleid: In Beschermd stads- of dorpsgezicht of gebied met Waarde cultuurhistorie zijn de mogelijkheden voor zonnepanelen op land beperkt tot locaties waarbij de monumentale/cultuurhistorische waarden niet of zo min mogelijk worden aangetast (in de tuin (verdiept)) – zie de recent vastgestelde richtlijnen voor meer informatie. QR-code naar de Richtlijnen welstands- en monumentencommissie
3 NNN/Natura 2000-gebied Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden die zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor de 160 Natura 2000-gebieden in Nederland heeft het Rijk zich verplicht de biodiversiteit te behouden door bepaalde diersoorten en hun leefomgeving te beschermen. In Overijssel ligt het overgrote deel van de Natura 2000-gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Strekking van het beleid: Opstellingen van zonnepanelen op land zijn niet toegestaan in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en in Natura 2000-gebied. Toelichting (waarom?): • Bescherming van NNN/Natura 2000-gebieden is belangrijk voor het behoud en de ontwikkeling van plant- en diersoorten (biodiversiteit); • Natuurgebieden zijn ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken en voor de regionale economie (denk aan toerisme); • We moeten aan de (inter)nationale verplichtingen voor deze gebieden voldoen . 4(a+b) Leefgebied agrarisch natuurbeheer In het agrarisch gebied heeft de provincie Overijssel leefgebieden aangewezen waar zij inzetten op agrarisch natuurbeheer.
Deze ‘leefgebieden agrarisch natuurbeheer’ zijn onderscheiden op basis van voorkomen van zogenaamde 'rodelijstsoorten' en soorten die onder de bescherming vallen van de Europese vogel- en habitatrichtlijnen in combinatie met kansrijkheid voor beheer. Binnen de Leefgebieden agrarisch natuurbeheer bestaat onderscheid in ‘weidevogelgebied’ (4a) en ‘droge dooradering’-gebied (4b). 4a Weidevogelgebied Strekking van het beleid: In weidevogelgebied is geen ruimte voor opstellingen van zonnepanelen op land. Toelichting (waarom?): Gezien de internationale sleutelrol van Nederland voor weidevogels en de nationaal gemaakte afspraken is speciale aandacht nodig voor de instandhouding en bescherming van weidevogelgebieden.
4b ‘Droge dooradering’-gebied Strekking van het beleid: In ‘droge dooradering’-gebied is ruimte voor opstellingen van zonnepanelen op land, mits: de kleinschaligheid van het landschap en de aanwezige landschapselementen** behouden blijven of versterkt worden (in de praktijk betekent dit dat grote aaneengesloten velden met zonnepanelen op land hier niet mogelijk zijn; én de mogelijkheden om dakvlak(ken) of ruimte binnen bouwvlak(ken) te benutten voor zonnepanelen worden meegenomen; daarbij worden ook de mogelijkheden om werk met werk te maken onderzocht (denk bijvoorbeeld aan asbest eraf, zon er op) ** Het gaat hier om elzensingels, houtwallen, heggen en hagen, lanen, hoogstamboomgaarden, (hakhout)bosjes, struwelen, kaden en dijken, tuunwallen, bloemrijke (perceel)randen, ruigtezomen, overhoekjes, bermen van wegen en paden en steilrandjes. Kleine geïsoleerde wateren die verspreid in deze gebieden voorkomen worden ook gerekend tot droge dooradering.i Toelichting (waarom?): Het is voor de soorten*** die hier voorkomen belangrijk om de aanwezige landschapselementen in stand te houden en te beschermen. De kleinschaligheid, afwisseling en veelzijdigheid van dit agrarisch cultuurlandschap wordt zeer gewaardeerd. Dit is van betekenis voor het vestigingsklimaat en voor de recreatieve/ toeristische mogelijkheden van het gebied.
En daarmee ook voor de regionale economie, denk bijvoorbeeld aan de werkgelegenheid. *** Kenmerkende vogelsoorten van de droge dooradering zijn zowel soorten die in de landschapselementen broeden (zoals patrijs, geelgors, grauwe klauwier, zomertortel en braamsluiper), als soorten die tijdens de trek of overwintering afhankelijk zijn van deze landschapselementen omdat er tal van voedselbronnen aanwezig zijn in de vorm van eetbare vruchten en zaden. Vleermuizen gebruiken de droge dooradering als oriëntatie tijdens verplaatsingen tussen rust- en foerageergebied. Voor het voorkomen van amfibieën (kikkers, salamanders en paddensoorten) is de aanwezigheid van poelen van groot belang.ii 5 Overig gebied Strekking van het beleid: In dit gebied is ruimte voor opstellingen van zonnepanelen op land, mits de mogelijkheden om dakvlak(ken) of ruimte binnen bouwvlak(ken) te benutten voor zonnepanelen worden meegenomen; daarbij worden ook de mogelijkheden om werk met werk te maken onderzocht (denk bijvoorbeeld aan asbest eraf, zon er op). Toelichting (waarom?): We willen zuinig en zorgvuldig omgaan met het agrarisch gebied . De Groene Omgeving is ook van betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken en voor de regionale economie (denk aan toerisme - werkgelegenheid).
i Overgenomen uit de Index Natuur en Landschap ii Overgenomen uit de Index Natuur en Landschap 2.2.1.1 Proportionaliteit Proportionaliteit, scenario 1: energieneutrale kernen Ontwikkelingen in het buitengebied hebben impact op de omgeving. Een groot zonnepark nabij een relatief kleine kern wordt ervaren als een buitenproportioneel grote impact. Een expliciete wens die wordt uitgesproken is om de grootte van het zonnepark in enige mate te relate ren aan de grootte van de aangrenzende kern. Een manier om dit te doen is door de grootte van het zonnepark te begrenzen door de opwek ervan gelijk te stellen aan de energievraag van de aangrenzende kern, zodat de kern energieneutraal wordt. Om dit te bereiken nemen we de totale energievraag mee in het berekenen van de maximale grootte, inclusief warmte en mobiliteit. Gezien de ontwikkelingen rond toenemende elektrificatie is het van belang een toekomstbestendige energieopwek te realiseren Proportionaliteit, scenario 2: voorkomen versnippering Ontwikkelingen in het buitengebied kunnen niet evenredig verdeeld worden. De ene woning wordt meer blootgesteld aan verkeer door een nabijgelegen vliegveld of snelweg, de andere woning aan industriële overlast.
De wens om een evenredige verdeling van zonneparken over het grondgebied van onze gemeente in een vorm waarbij voor elke kern energieneutraliteit het uitgangspunt is voor de grootte van het nabijgelegen zonnepark, zou daarop een onredelijke uitzondering zijn. Gevolg van zulke proportionaliteit betekent een grotere versnippering van het aantal zonneparken en hogere maatschappelijke kosten voor de realisatie ervan, met name door de kosten van het aansluiten ervan op het elektriciteitsnet. Bovendien is te verwachten dat d it leidt tot meer weerstand door meer zonneparken, ook als deze relatief beperkt zijn in grootte. Daarom kiezen we ervoor om geen begrenzing van de grootte van het zonnepark op te nemen op basis van proportionaliteit. Het is echter daarmee niet zo dat een zonnepark geen begrenzing kent. Vanuit ruimtelijke ordening en KGO wordt namelijk reeds gekeken welke grootte redelijk is in een bepaald gebied. Toelichting 1: proportionaliteit Proportionaliteit is een begrijpelijke wens om de impact van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen minimaal te houden. Door proportionaliteit toe te passen in één gebied, vergroten we echter de impact op het gehele buitengebied.
Het grotere aantal zonneparken dat door toepassing van proportionaliteit nodig is om onze doelstellingen voor de opwek van hernieuwbare energie te halen leidt tot hogere maatschappelijke kosten en vermoedelijk tot meer weerstand onder onze inwoners. 2.2.1.2 Begrenzing aantal zonneparken Begrenzing aantal zonneparken, scenario 1: beperking lokale lasten Uitgangspunt is dat we niet meer dan één zonnepark toestaan nabij een kern of wijk . Voor de onderlinge afstand geldt dat een redelijke invloedssfeer wordt aangehouden, waarbij de parken in ieder geval niet in elkaars zichtveld liggen. Ook uitbreiding van een bestaand park wordt gezien als aanleg van een tweede park. Begrenzing aantal zonneparken, scenario 2: ruime mogelijkheden Binnen dit beleidskader is gekozen voor zoekgebieden waarbinnen ontwikkeling van zonneparken mogelijk is. In de motie is aangegeven dat de zoekgebieden niet ter discussie staan. Wanneer een initiatiefnemer binnen deze zoekgebieden kiest voor een locatie in de nabijheid van een reeds bestaand of vergund zonnepark, dan werken we daar aan mee. Toelichting 2: begrenzing aantal zonneparken Om tegemoet te komen aan de wens van proportionaliteit is het advies een begrenzing aan de impact op een bepaald gebied te hanteren. Door slechts één zonnepark in de directe omgeving van een kern of wijk toe te staan, beperken we de lasten van dit gebied.
Deze beperking wordt aangebracht in het kader van draagvlak en draagkracht. Wanneer een kern of wijk zelf echter komt met een gedragen plan voor een tweede zonnepark, willen we daar aan meewerken. 3 Lokale lasten en lusten in balans 3.1. Inleiding Bij de energietransitie zien we nieuwe verdienmodellen ontstaan voor initiatiefnemers. We vinden het belangrijk dat een deel van de baten, vanwege de maatschappelijke impact, voor het gebied beschikbaar komt. Bij de realisatie van zonnepanelen op land wordt divers omgegaan met de verdeling van de lasten en lusten. Zo hanteert de ene gemeente een afdracht op basis van het ‘afromen van de winst’ uit de businesscase van de initiatiefnemer, terwijl de andere gemeente per initiatief afspraken maakt. Wij hanteren een eenduidig uitgangspunt door een vaste afdracht per opgewekt vermogen te eisen. 3.2 Berekening “Lokale lasten en Lusten” afdracht Nominaal DC Vermogen van de installatie (in Megawattpiek) x € 1.000,- per jaar (gedurende de periode van 15 jaar). Het nominaal DC Vermogen van de installatie wordt berekend door het aantal panelen te vermenigvuldigen met het nominaal vermogen in Wp per pa neel. Voorbeeld: Bij een park van 10 ha, wordt ca 10 Megawattpiek vermogen geïnstalleerd. Jaarlijks, gedurende 15 jaar (gerelateerd aan SDE++), dient de initiatiefnemer 10.000 EURO aan het gebied af te dragen.
3.3 Afdracht direct aan omliggend gebied De afdracht dient te passen in de beleidskaders die we als gemeente opgesteld hebben voor de omgeving. Denk daarbij aan bijdrage aan de leefbaarheid. 3.4 Invulling lokaal eigendom 3.4.1 Minimaal 50% lokaal eigendom Minimaal 50% lokaal eigendom, keuze aandeel Ons uitgangspunt is dat minimaal 50% van de opwek in lokaal eigendom wordt gerealis eerd. Voor afgeronde en lopende aanvragen van zonneparken geldt dit minimum van 50% lokaal eigendom die als afspraak is meegenomen in de RES 1.0 nog niet. Voor nieuwe aanvragen moet het exacte percentage nog worden vastgesteld. Een hoger percentage kan zorgen voor een breder draagvlak onder omwonenden. Daarentegen kan een hoger percentage ook leiden tot vertraging van onze doelstellingen, doordat initiatiefnemers afhaken en projecten lastiger tot stand komen. Toelichting 3: minimaal 50% lokaal eigendom In dit scenario vragen wij de raad te adviseren over een percentage dat we hanteren voor nieuwe aanvragen en/of voor de invulling van het resterende deel van onze doelstelling. 3.4.2 Begrenzing lokaal eigendom Lokaal eigendom definiëren we als een collectief van lokale inwoners en/of lokaal gewortelde bedrijven dat gezamenlijk (mede-)eigenaar is van zonprojecten. Het exacte aantal inwoners en/of lokaal gewortelde bedrijven dat geldt als collectief is afhankelijk van de lokale context.
Van belang is dat alle omwonenden de kans krijgen mede-eigenaar van het zonnepark te worden. Begrenzing lokaal eigendom, scenario 1: gemeentebrede lusten Omwonenden (inclusief lokaal gewortelde bedrijven) met direct zicht op het park vanaf hun perceel krijgen als eerste de mogelijkheid lokaal eigendom in te vullen, gevolgd door omwonenden in een afstand tot het park waarvan kan worden geacht dat zij er dagelijks mee te maken hebben, omwonenden in de rest van een kern of wijk en inwoners en lokaal gewortelde bedrijven in de rest van de gemeente of aanliggende gemeente wanneer het park in het zicht van de gemeentegrens wordt aangelegd. Op deze manier blijven de financiële lusten van de zonneparken voor een groot deel binnen onze gemeente. Hoewel ook inwoners uit gebieden die geen directe lasten van het zonnepark ondervinden kunnen deelnemen, zorgt de afdracht (zie 3.2) dat de directe omgeving in alle omstandigheden profiteert van de aanleg van het zonnepark. Begrenzing lokaal eigendom, scenario 2: lokale lusten Om de lusten en de lasten op een eerlijke manier in verhouding tot elkaar te brengen, kiezen we ervoor dat alleen direct omwonenden (inclusief lokaal gewortelde bedrijven) de mogelijkheid krijgen tot lokaal eigenaarschap.
Direct omwonenden beschouwen wij als eenieder die vanuit diens perceel zicht heeft op het park en eenieder woonachtig in de kern of wijk aangrenzend aan het zonnepark. Toelichting 4: begrenzing lokaal eigendom Lokaal eigendom is een vorm van participatie die het draagvlak voor de realisatie van een zonnepark kan vergroten. Om de opgave voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit te halen, zijn vaak grote investeringen nodig, die niet altijd vanuit een (kleine) lokale gemeenschap kunnen worden opgehaald. Om lokaal eigendom goed in te kunnen vullen en om te zorgen dat lokaal eigendom geen belemmering wordt voor de te behalen doelstelling, is het van belang het voor een zo groot mogelijk aantal van onze inwoners mogelijk te maken lokaal eigendom binnen een zonnepark in te vullen. De directe omgeving profiteert daarnaast ook via de verplichte afdracht. 4 Hoe om te gaan met aanvragen? 4.1 Alleen toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik We verwachten dat op de lange termijn zonnepanelen op land niet meer nodig zijn, omdat innovatie en prijsdaling ertoe zullen leiden dat zonnepanelen kunnen worden verwerkt in gevelbekleding, beglazing en andere producten. De gronden willen we dan ook niet blijvend onttrekken aan de oorspronkelijke (vaak agrarische) bestemming. Dit betekent dat we de aanleg van zonnepanelen op land alleen toestaan als tijdelijk (mede)gebruik.
De maximale termijn is op 25 jaar gesteld. Ervaringscijfers geven aan dat binnen deze termijn een gezond exploitatiemodel te bouwen is. De eis van tijdelijk (mede)gebruik moet zorgen dat het zonneveld weer wordt opgeruimd als er geen behoefte meer is. Om te voorkomen dat na het beëindigen van de termijn risico op planschade en handhavingsproblemen ontstaan, maken we zonnevelden mogelijk met een tijdelijke projectafwijking. Daarmee kun je voor een bepaalde termijn toestemming geven om - in afwijking van de geldende bestemming – zelfstandige veldopstellingen met zonnepanelen te realiseren. De geldende bestemming blijft ondertussen gehandhaafd, zodat duidelijk is wat is toegestaan als het zonneveld is opgeruimd. In de tijdelijke projectafwijking nemen we als voorwaarde op dat de vergunninghouder verplicht is de locatie in de oude toestand te herstellen. 4.2 Wat betekent dit in de praktijk? De procedure ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: 1. Indiening participatieplan ter goedkeuring door college; 2. Ontvangst aanvraag inclusief ruimtelijke onderbouwing en goedgekeurd participatieplan; 3. Toets volledigheid en zo nodig mogelijkheid tot aanvullen; 4. Doorsturen aanvraag aan gemeenteraad, met verzoek om voorlopige verklaring van geen bedenkingen te geven; 5.
Ter inzage leggen ontwerp tijdelijke projectafwijking met ruimtelijke onderbouwing en met ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor termijn van zes weken. Geli jktijdig wordt het plan ook doorgestuurd aan adviesinstanties voor overleg (bv. provincie en waterschap); 6. Uiteindelijke besluitvorming (snelheid sterk afhankelijk van wel of geen zienswijzen en/of beroep); 7. Start bouw, waarbij binnen een jaar na realisatie de afgesproken situatie rondom de KGO is gerealiseerd.