Beleidsnota Gladheidbestrijding in Steenwijkerland 2020.pdf
Tekst van het document
Gladheidbestrijding in Steenwijkerland “Mooi om te doen”
2 Inhoudsopgave 1. Inleiding ....................................................................................................................................... 3 2. Visie ............................................................................................................................................. 4 3. Relevante aspecten en bepalingen ............................................................................................. 5 3.1 Juridische kader ................................................................................................................. 5 3.2 Milieuaspecten .................................................................................................................... 5 3.3 Personeel ........................................................................................................................... 6 3.3.1 Arbeidsomstandigheden ................................................................................................. 6 3.3.2 Arbeidstijden ................................................................................................................... 6 3.3.3 Veiligheid ........................................................................................................................
6 3.3.4 Personeelsinzet .............................................................................................................. 6 3.4 Materieel ............................................................................................................................. 7 3.4.1 Conserveren en onderhoud materieel ............................................................................ 7 4. Prioriteit in bestrijding .................................................................................................................. 8 5. Prioritering Steenwijkerland ...................................................................................................... 11 5.1 Prioritering in Steenwijkerland .......................................................................................... 11 5.2 Afweging bij sneeuwval .................................................................................................... 11 5.3 Afweging bij extreme situaties .......................................................................................... 12 6. Communicatie ........................................................................................................................... 13 6.1 Interne communicatie .......................................................................................................
13 6.2 Externe communicatie ...................................................................................................... 13 6.2.1 Website ......................................................................................................................... 13 6.2.2 Social media ................................................................................................................. 13 6.2.3 Klantcontactcentrum ..................................................................................................... 13 6.2.4 Afstemmen en/of samenwerken met andere wegbeheerders ..................................... 13 6.3 Inwonersparticipatie.......................................................................................................... 13 7. Kosten ....................................................................................................................................... 15 7.1 Vaste en variabele kosten ................................................................................................ 15 8. Relevante ontwikkelingen ......................................................................................................... 16 8.1 Nieuwe technieken ................................................................................................................. 16 9.
Evaluatie en risico-inventarisatie .................................................................................................. 17 9.1 Evaluatie ........................................................................................................................... 17 9.2 Risico-inventarisatie ......................................................................................................... 17 10. Bijlagen ....................................................................................................................................... 18 3 1. Inleiding “Mooi om te doen”. “Machtig mooi werk”. Twee uitspraken van medewerkers uit de strooiploegen die ervoor zorgen dat we onder winterse omstandigheden veilig de weg op kunnen. In de wintermaanden staan de strooiploegen 7 dagen per week , 24 uur per dag paraat om uit te rukken als er gladheid dreigt of als er sneeuwval is - dat geldt eveneens voor de aannemers die namens ons een deel van de routes strooien. De bereikbaarheid van Steenwijkerland is van groot belang voor de vitaliteit en leefbaarheid van onze inwoners en ondernemers maar ook voor het gebied om ons heen. We streven ernaar om de bereikbaarheid van ons gebied zo optimaal mogelijk te organiseren. Als gemeente zijn wij beheerder van een groot deel van de openbare wegen in onze gemeente.
We hebben een zorgplicht om deze wegen in een goede en veilige staat te houden. Gladheidbestrijding valt onder deze zorgplicht. In juridische zin is het belangrijk om te weten dat het hierbij gaat om een zogenaamde inspanningsplicht en niet om een resultaatsverplichting. Om optimaal in te kunnen spelen op dez e zorgplicht wordt de gladheidbestrijding uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld en door de raad vastgesteld gladheidbestrijdingsplan. In dit beleidsplan zijn de algemene uitgangspunten bij de gladheidbestrijding in de gemeente Steenwijkerland opgenomen. De uitwerking van het beleidsplan vindt plaats in het uitvoeringsplan gladheidbestrijding. Dit plan moet elk jaar, voorafgaand aan het winterseizoen, worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De basis voor de beleidsnota gladh eidbestrijding is de publicatie van de CROW op het gebied van gladheid (publicatie 353). Ook praktijkervaringen van de afgelopen winters is verweven in het beleid. 4 2. Visie De basis De veiligheid van de weggebruiker staat voorop en daarom proberen we he t ontstaan van gladheid te voorkomen. Dit betekent dat we zoveel mogelijk preventief strooien.
Bereikbaarheid Ons beleid is erop gericht dat het hoofdwegennet, de busroutes, het hoofdfietsnetwerk (utilitair), het voetgangersgebied in Steenwijk -centrum en wegen rondom openbare gebouwen zoveel mogelijk beschikbaar zijn tijdens winterse omstandigheden. Als uitzondering hierop gelden extreme omstandigheden zoals langdurige en zware sneeuwval en ijzel. In die situaties geldt een inspanningsverplichting om de genoemde wegen zo snel mogelijk begaanbaar te maken. Voor inwoners en bedrijven We voeren de gladheidbestrijding efficiënt uit. Het belang van de weggebruiker staat voorop. Daarom melden we voor elke uitruk via social media dat er gestrooid gaat worden en staan op onze website de strooiroutes. Inwoners kunnen hun vragen en meldingen kwijt bij ons klantcontactcentrum. Inwoners die mee willen helpen om de gladheid te bestrijden, ondersteunen we. Duurzaam Door het combineren van kennis (meetpunten, meteo) en plaatselijke ervaring rukken we uit wanneer het nodig is. We zorgen ervoor dat we met de juiste verhoudingen zout en dooimiddelen strooien en dat we rekening houden met de breedte van de weg. Op deze manier komen er zo min mogelijk milieubelastende stoffen in de omgeving terecht. Samen Alle te strooien wegen zijn verdeeld in acht routes. Vier routes strooien we zelf, de vier andere routes worden gestrooid door lokale aannemers.
Deze verdeling is tot stand gekomen omdat we onvoldoende bezetting bij de buitendienst hebben om alles zelf te strooien. 5 3. Relevante aspecten en bepalingen 3.1 Juridische kader De wegbeheerder is op grond van artikel 15 e.v. van de Wegenwet verantwoordelijk voor het onderhoud van de weg. Als hij niet voldoet aan deze verantwoordelijkheid, met schade bij weggebruikers als gevolg, kan hij voor die schade aansprakelijk worden gehouden. Er moet dan wel worden voldaan aan de voorwaarden voor aansprakelijkheidstelling. Dat is niet bij elk ongeluk het geval. De aansprakelijkheid van de wegbeheerder kan op twee gronden worden gebaseerd. Allereerst is er de verantwoordelijkheid voor gebreken aan de weg en de weguitrusting, zoals opgenomen in artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel regelt echter niet de mogelijke aansprakelijkheid van de wegbeheerder voor zaken en substanties die niet op het wegdek thuishoren, zoals zand en olie, maar ook sneeuw, ijzel of rijp. De mogelijke aansprakelijkheid voor ongevallen door zaken op het wegdek moet worden beoordeeld op basis van artikel 6:162 BW. Een belangrijk punt bij de aa nsprakelijkheidstelling is de vraag of er sprake is van verwijtbaarheid van de wegbeheerder. De bewijslast voor het aantonen van verwijtbaarheid ligt in beginsel bij de eisende partij.
Vanwege de voorzienbaarheid van het fenomeen gladheid moet de wegbeheer der kunnen aantonen dat op structurele wijze aan de zorgplicht is voldaan. De middelen die de beheerder hiervoor kan aanwenden zijn: een (gepubliceerd) gladheidbestrijdingsplan; een gladheidmeldsystematiek (bijvoorbeeld een contrac t met een weerbureau, een eigen gladheidmeldsysteem of door middel van eigen waarnemingen); een goede administratie van tijden en gereden routes; het voorhanden hebben van voldoende materieel; consistentie in beleid en uitvoering. 3.2 Milieuaspecten Bij de bestrijding van gladheid wordt gebruikgemaakt van dooimiddelen die een schadelijke invloed hebben op het leefmilieu. Een deel van het gebruikte dooimiddel komt door verwaaiing in de berm terecht. Indirect komt het middel na afspoeling vanaf het wegdek terecht in het opperv lakte- of grondwater. Bomen en struiken kunnen worden aangetast door een te grote blootstelling aan dooimiddelen. De meest voor de hand liggende maatregel om milieuschade te beperken, is ervoor zorgen dat er zo min mogelijk dooimiddel in het milieu komt. Daarom kiezen we voor preventief strooien (ook wel nat strooien genoemd). Nat strooien heeft een aantal duidelijke voordelen. In zijn algemeenheid zijn dat een betere beheersing van het strooipatroon en zoutbesparing. We besluiten per actie met welke doseringen we gaan strooien.
6 3.3 Personeel 3.3.1 Arbeidsomstandigheden Gladheidbestrijding vindt vrijwel altijd plaats onder moeilijke omstandigheden voor het uitvoerend personeel. Er wordt gewerkt in koude omstandigheden, vaak in nachtelijke uren, op soms nog gladde wegen met agressieve dooimiddelen. De kaders voor de inzet en arbeidsomstandigheden van het personeel zijn bepaald in de Arbeidstijdenwet en de Arbowet. 3.3.2 Arbeidstijden De werkzaamheden in het kader van de gladheidbestrijding hebben als kenmerk dat ze onregelmatig zijn, niet vooraf planbaar en vaak in de avond en de nacht worden uitgevoerd. Chauffeurs van strooiwagens en coördinatoren worden daarom in de winterperiode in consignatie ingezet. Zij dienen, behalve voor hun reguliere werkzaamhede n, ook beschikbaar te zijn voor werkzaamheden in het kader van de gladheidbestrijding . De regels voor de arbeidstijden en consignatie zijn vastgelegd in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. De bepalingen hebben betrekking op de maximale (gemiddelde) arbeidsduur per etmaal, per week en per maand en op de maximale duur van de consignatie. Voor het winterseizoen begint , is bekend of het beschikbaar eigen personeel toereikend is om ook bij langere periodes van gladheid volgens de geldende normen de gladheid te bestrijden.
Als niet met eigen personeel aan de behoefte kan worden voldaan, wordt over gegaan tot inhuren van (extra) personeel van derden. 3.3.3 Veiligheid De veiligheidsaspecten bij gladheidbestrijding hebben betrekking op het gebruik van materiaal en materieel nodig voor de uitvoering. In principe draagt de dienstdoende strooileider gladheidbestrijding de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het personeel tijdens de uitvoering. De belangrijkste risicofactoren hebben betrekking op: het omgaan met dooimiddelen; het bedienen van, en werken met, gladheidbestrijdingsmaterieel; onveilige situaties tijdens het strooien (gladheid tijdens strooien en woon-werkverkeer). De strooi-eenheden (met of zonder sneeuwploeg) worden bemand door één medewerker. Alle strooi- eenheden hebben de beschikking over een mobiele telefoon. Als werkgever zijn we volgens de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 8) verplicht om medewerkers te voorzien van voldoende voorlichting met betrekking tot het werk en de verbonden risico’s. Daarom moeten alle medewerkers (en aannemers) in de winterdienst verplicht één keer in de vijf jaar de cursus ‘specifieke deskundigheid winterdienst’ volgen. 3.3.4 Personeelsinzet Gedurende de vastgestelde winterdienstperiode geldt een consignatierooster voor het in te zetten personeel. Dit rooster wordt voor de winterdienstperiode opgesteld door de teamleider.
7 Tijdens de normale werktijden (tusse n 7.30 uur - 16.30 uur) wordt een gedeelte van het personeel, het gehele personeel als dat nod ig is, ingezet voor gladheidbestrijding. Tijdens het winterseizoen heeft gladheidbestrijding een hoge prioriteit. Mogelijk kan dit ten koste gaan van andere geplande activiteiten. De bestrijding van gladheid wordt vanuit één centraal punt georganiseerd. D e verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de strooiwerkzaamheden ligt bij de strooileider gladheidbestrijding die op dat moment, op basis van het dienstrooster, dienst heeft. 3.4 Materieel Voor de uitvoering van de gladheidbestrijding wordt gebruik ge maakt van verschillende voertuigen van het team Openbare Ruimte. De voertuigen worden niet alleen voor de gladheidbestrijding ingezet, maar hebben meerdere functies. Ze worden voor de gladheidbestrijding voorzien van een opzet- of aanhangstrooier met event ueel een sneeuwschuif voorop. Door het inzetten van eigen materieel wordt dit materieel efficiënter het gehele jaar door gebruikt. Aan de aannemers die een aantal routes strooien, worden de strooiers en sneeuwploegen tijdens de winterdienst ter beschikking gesteld. 3.4.1 Conserveren en onderhoud materieel Al het gladheidbestrijdingsmaterieel is in eigendom van de gemeente en staat gestationeerd op de werf.
Omdat het materieel in optimale conditie moet verkeren, is preventief onderhoud na elk strooiseizoen noodzakelijk. Om de conditie van het materieel in stand te houden, moet na elke actie de strooier leeg gedraaid worden. Ook worden periodiek, in reguliere werktijd , door medewerkers het gladheidbestrijding materieel grondig schoon gemaakt. Voor aanvang van het seizoen wordt een vlootschouw gehouden. Naast onderhoud worden de machines voor ieder strooiseizoen gekeurd. 8 4. Prioriteit in bestrijding Op basis van praktijkervaringen en gevoed door beheerders en direct betrokken organisaties zijn landelijke en algemene, niet dwingende richtlijnen geformuleerd. Gemeenten (en andere wegbeheerders) kunnen deze richtlijnen gebruiken bij het formuleren van hun eigen beleidsplan. Deze richtlijnen en de bijbehorende normen hebben geen wettelijke status. Omdat er geen concrete regelgeving bestaat op dit gebied, zal er naar verwachting wel een zekere status aan worden ontleend.
Met de formulering van de ze richtlijnen wordt beoogd dat (alle) wegbeheerders dezelfde uitgangspunten hanteren voor het uitvoeren van de gladheidbestrijding Bij de totstandkoming van de richtlijnen (en de achterliggende leidraad/integrale visie) gladheidbestrijding is als uitgangspunt gekozen dat voor elke te onderscheiden type weg , in combinatie met een bepaald type gladheid , een advies geldt voor de wijze van bestrijden en responstijden waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. Wegen worden in eerste instantie, conform categori sering wegen op duurzaam veilig , naar hun verkeersfunctie onderscheiden in: Stroomwegen Gebiedsontsluitingswegen (type I en II) Erftoegangswegen Deze drie primaire wegcategorieën zijn onderverdeeld naar wegen binnen en buiten de bebouwde kom. Soorten gladheid Om wintergladheid met succes te kunnen bestrijden, is het van belang een goed inzicht te hebben in de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze gladheid kan ontstaan. Bij alle soorten wintergladheid speelt de temperatuur van het wegdek een essentiële rol. Voor het ontstaan van wintergladheid moet worden voldaan aan twee voorwaarden: op het wegdek is een vorm van vocht aanwezig en de wegdektemperatuur ligt onder het vriespunt. Er worden drie soorten gladheid onderscheiden: Gladheid door bevriezing Het wegdek is nat en de temperatuur van het wegdek daalt.
Wanneer de wegdektemperatuur onder het vriespunt komt (en er geen dooimiddelen op het wegdek aanwezig zijn) zal het op de weg aanwezige vocht overgaan in een laagje ijs. Gladheid door bevriezing treedt vaak op als in de winter in de middag of vroeg in de avond neerslag valt. Gladheid door condensatie Het neerslaan van vocht uit de lucht (condensatie) op het wegdek komt voor als; de wegdektemperatuur lager is dan het dauwpunt. Het dauw punt is de temperatuur waarbij door het afkoelen van de lucht, waterdamp begint te condenseren, zonder dat er vocht word t toegevoerd of afgevoerd. De hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten hangt af van de temperatuur; hoe lager de temperatuur, des te minder vocht er in kan. Bij het dauwpunt is de lucht juist verzadigd met water. Gladheid door neerslag De meest voorkomende vormen van neerslag die gladheid veroorzaken zijn sneeuw en ijzel, maar ook hagel en mist.
9 Categorie buiten de bebouwde kom Maximum- snelheid (km/h) Kenmerken Prioriteit Gladheid door bevriezing Gladheid door condensatie Gladheid door neerslag Nationale stroomweg1 130/120/100 /80 autosnelweg hoog preventief preventief preventief en curatief ( 2 uur )* Regionale stroomweg 2 100 autoweg hoog preventief preventief preventief en curatief ( 2 uur ) Gebiedsontsluitings- weg I en II 80 2×2 of 2*1 rijstroken hoog preventief preventief preventief en curatief ( 3 uur ) Erftoegangsweg I en II 60 1 rijloper, fiets op de rijbaan middel preventief preventief preventief en curatief ( 4 uur ) Vrijliggend fietspad 40 vrijliggend fietspad hoog preventief preventief preventief en curatief (3 uur) * Rijkswaterstaat hanteert voor nationale stroomwegen een grens van 1,5 uur als maximale actietijd.
Categorie binnen de bebouwde kom Maximum- snelheid (km/h) Kenmerken Prioriteit Gladheid door bevriezing Gladheid door condensatie Gladheid door neerslag Gebiedsontsluitingsweg 70/50 2×1 of 2×2 rijstroken, rijbaanscheiding hoog preventief preventief preventief en curatief ( 3,5 uur ) Erftoegangsweg 30 1 rijloper laag curatief ( 48 uur)* curatief ( 48 uur)* Curatief ( 48 uur)* Vrijliggend fietspad 30 vrijliggend fietspad hoog preventief preventief preventief en curatief ( 3,5 uur ) Busbaan / busstrook 50 rijbaan/rijstrook voor bussen hoog preventief preventief preventief en curatief ( 3,5 uur ) * Op erftoegangswegen, woonerven en parkeervoorzieningen binnen de bebouwde kom wordt alleen curatief gestrooid bij langdurige gladheid. Wanneer de gladheid zich slechts enkele uren voordoet, wordt op deze categorieën wegen niet gestrooid. Wegen kunnen naast een verkeersfunctie ook een verblijfsfunctie hebben. Dit geldt veelal voor wegen in woongebieden. De weg kan in dit geval beschouwd worden als onderdeel van de openbare ruimte; ruimte die gebruikt wordt voor tal van (verblijf)activiteiten. Binnen de openbare ruimte kunnen diverse gebieden worden onderscheiden die speciale aandacht vragen bij de gladheidbestrijding.
Deze gebieden zijn: vrij liggende fietspaden, busbanen en busstroken, winkelgebieden, woonerven, 1 Niet in beheer (Rijkswaterstaat) 2 Niet in beheer (Provincie) 10 parkeervoorzieningen en speciale bestemmingen zoals wegen en voetpaden naar openbare voorzieningen (o.a. politie, brandweer, gemeentehuis, bibliotheek, bejaardenhuis, scholen.) Categorie binnen de bebouwde kom Maximum- snelheid (km/h) Kenmerken Prioriteit Gladheid door bevriezing Gladheid door condensatie Gladheid door neerslag Winkelgebied 5 winkelcentra hoog/middel curatief ( 3 uur )** curatief ( 3 uur )** curatief ( 3 uur )** Woonerf 5 woonerf laag curatief ( 48 uur )* curatief ( 48 uur )* curatief ( 48 uur )* Parkeervoorzieningen 5 openbare parkeervoorzieningen laag curatief ( 48 uur )* curatief ( 48 uur )* curatief ( 48 uur )* Speciale bestemmingen 50/30/5 wegen, fietspaden en voetpaden ter ontsluiting van belangrijke openbare voorzieningen (ziekenhuis, politiebureau, brandweer, gemeentehuis, bibliotheek, bejaardenhuis, scholen) middel wegen preventief, voetpaden curatief ( 3 uur )** wegen preventief, voetpaden curatief ( 3 uur )** wegen preventief, voetpaden curatief ( 3 uur )** * Op erftoegangswegen, woonerven en parkeervoorzieningen binnen de bebouwde kom wordt alleen curatief gestrooid bij langdurige gladheid.
Indien de gladheid zich slechts enkele uren voordoet, wordt op deze categorieën wegen niet gestrooid. ** In winkelgebieden en op de voetpaden naar openbare voorzieningen wordt alleen curatief gestrooid tijdens de dagdienst. 11 5. Prioritering Steenwijkerland Elke wegbeheerder heeft de vrijheid om af te wijken van de richtlijnen. CROW adviseert om bij het maken van die afwegingen, rekening te houden met de bereikbaarheid van openbare voorzieningen, de aansluiting op wegen van andere wegbeheerders en gevoelige locaties. Dit hebben we gedaan. Voor Steenwijkerland zijn 8 strooiroutes ontwikkeld. 5.1 Prioritering in Steenwijkerland De in het vorige hoofdstuk opgenomen categorisering en de aangegeven richtlijnen en aanbevelingen zijn de basis voor het uitvoeringsplan gladheidbestrijding Steenwijkerland. Van de richtlijnen en aanbevelingen wordt op de volgende punten afgeweken: erftoegangswegen I, binnen de bebouwde kom hebben de prioriteit middel en worden preventief gestrooid; erftoegangswegen II, buiten de bebouwde kom hebben een lage prioriteit en worden alleen preventief/curatief gestrooid bij langdurige gladheid. Indien de gladheid zich slechts enkele uren voordoet, dan wordt op deze categorieën wegen niet gestrooid. Bij bejaardencentra wordt eveneens gestrooid op zaterdag en zondag en bij kerken uitsluitend op zondag of hiermee gelijk te stell en dagen.
Op markten wordt uitsluitend gestrooid op marktdagen. De strooitijden zijn conform normale dagdiensten. Bij MFA’s wordt volgens hoofdroute gestrooid. Jaarlijks worden de strooiroutes geactualiseerd. De st rooiroutes maken onderdeel uit van het jaarlijkse uitvoeringsplan. Hierin is ook beschreven welke routes door de eigen dienst worden gestrooid en welke routes door de aannemers. 5.2 Afweging bij sneeuwval De gladheidbestrijding op zogenaamde “primaire routes” gebeurt met meerdere strooi-eenheden op aangegeven routes. Binnen drie uur na alarmering is op deze routes gestrooid. In tweede instantie worden, als het nodig is, aanvullend de zogenaamde “secundaire routes” gestrooid. Bij te verwachten sneeuwval is het van belang, dat de route eerst preventief met de nat-zout methode wordt gestrooid, voordat men begint met het ruimen van de sneeuw met sneeuwploegen. Hiervan is sprake bij sneeuwval van meer dan twee á drie centimeter. In dat geval worden de strooiauto’s van zowel de hoofdrijbanen als de fi etspaden voorzien van sneeuwploegen en wordt in een handeling de weg c.q. fietspad sneeuwvrij gemaakt en gestrooid. Bij grote hoeveelheden sneeuwval is er spraken van een extreme situatie, immers het verkeer loopt in de meeste gevallen vast. In dat geval wordt geprobeerd de hoofdroute (primair) met sneeuwploegen zoveel mogelijk sneeuwvrij te houden.
Het heeft geen zin om bijvoorbeeld in woonstraten of buurten te gaan sneeuwruim en. De sneeuwploeg heeft maar een beperkte werkbreedte van 2 á 3 meter en zet de sneeuw op ruggen langs de kant van de weg, wat problemen op kan leveren met geparkeerde auto’s, oversteekbaarheid van straten etc. 12 5.3 Afweging bij extreme situaties Tijdens extreme situaties, zoals bij langdurige en hevige sneeuwval, moet de overlast in tensiever worden bestreden. Het verplaatsen van de sneeuw door de sneeuwploegen kan problematisch worden. De sneeuw dient dan opgeladen en afgevoerd te worden. Deze situatie moet naar omstandigheden op maat worden ingevuld door bijvoorbeeld inzet van extra materieel. Dit alles in overleg met en in opdracht van de strooileider. 13 6. Communicatie Voor zowel betrokkenen binnen de organisatie als de weggebruiker is het van belang dat informatie over de gladheidbestrijding tijdig en efficiënt wordt overgebracht. 6.1 Interne communicatie Intern is het communicatietraject over gladheidbestrijding op heldere wijze vastgelegd. Iedereen moet weten, wat in geval van gladheid van hem (of haar) wordt verwacht. De dienstdoende strooileider fungeert hierbij als spin in het web. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering en onderhoudt de contacten met onder andere het weerbureau, andere wegbeheerders, eigen medewerkers gladheidbestrijding en gecontracteerde aannemers.
6.2 Externe communicatie Inwoners en ondernemers in o nze gemeente moeten worden geïnformeerd over de wijze waarop gladheid wordt bestreden. 6.2.1 Website Op de gemeentelijke website is een webpagina ingericht met allerlei informatie over de gladheidbestrijding. Hierop staat waarom en hoe we strooien . Ook is er kaartmateriaal beschikbaar waarop de routes staan die gestrooid worden. Ook wordt antwoord gegeven op een aantal veelgestelde vragen. 6.2.2 Social media Sinds 2011 is het twitteraccount @GladheidSWL in de lucht. Vanaf het strooiseizoen 2019 -2020 worden de tweets verstuurd vanaf de algemene twitteraccount @Steenwijkerland. Ook wordt er een koppeling gemaakt met de algemene Facebookpagina van Gemeente Steenwijkerland. Elke strooiactie wordt via beide media gemeld. Ook andere wetenswaardigheden over de gladheidbestrijding worden via Facebook en Twitter eenvoudig gedeeld. 6.2.3 Klantcontactcentrum Het klantcontactcentrum ( KCC) is voor onze inwoners en ondernemers het eerste aanspreekpunt. Het KCC is op de hoogte van o.a. de routes en strooiacties. Tijdens uitzonderlijke situaties houdt de strooileider van dienst het KCC op de hoogte van de laatste stand van zaken. 6.2.4 Afstemmen en/of samenwerken met andere wegbeheerders Het uitvoeringsplan wordt tijdig afgestemd met omliggende wegbeheerders.
Dit is n oodzakelijk uit oogpunt van verkeersveiligheid; het kan namelijk erg gevaarlijk zijn als strooiroutes voor doorgaande wegen stoppen en niet goed zijn afgestemd met de aangrenzende wegbeheerder. Hetzelfde geldt voor wegen die door de gemeente lopen en doo r andere wegbeheerders worden gestrooid. Voor zowel betrokkenen binnen de organisatie als de weggebruikers moet de informatie over de gladheidbestrijding tijdig en efficiënt worden gedeeld. Daarnaast wordt het jaarlijkse uitvoeringsplan gladheidbestrijding gedeeld met de plaatselijke politie en brandweer en met buurgemeenten en de provincie Overijssel. 6.3 Inwonersparticipatie Op een heel aantal plekken zijn, in overleg met de Plaatselijke Belangen en Wijkverenigingen, zoutbakken geplaatst of zijn handstr ooiers beschikbaar gesteld . Deze bakken vullen we jaarlijks 14 zodat de omwonenden hiermee delen van onze gemeente begaanbaar kunnen houden waar wij met ons rijdend materieel niet kunnen komen. Inwoners en ondernemers kunnen ook zelf mee helpen om de gladhe id te bestrijden. Vooral bij sneeuwval is het fijn als inwoners (en ondernemers) het deel van het trottoir voor hun woning/bedrijf sneeuwvrij maken/houden. Met elkaar kunnen we ervoor zorgen dat gladheid zo snel mogelijk bestreden wordt. Jaarlijks verstrekken wij gratis strooizout (maximaal 5 kilo per persoon) aan onze inwoners.
Hiermee ondersteunen we het gewaardeerde initiatief van inwoners die hun eigen trottoir schoon en veilig willen houden. Daarnaast staan op onze website een aantal tips voor het bestrijden van gladheid op het trottoir. 15 7. Kosten We hebben de taak om de gladheidbestrijding, rekening houdend met de wettelijke kaders en de gewenste kwaliteit, tegen de laagst mogelijke kosten uit te voeren. In de begroting is een bedrag van € 110. 720 opgenomen voor het uitvoeren van de gladheidbestrijding. Gladheidbestrijding Bedrag 2020 Bedrag 2021 Bedrag 2022 Bedrag 2023 Bedrag 2024 62102010 € 110.720,00 € 110.720,00 € 110.720,00 € 110.720,00 € 110.720,00 Bij de normale uitvoering van de gl adheidbestrijding wordt voortdurend een afweging gemaakt tussen veiligheid, effectiviteit en kosten. Het is heel simpel om bij iedere dreiging van gladheid bij voorbaat alle wegen van zout te voorzien. Maar dat betekent dat de kosten hoog kunnen oplopen en het milieu onnodig wordt belast. Daarom maken wij gebruik v an alle beschikbare informatie om steeds opnieuw een afweging te maken of er wel of niet gestrooid moet worden. 7.1 Vaste en variabele kosten De kostenposten voor de gladheidbestrijding zijn onde r te verdelen in vaste en variabele kosten. Meteo, meetpunten en tractie zijn jaarlijkse en vaste kosten.
Kosten die gemaakt worden voor zout en dooimiddelen, personeel en inzet aannemers zijn variabel en afhankelijk van de winter. Bij een gemiddelde winter (ruim 30 strooiacties) zijn de variabele kosten 66% van de totale kosten. De variabele kosten zijn sterk afhankelijk van de weersomstandigheden en daarmee moeilijk op voorhand te bepalen. Het bestrijden van gladheid door sneeuw kost beduidend meer dan het bestrijden van condensatiegladheid of gladheid door bevriezing van natte weggedeelten. Tijdens zeer strenge, koude winters valt vaak relatief weinig neerslag . Deze winters zijn daardoor minder kostbaar dan kwakkelwinters. Onvoorspelbare winter Hoe streng een winter in Nederland gaat worden, is van tevoren niet te voorspellen. Vaak komen de temperaturen vrijwel niet onde r het vriespunt en valt er vrijwel geen sneeuw. Maar soms doen zich langdurige en strenge vorstperioden voor of valt er dagenlang sneeuw of ijzel. Deze onvoorspelbaarheid maakt het moeilijk om beleid ten aanzien van de gladheidbestrijding te formuleren en dan in het bijzonder om kosten en risico’s goed te kwantificeren. Een ‘gemiddelde winter’ wordt vaak als uitgangspunt genomen. Deze ‘gemiddelde winter’ varieert echter per beheergebied en kan met de verwachte klimaatverandering ook in de loop van de jare n veranderen. Daarnaast worden er in de toekomst meer extreme situaties verwacht. 16 8.
Relevante ontwikkelingen 8.1 Nieuwe technieken Momenteel strooien we met nat zout in de verhouding 80% zout en 20% pekelwater. Recente ontwikkelingen laten een verschuiving zien in deze mengverhoudingen. Zo worden er nu proeven gedaan met 50% zout en 50% pekelwater. Het voordee l van deze mengverhouding is een lager zoutverbruik waardoor het dus beter is voor het milieu. Ook heeft het een directe werking en kan je het gelijkmatiger verdelen over het wegdek. Nadelig is dat het niet toepasbaar is bij sneeuw en ijze l en dat het water bij lage temperaturen gladheid kan veroorzaken. Ons huidig materieel kan deze mengverhouding niet aan. Op het moment dat er machines moeten worden vervangen zullen we deze ontwikkelingen meenemen. Groen alternatief voor het dooimiddel Ook zijn er ontwikkelingen wat betreft het dooimiddel (het pekelwater) waar mee gestrooid wordt. Er zijn proeven waarbij bermgras wordt omgezet in grassap en grasvezels. Het sap wordt gebruikt als dooimiddel bij gladheidsbestrijding, de vezels voor wegmeubilair . In de pro ef wordt gemaaid bermgras verzameld, opgewerkt en geperst, waardoor grassap en grasvezels worden gescheiden. Beide grondstoffen worden vervolgens opgewerkt tot biobased producten die op of langs de weg gebruikt kunnen worden. Deze ontwikkelingen volgen we nauwlettend. 17 9.
Evaluatie en risico-inventarisatie 9.1 Evaluatie Voorafgaand aan elk strooiseizoen wordt een uitvoeringsplan vastgesteld en aangeboden aan o.a. omliggende gemeenten en de provincie. Het uitvoeringsplan is een uitwerking van het beleids plan waarin o.a. de te strooien routes worden vastgesteld. Elk strooiseizoen begint met een vlootschouw van het materieel en de instructie van de strooiploegen. Gedurende de winter overlegt de coördinator gladheidbestrijding met de strooileiders. Elke st rooiactie wordt vastgelegd en geëvalueerd. Aan het einde van het strooiseizoen wordt gezamenlijk door de regisseur, coördinator, strooileiders en strooiploegen teruggeblikt op de afgelopen winter en worden aandachtspunten en eventuele wijzigingen vastgeleg d voor het volgende strooiseizoen. 9.2 Risico-inventarisatie Het uitvoeren van een risico -inventarisatie is een goed hulpmiddel om vooraf na te denken over risico’s en mogelijke gevolgen. De maatregelen om deze risico’s te beperken worden uitgewerkt in het jaarlijkse uitvoeringsplan. In bijgevoegde tabel staan mogelijke risico’s nader aangegeven. risico oorzaak maatregel verkeer Mogelijk plaatselijk gladheid Wel/of niet strooien in hetzelfde wegvak Overleg/afstemmen met aangrenzende wegbeheerder Mogelijk plaatselijk gladheid Geografische omstandigheden Alarmering uit laten gaan van meest gevoelige locaties.
Prioriteit binnen strooigebied bijstellen. Mogelijk plaatselijk gladheid Overgang in verhardingssoort Strooibeleid bijstellen op basis van ervaring Mogelijk plaatselijk gladheid Verkeersintensiteit Prioriteit stellen op basis van verkeersstructuurplan Mogelijk plaatselijk gladheid Onwetendheid weggebruiker Voorlichting inwoners strooibeleid Hinder door verkeer Strooimethode Aanpassen strooibeleid Materieel Materieel niet inzetbaar Storing Preventief onderhoud, tijdige vervanging Personeel Uitval Ongeval Veiligheidsuitrusting strooiunit Gladheidmeldsysteem Geen meldingen Storing GMS Jaarlijks preventief onderhoud Geen meldingen Storingen telefoonlijn Jaarlijks preventief onderhoud Onjuiste gegevens Storing gms Sensoren jaarlijks kalibreren Milieu Verwaaien strooizout Strooimethode Natstrooien, sproeien zoutoplossing Aantasting bermen en begroeiing Hoge zoutbelasting Controle strooibreedte en dosering 18 10. Bijlagen Strooiroutes – ter informatie De strooiroutes zijn ter informatie. Ze maken geen deel uit dit beleid. Jaarlijks worden de routes vastgesteld in het uitvoeringsplan gladheidbestrijding. Route 1 Scheerwolde – Nederland - Blokzijl Route 2 Willemsoord t/m Wanneperveen Route 3 Steenwijk – Blokzijl – Kuinre - Oldemarkt Route 4 Steenwijk – Tuk - Willemsoord Route 5 Steenwijk - Giethoorn Route 6 Steenwijkerwold – Steenwijk – De Klosse Route 7 Blokzijl – Vollenhove – St.
Jansklooster Route 8 Oldemarkt – Kalenberg – Ossenzijl - Kuinre