CConstaterende datSteenwijkerland
Koppel je AI →
Document · PDF

B7_Natuurtoets_Zonnepark_de_Hoop.pdf (geanonimiseerd)

Politieke Markt 16 april 2024, gemeente SteenwijkerlandBij agendapunt: Tijdelijke omgevingsvergunning voor een zonnepark ten noordwesten van Blokzijl6.908 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Natuurtoets zonnepark Baarlo Klant: Steenergie Referentie: BI7272-WM-RP-221017-1104 Status: Datum: S0/P01. 01 17 oktober 2022 raf HaskoningDHV Titel document: Projectgerelateerd Natuurtoets zonnepark Baarlo Sub titel: Referentie: Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Auteur(s): Opgesteld door: Gecontroleerd door: Datum Bl7272-WM-RP-221017-1104 P01.01/S0 17 oktober 2022 Zonnepark Baarlo Bl7272 : 2 november 2022 Goedgekeurd door: Datum: Classificatie Projectgerelateerd HASKONINGDHV NEDERLAND B.V. Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 7000 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordeljkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren 17 oktober 2022 niet toestaat.

BI7272-WM-RP-221017-1104 ij (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 iii Inhoud 1 1. 1 1. 2 1. 3 Inleiding Aanleiding Doel van dit rapport Leeswijzer 1 1 1 1 2 Beschrijving van het plangebied en het voornemen 2 3 3. 1 3. 2 3. 3 Werkwijze Gebiedsbescherming Soortenbescherming Planologische gebiedsbescherming 5 5 5 5 4 4. 1 4. 2 4. 3 Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Storingsfactoren en effectenbeoordeling Conclusie wettelijk beschermde gebieden 6 6 6 8 5 5. 1 5. 2 Toetsing planologisch beschermde gebieden Werkwijze onderzoek naar planologisch beschermde gebieden Toetsing planologisch beschermde gebieden 9 9 9 6 6. 1 6. 2 6. 2. 1 6. 2. 2 6. 3 6. 4 6. 5 6. 6 Wet natuurbescherming – Soortenbescherming Planten Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Broedvogels Amfibieën Reptielen Ongewervelden 10 10 10 10 12 13 14 15 15 7 Mogelijkheden voor biodiversiteit 17 8 8. 1 8. 2 Conclusies en aanbevelingen Beschermde gebieden Natura 2000 Beschermde soorten Wnb 18 18 18 Bijlage 1: Beknopt kader natuurwet en regelgeving 19 Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 1 1 Inleiding 1.

1 Aanleiding De gemeente heeft de opdracht om duurzame energie op te wekken. Daarom dat er 125 hectare zonnepark op land moet komen in de gemeente Steenwijkerland. De gemeente wil dat er een zonnepark komt bij elke kern. Steenergie is derhalve voornemens een zonnepark te ontwikkelen ten noorden van de Blokzijl, tussen de wegen Uiterdijkenweg en de Kuinderdijk in de provincie Overijssel. Het inrichten van een zonnepark is een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) . Om na te gaan of er (negatieve) effecten op beschermde soorten kunnen optreden, is een toets nodig aan de Soortenbescherming en de Gebiedsbescherming van de Wnb. Daarnaast wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het planologische beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) . De gegevens voortvloeiend uit de quickscan geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan de Wet natuurbescherming (natuurtoets) noodzakelijk is en/of een aanvullende beoordeling in het kader van de planologische gebiedsbescherming. Omdat er geen bomen worden gekapt, is een toetsing aan het Houtopstandendeel van de Wnb niet noodzakelijk. Een beknopte beschrijving van de natuurwet en -regelgeving is in bijlage 1 opgenomen. 1.

2 Doel van dit rapport Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel planologisch beschermde natuurwaarden. Hierbij wordt gekeken naar de onderdelen Soortenbescherming (flora & fauna) en Gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) van de Wnb en de planologische gebiedsbescherming van het NNN. De onderzoeksvragen zijn als volgt: Welke beschermde Natura 2000-gebieden liggen in de omgeving van het plangebied en ondervinden negatieve effecten op de aanwezige instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden? Welke beschermde soorten kunnen in of rondom het plangebied binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep verwacht worden of zijn op basis van aanwezige biotopen niet uit te sluiten? En welke effecten kunnen deze beschermde soorten ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteit? Is aanvullend onderzoek nodig om de aanwezigheid van beschermde soorten na te gaan? Zo ja, voor welke soorten? Ligt het plangebied in of in de buurt van de NNN (In dit geval NNB) en veroorzaakt de voorgenomen activiteit negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. 1. 3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een algemene indruk van het plangebied en beschrijft de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 is de werkwijze beschreven.

De storingsfactoren die relevant zijn voor de voorgenomen ingreep en aanwezige beschermde Natura 2000-gebieden zijn in hoofdstuk 4 beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 5 de aanwezigheid van beschermde soorten en de effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten beoordeeld. Hoofdstuk 6 behandelt de gevolgen op het NNN. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de conclusies samengevat en worden aanbevelingen gedaan. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 2 2 Beschrijving van het plangebied en het voornemen Algemene beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een agrarisch grasland, gelegen ten zuiden van Baarlo, en langs de grens van Flevoland en Overijssel. Het plangebied is in agrarisch gebruik. In het midden van het plangebied is een gebouw aanwezig. Langs de grenzen van de aanwezige bebouwing zijn bomenrijen aanwezig. Binnen het plangebied en aan de randen van het plangebied zijn ontwateringssloten aanwezig. Verder ten noorden en oosten van het plangebied is de Kuinderdijk aanwezig. Voorbij de dijk zijn de Natura 2000-gebieden de Wieden en de Weerribben gelegen. Figuur 2-1: Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd; wit locaties sfeerimpressiefoto’s) ; Luchtfoto; Cyclomedia Het plangebied bevat weinig kruiden. De afwateringssloten hebben weinig water- of oevervegetatie als gevolg van beheer en hebben steile oevers.

In Figuur 2-2 is een impressie van het plangebied en de omgeving weergegeven. 1 2 3 4 Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 3 1. Ontwateringssloot, noordkant plangebied 2. Oever ontwateringssloot, midden plangebied. 3. Gemaaid maisdoolhof, zuidwestkant 4. Aanwezige bebouwing, midden plangebied Figuur 2-2: Sfeerimpressie plangebied (foto’s: RHDHV) , Zie figuur 2-1 voor de locaties van de foto’s Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 4 Beschrijving van het voornemen Het zonnepark wordt ongeveer 30 ha groot en krijgt een open uitstraling, waarbij opgaande vegetatie niet wordt toegepast, omdat het huidige landschap ook geen opgaande vegetatie heeft. Het zonnepark wordt omheind met een rasterhek waar kleine dieren doorheen kunnen. Verder wordt er een bloem- en kruidenrijkmengsel ingezaaid naast de taluds. Figuur 2-3: Voorlopig ontwerp Zonnepark Baarlo (ROM3D) Projectgerelateerd hef Royal HaskoningDHV 3 Werkwijze 3.1 Gebiedsbescherming Om na te gaan welke wettelijke beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebed zijn gelegen, is de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid geraadpleegd (Ministerie van LNV, 2022a). Vervolgens is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de effecten van de geplande ingreep in relatie tot de omliggende Natura 2000-gebieden.

Dit is beoordeeld aan de hand van de storingsfactoren zoals geformuleerd in de zogenoemde Effectenindicator (Ministerie van LNV, 2022b). Vervolgens is nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de effecten vanuit de voorgenomen ingreep en de onder de Wnb geformuleerde instandhoudingsdoelen van in deze omgeving liggende Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde N2000-gebieden (De Wieden, De Weerribben) zijn gelegen op c.a. 2 km van het plangebied. 3.2 Soortenbescherming Voor de quickscan voor de Wnb Soortenbescherming wordt een analyse van bestaande flora- en faunagegevens en een oriënterend veldbezoek uitgevoerd. Voor de analyse van de bestaande gegevens van flora en fauna is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) database op 11 oktober 2022 geraadpleegd. Daarbij zijn de gegevens van beschermde soorten van de laatste 10 jaar opgevraagd. Daarnaast zijn verspreidingsatlassen van verschillende soortgroepen geraadpleegd. Hierdoor ontstaat een beeld van in de omgeving voorkomende planten en dieren. Het oriënterend veldbezoek is uitgevoerd op 12 oktober 2022 door BN eceleog in dienst bij Royal HaskoningDHV. Tijdens het veldbezoek is gericht gekeken naar de aanwezigheid van natuurwaarden (lees: habitats die geschikt zijn voor beschermde soorten). Tijdens het veldbezoek was het zonnig met een temperatuur van ongeveer 16 graden Celsius.

Op basis van de analyse van bestaande gegevens en het veldbezoek is beoordeeld wat de geschiktheid van de aanwezige habitats is voor beschermde soorten en in hoeverre beschermde soorten daadwerkelijk te verwachten zijn of uitgesloten kunnen worden 3.3 Planologische gebiedsbescherming Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen van gemeenten moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van: https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46 natuur en landschap/B46 Natuurnetwerk Nederla nd Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn. 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 5 (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 6 4 Wet natuurbescherming – Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) zijn gelegen en wordt beoordeeld of storingsfactoren kunnen optreden (voortoets) . Daarnaast zijn de benodigde vervolgstappen beschreven. 4.

1 Natura 2000-gebieden Op een afstand van circa 2 kilometer ten (noord) oosten van het plangebied liggen de Natura 2000- gebieden De Wieden-Weerribben (Error! Reference source not found. ) . De overige Natura 2000- gebieden liggen op meer dan 8 km van het plangebied. Figuur 4-1: Het plangebied (rode gebied) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. 4. 2 Storingsfactoren en effectenbeoordeling De Effectenindicator zoals aangereikt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit geeft een negentiental mogelijke effecten, de zogenoemde storingsfactoren, waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden ten aanzien van in Natura 2000-gebieden beschermde waarden. Op basis van deze storingsfactoren worden de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving beoordeeld. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 7 Analyse van relevante storingsfactoren (scoping) De voorgenomen activiteit leidt niet tot aanvullend ruimtebeslag in en rond Natura 2000-gebieden en grijpt niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Hierdoor is geen sprake van storingsfactoren als verdroging of vernatting. Ook is geen sprake van permanente aanpassingen aan de ruimtelijke inrichting van het plangebied. Er doen zich daarom geen storingsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering voor.

Ook storingsfactoren als veranderingen door populatiedynamiek en bewuste soortensamenstelling doen zich niet voor. De afstand van de Natura 2000- gebieden tot het plangebied is dusdanig groot dat indirect negatieve effecten door geluid, licht, trillingen en optische verstoring op voorhand uitgesloten kunnen worden. Dit als gevolg van het gegeven dat emissies van geluid, licht en trillingen, door tussenliggend landgebruik als snelwegen en woonkernen, in combinatie met de afstand, ter plaatse van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Daarmee blijven alleen nog storingsfactoren verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie over, waarvoor geldt dat significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Deze worden in de volgende paragraaf nader beoordeeld. In Tabel 4-1 is de scoping van de bovengenoemde storingsfactoren samenvattend weergegeven. Met rood is aangegeven of de storingsfactoren mogelijk van toepassing zijn bij de voorgenomen ingreep. Tabel 4-1 Potentiële storingsfactoren in Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die mogelijk van toepassing zijn met een kruis gemarkeerd.

Storingsfactoren Oppervlakteverlies Verzilting Verandering overstromingsfrequentie Optische verstoring Versnippering Verontreiniging Verandering dynamiek substraat Verstoring door mechanische effecten Verzuring door stikstof- depositie uit de lucht X Verdroging Verstoring door geluid Verandering door populatiedynamiek Vermesting door stikstof- depositie uit de lucht X Vernatting Verstoring door licht Bewuste verandering soortensamenstelling Verzoeting Verandering stroomsnelheid Verstoring door trilling Verzuring en vermesting door stikstofdepositie De inzet van werktuigen (met verbrandingsmotoren) tijdens werkzaamheden leidt mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het plangebied. De gebruiksfase leidt niet tot een toename in stikstofdepositie. Een toename van verkeer (met verbrandingsmotoren) is bijvoorbeeld niet aan de orde. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting. Door verzuring kunnen daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen (dier) soorten.

Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht (tijdens de aanlegfase) zijn niet op voorhand uit te sluiten. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 8 Voorheen voorzag de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in een partiële vrijstelling voor de vergunningsplicht indien als gevolg van bouwactiviteiten sprake is van stikstofdepositie (Website omgevingsweb, 2021) . Vanaf 1 juli 2021 tot 2 november 2022 diende er geen stikstofberekening meer plaats te vinden voor bouwactiviteiten, die in de aanlegfase van een plan noodzakelijk zijn, noch hoefde er een vergunning te worden aangevraagd. Echter is na uitspraak van de rechter op 2 november 2022 (Raad van State) deze partiële vrijstelling te komen vervallen. Voor de aanlegwerkzaamheden van het terrein dient dan ook een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden.

Indien uit deze berekening blijkt dat de toename van stikstof in de aanlegfase gelijk of meer is dan 0, 01 N mol/ha/j, moet een aanvullende ecologische beoordeling worden opgesteld en is het aanvragen van een vergunning mogelijk noodzakelijk in het kader van de Gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming. 4. 3 Conclusie wettelijk beschermde gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn De Wieden-Weerribben en liggen op ongeveer 2 km afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden van het terrein dient derhalve een AERIUS- berekening uitgevoerd te worden. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 9 5 Toetsing planologisch beschermde gebieden In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het plangebied planologisch beschermde NNN- zijn gelegen en wordt beoordeeld of er vervolgstappennodig zijn. 5. 1 Werkwijze onderzoek naar planologisch beschermde gebieden Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het plangebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van interactieve kaart van de provincie Overijssel.

Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn. 5. 2 Toetsing planologisch beschermde gebieden Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Kruiden- en faunarijk grasland) ligt op ongeveer 2 km afstand ten oosten van het plangebied, zie Figuur 5-1. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in gebieden die zijn aangewezen als NNN-gebied. Binnen de provincie Overijssel is een toets van externe werking niet nodig. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN. Figuur 5-1: Ligging NNN-gebied ten opzichte van het plangebied (rode arcering) . Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 10 6 Wet natuurbescherming – Soortenbescherming 6. 1 Planten Voorkomen beschermde planten De geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF wijzen niet op het voorkomen van beschermde plantensoorten bekend binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek van 12 oktober 2022 is het plangebied onderzocht maar zijn ook geen beschermde planten aangetroffen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte standplaatsen voor praktisch alle onder de Wnb beschermde vaatplanten.

Dit zijn vooral soorten van extensief beheerde en onbemeste akkers en soorten van kalkrijke standplaatsen. Daarnaast staan er soorten van zeer schrale, zwak zure standplaatsen op de lijst met beschermde vaatplanten. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. vaatplanten. 6. 2 Zoogdieren 6. 2. 1 Grondgebonden zoogdieren Otter Otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Ze hebben een voorkeur voor schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. Rustplaatsen en voortplantingsplaatsen zijn holten in oevers of ruimtes onder bomen, bruggen, betonpijpen, droogliggende duikers en oude holen van konijnen en beverratten. Legers heeft de soort op verborgen plekjes in rietvelden of in dicht struweel (zoogdiervereniging, 2022) . Uit de NDFF blijkt dat de otter waargenomen is in de Wieden-Weerribben op ongeveer 2 km van het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is geen geschikt leefgebied aanwezig, gezien het ontbreekt aan stromende wateren met voldoende dekking voor de otter. Wel kan de otter migrerend langskomen in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is tevens een vermoedelijke spraint gevonden, zie Figuur 6-1 .

Het is aannemelijk dat deze van een migrerende otter was en deze geen binding met het plangebied heeft. Het voorkomen van leefgebied de otter binnen het plangebied is uitgesloten. Figuur 6-1: Aangetroffen mogelijke spraint Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 11 Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3. 5) is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de otter. Steenmarter Voorkomen De steenmarter komt voornamelijk voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig ook in grote steden. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De soort heeft vaak zijn verblijfplaats in gebouwen, zoals op zolders, in kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Echter, ook boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen waar weinig verstoring is, zijn geschikt als (voortplantings) verblijfplaats voor de steenmarter (zoogdiervereniging, 2022) . De geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF wijzen op het voorkomen van de steenmarter op de agrarische percelen in de omgeving van het plangebied. De steenmarter kan foeragerend en migrerend verspreid door het plangebied voorkomen. Binnen het plangebied ontbreekt het echter aan geschikte verblijfplaatsen, gezien opgaande structuren ontbreken.

Effectbeoordeling Er worden geen (vaste) rust-, verblijf of voortplantingsplaatsen vernield tijdens de werkzaamheden. Daarnaast is de steenmarter is zeer mobiel en goed in staat om tijdens de uitvoer van de werkzaamheden tijdelijk uit te wijken naar alternatief leefgebied in de omgeving. Tevens is het plangebied na de werkzaamheden weer geschikt als foerageergebied en door het aanbrengen van bloem- en kruidenrijk grasland tevens verbetert. Een overtreding op de Wnb kan worden uitgesloten Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3. 10) is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de steenmarter. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen. In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. De wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. De hermelijn komt voor in vergelijkbaar habitat met als uitzondering dat de soort ook voorkomt op vochtig terrein.

Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden met voldoende rust en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen (zoogdiervereniging, 2022) . Rondom het plangebied zijn verschillende elementen aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats zoals de bomenrijen rondom de erven en (konijnen) holen langs de watergangen. Hierdoor is het voorkomen van verblijfplaatsen nabij het plangebied niet uitgesloten. Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied voor verblijfplaatsen. Het voorkomen van foerageergebied van binnen het plangebied valt niet uit te sluiten binnen het plangebied. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 12 Effectbeoordeling De werkzaamheden doen geen afbreuk aan het leefgebied van de kleine marters. De kleine marters zijn zeer mobiel en goed in staat om tijdens de werkzaamheden tijdelijk uit te wijken naar alternatief leefgebied in de omgeving. De kleine marterachtigen maken veelal gebruik van meerdere nesten. Hierdoor zijn verblijfplaatsen nabij het plangebied niet uit te sluiten. Kleine marters zijn zeer mobiel en goed in staat om tijdens de uitvoer van de werkzaamheden tijdelijk uit te wijken naar alternatief leefgebied in de omgeving. In de nieuwe situatie wordt het plangebied tevens beter geschikt voor kleine marters.

Door de toevoegingen van kruiden- en bloemrijk grasland wordt het plangebied beter geschikt voor kleine zoogdieren welke op hun beurt weer voer zijn voor de kleine marters. Hierdoor zijn overtredingen op verbodsbepalingen uit de Wnb op voorhand uitgesloten Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3, 10) is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de kleine marterachtigen. Egel Voorkomen De egel komt in veel biotopen voor, mits er voldoende voedsel en schuilgelegenheid is. Egels zijn ’s avonds en ’s nachts actief. Overdag houdt de egel zich schuil in zijn nest (bestaat meestal uit bladeren) , onder struiken, bosschages, houtwallen of composthopen. De egel gaat ’s nachts vaak enkele keren terug naar het nest. Van ongeveer november tot begin april houdt de egel een winterslaap 1 . Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt leefgebied voor de egel, vanwege het ontbreken aan beschutting, in afwisseling met geschikt foerageergebied daaromheen. De aanwezigheid van de egel in plangebied kan daarom worden uitgesloten. Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3. 10) is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de egel. 6. 2. 2 Vleermuizen Voorkomen Op basis van de geraadpleegde verspreidingsgegevens van de NDFF kunnen onder andere de gewone dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger voorkomen.

Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Ze maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen) . Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten (zoals rosse vleermuis) en gebouwbewonende soorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis) . Een aantal soorten maken zowel van gebouwen als van bomen gebruik als verblijfplaats (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis) . Vleermuizen foerageren over het algemeen op relatief windluwe plaatsen, zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes, die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Deze lijnvormige elementen kunnen tevens dienen als migratieroute van soorten die buiten Nederland overwinteren. Verblijfplaatsen (zomer-kraam-paar-winter-) Binnen het plangebied zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uit te sluiten. Rondom de agrarische percelen is een bomenrij aanwezig met verschillende soorten loofbomen. Deze kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.

1 Soortenbescherming in Overijssel (juli 2019) geraadpleegd september 2021 Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 13 Vliegroutes Binnen het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van watergangen en bomenrijen langs de wegen en percelen. Gezien het open karakter van het landschap is het gebruik van deze watergangen als geleidend element voor een vliegroute niet geschikt. Het voorkomen van vliegroutes kan derhalve worden uitgesloten. Foerageergebied Het plangebied is open en ontbreekt aan luwe plaatsen om te foerageren. Direct langs de bomenrij en de gebouwen is mogelijk wel geschikt aanwezig. Deze blijft echter ook tijdens de werkzaamheden aanwezig. In de nieuwe situatie wordt het foerageergebied zelfs verbetert door het aanbrengen van een bloem- en kruidenrijk grasland. Dit trekt insecten aan die dienen als voer voor vleermuizen. Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de vleermuis. 6. 3 Broedvogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten waargenomen: Ekster, buizerd, blauwe reiger.

Daarnaast is er een torenvalkkast waargenomen op het perceel in het midden van het plangebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen. Van de volgende broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn vanuit de literatuur waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend: Binnen het plangebied ontbreekt het aan bomen en gebouwen. De aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van boombroedende soorten als: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer en gebouwbroedende soorten als huismus en gierzwaluw is daarom uitgesloten in het plangebied. Wel kunnen er mogelijk soorten broeden op de erven nabij het plangebied Vogels zonder jaarrond beschermd nest In het plangebied en de direct omgeving kunnen algemene broedvogels zoals wilde eend en meerkoet voorkomen. In het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig voor deze vogelsoorten om tot broeden te komen. Voornamelijk de watergangen zijn hiervoor geschikt. Ook kunnen er vogels broeden in de bomen rondom de erven.

Aanwezigheid van algemene broedvogels is daarom in het plangebied niet uitgesloten. Effectbeoordeling Tijdens de uitvoering kunnen broedvogels worden verstoord door de aanwezigheid van mens en materieel in het plangebied, wat een overtreding is van de Wnb. Gezien er geen bomen gekapt worden en er geen (jaarrond beschermde) nesten verloren gaan, kan buiten het broedseizoen een overtreding van de Wnb worden uitgesloten. Conclusie en mitigatie Vanwege de geschiktheid van het terrein en de omgeving van het plangebied, is het niet uitgesloten dat vogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd zijn Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 14 verbodsovertredingen uit de Wnb niet uitgesloten. Door het treffen van de onderstaande mitigerende maatregelen is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen: Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels. Deze periode loopt globaal van 15 maart t/m augustus. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen zijn alleen toegestaan door: De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen en; De vegetatie binnen het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen indien nodig kortmaaien en/of kort houden.

Voorafgaand aan de werkzaamheden moet het plangebied gecontroleerd worden op broedvogels door een ecologisch deskundige. Deze maatregel is echter niet ‘waterdicht’. Broedvogels zijn tot op zekere hoogte te ‘sturen’ maar vestiging kan je niet met volledige zekerheid voorkomen. Het kan daardoor zijn dat werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen. Het werken buiten het broedseizoen heeft daarom altijd de voorkeur. 6. 4 Amfibieën Heikikker De soort heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland met vochtige, kruiden- rijke, korte vegetaties. De heikikker is een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Voortplanting vindt plaats in tot 40 centimeter diepe wateren met voldoende vegetatiestructuur. Het water is voedselarm, niet te zuur en snel op te warmen door de zon. De heikikker is het grootste deel van het jaar op het land. Heikikkers kunnen dagelijks afstanden van 12 tot 40 meter afleggen. Overwintering gebeurt op het land onder dichte vegetaties en boomstronken. De overwinteringsplekken kunnen maximaal 3000 meter van het voortplantingshabitat verwijderd zijn (RAVON, 2022) .

Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de heikikker voor op 2 km ten oosten van het plangebied in de Wieden Weerribben. Ter plaatse van het plangebied is geen geschikt voorplantingswater of overwinteringshabitat aanwezig. Het voorkomen is op basis van habitatgeschiktheid op voorhand uitgesloten. Conclusie Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb is redelijkerwijs uitgesloten t. a. v. de heikikker. Rugstreeppad De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. Dit zijn vaak terreinen met een pioniermilieu of een dynamisch milieu zoals afgravingen, opgespoten terreinen, zandverstuivingen, industrieterreinen, braakliggende terreinen, militaire oefenterreinen, akkers, heideterreinen, duinen, etc. Voortplanting vindt plaats in ondiepe of droogvallende, niet of weinig begroeide wateren die snel opwarmen. Op het land houden de dieren zich verborgen in zelf gegraven holen (tot een diepte van 15-45cm) , holen van knaagdieren, onder stenen en tussen muur- spleten. De pad overwintert vaak in zelf gegraven holen in het zand (soms wel tot een meter diep) . De schuilplaatsen liggen vaak niet meer dan 20 meter van het voortplantingswater verwijderd. Rugstreeppadden kunnen daarnaast grote afstanden af- leggen en goed nieuwe terreinen koloniseren (RAVON, 2022) .

Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 15 Op basis van de verspreidingsgegevens uit de NDFF komt de rugstreeppad voor nabij het plangebied op het perceel van Uiterdijkenweg 59 ten zuidwesten van het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is geen geschikt voorplantingswater aanwezig. Tijdens de aanleg van het zonnepark kan door gebruik van materieel spoorvorming ontstaan, welke na een regenbui geschikt leefgebied kunnen zijn voor de rugstreeppad. Daarnaast kan het aanbrengen van gronddepots geschikt leefgebied creëren voor de rugstreeppad. Gezien het kolonisatiegedrag van rugstreppadden en omdat ze grote afstanden kunnen afleggen kan het voorkomen van rugstreeppad niet worden uitgesloten tijdens de werkzaamheden. Effectbeoordeling De rugstreeppad kan mogelijk migrerend voorkomen binnen het plangebied. Gezien binnen het plangebied het ontbreekt aan geschikt leefgebied (open zandige plaatsen) kunnen verblijfplaatsen van de rugstreeppad op voorhand worden uitgesloten. Rugstreeppadden zijn mobiel en goed in staat om tijdens de werkzaamheden tijdelijk uit te wijken naar alternatief leefgebied in de omgeving. Hierdoor zijn er geen overtredingen op de Wnb te verwachten. Wel kan door de werkzaamheden geschikt leefgebied ontstaan. Hierdoor is het van belang dat er maatregelen worden getroffen om dit voorkomen.

Indien dit niet kan zijn overtredingen op verbodsbepalingen uit de Wnb (artikel 3. 5 lid 1, 2 en 4) niet uit te sluiten. Conclusie en mitigatie Vanwege de mogelijke geschiktheid van het terrein tijdens de aanlegfase is het niet uitgesloten dat rugstreeppadden het terrein betreden. Om een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen dienen de volgende maatregelen genomen te worden: Goede afwatering, Spoor- en plasvorming dient te worden voorkomen Grond- en materiaaldepots dienen te worden afgeschermd. Met deze maatregelen is in de aanlegfase het mogelijke betreden van het plangebied door de rugstreeppad zo veel als mogelijk voorkomen. 6. 5 Reptielen Ringslang De soort kan voorkomen in meer verstoorde gebieden (waaronder dorpen en stedelijk gebied) . De soort is met name te vinden in nattere gebieden met een natuurlijke oeverzone. Als voortplantingslocatie maakt de ringslang gebruik van broeihopen. De ringslang kan zonnend en foeragerend voorkomen in en nabij de oevers van de vaarwegen. Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de ringslang voor in polders ten westen van het plangebied en langs het Noorderdiep bij Blokzijl. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt leefgebied. De oevers zijn te steil en veelal niet ruig begroeid.

Conclusie Op basis van habitatgeschiktheid kan het voorkomen van de ringslang binnen het plangebied worden uitgesloten 6. 6 Ongewervelden Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gestreepte waterroofkever, gevlekte witsnuitlibel, grote vuurvlinder, noordse winterjuffer, sierlijke witsnuitlibel, donkere waterjuffer, grote weerschijnvlinder, kempense heidelibel, en zilveren maan voor in de Wieden-Weerribben. Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt leefgebied voor deze soorten Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 16 Deze soorten zijn gebonden aan verschillende biotopen zoals vennen, laagveen, vochtige, open loofbossen, bosranden en plassen. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Daarnaast is tijdens het veldbezoek is gecontroleerd op aanwezigheid van waardplanten van de betreffende soorten. Deze zijn niet waargenomen. Conclusie Het voorkomen van beschermde ongewervelden is op basis van habitatgeschiktheid redelijkerwijs uitgesloten. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 17 7 Aanbevelingen voor biodiversiteit Bloem- en kruidenrijk grasland Op de onderhoudspaden en tussenliggende grond kan de bodem ingezaaid worden met een bloemenmengsel (zonder grassen) voor ruderale gebieden (bijvoorbeeld ruderaal mengsel B1 van de Cruydthoeck) .

Dit mengsel is geschikt voor matig tot zeer voedselrijke gronden en bevat veel verschillende soorten bloemen. De bloemen trekken verschillende soorten insecten aan als solitaire bijen en vlinders, maar is ook interessant voor een grondgebonden vogelsoort als de patrijs. De bloemstroken dienen extensief beheerd te worden door deze één keer per jaar te maaien in oktober-februari. Ook zoogdieren als konijn, haas en marterachtigen profiteren van deze bloemenstroken. Het is hierbij van belang dat er geen begrazing plaatsvindt door bijvoorbeeld schapen. Gezien de taluds niet begraasd worden door schapen kan hier invulling gegeven worden aan een bloem- en kruidenrijk grasland. Indien er geen schapen gaan grazen in het zonnepark kan deze ook worden ingezaaid met een bloem- en kruidenrijkmengsel. Onder de zonnepanelen zullen weinig kruiden groeien door het gebrek aan licht. Hier ontstaan open zandige stukjes die weer geschikt zijn voor de rugstreeppad om als winterrustlocaties gebruikt te kunnen worden, maar ook voor verschillende soorten wilde bijen. Figuur 7-1: Links: Beeld zonnepark zonder begrazing. Rechts: Beeld zonnepark met begrazing. Poel Als er binnen de inrichting van het zonnepark ruimte over blijft wordt geadviseerd om een poel aan te leggen in het plangebied. Het is belangrijk dat de poel zonbeschenen is, met een goed ontwikkelde oever- watervegetatie.

Door de aanleg van een ecologische oever wordt de poel voor verschillende amfibiesoorten geschikt, zoals de bastaardkikker, kleine watersalamander en de bruine kikker. Het talud van de oever moet flauw zijn (minimaal 1: 3) . Om de poel geschikt te houden voor amfibieën mag de poel niet droogvallen en dient deze deels te worden geschoond wanner het wateroppervlak voor 50-70% bedenkt is met vegetatie. 2 Dit komt neer op ongeveer eens in de vijf jaar. Gezien er veel ongewervelden in de omgeving voorkomen, kan door combinatie van rietvegetatie, ondergedoken waterplaten en drijfbladplanten waardplanten als waterzuring te gebruiken voor de water- oevervegetatie een extra toevoeging gedaan worden aan het leefgebied van de ongewervelden. Natuurvriendelijke oever De aanwezige ontwateringssloten zullen niet gedempt worden om de ontwateringsfunctie voor de andere aanliggende agrarische percelen te behouden. Mogelijk kunnen de oevers van de ontwateringssloten verflauwd worden en natuurvriendelijker ingericht worden. Een natuurvriendelijke oever kan de bloemrijkdom vergroten en leefgebied creëren voor verschillende insecten en kleine zoogdieren. Ook hier kan het toevoegen van een rijke water- en oevervegetatie een toevoeging gedaan worden aan het leefgebied van ongewervelden. 2 https: //poelen.

nu/beheer geraadpleegd april 2022 Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 18 8 Conclusies 8. 1 Beschermde gebieden Natura 2000 Gezien de afstand van het Natura 2000 gebied tot het het plangebied (2 km) , kunnen negatieve effecten van van de werkzaamheden op het gebied worden uitgesloten. Alleen bij de aanlegfase is er mogelijk sprake van verzuring en vermesting door stikstofdepositie door de inzet van materieel. Voor de aanlegwerkzaamheden van het terrein dient derhalve een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. 8. 2 Beschermde soorten Wnb Op basis van de habitatgeschiktheid en de voorkomende soorten in de omgeving, kunnen overtredingen op verbodsbepalingen op de Wnb op voorhand worden uitgesloten voor de meeste soorten. Voor broedvogels en de rugstreeppad kunnen verbodsbepalingen niet op voorhand worden uitgesloten. Hiervoor zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk om zonder ontheffing te kunnen werken. Broedvogels Vanwege de geschiktheid van het terrein en de omgeving van het plangebied, is het niet uitgesloten dat vogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd zijn verbodsovertredingen uit de Wnb niet uitgesloten. Door het treffen van de onderstaande mitigerende maatregelen is overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen: Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels.

Deze periode loopt globaal van 15 maart t/m augustus. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen zijn alleen toegestaan door: De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen en; De vegetatie binnen het plangebied voorafgaand aan het broedseizoen indien nodig kortmaaien en/of kort houden. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet het plangebied gecontroleerd worden op broedvogels door een ecologisch deskundige. Deze maatregel is echter niet ‘waterdicht’. Broedvogels zijn tot op zekere hoogte te ‘sturen’ maar vestiging kan je niet met volledige zekerheid voorkomen. Het kan daardoor zijn dat werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen. Het werken buiten het broedseizoen heeft daarom altijd de voorkeur. Rugstreeppad Vanwege de mogelijke geschiktheid van het terrein tijdens de aanlegfase is het niet uitgesloten dat rugstreeppadden het terrein betreden. Het is derhavle belangrijk dat de volgende maatregelen worden gehanteerd: Goede afwatering, Spoor- en plasvorming dient te worden voorkomen Gronddepots dienen te worden afgeschermd. Met deze maatregelen kunnen in de aanlegfase het mogelijke betreden van het plangebied door de rugstreeppad zo veel als mogelijk worden voorkomen.

Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 19 Bijlage 1: Beknopt kader natuurwet en regelgeving De juridische kaders die volgen uit de Wnb en het beleid rond het NNN vormen het toetsingskader. Wat betreft de Wnb zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de wet) , Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de wet) van belang in het licht van de voorgenomen activiteit. Bescherming van houtopstanden (Hoofdstuk 4 van de wet) is niet van toepassing voor het projectvoornemen. Gebiedsbescherming Het onderdeel Gebiedsbescherming van de Wnb regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Voor elk van de aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd en nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van de instandhoudings- doelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en zo ja, of de wezenlijke kenmerken en waarden van een Natura 2000-gebied in het geding zijn. Hierbij is ook zogenoemde externe werking van belang. Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre effecten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. Soortenbescherming Het onderdeel Soortenbescherming van de Wnb regelt de bescherming van flora en fauna.

Op hoofdlijnen is sprake van een drietal beschermingsregimes: een voor soorten van de Habitatrichtlijn, een voor soorten van de Vogelrichtlijn en een voor nationaal beschermde soorten. In de wet zijn ten aanzien van deze soorten verbodsbepalingen opgenomen als ook gronden waarop ontheffing kan worden verleend. Deze kunnen per regime verschillen, waarbij de beide eerstgenoemden de meest strikte bescherming genieten. Bepaald dient te worden of sprake kan zijn van overtreding van geformuleerde verbodsbepalingen, of alternatieven voorhanden zijn, of sprake is van een wettelijke grondslag dan wel een wettelijk doel en in hoeverre sprake is van negatieve effecten op de staat van instandhouding van betrokken soorten. Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt verder een algemene zorgplicht conform artikel 1. 11. Deze plicht houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. Houtopstanden Ook houtopstanden zijn beschermd onder de Wnb (hoofdstuk 4 van de wet) .

Wanneer meer dan 10 are opgaande begroeiing, dan wel laanbeplanting van ten minste 20 bomen moet verdwijnen buiten bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, dient hiervan melding te worden gemaakt bij Bevoegd Gezag. Uitgezonderd zijn onder meer (maar niet uitsluitend) naaldbomen bedoeld voor kerstbomenteelt of uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting. De verloren gegane bomen dienen binnen drie jaar, op bosbouwkundig verantwoorde wijze elders te worden teruggebracht (herplantplicht) . Planologische gebiedsbescherming (NNN) Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. Projectgerelateerd 17 oktober 2022 BI7272-WM-RP-221017-1104 20 “Nee, tenzij” De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan (‘nee’) als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn.

In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De provincie beschermt het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) . Hoofdlijn is daarbij dat nieuwe ontwikkelingen in het NNN per saldo niet mogen leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken (Nee tenzij. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met significante negatieve natuurgevolgen in het Natuurnetwerk Nederland zijn niet toegestaan (‘nee’) , tenzij groot openbaar belang en het ontbreken van alternatieven aangetoond is. Het Nee-tenzij komt uit het rijksbeleid en is uitgewerkt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en Verordening (PRV) . Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied.

Deze zijn te vinden in het “Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden voor zover de onder het Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen. De vraag wanneer sprake is van een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden kan in het kader van het Natuurnetwerk Nederland niet in algemene zin beantwoord worden. In ieder geval worden alle plannen of projecten die ertoe leiden dat een deel van het netwerk een andere bestemming moet krijgen en daardoor uit de begrenzing moet worden gehaald als significant aangemerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://steenwijkerland.bestuurlijkeinformatie.nl/Document/LoadAgendaItemDocument/6fc17f77-ad80-4e4a-9b14-8b1b45e33788?agendaItemId=5988e4ab-cc67-4709-b982-cf77247af663